Archive for april, 2016

Leren van elkaar

Author: jeroenstamgast

De laatste jaren van mijn onderwijzersbestaan voelde ik me af en toe net als een vader van een groot gezin.
Mijn eigen kinderen waren inmiddels volwassen en wat ik elke dag voor me zag, waren in mijn beleving echt kindertjes.
Een bijzonder gevoel eigenlijk, dat pseudovaderschap.
Mijn hoofdtaak was natuurlijk om de kinderen kennis bij te brengen en dat deed ik dan ook plichtsgetrouw.
Ik was wat dat betreft geen gemakkelijke voor ze; er moest wél gewerkt worden en verder geen gezeur.
Maar ik vond het ook heerlijk om af en toe lekker af te dwalen met gesprekken over zaken die misschien niet zoveel te maken hadden met de lesstof maar die wel belangrijk waren in een kinderleven.
Of ik pakte mijn gitaar en we gingen samen zingen, samen lachen om een grap en die hoefde echt niet alleen van mij te komen, het delen van verdriet of het zoeken naar een oplossing voor een probleem.
Kortom: samen leven en beleven van een schooljaar.
De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat het natuurlijk lang niet altijd rozengeur en maneschijn was.
Af en toe gebeurde er wel eens iets en was de saamhorigheid ver te zoeken.
Maar altijd kwam het weer goed.
Hoewel je als leerkracht verantwoordelijkheid draagt voor de groep en er daardoor als het ware bovenstaat, maak je er tegelijkertijd ook deel van uit.
Alle individuen, met hun verschillende achtergronden en eigenschappen en de gedragingen die daarbij horen, vormen samen de groep.
Bijna alsof die groep een identiteit heeft waar je van kunt houden.
Zoals een vader van zijn gezin houdt bijvoorbeeld.
Verscheidene groepen zijn me echt dierbaar geweest.
De eerste jaren van mijn onderwijzersbestaan had ik dat nog niet zo.
Er waren beslist kinderen waar ik een band mee had en ik deed mijn best om het gezellig te maken in de klas maar ik had nog het idee dat ik afstand moest bewaren om mijn gezag in stand te houden.
De kinderen mochten vooral geen zwakheden of twijfels bij me zien of denken dat ik ze leuk vond.
Ik deed me voor als rots in de branding en was tijdens de lesuren stugger en afstandelijker in de omgang dan ik in werkelijkheid was.
Er was een duidelijke scheiding tussen de groep en mijzelf
Onverwacht is in die houding van mij, door omstandigheden, verandering gekomen.
Het begon na een weekend met een optreden van de band Haddock.
Hoewel ik snipverkouden was, mijn hoofd bonkte en mijn stem hees was, zong ik mee uit volle borst.
Om mijn benauwdheid te verlichten snoof ik flink uit een inhaler, veel meer dan de toegestane dosis.
De volgende dag was ik mijn stem kwijt.
Ik kon alleen nog maar fluisteren.
Hoe moest dat nou op school?
Een onderwijzer zonder stem is als een timmerman zonder hamer.
Die stem was mijn gereedschap waarmee ik de zaak in het gareel hield.
Ziek melden vond ik geen optie maar ik had met het hoofd der school afgesproken dat ik dat wél zou doen als het echt niet meer zou gaan.
Die maandagochtend stond ik om half negen enigszins onzeker naar de groep te kijken die pratend en lachend was gaan zitten.
Normaal gesproken zou ik beginnen met praten, waarna de groep stil zou vallen.
Maar dat ging nu dus niet.
Met grote letters schreef ik ‘STILTE A.U.B.’ op het bord.
Dit had effect en de kinderen keken me verbaasd aan want zo begonnen we nooit.
Moeizaam fluisterend legde ik uit wat er aan de hand was.
Ik eindigde mijn betoog met de mededeling dat, als de kinderen een tijdje van me af wilden, dít hun kans was want ik had geen zin om mijn stem verder te vernielen met proberen boven allerlei lawaai uit te komen.
Het cynische ondertoontje van deze opmerking ontging de kinderen.
Ze keken me ernstig aan en ik meende iets van begrip en medelijden in hun ogen te zien.
Wat er daarna gebeurde is iets wat ik nooit had verwacht.
De kinderen hielden zich zó stil en luisterden zó braaf als ik iets te vertellen had, dat ik ondanks mijn fluistervolume, gewoon alles kon doen wat er op het programma stond.
En dat hielden ze de hele week vol!
En de weken daarna, tot mijn stem weer voldoende hersteld was en de groep vond dat ze nu wel genoeg rekening met me gehouden hadden.
Toch was er iets wezenlijks veranderd in onze verstandhouding.
Aan het einde van die eerste week wilde ik nog iets aardigs zeggen voordat iedereen naar huis zou gaan.
Het laatste half uurtje van de week hadden we, zoals gewoonlijk, toneelstukjes gedaan en de kinderen kauwden tevreden op hun chocotoffee die ze verdiend hadden omdat iedereen zijn weektaak af had.
Terwijl ik ze bedankte voor hun medewerking en ik fluisterde dat ze een geweldige klas waren, keek ik naar die blije open gezichten en opeens besefte ik dat ik naar een eenheid keek.
Alle kinderen hadden in eensgezinde saamhorigheid de meester er doorheen gesleept.
We vormden werkelijk een groep met elkaar!
Een plotseling opkomend gevoel van ontroering overweldigde me en ik kwam even niet goed uit mijn woorden.
Onhandig en kwetsbaar stond ik daar en wist me met mijn figuur geen raad.
Met een spontaan applaus redde de groep me uit deze benarde situatie en tevreden ging iedereen het weekend in.

