Archive for december, 2016

Neem een hond

Author: jeroenstamgast

Moeizaam kwam hij overeind en zette zijn voeten op de grond naast het bed.
Wéér een dag, dacht hij. Hoe moet ik die nu weer doorkomen.
Hij had zich zijn pensionering wel anders voorgesteld.
Samen met zijn vrouw zouden ze er op uit trekken en eindelijk eens tijd maken voor elkaar.
Maar na een kort ziekbed was zijn vrouw overleden en de enige reis die hij gemaakt had, was die naar het crematorium.
Hij kwam alleen nog buiten de deur als hij boodschappen moest doen.
Hele dagen zat hij voor zich uit te staren of keek naar de televisie zonder te kijken.
Goed bedoeld bezoek van vrienden en kennissen werkte hij zo snel mogelijk de deur uit.
Alleen voor zijn kinderen maakte hij een uitzondering en probeerde hij aanspreekbaar te zijn.
Het waren lieve kinderen maar ze leidden hun eigen leven en hadden steeds meer moeite om tegen die muur van verdriet op te boksen.
Zijn kleinkinderen kwamen liever helemaal niet meer, dat merkte hij wel.
Op een gegeven moment was zijn oudste zoon het zat.
Het werd tijd voor een andere aanpak.
“Dit kan toch zo niet doorgaan! Ga eens wat doen met je leven. Je zei altijd dat je nooit tijd had voor je hobby’s. Nu heb je verdorie tijd zat en je doet helemaal niets.”
“Ik heb niemand om het samen mee te doen,” sprak de man mat.
“Doe het dan alleen of zorg ervoor dat je iemand vindt om het samen mee te doen.”
“Ik mis je moeder, jongen. En ik wil geen andere vrouw. Er is niemand om voor te zorgen.”
“Neem dan voor mijn part een hond. Die heeft zorg nodig en moet uitgelaten worden. Dan heb je tenminste een reden om naar buiten te gaan en kom je weer eens onder de mensen.”
“Een hond!” reageerde de man verontwaardigd. “Het is geen hond die overleden is hoor! We hebben het over mijn vrouw!”
“Dat weet ik ook wel,” sprak de zoon geïrriteerd. “Maar een hond dwingt je in ieder geval om in actie te komen zodat je kunt ontsnappen aan dat lamlendige gevoel van zelfmedelijden.”
De man keek verbijsterd naar zijn zoon.
“Ik begrijp heus wel dat je reden hebt tot zelfmedelijden,” sprak deze sussend. “Maar je moet echt iets gaan doen, pa. Anders zit je direct nog in een echte depressie.”
“Ik snap het,” spotte de man. “Als je vrouw is overleden, neem je gewoon een hond en alles komt goed. Dat ik daar zelf niet op gekomen ben. Dom van me.”
Wat volgde was een gesprek dat niet erg wilde vlotten en de zoon verliet mismoedig het huis.
“Ik zie je binnenkort wel weer,” zei hij nog bij het weggaan.
“Ja, als ik tenminste niet met mijn hond op pad ben!’’ riep de man hem na.
Gezeten op de rand van het bed, overdacht hij het gesprek met zijn zoon.
En dat was niet de eerste keer.
Eigenlijk had hij er de laatste dagen veel aan gedacht.
Misschien had zijn zoon gelijk en was dit inderdaad een manier om te ontsnappen aan die vicieuze cirkel van overweldigend verdriet en volslagen nietsdoen.
En zo kwam het dat hij de eigenaar werd van een hond uit het asiel.
Het was een ouder exemplaar maar dat vond hij fijn want als het experiment mislukte, hoefde hij in er ieder geval niet lang voor te zorgen.
Verder had hij gevraagd om een hond die veel zorg nodig had, zodat hij gedwongen werd om bezig te zijn.
