Archive for mei, 2013

Scène 5

Author: jeroenstamgast

Tijl bakt honden en katten

 

 

 

Een bakker is bezig met brood bakken.

 

 

 

TIJL: Goedemorgen bakker.

BAKKER: Jij bent toch Tijl Uilenspiegel, niet?

TIJL: Inderdaad en ik wou vragen of u voor mij een baantje heeft als bakkersknecht.

BAKKER: Ik dacht dat jij wonderdokter was.

TIJL: Nou, het wonderlijke met mij is, dat ik van alle markten thuis ben. Ik wil me niet in één beroep vastleggen, ziet u.

BAKKER: Nee, dat zie ik niet zo goed.

TIJL: Als ik te lang met één ding bezig ben, gaat het me vervelen. Maar ja, het geld is op en er moet brood op de plank dus een baantje als bakkersknecht lijkt me wel wat.

BAKKER: Tja, mijn vorige knecht is net vertrokken dus ik heb inderdaad een baantje maar ik weet niet of jij daar nu wel de meest geschikte kandidaat voor bent.

TIJL: Ach, het is maar voor een tijdje. Als u een nieuwe knecht gevonden hebt, of gewoon genoeg van mij heeft, dan verdwijn ik weer.

BAKKER: Vooruit dan maar. Laten we het maar eens proberen. Ik zal je uitleggen hoe het brood bakken gaat. Dan kan je vannacht gelijk aan de gang.

TIJL: Vannacht?!

BAKKER: Ja, brood wordt ’s nachts gebakken zodat de mensen het ’s morgens vroeg vers kunnen kopen. Wist je dat niet?

TIJL: Misschien wou ik dat wel niet weten. Nou ja, laten we maar beginnen met de broodbak lessen. Eerst deze krentenbol maar eens. (Tijl neemt een hap)

BAKKER: Wat doe jij  nou?!

TIJL: Ik leer mezelf iets over de smaak van een krentenbol. U ziet dat ik mijn studie heel serieus neem.

BAKKER: (pakt Tijl bij de nek)  Ja ja. Kom eerst maar eens mee naar de bakkerij. Als ik alles uitgelegd heb, kun jij brood bakken en kan ik eindelijk weer eens ’s nachts slapen.

TIJL: Maar wat moet ik dan bakken?

BAKKER: Wat moet ik dan bakken?! Wat een vraag voor een bakkersknecht! Bak maar honden en katten! Nou goed! (gaan samen af)

 

 

Na enige tijd komt Thijs weer op en legt brood in de vorm van honden en katten op de toonbank. Hij rekt zich eens lekker uit, gaapt en gaat daarna weer af.

 

 

BAKKER: (komt op) Heerlijk! Eindelijk weer eens een nacht geslapen. (gaapt en ziet de broodjes)  Wat is dat nou? Ik droom zeker nog! TIJL!

TIJL: Ja baas.

BAKKER: Wat moet dat voorstellen?

TIJL: Honden en katten. Dat ziet u toch wel, hoop ik. Ik heb ze zo écht mogelijk gemaakt.

BAKKER: Maar waarom heb je geen gewoon brood gebakken?

TIJL: U zei toch dat ik honden en katten moest bakken.

BAKKER: Bij wijze van spreken natuurlijk! Dit kan ik niet verkopen. Dit wil niemand hebben.

TIJL: Tja, wat doen we nou?

BAKKER: Wat doen we nou?! Om te beginnen gooi ik jou mijn zaak uit. Weg! Of ik stop je in de oven! Dan kan je daar een poets bakken!

 

De bakker pakt Tijl bij zijn kladden en gooit hem de zaak uit. De broodjes gooit hij er achteraan.

 

BAKKER: En neem die honden- en kattentroep ook mee!

(gaat mopperend af)

 

 

Tijl loopt met een broodmand op straat. Er is al wat volk op straat.

 

TIJL: Wie maakt me los! Beestachtig kruidenbrood! 25 cent per stuk!

VAN BREUKELEN:  (op krukken) Beestachtig kruidenbrood. Wat is dat?

TIJL: Dat is geneeskrachtig brood. Goed voor de botten.

VAN BREUKELEN: O ja. Ik zie het al: de wonderdokter.
TIJL: De wonderbakker, bedoel je. 25 cent. Het helpt écht.

VAN BREUKELEN: Nou ja, ik krijg honger van dat lopen met die krukken. Geef maar zo’n hond.

