Archive for maart, 2017

Wat geweest is, is geweest

Author: jeroenstamgast

“Het probleem met jou is dat je altijd tijd nodig hebt om te acclimatiseren,” zei mijn vader tegen mij, toen ik hem vertelde dat ik er niet veel aan vond in Monampteuil in Noord-Frankrijk. “Als je eenmaal een beetje gewend bent, zal je zien dat je het leuk gaat vinden. Je hebt gewoon wat meer tijd nodig dan een ander.”
Ik had daar nooit zo over nagedacht maar hij had gelijk.
Zo ging het altijd als ik een periode uit mijn vertrouwde omgeving gehaald werd.
In het begin kon ik mijn draai niet vinden, na een tijdje kreeg ik het inderdaad naar mijn zin en als de tijd er bijna op zat, wilde ik dat er nooit een einde aan zou komen.
Zo ook deze vakantie.
Nog één volledige dag in Frankrijk en dan zouden we terug naar huis gaan.
Er begon zich al een gevoel van heimwee te ontwikkelen naar iets wat voorbij was en nooit meer terug zou komen.
“Vind je het leuk om met mij mee te gaan en ergens wat te gaan tekenen?” vroeg mijn vader die ochtend.
“Wie gaan er nog meer mee?” vroeg ik.
“Niemand. Gewoon wij, met zijn tweetjes. We zoeken een oud kerkje op en dat gaan we dan op papier zetten.”
Ik haalde snel mijn schetsboek uit de stacaravan die we huurden en zette me naast mijn vader in de auto.
Eigenlijk had ik deze laatste volledige dag in Frankrijk door willen brengen met de Franse kinderen uit een paar van de andere stacaravans op het terrein, maar de kans om samen met mijn vader op pad te gaan wilde ik niet laten lopen.
Het gekke met mijn vader was dat we het nooit tegen elkaar zeiden maar dat we veel van elkaar hielden.
We reden door het Franse platteland, praatten over koetjes en kalfjes en ik voelde me gelukkig zonder precies te weten waarom.
We stopten bij een pittoresk kerkje in een stil dorpje en pakten onze tekenspullen.
Tijdens het tekenen op het oude kerkhof zeiden we niet veel maar dat was ook niet nodig.
Mijn vader, die tekenleraar was, schetste op professionele wijze naar de werkelijkheid en daar kon ik met mijn 16 jaar natuurlijk niet tegen op maar mijn resultaat mocht er wél wezen, vond mijn vader.
We waren net zo’n beetje klaar met tekenen toen we tot onze verrassing een bekende gestalte het kerkhof op zagen lopen.
“Nee maar! Henk! Hoe kom jij hier?” vroeg mijn vader verbaasd.
“Met de auto,” zei Henk lachend en gaf mijn vader en daarna mij een hand. “Toen we in Monampteuil hoorden dat je ergens aan het tekenen was geslagen, zijn we alle kerkjes uit de omgeving af gegaan want we dachten dat we je daar wel zouden vinden.”
Henk Beekman was ook tekenleraar- ik had zelfs les van hem op school- en bracht elk jaar de hele zomervakantie door in een huisje in Noircourt, een dorpje niet zo heel ver van Monampteuil.
We wandelden naar onze auto en zagen het bekende DAFje, met daarin zijn vrouw Inez en zoon Michel.
Michel was een grote, beetje zware jongen van mijn leeftijd, die op dezelfde school zat als ik, maar dan in een andere klas.
Meneer Beekman had afgesproken dat ze, net als twee jaar daarvoor, bij ons in Monampteuil langs zouden komen.
“We hebben dus geluk gehad dat jullie er nog zijn,” zei hij, toen we in onze stacaravan aan de koffie met lekkers zaten. “Ik had begrepen dat jullie later terug zouden gaan.”
“Nee, wij gaan morgen weer naar huis,” zei mijn vader.
“Ja, jammer,” moest ik even kwijt. “Wat mij betreft had ik nog wel langer willen blijven.”
Meneer Beekman keek even naar Michel, die onderuitgezakt over een stoeltje hing en toen naar mij.
“Als je wilt kun je bij ons logeren. Wij blijven tot het einde van de zomervakantie. Dat zou ook leuk zijn voor Michel want dan heeft die ook eens een leeftijdgenoot om mee te praten.”
Michel kwam een beetje overeind.
“Ik vind het best want ik verveel me zo langzamerhand te pletter daar,” zei deze.
