Archive for september, 2015

Een goede soldaat

Author: jeroenstamgast

 

Lichting  77 – 2  was ik.
Toen ik mijn oproep voor het vervullen van mijn militaire dienstplicht kreeg, sprak ik met de school waar ik een invalbaan had af dat ik tot de kerstvakantie zou blijven.
Zo ontstond er voor mij een hele lange kerstvakantie, die ik lanterfantend doorbracht, tot ik daadwerkelijk mijn twee maanden durende opleiding bij de verbindingsdienst onderging.
Voor mijn gevoel bracht ik ook die periode voornamelijk lanterfantend door.
Vlak voordat ik naar mijn onderdeel overgeplaatst zou worden had ik het, na een herkeuring, voor elkaar gekregen dat ik ongeschikt werd verklaard voor de parate troepen.
Helaas had de korpsleiding na enig zoeken voor mij een plaats bij de militaire administratie in Den Haag geregeld.
En zo arriveerde ik die ochtend in uniform bij de kazerne aan de van Alkemadelaan waar ik mij melden moest.
Met frisse tegenzin sjokte ik de trappen van het gebouw op tot ik bij de kamer van sergeant-majoor Macrooij kwam.
Die bleek de ruimte te delen met sergeant-majoor Sittrop die zich strategisch voor de ingang opgesteld had en mij kritisch van onder tot boven opnam.
Hij was een slanke, goed verzorgde, al wat oudere militair van Indische afkomst die, met zijn mooie krulsnor, zo uit het KNIL afkomstig leek te zijn.
Ik salueerde en sprak, zoals ik geleerd had, de woorden “Soldaat Stam meldt zich.”
Sergeant-majoor Sittrop keek me spottend aan.
“Zo Stam. Dus jij vindt jezelf een soldaat? Je ziet er eerder uit als een vieze dweil die nodig uitgewrongen moet worden. Wat een vertoning! Hebben ze je bij de opleiding GVD niet geleerd hoe een soldaat er uit hoort te zien? Straks ga je eerst die baggerschoenen van je maar eens poetsen! En wat is dát GVD nou weer?”
Hij wees naar een vlek op mijn uniform.
“Luister goed!” brulde hij. “Dat je je ’s nachts met je uitgezakte lijf aan de vrouwtjes vergrijpt  wil nog niet zeggen dat je de spermaresten op je uniform moet achterlaten! Poeki ajam!”
Ik keek hem stomverbaasd aan.
Zo’n militair had ik tijdens mijn twee maanden durende opleiding in de verste verten niet meegemaakt.
“Wat kom je hier eigenlijk doen?”
“Dat vraag ik mezelf ook af,” flapte ik eruit.
Normaal gesproken zou deze opmerking op zijn minst enige consequenties hebben maar bij Sittrop leek het of ik iets van een glimlach onder zijn snor zag.
Vervolgens begon hij mij op niet mis te verstane wijze uit te kafferen, daarbij gebruik makend van een arsenaal vloeken die ik lang niet allemaal kende.
Ik stond nog steeds in de houding en vroeg me af waar de verborgen camera kon zijn waarmee alles opgenomen werd.
Na een tijdje was hij uitgeraasd en zag ik een tweede sergeant-majoor verschijnen.
“Wie is dat?” vroeg de al wat oudere militair van Surinaamse afkomst aan Sittrop.
“Dat is een uitgescheten hoop stront die beweert dat hij soldaat is. Het heeft nog een naam ook: Stam.”
“Wat komt hij hier doen?”
“Dat vraagt hij zichzelf ook af.”
Ik stond nog steeds in de houding terwijl ik uitlegde dat ik van mijn meerderen de opdracht gekregen had om me te melden bij sergeant-majoor Macrooij.
“Dat ben ik,” sprak Macrooij. “Kom maar mee naar binnen.”
In de kale ruimte stonden twee bureaus tegenover elkaar.
Beide militairen namen plaats en ik stond er een beetje bij.
Macrooij bladerde in een stapeltje papieren en haalde er eentje tussenuit.
