Archive for november, 2015

Dood spoor

Author: jeroenstamgast

De goed geklede jongeman kon zich niet goed meer herinneren hoe hij uit zijn auto was gekropen.
Ook wist hij zich weinig te herinneren van het ongeluk van vlak daarvóór.
Duidelijk was dat zijn auto, die bij de botsing een boom had geraakt, niet meer verder kon.
Zijn mobieltje had geen bereik en hij had dus geen hulp kunnen inroepen.
De jongeman was daarop maar gaan lopen door het troosteloze landschap, waar geen teken van leven te bespeuren was.
De weg waarover hij liep werd steeds smaller, ging over in een pad en was tenslotte zelfs verdwenen.
Hij volgde nu de roestige rails van wat waarschijnlijk een goederenspoorlijntje was.
Op deze manier hoopte hij in de bewoonde wereld uit te komen.
En het liefst een beetje snel want het begon al te schemeren.
Ook werd het steeds kouder en begon het te waaien.
Hij zette de kraag van zijn modieuze jas op en vloekte zachtjes in zichzelf.
Het was al bijna donker toen hij de contouren van een huisje langs het spoor zag.
Hij versnelde zijn pas en kwam bij het gebouwtje dat veel weg had van een stationnetje, ook al omdat er een perronnetje langs de rails lag.
Er brandde geen licht en er werd niet opengedaan, nadat hij herhaaldelijk op de deur gebonsd had.
Hij liep om het gebouwtje heen en zette zich op een bankje op het perron.
Hier zat hij in ieder geval uit de wind en kon hij zijn vermoeide benen even rust geven.
Na een tijdje vroeg hij zich af of hij niet kon proberen in het stationnetje in te breken om daar de nacht door te brengen.
Plotseling hoorde hij het geluid van naderende voetstappen.
“Wacht u op de trein?” vroeg een stem die bij de naderende voetstappen hoorde.
“Rijden die hier nog dan?” vroeg de jongeman op zijn beurt en keek naar een oude man in een donker soort uniform.
“Soms,” antwoordde deze. “Maar komt u eerst even mee naar binnen. U ziet er dodelijk vermoeid uit.”
De jongeman volgde de oude man naar de deur en stond even later in een kleine ruimte die geheel uit hout leek te bestaan.
Vloer, muren en plafond waren volledig bedekt met houten planken.
De oude man glimlachte toen hij de verbaasde blik van de jongeman zag.
“U vindt het er hier misschien een beetje vreemd uit zien maar ik vind het zeer rustgevend. Ik zal me even voorstellen. Mijn naam is Aardewerk en u bent…”
“Frits Landgraaf,” zei de jongeman en schudde een hand die koud aanvoelde.
“Ga zitten, Frits. Dan kunnen we even wat nader kennismaken.”
De oude man stak een grote kaars aan die de kamer wonderbaarlijk goed verlichtte.
“Heeft u hier telefoon?” vroeg Frits. “Mijn mobieltje heeft geen bereik.”
“Helaas, nee. Maar maakt u zich niet ongerust. U hoeft hier niet lang te blijven. Ik zal zorgen dat u opgehaald wordt. Vertelt u eens: zijn er dingen in uw leven waar u spijt van heeft?”
Wat een rare vraag, dacht Frits en kreeg een onbehaaglijk gevoel.
“Niet echt,” antwoordde hij.
Er viel een stilte en Frits keek om zich heen.
Zou die oude man hier wonen?
Het leek hem maar een dooie bedoening hier en hij dacht aan zijn modern ingerichte woning in het uitgaanscentrum van de stad.
“Zijn er zaken in uw leven waar u trots op bent?” vroeg de oude man en keek hem onderzoekend aan.
Frits begon zich steeds onbehaaglijker te voelen en begon zich ook steeds meer te ergeren aan die rare vragen.
Waar bemoeide die vent zich mee!
Maar ja, hij had hem nodig om hier weg te komen en hij had in ieder geval een dak boven zijn hoofd.
Op eigen gelegenheid weggaan was voor hem op dit moment geen optie, in dit donkere niemandsland.
Hij besloot dus maar om antwoord te geven.
“Nou ja, ik heb een goede baan en een mooi appartement,” antwoordde hij stuurs.
Weer viel er een drukkende stilte.
“Zijn er soms ook dingen in uw leven die u anders had willen doen?”  vervolgde de oude man.
Nu werd het Frits toch te gortig!
“Luister. Ik vind het aardig van u dat u mij wilt helpen maar ik heb geen zin om mijn hele ziel en zaligheid hier op tafel te leggen. Waarom vraagt u dit allemaal?”
“Juist om u te helpen. Maar ik zal u verder niet meer lastig vallen. Eén vraag nog: is er iemand die u zou missen als u er niet meer was?”
“Als ik er niet meer was, zou ik natuurlijk ook niemand missen,” zei Frits knorrig.
“Nee, dat bedoel ik niet. Wie zou ú missen, bedoel ik.”
Frits dacht na.
Echte vijanden had hij niet maar ook geen echte vrienden of een vaste relatie.
Hij had zijn werk en geld om uit te geven aan wat hij maar begeerde.
Was dat niet genoeg?
“Ik weet het niet hoor,” mompelde hij.
“Denk goed na,” sprak de oude man. “De trein kan elk ogenblik hier zijn.”
Plotseling werd Frits bang.
Doodsbang!
Het angstzweet brak hem uit.
Waarom wist hij zelf niet.
“Schiet op! Anders zit u op een dood spoor,” spoorde de oude man hem aan.
Frits dacht koortsachtig na en voelde zich in een flauwte wegglijden.
Wie zou hem missen?
Wie?
Misschien…
Toen hij weer bij bewustzijn kwam, bleek hij in een ziekenhuisbed te liggen.
Hij opende zijn ogen en zag het bezorgde gezicht van zijn moeder over hem gebogen.

