Een wasmachine die maar een á twee keer in de week een wasje hoeft te draaien, hoort er niet na een paar jaar al de brui aan te geven.
En dat is wél wat er aan de hand is.
Behalve wat vage geluiden die aan een waterpomp zonder water doen denken, gebeurt er verder niets.
De vuile was zal vuil blijven als ik geen actie onderneem.
Er zal gebeld moeten worden naar een reparateur en ik kan me zo voorstellen dat die om gegevens over de wasmachine zal vragen.
Zuchtend begin ik op de verschillende plaatsen waar ik spullen pleeg op te bergen te zoeken naar de papieren die ik bij de koop meegekregen heb.
Ik vind een oude versleten map waar “allerlei bewaren” op staat en inderdaad: daar zijn de papieren.
Die paar jaar blijken er overigens acht te zijn maar dat vind ik even goed nog geen reden om kapot te gaan.
Ik blader nog wat verder in die map en ga zo terug in de tijd, tot wel 25 jaar geleden.
Allerlei paperassen zijn inderdaad bewaard en ik vraag me af waarom, want van de meeste zaken weet ik niet eens het bestaan meer.
Plotseling valt mijn blik op een door mij geschreven tekst met daarboven als kopje “droom in de nacht van 15 op 16 februari tussen 6.15 en 6.45 uur”.
Er staat geen jaartal bij maar het moet niet zo lang na de onverwachte dood van mijn vader geweest zijn.
De klap van zijn dood kwam hard aan maar voor mijn moeder was het een mokerslag die de rest van haar leven nadreunde.
Een van de dingen die ze vreselijk vond, was dat ze geen afscheid van hem had kunnen nemen en dat ze dat nooit meer zou kunnen herstellen.
De mogelijkheid van een leven na de dood hield ze open maar ze geloofde er niet echt in.
De liefde van haar leven was er niet meer.
Soms droomde ze over hem maar steevast konden ze elkaar in zo’n droom niet bereiken.
Wat wij -de kinderen-  ook probeerden, we konden haar niet troosten.
Ik herinner me dat ik na de droom van 15 op 16 februari ogenblikkelijk daarna, gezeten op de rand van mijn bed, zoveel mogelijk flarden opgeschreven heb.
De droom was heel indringend geweest dus dat lukte wonderwel.
’s Avonds, na mijn werk,  heb ik op basis van die aantekeningen een verslag gemaakt om dat aan mijn moeder te laten lezen en misschien daarna ook nog wel eens aan een dromenuitlegger of zo.
Mijn moeder toonde wel interesse maar vond geen troost en dat plan van die dromenuitlegger heb ik maar laten varen.
Mijn gedachten dwalen af in de tijd.
Ik steek een pijp op en begin alle paperassen nog eens op mijn gemak door te nemen tot ik tenslotte weer bij die droom uit kom.
Aandachtig lees ik een paar maal mijn verslag.

 

 

droom, in de nacht van 15 op 16 februari                                                                                                                  tussen 6.15 en 6.45 uur

Ik kwam van de trap af van mijn eigen huis, waar ik een gesprek had met in ieder geval één vroegere collega van mijn vader, die tevens mijn leraar Engels is geweest.
Bij dit gesprek kwamen enige cartoonachtige tekeningen ter sprake die hij van collega’s gemaakt zou hebben. (mijn vader)
Eenmaal beneden aan de trap gekomen, bleek ik in mijn ouderlijk huis te zijn aanbeland, en om precies te zijn in de keuken waar mijn vader  bij het fornuis in een pannetje pap stond te roeren.
Ik besefte op dat moment dat hij dood was en dat ik droomde, maar het leek me een mooie gelegenheid om hem te vragen hoe het ging.
Dan zou ik dat na mijn droom aan mijn moeder kunnen vertellen.
Ik wilde deze kans niet laten glippen en dacht steeds maar: “Concentreren! Concentreren! Ik moet me concentreren! Ik moet dit beeld vasthouden!”
Ik stond vlak voor het gezicht van mijn vader dat heel duidelijk en helder was.
Een blij gevoel maakte zich van mij meester want ik wist dat ik nu dingen te weten zou komen die ik aan mijn moeder zou kunnen doorgeven.
We begroetten elkaar en mijn vader ging door met roeren.
Ik vroeg hoe het ging.
Het ging goed.
Ik zei:”Je kijkt anders niet vrolijk.”
Ja, hij had het druk.
Ik vroeg:”Waarmee dan?”
Hij had het druk met denken aan “moeilijke dingen”.
Was er nog wel tijd om te tekenen?
(Mijn vader was kunstenaar en tekenleraar geweest)
Ja, daar was nog wel tijd voor.
In de huiskamer waren ondertussen een paar Deense Dogachtige honden aan het stoeien, die ik er toen maar even uitgezet heb want die hoorden er niet.
Na dit voorval herinner ik me een gedeelte van mijn droom niet meer.
Wel weet ik dat er een ontspannen gesprekje volgde en dat we zelfs even gelachen hebben.
Op een gegeven ogenblik kwam mijn moeder de trap af.
Ik dacht weer: “Concentreren! Concentreren! Ik moet me concentreren!”
Want ik wilde weten of ze elkaar zouden tegenkomen; dan zou ik dat aan mijn moeder kunnen vertellen.
Mijn moeder was bijna beneden terwijl mijn vader naar de trap ging.
Ze omhelsden elkaar alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
In mijn droom kwam ik tot de conclusie dat dit inderdaad heel gewoon was: mijn moeder kwam “gewoon iets later”.
Het volgende ogenblik werd ik, net vóór de wekker zou aflopen, wakker.

 

 

Het wordt tijd om die reparateur maar eens te bellen.

 

 

 

Reacties mogelijk in het gastenboek.