Archive for september, 2013

Fietsvakantie tegen wil en dank

Author: jeroenstamgast

 

Daar stonden we dan: druipend van de regen, ver van huis, moedeloos kijkend naar de invallende duisternis.

 

En dan te bedenken dat ik in deze hele onderneming geen moment zin had gehad.
We waren op een feestje- het examenjaar van de havo zat er bijna op- en we hadden het over het op vakantie gaan na het behalen van ons diploma.
Ik was heerlijk aan het fantaseren geslagen en vertelde over wilde plannen om met de fiets naar Frankrijk te gaan.
Al vrij snel had ik door mijn overdreven enthousiasme de lachers op mijn hand.
Cor, een stugge, uit de kluiten gewassen slagerszoon waar ik niet zoveel contact mee had, nam me na afloop even apart en vroeg of hij niet met me mee kon naar Frankrijk.
Ik was nog aan het nagenieten van mijn succes als entertainer en stemde zonder na te denken toe, op voorwaarde dat hij alle voorbereidingen zou treffen voor de expeditie.
Zo moest hij bijvoorbeeld ook voor een fiets zorgen want die had ik niet meer.
Ik reed brommer in die tijd.
Al vrij snel na de diploma-uitreiking belde Cor me op met de mededeling dat we eens bij elkaar moesten komen om de datum van de vakantie naar Frankrijk vast te leggen.
Alle andere zaken had hij al geregeld.
Ook voor een fiets had hij gezorgd.
Als ik akkoord ging kon ik voor 35 gulden een fiets kopen die hij gevonden had door alle advertentierubrieken in de plaatselijke krantjes uit te pluizen.
Had ik geen geld?
Geen zorg!
We konden drie weken in de timmerfabriek van zijn grootvader werken.
Hoe ik ook probeerde om er onderuit te komen, Cor had voor alles een oplossing en ik durfde niet te zeggen dat mijn enthousiaste fietsplannen als grapje bedoeld waren.
En zo vertrok ik een maand later vanaf de slagerij op een oude zwarte herenfiets met mijn ziel onder mijn arm, samen met Cor, naar Frankrijk.
Een lichtpuntje was nog dat we bij mijn ouders langs zouden gaan die een huisje zouden huren in Noord-Frankrijk waar ze met het gezin- minus mij dus- twee weken zouden blijven.
Zo had ik in ieder geval nog een soort doel voor ogen.
Na twee dagen kwamen we een eenzame fietser tegen- Wim- zoon van een binnenvaart- schipper, die min of meer met ruzie vertrokken was omdat hij deze zomer niet wilde helpen op het schip en gewoon vakantie wilde.
Zijn spullen zaten in een keurige koffer achter op zijn bagagedrager en een tent had hij niet.
En zo sliepen we de rest van de fietsvakantie met z’n drieën in een tweepersoonstent, als sardientjes in een blikje.
Om geld te besparen deden we aan “wild kamperen” of we sliepen bij een boer in de hooiberg.
Af en toe overnachtten we op een camping om ons te douchen en om de kleren eens te wassen.
Ons driemansschap, door toeval bij elkaar gekomen en door omstandigheden tot elkaar veroordeeld, begon langzaam maar zeker toch een eenheid te vormen.
Cor, de praktisch aangelegde lomperik, bestierde ons huishouden, Wim, de “laat maar waaien” grappenmaker, zorgde voor de gezelligheid en ik, de smeerolie tussen die twee, verleende hand- en spandiensten.
We hadden het gevoel toch wel een bijzondere vakantie mee te maken.
Het begon pas fout te gaan na ons driedaags verblijf in het vakantiehuisje van mijn ouders.
We hadden alledrie zin om weer naar huis te gaan maar op de fiets gaat dat niet zo snel.