Stoorzender

Author: jeroenstamgast

 

Ik zal een jaar of zestien geweest zijn.
Het was zaterdagavond en ik ging in die tijd nog niet uit.
Het hele gezin- vader, moeder en vier kinderen, waarvan ik de oudste was- zaten gezellig bij elkaar in de woonkamer voor de televisie.
Mijn vader had, als altijd, een groot tekenblok op schoot en maakte schetsen van ons of van beelden die hij op tv zag.
Mijn moeder had, zoals gewoonlijk, de dag ervoor op de markt wat lekkers gekocht voor bij het gezellig samenzijn.
Die avond zouden we gaan kijken naar de populaire familieshow ‘een van de acht’ , gepresenteerd door Mies Bouwman, een begrip in die tijd.
Dat gold ook voor ons; we hadden er zin in!
De kinderen waren allemaal in bad of onder de douche geweest en staken in pyjama.
Ik ook en ik was blij dat mijn vrienden en klasgenoten hier geen weet van hadden.
Dit knusse gevoel van saamhorigheid ging hen niets aan.
Bij het journaal waren ze net aan het weerbericht begonnen, toen er op het raam geklopt werd.
Verbaasd keken we elkaar aan en mijn moeder schoof het gordijn iets opzij om te zien wie dat toch wel mocht zijn.
Even was ik opgelucht dat ik niet in het spottende gezicht van een vriendje keek maar wat ik wél zag deed mijn opluchting snel verdampen.
Achter het vensterglas zagen we in het donker een hoofd en daarboven een hand die langzaam heen en weer bewoog.
Het hoofd vertoonde akelig veel gelijkenis met dat van een oude bekende die de vervelende gewoonte had om bezoekjes af te leggen als niemand daar prijs op stelde.
Twee pretoogjes keken ons aan, een beminnelijke glimlach verscheen en daarna verplaatste het theater zich naar onze voordeur.
Inderdaad, dit was meneer Burgers, die zo vriendelijk was om met zijn onaangekondigde bezoek onze avond te verpesten.
Teleurgesteld en woedend fluisterden we door elkaar, met als grootste gemene deler het dringende verzoek “Stuur hem weg.”
Zuchtend stond mijn vader op met de mededeling “Jullie weten best dat dat niet kan. Misschien blijft hij niet zo lang. En gedraag je hoor,” voegde hij er aan toe.
Na het openen van de voordeur drong de hoge scherpe stem meteen al door tot in de woonkamer en weldra kwam, wat erbij hoorde, opgewekt pratend de woonkamer binnen.
Ondanks de vitale vrolijkheid die meneer Burgers uitstraalde, vond ik dat hij echt een oude man geworden was.
Hij stond lang niet meer zo recht als vroeger en ook de rimpels in zijn gezicht en de wallen onder zijn ogen logen er niet om.
“Tjonge tjonge, dat is een tijd geleden!” riep hij enthousiast terwijl hij ons allemaal uitgebreid de hand schudde en wij probeerden onze ergernis te verbergen.
“Nee, laat dat onding maar aanstaan hoor!” riep hij naar mijn moeder die naar de televisie onderweg was om deze uit te zetten.
Een moment meende ik iets van spijt in zijn gezicht te zien toen mijn moeder dit daadwerkelijk deed, maar daarna ging hij goedgehumeurd op mijn moeders plaats op de bank zitten.