“Ja, hier staat het: soldaat Stam, afkomstig van de verbindingsdienst en nu geplaatst op de administratie als ‘toegevoegd schrijver’. Dat is op de kazerne aan de overkant maar aan deze kant val je onder mijn gezag dus pas op je tellen!”
“En onder mijn gezag,” vulde Sittrop aan. “Want ik heb een nieuwe barvoorzitter nodig nu die andere minkukel afzwaait.”
“Barvoorzitter?” vroeg ik verwonderd.
“Ja. Barvoorzitter. Ben je doof of zo? Je moet GVD die mesthoop eens uit je oren scheppen. Ik zet je op de kamer van de barcommissie en jij hebt er de verantwoordelijkheid voor dat alles goed loopt.”
“Maar ik heb nog nooit in de horeca gewerkt. Ik weet niet eens hoe ik bier moet tappen,” wist ik uit te brengen.
“Dat dondert niet. Ik heb iemand nodig als barvoorzitter waar ik van op aan kan en geloof me of niet, ik denk dat jij dat bent. De vorige barvoorzitter is er nog en zal je alles wel uitleggen. En nou: ingerukt mars!”
“De kamer van de barcommissie is aan het einde van de gang,” vulde Macrooij grijnzend aan.
Volkomen in de war bereikte ik de barcommissiekamer waar zich inderdaad de net nog niet afgezwaaide barvoorzitter bevond.
We maakten kennis en hij bracht me op de hoogte van de gang van zaken.
Om te beginnen moest ik vooral niet denken dat die twee sergeant-majoors niet goed bij hun hoofd waren.
Ze hadden in het verleden hun sporen verdiend en waren uiteindelijk nog even hier gestationeerd tot ze met pensioen konden gaan.
Omdat ze dat eigenlijk beneden hun waardigheid vonden deden ze waarschijnlijk zo raar.
De meeste dienstplichtigen van de administratie woonden in Den Haag of omgeving en gingen elke avond gewoon naar huis.
Degenen die verder weg woonden sliepen op de kazerne.
Op initiatief van Sittrop was er op zolder een barretje gebouwd dat de toepasselijke naam ‘Het Zolderke’  gekregen had.
Het Zolderke was elke avond geopend van 19.00 tot 0.00 uur, zodat er voor de kazerneblijvers een huiskamerachtige plek met wat gezelligheid was.
Sittrop zelf maakte overigens af en toe ook gebruik van het barretje als hij ‘overleg met collega’s’ had.
Iemand van de barcommissie moest dan bedienen en de taak van de barvoorzitter was om dat te regelen.
Belangrijk was dat Het Zolderke niet in opspraak raakte want dat zou problemen voor Sittrop op kunnen leveren.
Het voordeel voor de barcommissieleden bestond eruit dat ze vrijdagmiddag als iedereen nog aan het werk was, na het opmaken van de kas, naar huis mochten.
Dat was het in grote lijnen.
’s Avonds druppelden de barcommissieleden na hun werk binnen en ik vertelde ze dat ik tot nieuwe barvoorzitter gebombardeerd was.
Als eerste moesten we de verdeling van de avonden opnieuw regelen want er waren twee afzwaaiers.
Niemand wilde op de maandag dus dat deed ik dan maar.
Dat was opgelost.
De barcommissieleden die geen vaste avond hadden zouden af en toe dienst doen als Sittrop de bar nodig had en verder hand- en spandiensten verrichten.
’s Avonds was er een afzwaaifeest dus ik kon meteen aan de bak.
Sittrop was ook aanwezig en bleek hem wel te lusten, hoewel hij geen spoor van dronkenschap vertoonde.
Hij hield zelfs nog een mooie toespraak voor de afzwaaiers, gelardeerd met vloeken en grofheden.
Hij was populair bij de dienstplichtigen van de administratie maar opvallend was dat ze veel respect voor hem toonden.
Ook werd de bar keurig op tijd gesloten en opgeruimd.