Om niet dezelfde weg terug naar huis te hoeven nemen fietsten we eerst naar Dieppe, om van daaruit langs de kust naar het noorden te fietsen.
Tot Dieppe ging het nog redelijk maar daarna begonnen de onderlinge irritaties toe te nemen.
Tijdens het fietsen werd niet veel meer gezegd.
Cor bereidde in zichzelf mopperend de maaltijd, die vervolgens zwijgend genuttigd werd en ik waste de pannetjes af, onderwijl in stilte alles en iedereen verwensend.
De bom barstte toen Cor niet ver van de tent achter een struik zijn behoefte had gedaan en de wind onze kant op stond.
Wim vroeg zich af of Cor soms stront in zijn hersens had om uitgerekend dáár te poepen zodat we nu de hele nacht in zijn stank zouden zitten.
Cor brulde als antwoord dat Wim ook ergens anders dan in zíjn tent kon gaan slapen als het hem niet beviel.
Even dreigden ze met elkaar op de vuist te gaan en het kostte me de nodige moeite- geheel uit eigenbelang natuurlijk- om dat te voorkomen.
Die nacht en de volgende dag werd er geen woord meer gewisseld terwijl de regen tijdens het fietsen met bakken tegelijk naar beneden kletterde en het steeds harder begon te waaien.
Toen het tijd werd om ergens in dit kale, verwaaide en natgeregende landschap ons tentje op te zetten, moesten we wachten totdat het even droog was – of in ieder geval bijna droog-  omdat anders de tent zou gaan lekken.
En daar stonden we dan: druipend van de regen, ver van huis, moedeloos kijkend naar de invallende duisternis.
Ik voelde me doodongelukkig en vroeg me af hoe we de nacht zouden doorbrengen als het bleef regenen en of ik überhaupt nog ooit thuis zou komen.
Cor snoot luidruchtig zijn grote neus in een rode zakdoek
“Zo te horen gaat het nog onweren ook,” mopperde Wim en liet een knetterende scheet.
We keken elkaar gelijktijdig aan en schoten in de lach.
De ban was gebroken.
Praten was weer mogelijk.
Niet dat het direct gezellig werd maar door de opluchting hierover was de sfeer aanmerkelijk verbeterd.
We voelden ons verbonden in de narigheid.
Net toen het echt donker begon te worden stopte het even met regenen.
“Dit is onze kans!” riep Cor en haalde zo snel hij kon de tent uit de tentzak.
Ik begon vlug de tentstokken in elkaar te zetten en Wim sorteerde reeds de haringen en de lijnen.
Het viel niet mee om het geval overeind te krijgen in de stormachtige wind maar alles ging razendsnel door onze goede samenwerking.
Het begon alweer te regenen toen we onze tassen en de koffer van de fietsen haalden en in de tent zetten.
De slaapzakken waren nog droog en werden op de gebruikelijke manier uitgerold.
Die van mij in het midden met de “instap” bij de tentopening en die van Cor en Wim ernaast met de instap aan de andere kant.
We trokken onze natte troep uit en iets droogs aan.
“Ik heb honger,” zei Cor en begon allerlei etenswaren uit te stallen.
“En ik dorst,” zei Wim en haalde de fles wijn die hij voor thuis gekocht had, tevoorschijn.
Voor alle zekerheid zette ik die van mij ernaast.
De lantaarn van Cor verspreidde een gezellig licht en we voelden ons de koning te rijk, terwijl  storm en regen onze benauwde veste belaagden.
We lieten ons het eten en drinken goed smaken en waren weer vol goede moed.
En zo beleefden we in dit kleine tentje, midden in het kale, verwaaide en natgeregende landschap het gezelligste moment van de hele vakantie.
We dachten wel dat we de keren dat we elkaar na de fietsvakantie zouden ontmoeten, het juist daarover zouden hebben.