Nadat iedereen een stuk was opgeschoven zodat mijn moeder ook weer een plaatsje had, begon onze ongenode gast genoeglijk en luid, verslag te doen van de goede schoolresultaten van zijn kleinkinderen.
Hij concurreerde qua volume met de inmiddels begonnen STER reclame op tv.
Die werd dus wat zachter gezet zodat hij ons op minder oorverdovende wijze op de hoogte kon brengen van het wel en wee in zijn familie.
Toen hij klaar was met zijn betoog, viel er even een stilte omdat niemand van ons spontaan iets zinnigs wist uit te brengen.
Gelukkig was de reclame op tv er nog en we keken allemaal aandachtig naar een spotje over kunstgebittenkleefpasta.
Meneer Burgers veerde op.
“Ja dat is toch wel erg! Er zijn tegenwoordig al een heleboel jongelui die met zo’n kunstding rondlopen terwijl dat helemaal niet nodig is, als je je gebit maar goed verzorgt.”
Hij stond op, klapte enige malen zijn kaken op elkaar, trok zijn lippen uit elkaar en boog zich naar ons toe, zodat we goed zijn nog gave tanden konden zien.
Wij, de kinderen, keken elkaar aan en voelden de ‘slappe lach’ opkomen.
Mijn vader signaleerde dit en begon gauw over de foto’s die meneer Burgers meegenomen zou hebben.
“Ze zitten nog in mijn jaszak,” zei deze en kwam redelijk kwiek overeind om ze te gaan halen.
En zo ging er tijdens het eerste kwartier van ‘een van de acht’ een verzameling foto’s rond die allemaal luidruchtig van commentaar voorzien werden.
“En, wat vindt kunstenaar Stam ervan?” vroeg hij olijk na afloop.
“Interessant,” vond mijn vader.
Meneer Burgers begon aan een verhandeling over goede amateurfotografie maar bleef halverwege zijn betoog steken omdat hij afgeleid werd door een leuk programmaonderdeel van de familieshow.
Tot onze vreugde begon hij mee te kijken en stil te vallen.
Af en toe vertelde hij nog wel iets over de show wat we zelf ook zagen maar we konden ons tenminste weer op Mies Bouwman en haar show concentreren.
Toen het grootste deel van het programma erop zat, vond hij het blijkbaar welletjes.
Hij gaf ons allemaal hartelijk en uitgebreid een hand, stond een tijdje breeduit in beeld om de foto’s in de goede volgorde te leggen en ging daarna dan toch naar de gang, waar mijn vader al wachtte.
Een zucht van verlichting ging door de kamer toen de voordeur dichtsloeg en we weer ‘onder ons’ waren.
Onverwacht werd er op het raam getikt.
Mijn moeder schoof het gordijn iets opzij en we zagen weer dat gezicht.
“Bedankt voor de gezellige avond!” riep het gezicht, om meteen daarna in de duisternis te verdwijnen.
En jij voor het verpesten van die gezellige avond, dacht ik maar tegelijkertijd had ik ook met hem te doen.
Dit was dus wat er van je overblijft als je oud en overbodig geworden bent: een stoorzender.
We keken nu naar het laatste deel van de show met Mies Bouwman, die de legendarische woorden sprak: “Licht uit, Spot aan.” Waarna de lopende band gestart werd.
Ik keek om me heen naar het gezellige gezinnetje dat we met elkaar vormden en hoopte maar dat het nog lang zou mogen bestaan.
“Reken daar maar niet op,” zei een stoorzender diep in me.