“Dat is belangrijk,” zei Sittrop tegen me toen hij me na afloop even apart nam. “Het Zolderke moet van onbesproken gedrag blijven en daarom heb ik jou gekozen als barvoorzitter want jij lijkt me nou precies de kloothommel die daar voor kan zorgen. Alhoewel je verder natuurlijk een prul van een soldaat bent,” voegde hij eraan toe. “Dat vraag ik mezelf ook af..,” herhaalde hij schamper mijn woorden van eerder op die dag.
Hij schudde zijn hoofd en daalde waardig de trappen af.
Met de bar ging het goed.
De maandagavond, die altijd slecht bezocht was, werd populair omdat ik mijn onhandigheid als kastelein compenseerde door extra gezellig te zijn en al vrij snel kwamen er steeds meer dienstplichtige bezoekers waardoor alles nóg gezelliger werd.
De maandagavond werd de avond om het verdriet over het voorbije weekend weg te drinken en de nieuwe werkweek in te luiden.
Ik kreeg er steeds meer lol in, zorgde ervoor dat niemand dronken werd en dat alle afspraken goed nagekomen werden.
Sittrop kon op me vertrouwen en deed dat blijkbaar ook want hij bemoeide zich nauwelijks met de gang van zaken in Het Zolderke.
Hoe anders ging het eraan toe op  de ‘Afdeling Overplaatsingen Onderofficieren’ op de grote kantoorflat aan de overkant van onze kazerne waar ik tewerkgesteld was.
Neem alleen al de manier van omgaan met elkaar.
De dienstplichtigen werden niet als soldaten behandeld maar als medewerkers die met hun voornaam aangesproken werden.
De omgangsvormen hadden een informeel karakter maar sergeant-majoor Hoogestein waar ik mee te maken had, liet er geen twijfel over bestaan dat er precies gedaan moest worden wat hij wilde.
Op beleefd vriendelijke wijze werd ik achter mijn vodden aan gezeten.
Het gevolg was dat ik steeds harder ging werken om hem te laten inzien dat deze manier van opjagen niet nodig was maar het stimuleerde Hoogestein alleen maar tot nóg meer opjagen.
Dat leverde hem af en toe problemen op want, hoewel er meestal meer dan genoeg te doen was- en daar ging hij altijd prat op, soms was er echt even niets en dan moest hij snel een klusje voor mij verzinnen.
Ik voelde me door dat overdreven op mijn huid zitten gekleineerd en Hoogestein moet het gevoel gehad hebben dat ik hem door steeds harder te werken, vaak met een nors gezicht, uitdaagde en zijn gezag ondermijnde.
We begrepen elkaar niet.
En was het nou maar een vervelende vent geweest dan had ik er mee leren leven.
Maar eigenlijk was hij gewoon een aardige man.
Tijdens de koffie vertelde hij wel eens iets over zichzelf waardoor ik ook een kwetsbare kant van hem zag.
Soms gaf hij me een complimentje waardoor ik me bijna schuldig ging voelen over mijn negatieve gedachten.
Op deze manier ontstond er steeds meer spanning tussen ons.
Het ging pas echt fout toen ik na twee maanden bij de chef van de afdeling geroepen werd.
Normaal gesproken werd je na twee maanden werken op de administratie tot ‘soldaat 1’ bevorderd zodat je de laatste twee maanden van je diensttijd korporaal zou zijn.
Maar volgens de chef had Hoogestein aangegeven dat ik nog niet aan mijn bevordering toe was.
Waarschijnlijk zou dat twee maanden later wél het geval zijn.
Die gemiste bevordering interesseerde me niet zoveel maar ik vond de gang van zaken dermate kinderachtig en onrechtvaardig dat ik alvast meedeelde dat ik die komende bevordering zou weigeren, wat ik twee maanden later ook daadwerkelijk deed.
Daarmee bracht ik de chef in een lastig parket omdat ik zo de enige dienstplichtige op de administratie was die niet bevorderd werd en dat zou vreemd gevonden worden op de andere afdelingen.