VAN PUFFELEN: (veel gehoest en gerochel)  Ik zie dat jij geneeskrachtig brood verkoopt.

TIJL: Dat klopt. Voor de longen heb ik kattenbrood. 25 cent per stuk.

VAN PUFFELEN: Geef er maar één.

TIJL: Alsjeblieft. Twee maal daags een stukje en je bent zó uitgehoest.

VAN PUFFELEN: Ja ja. Ik zal eerst die 25 cent maar eens ophoesten.

BLIND: Zie jij die wonderbakker waar ze het over hebben in de stad?

TOETER: Wat zeg je?

BLIND: Of je die bakker ziet!

TOETER: Wat?

BLIND: Die bakker!

TOETER: Ik versta je niet hoor. Hé, daar is die bakker waar ze het in de stad over hebben.

BLIND: Waar?

TOETER: Wat zeg je?

TIJL: Hallo mensen. Beestachtig kruidenbrood te koop. 25 cent.

BLIND: Geef ons allebei maar een hondenbrood.

TOETER: (geeft geld) Alsjeblieft.

KRINGSPIER: Ik wil graag een kruidenbrood voor mijn maag.

TIJL: Dat kan. 25 cent alsjeblieft.

KNARS: Hé, ben jij ook hier?

KRINGSPIER: Dat zie je goed.

KNARS: Is dit ook goed voor je hoofd? Ik heb zo’n hoofdpijn, zie je.

TIJL: Dit helpt vooral als je niet goed bij je hoofd bent.

KNARS: (geeft geld)  Alsjeblieft. Ik ben benieuwd.

WAARD: Zo Tijl, een nieuw beroep gevonden?

TIJL: Niet gevónden maar geléérd! Ook een kattenbroodje? 25 cent per stuk.

WAARD: Lijkt me wel grappig. Doe mij maar een kat en een hond.

BOER 1: Kijk eens wie we daar hebben!

VROUW: liever niet.

BOER 1: Hallo Tijl. Zit je nou in de dierenhandel?   

TIJL: Dit is heerlijk brood. Moet je eens proberen. 25 cent per stuk.

VROUW: Laat je niets aansmeren door die mooiprater, hoor!

BOER 1: Nou, iets anders dan anders lijkt me wel eens lekker. Geef er maar twee.

BOER 2 (komt aanlopen) 

TIJL: Hé boertje! Wil jij een kattenbrood voor 25 cent?

BOER 2: Dat is best.

KOK: Verkoop jij tegenwoordig brood?
TIJL: Ik heb er nog één. Wou je hem kopen? 10 cent, omdat het de laatste is.

KOK: Nou, vooruit dan maar.

 

 

Als iedereen weg is, komt de bakker aanzetten.

 

 

TIJL: Zo, dat is snel verdiend.

BAKKER: Wat hoor ik nou? Verkoop je mijn brood?

TIJL: Nee, ik verkoop die honden- en kattentroep die u me nagesmeten heeft. Maar het is al op.

BAKKER: Ongelooflijk!

TIJL: Als ik u was, zou ik me specialiseren in honden- en kattenbrood. Verkoopt goed hoor.

BAKKER: Zou jij die niet willen bakken? Ik bedoel dus dat je nog een tijdje bij mij in dienst blijft.

TIJL: Dat lijkt mij geen goed idee. Ik heb eigenlijk al weer behoefte aan iets anders. Je moet nooit te lang hetzelfde doen. Dag bakker!

 

 

Tijl stapt op, gevolgd door de bakker.

 

 

 

 

 

Beproefde liefde

Author: jeroenstamgast

 

 

De dag is begonnen

Maar in zijn hoofd heerst de nacht

Geen doel in zijn leven

Geen toekomst die lacht

Hij leeft in het heden

En daar grijnst slechts de kater

Maar de zorgen van nu

Zijn ook de zorgen voor later

 

 

Met de blik op oneindig

Vindt hij zijn weg naar de kroeg

Daar bevindt zich naar verwachting

Gezelschap genoeg

Maar hij voelt zich alleen

En zijn lijf zit vol pijn

Het valt niet mee

Om in dit kleurloos bestaan gelukkig te zijn

 

 

En dan is zij daar weer

Als een licht in het grauw

Fris en fruitig oogt zijn liefde

Als de prille morgendauw

Haar aanwezigheid

Maakt hem weer goed van zin

Hij pakt de fles

En leegt in één teug zijn vriendin

 

 

 

juli 1997