Archive for januari, 2015

Boerenwijsheid

Author: jeroenstamgast

Ik was een jaar of 11 toen ik op een ochtend midden in de zomervakantie heel vroeg wakker werd.
Het was al licht maar nog stiller dan anders op de hoek van Heemskerk, zoals wij dat noemden.
Vanuit de woonkamer keken we uit over de weilanden met in de verte het Marquettebos.
En vanuit het raam van de slaapkamer van mijn zusje Cécile, die zich aan de zijkant van het huis bevond, zag je ook weilanden maar dan met in de verte de spoorlijn aan de horizon.
Ik keek door het zolderraam aan de achterkant van het huis naar de achtertuintjes van onze buurt en zag dat ook daar alles nog in diepe rust verzonken was.
Zachtjes ging ik naar beneden en smeerde voor mezelf een paar boterhammen met pindakaas.
Na ook nog een glas melk gedronken te hebben, kleedde ik me aan en ging naar buiten.
Alles zag er in de prille ochtendzon prachtig uit en je hoorde bijna geen geluid.
Ik stak de straat over en besloot om lekker door de weilanden te gaan zwerven.
Af en toe sprong ik over een slootje en zo bereikte ik het landgoed Marquette, dat toen nog bewoond werd door jonkheer Gevers.
In alle stilte wandelde ik door het Marquettebos.
Mijn vriendjes en ik kwamen daar wel vaker maar waren altijd op onze hoede omdat je daar eigenlijk niet mocht komen.
Van de jonkheer hadden we niet veel te vrezen- die was bijna altijd op het kasteel- maar voor Boer van de Berg, die op het landgoed een boerenbedrijf had, waren we als de dood.
Deze boer hield- al of niet op verzoek van de jonkheer- een oogje in het zeil en wist je op niet mis te verstane en eventueel hardhandige wijze duidelijk te maken dat je daar niet thuishoorde.
Maar hij was nergens te bekennen en zo bereikte ik veilig de Grote Holle Boom aan de rand van het landgoed.
Ik klom erin en plaatste mijn benen in het holle gedeelte van de boom.
Van daaruit had ik, prettig gezeten, een mooi uitzicht over de weilanden met in de verte de boerderij van Boer Hendriks, waar we ook wel eens op bezoek gingen.
Niet dat deze boer nou zo vriendelijk tegen iedereen deed- de meeste jongens joeg hij zonder pardon van zijn land- maar een paar uitverkorenen, waaronder ik, waren min of meer welkom.
Ik keek dus uit over die weilanden en zag in de verte een stipje dat mijn kant opkwam.
Toen dat stipje groter werd, bleek het geen volwassene te zijn maar een kind.
Daar had ik dus niets van te vrezen en ik sprong vanaf een overhangende tak naar de overkant van het slootje, dat de grens van het landgoed markeerde.
Ik was benieuwd wie dat toch wel mocht zijn.
Hij was in ieder geval nog vroeger dan ik de weilanden ingegaan.
Tot mijn stomme verbazing en blijdschap bleek het mijn twee jaar jongere broertje Marc te zijn.
Ik versnelde mijn  pas tot ik bij een brede sloot kwam met Marc aan de andere kant ervan.
We wisselden wat wetenswaardigheden uit en overlegden hoe we bij elkaar konden komen.
Volgens Marc was er een eind verderop een sluisje waar je overheen kon klimmen.
Gezellig kletsend volgden we de sloot tot we inderdaad bij dat sluisje uitkwamen.
Ik had gedacht dat Marc wel naar mij toe zou komen maar hij wilde nog even langs Boer Hendriks dus ik was degene die, moeizaam mijn evenwicht bewarend, het smalle sluisje over moest zien te komen.
Een kwartiertje later kwamen we bij de onbewoonbaar verklaarde boerderij aan waar Boer Hendriks zijn vee  ’s winters op stal hield.
Zelf woonde hij in Castricum en hij fietste elke dag naar zijn boerderij waar het leek of de tijd had stilgestaan.
Voor het geld hoefde hij het niet meer te doen want zijn vrouw had in huizen belegd en volgens Marc had ze half Castricum in haar bezit.
Hij boerde dus nog voor zijn plezier op een manier zoals ze dat vóór de oorlog ook deden.
Alle moderniteiten waren aan hem voorbij gegaan.
Hij molk de koeien met de hand, pompte met een zwengelpomp de drinkgoot vol met water, reed over zijn land met paard en wagen, ruimde met een mestvork alle mest op en rommelde verder maar wat aan.
Het was een in zichzelf gekeerde vrijbuiter die eigenlijk aan iedereen maling had.
Hij kon heel onaardig doen tegen mensen maar om de een of andere reden had hij voor ons, en vooral Marc, een zwak.
Wij mochten hem helpen op de boerderij en ik heb tot mijn veertiende regelmatig koeien gemolken, de drinkgoot volgepompt, naast hem gezeten op de bok van de wagen met het paard Mina ervoor en met de kalfjes gespeeld.
Tijdens een werkpauze draaide hij met zijn dikke vingers een sjekkie en zaten we gezellig te kletsen.
Op zijn manier was het een filosoof die op een originele manier tegen de wereld aankeek en af en toe hadden we redelijk diepgaande gesprekken voor een eenvoudige boer en twee kinderen.
Hij was niet zo groot maar wel heel breed en ijzersterk.
Ik bewonderde hem om zijn kracht en om zijn onafhankelijke manier van met de wereld omgaan.
Zo wou ik ook wel zijn maar na mijn dertiende jaar ging ik er niet meer heen en was ik met andere dingen bezig.
Jaren later ben ik nog eens met Marc, die wel nog een beetje contact met hem had, meegegaan naar zijn huis.
Zijn vrouw was overleden, de boerderij had hij van de hand gedaan, hij was oud en dik geworden maar hij was goed gemutst en bij het weggaan kregen we een lekkere tulband mee, die hij weer van zijn broer, Bakker Hendriks, had gekregen.
Nog meer jaren later zocht ik hem met Marc op in het verzorgingstehuis waar hij terecht gekomen was.
Hij was moddervet geworden, kon bijna niet meer lopen maar had zijn onafhankelijke geest behouden.
Hij had veel lol met de zustertjes, vertelde hij en hij liet zich regelmatig rondrijden in een mooie auto door een neef, die zijn financiën  beheerde en hem daarmee belazerd had.
Hij had deze neef voor de volgende keuze gesteld: óf hij zou de bak indraaien, óf hij beloofde regelmatig met Boer Hendriks op stap te gaan en het verduisterde geld mocht hij dan wel houden.
In een lijkwade zitten geen zakken, vond Boer Hendriks en van deze oplossing hadden ze tenminste allebei voordeel.
Leven en laten leven!
Maar zover was het nog lang niet toen Marc en ik die mooie zomerochtend met Boer Hendriks het land opgingen om de koeien te melken.