Archive for juli, 2013

Een jeugd aan flarden in flarden

Author: jeroenstamgast

 

 

 

Vroeger 

 

 

 

 

 

                                                                                                                                             Heimwee 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zand erover

 

 

 

 

                                                                                                                                                        Opgelost!

 

 

 

 

februari 1998

 

 

 

Scène 6

Author: jeroenstamgast

Tijl probeert te vliegen.

 

 

Tijl kijkt met een ernstig gezicht naar de daken van de huizen.

 

 

KOK: Zo Tijl. Kijk je soms of er honden- en kattenbroden naar beneden komen vallen?
TIJL: …
KOK: Hé, ik vraag je wat!
TIJL: Hm.
KOK: Wat is daar toch te zien?

 

Boer 1 en boer 2 komen aanlopen.

 

KOK: Zien jullie wat daarboven?
BOER 1: Ja, daken van huizen.
KOK: Dat bedoel ik niet. Zie je iets bijzonders?
BOER 1: Nee, waarom vraag je dat?
KOK: Omdat die Uilenspiegel steeds maar naar boven kijkt, maar hij zegt niet waarom. Hij lijkt wel in trance. Wat vind jij daar nou van?
BOER 2: Het is best.
VROUW: O, ben je hier? Ik zocht je al. O nee! Je gaat toch niet wéér dwepen met die Uilenspiegel, hè!
BOER 1: Zie jij iets daarboven?
VROUW: Nee. En jij?
BOER 1: Ik ook niet.
VROUW: Wat een onzin. Wat vind jij daar nou van?
BOER 2: Het is best.
KRINGSPIER: Hé Tijl, dat brood heeft mooi niet geholpen hoor. Ik heb nog steeds buikpijn.
TIJL: …
KRINGSPIER: Hé! Ik zeg iets tegen je!
TIJL: Hm.
KRINGSPIER: Waar zit hij naar te staren?
KOK: Ik weet het niet maar het is vast iets bijzonders want hij houdt zijn ogen er niet vanaf.
KNARS: Wat is daar te zien?
VROUW: Helemaal niets, volgens mij. Dat is vast weer een streek van die zogenaamde grapjas.
KNARS: Maar iedereen kijkt wél. Dus er moet toch íets zijn. Trouwens, als ik zo naar boven kijk, heb ik minder last van mijn hoofdpijn.
TOETER: Hé, wat is daar te zien?
BLIND: Hoe weet ik dat nou! Ik zie toch niets.
TOETER: Wat zeg je?
BLIND: Ik zie niets.
TOETER: Praat eens wat harder. Ik hoor niets.
BLIND: Ik zie niets!
TOETER: Ik hoor niets!
KRINGSPIER: Stop eens met dat geschreeuw! Ik kan me niet concentreren.
BLIND: Waarop concentreer je je dan?
KRINGSPIER: Daarboven schijnt iets te zijn maar ik weet niet wát.
BLIND: Ik zie tóch niets of ik me nou concentreer of niet.
VAN PUFFELEN: Wat is daar te zien?
BOER 1: Iets heel bijzonders, maar ik moet nog uitzoeken wát.
VAN PUFFELEN: Moet je dáár eens kijken.
VAN BREUKELEN: Waar?
VAN PUFFELEN: Iedereen kijkt naar boven. Waar zou het zijn, denk je?
VAN BREUKELEN: Boven?
VAN PUFFELEN: Heel goed.
VAN BREUKELEN: Nou ja, het zál wel.
DOKTER: Wat is daar te zien?
KRINGSPIER: Ha dokter! Goed dat ik u zie. Kan ik weer eens op spreekuur komen? Die buikpijn gaat maar niet over.
DOKTER: Eh, ja. Kom morgen dan maar weer.
KNARS: O, dan willen wij ook wel. Nietwaar, vrienden?

 

Alle patiënten reageren enthousiast.

 

DOKTER: (zucht) Kom morgen allemaal maar. Dan is mijn ziekenhuis tenminste weer helemaal vol.

 

De lakei, de waard, de bankdirecteur en de bakker komen ook naar boven kijken. Tenslotte komt de burgemeester.

 

BURGEMEESTER: Tijl Uilenspiegel! Wat is hier aan de hand? Eerst zie ik vanuit het stadhuis alleen jou naar boven kijken en de een na de ander komt erbij staan en begint ook te kijken, Wat is dat voor grappenmakerij? Wat is daar te zien?
TIJL: Niets, burgemeester.
BURGEMEESTER: Ja ja. Er is dus niets te zien. Waarom kijk  je dan naar boven?
TIJL: Nou, ik vraag me af of het zou lukken om van daaraf naar beneden te vliegen.
BURGEMEESTER: Ja ja. Volgens mij zíe jij ze vliegen!
TIJL: Nee, écht! Ik wil dat wel eens proberen. Alleen ik heb wat geld nodig voor de voorbereidingen.
DIRECTEUR: Van mij kan je tien florijnen krijgen. Ik wil jou wel eens op je snufferd zien stuiteren. Mijn achterwerk doet nog steeds zeer van dat halve loon van je.
BAKKER: Ik geef ook tien florijnen!
LAKEI: Ik geef één florijn
WAARD: Ik geef twintig florijnen. Tenslotte ben je een goede klant van me, dus dat geld komt wel weer terug. 
TIJL: Burgemeester, zou u, als betrouwbaar persoon, voor mij dat geld willen inzamelen?

 

 

De burgemeester doet dit.

 

 

TIJL: Ja, dit is wel voldoende, denk ik. Ik ga nu proberen te vliegen.

 

 

Tijl gaat naar boven op een ladder, zwaait een tijdje met zijn armen en komt dan weer naar beneden.

 

 

TIJL: Ik heb het geprobeerd, burgemeester. Maar het lukt niet.
BURGEMEESTER: Zeg eens, Tijl. Je bedriegt ons nu want je had gezegd dat je zou vliegen.
TIJL: Nee burgemeester. Ik heb gezegd dat ik zou probéren te vliegen. Welnu, ik heb het geprobeerd en kom tot de conclusie dat het niet lukt.
BURGEMEESTER: En al dat geld dan dat je nodig had voor de voorbereiding? Waar had je dat dan voor nodig?
TIJL: Ze zeggen wel eens: met geld krijg je álles gedaan. Nou, ik heb nu dus bewezen dat dat niet waar is.
BOER !: Ik wil mijn geld terug!
VROUW: Schei uit. Jij bent de enige die niets gegeven heeft.

 

 

Alle anderen roepen nu ook dat ze hun geld terug willen.

 

 

TIJL: Ho! Ho! Burgemeester, u staat als burgervader boven de partijen. Ik wil graag uw mening weten. Heb ik gezegd dat ik zóu vliegen of dat ik zou probéren te vliegen?
BURGEMEESTER: Hm…probéren te vliegen.
TIJL: En hebben al deze mensen het geld vrijwillig gegeven of niet?
BURGEMEESTER: Hm, ze hebben het geld inderdaad vrijwillig gegeven.
TIJL: Dan ben ik dus niemand iets schuldig en wens ik iedereen verder een plezierige dag toe. Tot ziens!

 

 

Tijl wandelt weg terwijl de boze mensen door de burgemeester tegengehouden worden.

 

 

BURGEMEESTER: Halt! Hoe vervelend het ook is, die Uilenspiegel heeft gelijk. We kunnen hem niets maken. Ik moet u helaas dan ook dringend verzoeken om hem met rust te laten.

 

 

Iedereen gaat mopperend af.