Ze hadden een dikke, astmatisch aangelegde en vermoeid ogende, middelgrote hond van onbestemd ras voor hem uitgezocht en gevraagd of hij het wel zeker wist omdat het dier al veel teleurstellingen in zijn lange leven had moeten meemaken.
Hij keek de schlemiel in de ogen, herkende de meelijwekkende triestheid en wist het zeker.
Hij richtte een mooie bench voor hem in, die alleen maar ’s nachts gebruikt werd omdat de hond overdag het liefst met zijn dikke lijf bij hem op schoot zat.
Het gevolg was dat de man zijn luie stoel verruilde voor de bank, zodat de hond naast hem kon liggen en hij slechts die grote kop op zijn schoot hoefde te dulden.
Hij liet hem drie keer per dag uit maar het werden geen lange wandelingen zoals hij zich voorgesteld had omdat de hond er al na een paar honderd meter hijgend de brui aan gaf.
Ook het gooien met een tennisbal was geen succes omdat het dier al na één keer ophalen uitputtingsverschijnselen vertoonde.
Meestal zat hij daarom maar op het bankje bij het uitlaatveld, met die dikke dweil half op zijn schoot, te kijken naar al die honden die wél aan het rennen en spelen waren.
Toch kon je aan alles merken dat de hond blij was met zijn nieuwe baas en, of die nieuwe baas nu wel of niet blij was met zijn nieuwe aanwinst, hij had in ieder geval een doel in zijn leven.
De hond moest verzorgd worden.
Wat hij ook wel fijn vond was dat er hondeneigenaars op het uitlaatveld waren die met elkaar praatten.
Al vrij snel werd hij ook bij de gesprekken betrokken en leerde hij de mensen kennen.
Hij begon zich wat beter te voelen en vond dat hij een goede beslissing genomen had.
Maar op een avond, hij was vroeg naar bed gegaan omdat hij zich zo akelig voelde, stortte hij in.
Wanhopig vocht hij tegen zijn depressieve gedachten tot hij het opgaf en hartverscheurend begon te huilen.
Eindelijk gaf hij zich gewonnen en liet hij zich helemaal gaan.
Vaag hoorde hij het gepiep van zijn hond achter de slaapkamerdeur.
Hoe was die nou boven gekomen?
Verward stopte hij met huilen en tot zijn stomme verbazing zag hij hoe zijn hond de slaapkamer binnen kwam strompelen.
Het dier had met een voor hem onmogelijk gehouden inspanning de deurklink naar beneden weten te krijgen en zo de deur geopend.
Hij wist met veel moeite op het bed te klimmen en begon de tranen van zijn baas weg te likken.
Aan zijn piepende ademhaling was te horen hoeveel moeite het hem gekost moest hebben om zijn baas te redden uit het diepe dal.
Ondanks zichzelf moest de man glimlachen.
Wie zorgde nou voor wie?
Dit werd het definitieve omslagpunt.
Vanaf nu ging het langzaam maar zeker beter.
Hij kreeg zelfs kennis aan een gescheiden vrouw met een chihuahua.
Ze waren al een paar maal bij elkaar op de koffie geweest en hij had veel over zijn overleden vrouw verteld.
“Misschien wordt het langzamerhand eens tijd voor een nieuwe vrouw,” zei ze, toen ze op het bekende bankje bij het uitlaatveld zaten met die oude lobbes tussen hen in.
“Ja, misschien wel,” mijmerde de man. “Maar voorlopig heeft die hond me nog nodig.”
“Nou, als ik hem zo bekijk heeft die zijn langste tijd wel gehad. Wat ga je bijvoorbeeld doen als hij dood is?”
“Dan neem ik een nieuwe hond,” sprak de man resoluut.