En dan nu, om na bijna veertig jaar onderwijs in stijl af te sluiten, de evaluatie en een wijze les van een voormalige schoolmeester.
Als onderwijzer mag ik de kinderen in al die jaren dat ik les gaf dan misschien veel geleerd hebben, als mens heb ik veel van hén geleerd.
Oprechte belangstelling voor elkaar en interesse in elkaar, doen wonderen.

Ben de Macht

Author: jeroenstamgast

“>

Het lied ‘Ben de Macht’ heette eerst ‘The Galway Curse’. Ik had het eind jaren zeventig van de vorige eeuw, samen met mede HADDOCK bandlid André Uitgeest, geschreven. Het was een van de weinige eigen nummers op ons repertoire van Ierse liederen. Aan het begin van het nieuwe millennium, Haddock was toen al jaren ter ziele, heb ik het nummer van het Engels naar het Nederlands overgezet en daarbij de inhoud en de clou veranderd. Daardoor en doordat het tempo van het lied hoger ligt dan eerst en het op een andere manier gezongen dient te worden, is het meer een Hollands sprookje geworden dan een Ierse sage. Om er toch een beetje Ierse sfeer aan te geven, heb ik er de door mij in 1986 in Ierland gemaakte foto’s aan toegevoegd. De twee HADDOCK foto’s (zoek de verschillen) zijn gemaakt door Hans Droge en Peter Schoonen. De opnames zijn gemaakt in de studio van Marc Stam.

Mooi zijn kost geld

Author: jeroenstamgast

Met mijn jongste dochter Brontë, achttien is ze inmiddels, ga ik eens in de zoveel tijd een dagje naar Haarlem met de trein.
We slenteren dan wat door de binnenstad, eten Vlaamse frites bij de Grote Markt, drinken ergens iets, kletsen over van alles en nog wat en hebben het gezellig met elkaar.
Het is een overblijfsel uit de tijd dat zij en haar zeven jaar oudere zus Amber nog klein waren en we ons in de schoolvakanties op een uitje trakteerden.
Ze mochten dan ook altijd iets kleins uitzoeken als souveniertje.
Dat laatste doe ik eigenlijk met Brontë nog steeds.
Tegenwoordig houdt dat dan in dat we een aantal kledingwinkels in- en uitlopen tot Brontë iets leuks gevonden heeft, wat dan gekocht wordt.
In die winkels tref je bijna alleen maar jongeren aan, meestal meisjes, en soms een moeder.
Brontë vindt het niet erg om zich daar met haar oude vader te vertonen en vraagt zelfs wel eens mijn mening als ze tussen een paar leuke kledingstukken moet kiezen.
Dat is dan meestal op het laatst, bij de pashokjes.
Tot die tijd houd ik me altijd een beetje op de achtergrond omdat het niet leuk kleding kijken is met een niet in kleding geïnteresseerde vader in je kielzog.
Ik zoek dan altijd een plekje op, met overzicht op het kooplustige jonge volkje.
Zo ook deze keer.
Twee vriendinnen zoeken verwoed tussen allerlei rekken met kleding naar iets van hun gading.
Uit hun gesnater kan ik opmaken dat het iets moois moet zijn voor op een feest waar ze naar toe zullen gaan.
Het ene meisje heeft iets leuks gevonden maar vindt het wel erg duur.
Er ontstaat een levendige discussie over het wel of niet aanschaffen van het kostbare kledingstuk, waarbij het andere meisje erop blijft hameren dat ‘mooi zijn’ nou eenmaal geld kost.
Hoe het afloopt kom ik niet te weten want Brontë komt alweer aanzetten met de mededeling dat ze het hier wel gezien heeft.
Op naar de volgende kledingzaak!
Natuurlijk vindt ze later iets leuks en mag ik even een boekenzaak in, waarbij Brontë degene is die zich op de achtergrond houdt.
Het wordt tijd voor de terugreis en we slenteren weer naar het station.
Bij ‘Café Petit Paris’ houden we, zoals gewoonlijk halt om iets te drinken.
Tot mijn verrassing zie ik daar die twee vriendinnen uit de kledingwinkel aan een tafeltje zitten, met drie jongens erbij.
Terwijl Brontë en ik ons aan het tafeltje ernaast zetten, voert het meisje dat vindt dat ‘mooi zijn’ geld kost, het hoogste woord.
De jongens hebben alle aandacht voor haar en het andere meisje zit er maar een beetje bij.
Eén keer lijkt het alsof ze zich in het gesprek wil mengen maar besluit dan om dat maar niet te doen.
Ze kijkt wat voor zich uit, terwijl de jongens aan de lippen van haar vriendin hangen.
Het meisje opent haar tas en kijkt naar het dure kledingstuk dat ze blijkbaar toch gekocht heeft.
Mooi zijn mag dan geld kosten maar met het uiterlijk zoals zij dat heeft, kan dat wel eens onbetaalbaar gaan worden.
Met plaatsvervangende bitterheid constateer ik dat schoonheid oneerlijk over de mensen is verdeeld.
Ik kijk naar Brontë en ben blij dat zij zich in ieder geval niet over oneerlijkheid hoeft te beklagen.
Echte schoonheid kost geen geld.
Maar ik heb te doen met dat kind en haar kostbare aanschaf.
In de trein naar huis zie ik veel lelijke mensen om me heen.
Misschien zal dat dure kledingstuk op het feest toch nog een goede investering blijken te zijn.