Ik hield voet bij stuk en was daardoor de eerste dienstplichtige soldaat die aan het einde van zijn dienstplicht zonder bevordering de administratie zou verlaten.
Dat deed de verhouding tussen Hoogestein en mij geen goed en onze kleine oorlog woedde voort.
De bom barste toen ik enige maanden later tijdelijk aan de ‘Afdeling Overplaatsingen Officieren’  uitgeleend werd.
Daar heerste een leuke sfeer en men verwonderde zich over het door gewenning ontstane moordende tempo waarmee ik mijn werkzaamheden verrichtte.
Toen de kolonel mij vroeg of ik in staat zou zijn om in een paar maanden tijd de volledige administratie op te schonen, reageerde ik enthousiast.
Het leek me heerlijk om hier te werken.
De kolonel nam contact op met Hoogestein die helaas zijn medewerking niet kon verlenen omdat het op zijn afdeling, zoals altijd, razend druk was.
En zo zat ik de volgende dag vieze of beschadigde kaartjes te vervangen omdat er even geen ander werk voorradig was.
Dit was voor mij de druppel die de emmer deed overlopen en de week daarop meldde ik mij ziek.
Die week bracht ik wandelend en fietsend door en ik kwam tot de conclusie dat het erg slap van mij was om voor zoiets onbenulligs weg te lopen.
Als ik hier voor wegliep, kon ik overal wel voor weglopen.
Toen ik maandag weer op kantoor verscheen werd ik meteen door Hoogestein apart genomen.
“Ga zitten, Jeroen. Het wordt tijd dat wij eens gaan praten,” zei hij vriendelijk. “Vertel maar wat je dwars zit.”
Dat deed ik, maar doordat ik het gevoel had dat er echt geluisterd werd, deed ik dat op zo’n manier dat ik ook mijn eigen rol in onze moeizame verhouding niet uit het oog verloor.
Hij liet me helemaal uitpraten en het was even stil voor hij het woord nam.
“Ik waardeer het dat je de schuld niet alleen bij mij legt. Maar nou moeten we een oplossing vinden. Wat is je voorstel?”
“Nou majoor, als u me aan het begin van de week of desnoods aan het begin van de dag vertelt wat u van mij verwacht, dan zal ik ervoor zorgen dat alles op tijd gedaan is. En als er dan nog tijd overblijft, zal ik zelf een klus vinden.”
“Laten we dat doen,” zei hij en zo gebeurde het ook.
Al vrij snel waren we gewend aan deze manier van werken en de laatste maanden van mijn diensttijd bracht ik redelijk ontspannen door en Hoogestein misschien ook wel…
De dag dat ik afzwaaide had ik gebak voor de hele afdeling meegenomen en het afscheid was hartelijk te noemen.
Iedereen schudde me de hand maar Hoogestein hield zich wat afzijdig.
Ik liep op hem toe en stak mijn hand uit.
“Bedankt voor de laatste maanden majoor. Die waren eigenlijk best wel te doen.”
“En jij bedankt dat we ondanks een slechte start toch op deze manier afscheid van elkaar kunnen nemen.”
We keken elkaar zonder iets te zeggen voor de laatste keer aan.
’s Avonds was er in Het Zolderke een gezellig afzwaaifeest en Sitrop hield weer op zijn eigen onnavolgbare wijze een afscheidsspeech.
Tijdens het opruimen van de bar nam hij me even apart.
“En Stam, vraag jij je nog steeds af wat je hier kwam doen of ben je GVD eindelijk die slijmerige hersendrab van je eens gaan gebruiken?”
“Nou majoor, ik heb in ieder geval een hoop ervaring opgedaan,” ontweek ik de vraag.
“Dan is dát wat je hier gedaan hebt, poeki ajam!”
We keken elkaar een ogenblik aan en ik vroeg me af of ik nog iets zeggen moest.
Sergeant-majoor Sittrop vond blijkbaar van niet.
“En rot GVD nou maar gauw op naar je veilige burgerleventje want een goede soldaat zul je toch nooit worden!”
Hij schudde zijn hoofd en daalde waardig de trappen af.