Die ene keer dat we elkaar later nog eens gezien hebben, was dit inderdaad het geval.

Scène 8

Author: jeroenstamgast

Tijl en de geleerde ezel

 

 

VERTELLER: In de nu volgende scène ontmoet Tijl een leuk meisje, Nele genaamd.
In het verhaal van Charles de Koster komt zij in het begin al voor en is het zijn vaste vriendin.
De moeder van Nele is overigens gek geworden na de uitgebreid beschreven martelingen die zij moest ondergaan.
Bij ons is daar natuurlijk geen sprake van. Stel je voor!

 

 

Tijl, de waard en de professor (met zijn neus in de boeken) zitten aan tafel.

 

WAARD: Wat kijk je somber, Tijl. Is er iets?
TIJL: Ach, ik weet het niet…
WAARD: Wat weet je niet?
TIJL: Wist ik het maar.
PROFESSOR: Heren, als jullie geen gesprek op niveau kunnen houden, doe het dan niet.
TIJL: (fluisterend) Wie is dat?
WAARD: Dat is de professor. Die komt elk jaar een paar maanden college geven aan de universiteit. Hij is zeer geleerd.
PROFESSOR: Zelfs jullie gefluister stoort me! Ik ga wel verderop zitten.
TIJL: Hij is niet alleen geleerd maar nog slim ook! Als je wilt studeren moet je  niet in een herberg aan één tafel met klanten gaan zitten. Dat heeft hij toch maar goed door. Briljant!
WAARD: Heb je het niet meer naar je zin in onze stad?
TIJL: Ach, weet je, ik wilde hier een nieuwe start maken, een nieuw leven opbouwen. Maar in deze stad is iedereen net zo dom, vervelend of opschepperig als bij ons in Damme. Nou kan ik natuurlijk wel weer naar een andere stad gaan maar daar zal ik wéér  hetzelfde tegenkomen. Bovendien begin ik een beetje heimwee te krijgen. Ik zou er bijvoorbeeld veel voor over hebben als mijn moeder plotseling zou binnenstappen.
WAARD: Tja, dat gebeurt alleen in boeken of toneelstukken.

 

Dan stapt volkomen onverwacht de moeder van Tijl binnen, samen met een meisje.

 

TIJL: Nou, dan is dit zeker een boek of een toneelstuk! Moeder!!

 

Tijl springt op en omhelst zijn moeder.

 

TIJL: Wat ben ik blij om u te zien! (ziet dan het meisje dat hem lief aankijkt)  O, eh… hallo.
NELE: Hallo. (lacht)
MOEDER: Dit is Nele. Dat is een dochter van een vriendin van mij. Ze heeft vroeger als klein meisje wel eens bij ons gelogeerd. Misschien ken je haar nog wel. Ze is natuurlijk wel erg veranderd want ze is natuurlijk ouder geworden. Vroeger hebben jullie nog samen in de zandbak gespeeld en… Tijl! Luister je nog wel? Tijl en Nele kijken elkaar doordringend aan)
Tijl! (wappert met haar hand voor zijn ogen)
NELE: Je moeder zegt iets tegen je, Tijl.
TIJL: Ja, nee, natuurlijk. Dat vind ik ook hoor. Ahum, wat komen jullie eigenlijk hier doen?
MOEDER: Nele komt bij ons in Damme werken. Ze heeft daar een goede betrekking gevonden. Ze komt voorlopig bij mij in huis wonen tot ze iets voor zichzelf gevonden heeft.
NELE: Je moeder kwam mij ophalen en ze vertelde mij dat je tegenwoordig hier woont. En omdat we toch in de buurt waren, besloten we even langs te gaan.
TIJL: Wat een goed idee zeg! En weet je wat nou zo toevallig is? Dat ik net van plan was om terug naar Damme te gaan.
NELE: Leuk! Dan kan je met ons mee reizen. Gezellig!
PROFESSOR: Willen jullie nou eindelijk eens ophouden met die stompzinnige gesprekken! Ik kan me niet concentreren.
TIJL: En wat is er dan zo belangrijk dat wij stil moeten zijn?
PROFESSOR: Ik bestudeer de Nederlandse taal en onderwijs dat aan mijn studenten aan de universiteit.
TIJL: Nederlands? Dat spreekt toch iedereen. Niets aan!
PROFESSOR: Maar om dat goed aan de studenten over te brengen is moeilijk en vereist een doortimmerde pedagogiek.
TIJL: Niets aan! Ik kan zelfs een ezel het alfabet leren.
PROFESSOR: Een ezel?
TIJL: Ja, een ezel. Geef me een week de tijd en ik wed om duizend florijnen dat ik die ezel een deel van het alfabet geleerd heb. Voor het hele alfabet heb ik méér tijd nodig.
BURGEMEESTER: Ik heb wel een ezel voor je te leen. Dat wil ik wel eens zien. Deze keer overschat je jezelf, m’n beste Tijl!
BANKDIRECTEUR: En ik heb duizend florijnen voor je als het je lukt. Maar denk erom: als het je niet lukt, krijg ik duizend florijnen van jóu.
NELE: Doe het niet, Tijl. Je kunt een ezel toch geen letters leren.
MOEDER: Tijl, wees verstandig!
TIJL: Geef me die ezel maar te leen. Dan zal ik hem binnen een week een deel van het alfabet leren. Over precies een week om dezelfde tijd zal ik hier zijn om dat te bewijzen. Kom mee, moeder en Nele. Dan zal ik jullie gezellig de stad eens laten zien.