“Nou Jeroen,” zei mijn vader. “Dit is je kans om langer in Frankrijk te blijven.”
Iedereen leek het plotseling een geweldig plan te vinden maar ik begon me zorgen te maken over het acclimatiseren waar ik moeite mee scheen te hebben.
Michel zat nu recht overeind op zijn stoeltje.
“Er is daar een mooi zwembad en ook een tennisbaan. Ik zou het leuk vinden als je met ons mee gaat,” zei hij wervend.
“Dat is dan afgesproken,” besliste meneer Beekman. “Jij gaat gezellig met ons mee!”
Behalve problemen met ‘acclimatiseren’ bleek ik nu ook problemen met ‘onverwachte wendingen in mijn bestaan’ te hebben maar ik durfde niet te zeggen dat ik bij nader inzien toch maar liever met mijn ouders mee terug naar huis ging.
En zo stapte ik een uur later met een tas kleren en een tandenborstel in het DAFje.
“Als ik thuis ben, zal ik je meteen een brief schrijven,” beloofde mijn moeder me bij het afscheid.
“Geef het even een kans en dan zal je zien hoe leuk het is,” zei mijn vader bemoedigend.
Waarschijnlijk hadden ze wel in de gaten dat ik zo mijn bedenkingen had over dit onverwachte buitenkansje.
En ik bleek gelijk te hebben!
Michel was, na vier weken intensief vervelen, niet vooruit te branden en was met moeite ergens toe aan te zetten.
Als ik niet dwingend voorstelde iets te gaan doen, gebeurde er gewoon niets.
Ondanks een bezoek aan het zwembad en een rondrit door de omgeving, kroop de eerste dag voorbij en was ik in gedachten constant bij het gezin waar ik deel van uitmaakte en dat nu, zonder mij, lekker naar huis ging.
Wat ik ook erg vond was, dat ik geen afscheid genomen had van de Fransen op de camping.
Wat moesten die wel niet van mij denken.
En dat allemaal door die stomme opmerking dat ik nog wel wat langer had willen blijven.
Ik voelde me doodongelukkig maar kon dat natuurlijk niet laten blijken.
De tweede dag bespeurde ik enige levendigheid bij Michel en hoefde ik wat minder aan hem te trekken om iets te gaan ondernemen.
’s Avonds zaten we onverwacht gezellig te kletsen bij het licht van een olielampje en rookte ik een pijp en hij een sigaar.
De dag daarop vroeg ik aan zijn ouders of het mogelijk was om een paar dagen eerder dan zij met de trein naar huis te gaan zodat ik de reparatie van mijn brommer af kon maken vóór ik weer naar school moest.
Waarschijnlijk hadden zij ook wel in de gaten dat er bij mij iets speelde dus ze vonden het
geen enkel probleem.
Toen er ook nog een brief van mijn moeder kwam waarin zij schreef dat mijn vader aan de Fransen uitgelegd had waarom ik geen afscheid genomen had, was ik helemaal gerustgesteld.
Wat volgden waren gezellige dagen waarin Michel zich ontpopte tot een leuke metgezel.
Overdag amuseerden we ons met van alles en nog wat en ’s avonds waren we vaak tot diep in de nacht, onder het genot van een pijp en een sigaar bij het schijnsel van een olielamp, aan het kletsen en filosoferen over zaken die belangrijk waren in ons toenmalige leven.
Toen we op het station op de trein wachtten die mij terug naar Nederland zou brengen, moest ik tot mijn ongenoegen constateren dat ik helemaal niet naar huis wilde.
Maar, eenmaal thuis in mijn vertrouwde omgeving, hoefde ik niet te acclimatiseren en kon het gevoel van een groot gemis over wat geweest was, beginnen.

Mijn vader is een moordenaar

Author: jeroenstamgast

Dit lied heb ik aan het eind van het vorige millennium geschreven om te kijken of ik het nog kon.
Daarna heb ik het op school in de loop der jaren vele malen met de kinderen uit mijn klas gezongen.
Ze waren enthousiast maar ik hoorde af en toe wel van ze dat sommige ouders vonden dat ‘die meester van jullie’ maar rare liedjes zingt.
De 17e  eeuwse gravures zijn van Claes Jansz. Visscher en Adraan van de Venne.
De opnames zijn weer gemaakt in de studio van mijn broer Marc.