Archive for november, 2016

De kale jonker

Author: jeroenstamgast


De eerste regels van dit lied en de melodie kwamen lang geleden op in mijn hoofd, tijdens een lange fietstocht na een langdurig feest.
Later heb ik het afgemaakt en dertig jaar niets meegedaan, behalve dan dat ik het heel af en toe, als ik in een bepaalde stemming was, voor mezelf gezongen heb in de hoop me een beetje prettiger te voelen.
Laatst heb ik de tekst wat verbeterd en mijn broer Marc heeft er, tijdens de opnames in zijn studio, een prachtige gitaarpartij aan toegevoegd.

Waar men zijn hoofd legt

Author: jeroenstamgast

“Waar ik mijn hoofd leg, is mijn huis,” zegt een vriend van mij altijd.
Volgens mij is dit een matige vertaling van een Engelse uitdrukking, maar ik moet zeggen: hij leeft er wel naar.
Van woning naar ziekenhuis, van ziekenhuis naar revalidatiecentrum, van revalidatiecentrum naar aangepaste woning met een rolstoel; het boeit hem niet echt.
Hele dagen is hij achter de computer bezig met het maken en verwezenlijken van plannen.
“Ik leef in mijn hoofd,” zegt hij dan.
Dat ‘leven in je hoofd’ herken ik wel- bij gebrek aan beter fantaseer ik er lustig op los- maar ik wil toch wel een lekker plekje hebben om dat hoofd op te leggen als ik klaar ben met fantaseren.
En wat is dat dan, een lekker plekje?
Voor mij persoonlijk heeft het te maken met een plek waar je je veilig terug kunt trekken en waar je je thuis voelt.
En voor dat ‘thuis’ voelen heb ik niet eens zoveel nodig.
Belangrijk zijn mijn oude houten PTT bureau, waar ik meestal achter te vinden ben, mijn boekenkast met boeken, foto’s en cassettebandjes uit Frankrijk, een warm bed en tenslotte een koffiezetapparaat, als symbool van gezelligheid.
Hoewel ik graag bij iemand langs ga, vind ik het heerlijk om alleen thuis te zijn.
Aanstaande vrijdag ga ik trouwens op bezoek bij vriend Robin in zijn nieuwe huis te Rotterdam.
We zien elkaar onregelmatig- vaak zitten er jaren tussen- maar als we dan eens afspreken, is het alsof we elkaar niet lang daarvoor nog gesproken hebben.
Met Robin heb ik nog op kamers gewoond.
We woonden in die tijd nog bij onze ouders, waar we het allebei naar onze zin hadden maar de leeftijd was gekomen om het ouderlijk huis te verlaten, vonden wij.
In ons stamcafeetje stelden wij een advertentie op voor in het plaatselijke leugenaartje.
‘Twee studenten zoeken woonruimte. Omgeving Beverwijk noodzakelijk.’
We deelden de advertentiekosten en verwachtten er niet teveel van want ook in die tijd was het niet makkelijk om aan kamers te komen.
Tot onze verbazing kregen we meerdere reacties.
Men was nieuwsgierig naar wie er achter die eigenaardig opgestelde advertentie schuil gingen.
Toen we het krantje er nog eens op nasloegen bleek er te staan: ‘Twee noodzakelijke studenten zoeken omgeving Beverwijk.’
En zo kregen we, dankzij die rare advertentie, een gemeubileerde bovenverdieping tot onze beschikking, bestaande uit een woonkamer en twee slaapkamers; en nog voor een redelijke prijs ook!
Doordeweeks zat ik in militaire dienst, dus bleef het weekend over om te wonen.
Bij Robin was het al snel andersom.
Doordeweeks zat hij op de Pedagogische Academie en in het weekend woonde hij in Rotterdam bij zijn vriendin, die hij pas had leren kennen.
We leefden dus volkomen langs elkaar heen.
Het hele huis interesseerde  me trouwens niet.
De eerste keer dat ik er- na een week militaire dienst- zou overnachten, wist ik niet eens meer  welk huis het was.
Gelukkig herinnerde ik me nog wel in welk deel van de straat het ongeveer was.
En zo sloop ik die vrijdagnacht, na sluitingstijd van de kroeg, van deur tot deur om, door stiekem mijn huissleutel in een slot te steken, te ontdekken welk huis daar bij hoorde.
Toen Robin en ik elkaar toevallig eens tegenkwamen- in de kroeg, niet thuis- besloten we om een punt achter ons samenwonen te zetten.
Robin ging naar zijn vriendin in Rotterdam en zou daar zijn opleiding afmaken en ik ging in de weekends weer naar mijn ouderlijk huis.
Daar bleek ik geen eigen kamer meer te hebben.
Mijn vader had, omdat ik op mezelf was gaan wonen, van de gelegenheid gebruik gemaakt om de muur tussen zijn atelier en mijn kamer weg te breken om zo een grotere werkruimte voor zichzelf te creëren.
Mijn spullen lagen op zolder achter het schot en ik lag ’s nachts op een matras in het atelier.
Erg vond ik het niet, daar ik in die tijd nogal uithuizig was, maar het was wel een raar idee dat ik geen eigen plekje meer had om me terug te kunnen trekken tussen mijn vertrouwde spulletjes.
Toen ik na mijn diensttijd dan ook weer een ruimte voor mezelf gevonden had- een kleine kamer op een verbouwde boerderij die zó donker en vochtig was dat ik haar ‘mijn grotje’ doopte- wist ik dan ook niet hoe snel ik mijn persoonlijke bezittingen er naar toe moest brengen.
Ik had weer een thuis!
Mijn ouderlijk huis bleef ik overigens vaak bezoeken want dat was, dankzij mijn ouders, ook een thuis.
Toen zij er op een gegeven moment niet meer woonden, was de ziel eruit en was het een huis als alle andere huizen geworden.
Dát thuis bestaat alleen nog in mijn hoofd, dat ik overigens steevast elke avond met een huiselijk gevoel te rusten leg.