 

 

Ze gaan af, gevolgd door de anderen.

 

 

Een week later. Tijl zit klaar met een ezel, moeder en Nele. Alle inwoners van de stad druppelen binnen.

 

 

TIJL: Geachte aanwezigen! Iedereen van harte welkom! Zoals jullie weten heb ik deze ezel een deel van het alfabet geleerd. Omdat een week natuurlijk erg kort is, heb ik gekozen voor twee letters. De professor heeft een hele ingewikkelde studie achter de rug om met zijn studenten te kunnen werken. Ik heb met mijn student genoeg aan suikerklontjes. Let op!

(wijst op een dik boek waar de letters  I  en A  op staan)

EZEL: (balkt) i-a!
TIJL: Ziet u wel? Niets aan!

 

 

Het publiek lacht, behalve de professor en de bankdirecteur.

 

 

BANKDIRECTEUR: Iedereen kan een ezel i-a laten zeggen. Daar geef ik geen duizend florijnen voor!
TIJL: O ja? Probeer het dan eens.
BANKDIRECTEUR: Zeg i-a stomme ezel! (ezel doet niets) I-a! I-a! Kom op: zeg i-a!
TIJL: U moet dat niet zeggen, maar de ezel! Let op! (geeft de ezel suikerklontjes)
EZEL: I-a!
TIJL: Ziet u wel? Hiermee is het bewijs geleverd. Dat kost u duizend florijnen, directeur. En van die duizend florijnen bied ik iedereen een gratis drankje aan, waarmee ik mijn afscheid van deze stad aankondig. Ik ga met mijn moeder en mijn vriendin Nele terug naar Damme.

 

 

Alle aanwezigen, behalve de bankdirecteur, juichen en applaudisseren.

 

 

De verteller komt op en sluit af.

 

 

VERTELLER: En hiermee is ons toneelstuk afgelopen. Misschien is het leuk om nog iets over de begrafenis van Tijl te vertellen. Hij bakt dan zijn laatste poets. In zijn testament maakt hij een deel van zijn bezit over aan zijn vrienden, een deel aan de raadsheren van de stad en een deel aan de pastoor. Alles had hij in een kist gestopt, die pas na zijn begrafenis opengemaakt mocht worden. Toen na de begrafenis eindelijk de kist opengemaakt werd, bleken er alleen maar stenen in te zitten. Alle erfgenamen verdachten elkaar ervan dat zij de oorspronkelijke rijkdommen eruit gehaald hadden en de stenen daarvoor in de plaats hadden gestopt. Ze kregen een hevige ruzie die duurde tot het aanbreken van de nieuwe dag. En zo had Tijl, de minst dwaze van allemaal, zelfs na zijn dood de mensen nog voor de gek gehouden…

En dan is nu de tijd gekomen om weer over te gaan tot de dwaasheid van alle dag.

 

Verloren tijd

Author: jeroenstamgast

 

 

Zijn devies luidt onverkort

Dat  ‘ wat niet is dat kan nog komen’

Ondanks flinke tegenslag

Krijgt het noodlot hem niet stuk

Als alles weer eens tegen zit

Verliest hij zich in mooie dromen

Hij verplaatst het heden naar de toekomst

En zoekt daar dan geluk

En zo vervangt de hoop op ‘later beter’

Zijn miezerig bestaan

Maar ondanks strijdbaar denken

Verliest de toekomst van het heden

Want net als hij weer vlucht 

in ‘later zal het beter gaan’

Is hij op dat hoopvol ogenblik

Naargeestig overleden

 

 

 

maart 1998