Beroepseer

Author: jeroenstamgast

Tijd om naar bed te gaan, vond de doodgraver.
Hij rekte zich eens lekker uit en stond op van zijn stoel om de deur op slot te doen.
Waar heb ik de sleutels ook alweer gelaten, dacht hij en keek om zich heen. O ja, in mijn dienstjas natuurlijk.
Het was een drukke dag geweest.
Vele doden waren geborgen en het was nogal laat geworden, zodat hij geen zin had gehad om zich na het werk om te kleden.
Hij graaide in de zak van zijn dienstjas en haalde daar een sleutelbos uit.
Op dat moment werd er op de deur geklopt.
Wie kan dat nou zijn op dit late uur, dacht de doodgraver en keek voor alle zekerheid door het kijkgaatje in de voordeur.
Er was niets te zien in het donker.
Hij vertrouwde het niet.
“Wie is daar?” riep hij op goed geluk naar de andere kant van de deur.
“Hein!” klonk het van de andere kant.
Hein, dacht de doodgraver. Ik ken geen Hein.
“Komt u morgen maar terug!” riep hij en hoopte dat die Hein vanzelf zou afdruipen als de deur gesloten bleef.
Gespannen luisterde hij naar de dodelijke stilte die volgde.
Zo verliepen er een paar minuten, die uren leken te duren en waarin niets gebeurde.
Nou kan ik twee dingen doen, dacht de doodgraver. Ik kan de deur gewoon op slot doen en naar bed gaan, of ik kan eerst toch nog even voor alle zekerheid kijken of hij écht weg is.
Hij koos voor de tweede optie, opende heel voorzichtig de deur en keek door een kier in de duisternis.
Niets te zien, constateerde hij tevreden.
Opgelucht sloot hij de deur, rekte zich nog eens lekker uit en gaapte hartstochtelijk.
Daarna draaide hij zich om en even dacht hij dat hij ter plekke dood zou neervallen.
Hij stond oog in oog met een lange magere gestalte, gekleed in een zwarte mantel die tot op de grond reikte.
Oog in oog kon je eigenlijk niet zeggen omdat de kap om zijn hoofd zijn gezicht en dus ook zijn ogen onzichtbaar maakte.
In zijn ene hand hield hij een zeis en in zijn andere een zandloper.
“D-d-d-dat is…U-u bent M-Magere Hein,” stamelde de doodgraver.
“Ah! U kent mij dus wel! Daarnet bij de voordeur dacht ik even dat dat niet het geval was. En dat zou vreemd zijn voor iemand met een beroep als dat van u.”
“Hoe bent u binnengekomen?” vroeg de doodgraver.
“Door de achterdeur natuurlijk. Zo kom ik wel vaker bij de mensen binnen. Erg populair ben ik bij de meeste klanten niet en dan word je vindingrijk om ze toch van dienst te kunnen zijn.”
“Van dienst te kunnen zijn, klanten…” herhaalde de doodgraver geïrriteerd. “Het gaat niet over klanten hoor, maar over doden!”
“Uw klanten zijn toch ook dood en u levert ze een dienst, nietwaar…”
“Nee, ik lever mijn diensten aan de familie en vrienden van de dode. De levenden dus!”
“Wel, als ik mijn diensten aan de klant aanbied leven ze ook nog.”
“Maar daarna zijn ze dood!”
“Inderdaad. En dan stopt u ze onder de grond. Op deze manier leveren we allebei een bijdrage aan de dienstensector. Maar kom, het wordt uw tijd,” besloot Hein.
“Maar ik heb morgen drie begrafenissen te doen,” sputterde de doodgraver tegen. “Ik heb geen tijd hoor.”
“Vanaf nu heeft u alle tijd,” stelde De Dood hem gerust en stond op het punt om de zandloper om te draaien.
“Wacht!” riep de doodgraver, die probeerde tijd te rekken. “Is er- omdat we eigenlijk collega’s zijn- niet een andere oplossing te bedenken?”
“Nou, collega’s…” mompelde De Dood. “Ik zie u toch meer als een amateurtje hoor. Maar goed, wat wilt u dan nog?”
“Leven!” riep de doodgraver. “Ik wil blijven leven!”
“Tsja,” filosofeerde De Dood. “U kunt uw klanten beloven dat ze dood blijven maar ik kan mijn klanten niet beloven dat ze in leven blijven. Dáár zit een wezenlijk verschil.”
“Kunt u niet iemand anders meenemen?” probeerde de doodgraver nog.
“Nee, ik heb u als klant op gekregen. De Grote Baas is daar heel duidelijk in geweest.”
“Maar hiernaast woont iemand die ligt te creperen en wél graag dood wil. Waarom neemt u die niet mee?”
“Omdat De Grote Baas vindt dat zijn tijd nog niet gekomen is.”
“En de tijd van dat kleutertje verderop dan! Waarom moest die dan dood?”
“Omdat zijn tijd gekomen was.”
“Wie bepaalt dat dan?”
“De Grote Baas.”
“Maar dat is toch oneerlijk!” riep de doodgraver uit. “Waarom doet die Grote Baas van jou zo oneerlijk?”
“Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk,” stelde De Dood nuchter vast. “Ik doe alleen maar wat me opgedragen wordt.”
De doodgraver besefte dat verder tegensputteren geen zin meer had.
“Dan heb ik nog één wens,” zei hij.
“Daar was ik al bang voor,” zuchtte De Dood. “Nou, voor de draad ermee!”
“Ik weet niet hóe ik dood moet maar ik wil graag een móóie dode zijn. Tenslotte zorg ik er zelf bij al mijn doden ook voor dat ze er mooi uit zien. Ik zou graag in die stoel daar willen zitten met een goed boek in mijn handen. Kan dat?”
“De Grote Baas had voor u een hartaanval in gedachten, dus: vooruit dan maar.”
De doodgraver zorgde ervoor dat hij er onberispelijk uit zag, pakte een boek met de verzamelde werken van Shakespeare uit de boekenkast en ging kaarsrecht in zijn stoel zitten met het boek opengeslagen op zijn schoot.
“Leest u Shakespeare?” vroeg De Dood ongelovig.
“Nee, maar op deze manier wil ik laten zien dat ik niet van de straat ben. Ik wil niet alleen een mooie, maar ook een interessante dode zijn. Zie het maar als beroepseer.”
De Dood schudde zijn hoofd, tikte met zijn zeis tegen de nek van de doodgraver en draaide de zandloper om.
Die is dood, dacht hij. Maar zo ziet hij er niet uit.
Hij keek misprijzend naar het lijk dat kaarsrecht overeind zat met een hand op het opengeslagen boek.
Dat kan zo écht niet, besloot hij.
Hij trok aan de benen van het lijk zodat het onderuitgezakt kwam te liggen, liet het boek op de grond vallen en legde de hand op het hart dat niet meer klopte.
Zo, nou laat ik tenminste een dode achter die er als een dode uit ziet, dacht hij tevreden.
“Ik heb tenslotte ook mijn beroepseer,” mompelde hij en verliet het huis door de voordeur.