Archive for april, 2013

Zeeman als excuus

Author: jeroenstamgast

Ik wandel door het winkelcentrum en vraag me tijdens een sombere bui af hoe het toch komt dat het lijkt alsof sommige mensen alleen maar aan zichzelf kunnen denken.
Hoewel een mager lentezonnetje zich voorzichtig laat zien, is het niet echt lekker weer  en daarom heb ik mijn zwarte jasje met de koperen knopen maar weer eens aangetrokken.
Er steekt nu ook nog een kil windje op en ik besluit om ook de bovenste knoop te gebruiken waardoor mijn jas nu tot mijn baard gesloten is.
Een eindje verderop naderen drie jonge gasten met een gemiddelde lengte van zo’n één meter vijfennegentig.
Zij nemen bezit van de gehele breedte van de stoep en tegemoetkomende voetgangers wijken uit naar de zijkant ervan om niet door deze jonge goden omver gelopen te worden.
Als laatste zie ik een moeder met een kinderwagen een winkelportiek induiken en nu zal ik dan aan de beurt zijn.
Mijn slechte humeur slaat moeiteloos om in boosheid en ik loop, mezelf zo breed mogelijk makend, recht op de middelste muiter af terwijl ik hem vuil aankijk.
Het drietal houdt de pas iets in terwijl ik juist stug doorloop.
Op het laatste ogenblik gaan ze toch iets opzij zodat ik door de zo ontstane opening passeren kan.
Blijkbaar zit het de heren niet lekker want ik hoor een van hen als verontschuldigende verklaring zeggen: “Da’s  een zeeman. Makkelijk zat!”

Scène 4

Author: jeroenstamgast

 

 

 

 

Tijl geneest een luie vrouw en vraagt een eigenaardig loon.

 

 

 

 

Tijl stapt de herberg binnen en loopt rechtstreeks op een deftig geklede heer af.

 

 

TIJL: Dag directeur. Ik zocht u al. Ik wou nog eens even terugkomen op die lening die ik bij uw bank afgesloten heb.

DIRECTEUR: Geen sprake van, Tijl. Betaal eerst maar eens een gedeelte terug. Zo’n beste naam heb je niet opgebouwd in onze stad. Je doet je voor als wonderdokter maar veel van jouw genezen patiënten in dat ziekenhuis laatst, zijn al weer terug.

TIJL: Maar het ziekenhuis zit niet zo vol als eerst.

DIRECTEUR: Dat mag dan wel zo zijn maar dat is nog geen reden om je meer geld te lenen. Zoek eerst maar eens een baantje waarmee je weer eens geld verdient. En betaal me van je eerste loon alvast maar eens de helft. Dan spreken we wel weer verder. (directeur stapt op en gaat weg)

TIJL: De helft van mijn loon…Nou ja! Waard, mag ik nog een biertje?

WAARD: Dat is goed, Tijl. Maar dat is wel de laatste. Ik wil nu eerst wel weer eens geld zien.

 

 

Twee boeren komen binnen en gaan bij Tijl aan tafel zitten.

 

 

BOER 1: Het is wat met mijn vrouw, hoor! Ze doet nou helemáál niets meer. Ze is zó ziek dat ze alleen nog maar in de stoel kan zitten.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: En ik snap het niet want ze heeft een flinke eetlust. En dat eten moet ik nota bene zélf nog klaarmaken ook!

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: Nee, dat kan je wel zeggen! Hele dagen werk ik op het land en dan kan ik daarna thuis nog eens aan de gang.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: Als je haar zo ziet, zou je zeggen dat ze kerngezond is maar ze zegt dat ze te ziek is om uit haar stoel te komen.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: De ziekte begon eigenlijk vlak na ons huwelijk. Eerst was ze alleen maar moe of had een beetje hoofdpijn. Maar nu zit ze dus alleen nog maar in die stoel.

BOER 2: Dat is niet best.

TIJL: Mag ik even onderbreken? Ik ben Tijl Uilenspiegel, de beroemde wonderdokter. Ik denk dat ik uw vrouw kan genezen. En het kost u geen geld. Ik laat mij in natura uitbetalen.

BOER 1: Dat klinkt interessant.

BOER 2: Dat klinkt best.

TIJL: Breng me naar uw vrouw en laat me met haar alleen. Ik geef u de garantie dat ze snel genezen is.

BOER !: Nou, kom maar mee dan.

 

 

 

De boeren en Tijl verlaten het toneel. Even later staan ze voor een huiskamer waar een vrouw met een nors gezicht in een stoel zit.

 

 

BOER !:  Nou Tijl. Daar zit ze dan. Veel succes. (boer gaat af)

Tijl: Goedendag. Mijn naam is Tijl Uilenspiegel.

VROUW: Het interesseert me geen fluit hoe je heet.

TIJL: Maar ik weet wel iets anders dat u zal interesseren.

VROUW: Ik betwijfel het.

TIJL: Er gaan namelijk geruchten dat uw man stinkend rijk is.

VROUW: Die geruchten had ik ook gehoord vóór ik ging trouwen. Nou, ik kan je vertellen dat die rijkdom me lelijk tegengevallen is. Zíek ben ik er van geworden.

TIJL: Uw man is een beetje gierig, hè.

VROUW: Een beetje gierig? Een regelrechte kniert is het!

TIJL: Ik weet waar hij zijn geld verstopt heeft. Vannacht om twaalf uur als het goed donker is, moet je buiten komen bij het muurtje. Daar zal ik je vertellen waar de schat is. Maar denk erom: precies om twaalf uur,hè.

 

 

Tijl verlaat de kamer en niet lang daarna komt de boer binnen.

 

 

 

BOER: Hé, is het bezoek al weg?

VROUW: Nee, dat hangt op mijn rug.

BOER 1: Gaat het al een beetje?

VROUW: Nee, het gaat niet! Ik kan niet lopen, dus ook niet werken. Ik zou maar eens naar de keuken gaan als ik jou was. Ik neem tenminste aan dat je wilt eten vanavond.

 

De boer sloft mismoedig weg, de vrouw wacht. Na een tijdje kijkt ze op de klok.

 

VROUW: Zo, het is twaalf uur, die kerel van me is naar bed dus de kust is vrij. Nou, ik ben benieuwd…

 

De vrouw sluipt naar buiten.

 

VROUW: Hier moet het toch ergens zijn. Waar blijft die Uilenspiegel nou?

TIJL:  Hier ben ik.

VROUW: Waar is de schat?

TIJL: Dat weet ik niet maar ik weet wél waar die schat van een man van je is. Die is hier!

BOER 1: Ha, lief vrouwtje van me! Ik zie dat je weer kunt lopen dus je kunt ook weer werken. Ik spreek jou zó binnen nog wél!

 

De vrouw gaat huilend af.

 

BOER1 : En jij, Tijl. Je wou in natura betaald worden zei je. Wat wil je hebben?

TIJL: Ik wou graag tien stokslagen.

BOER1: Tien stokslagen?

TIJL: Ja en een beetje flink hard ook.

BOER1: Meen je dat echt?
TIJL: Ja écht. Doe nou maar.

 

De boer schudt niet begrijpend zijn hoofd maar geeft Tijl zijn slagen tot hij bij de vijfde slag ”Ho!” roept.

 

TIJL: Ho! Stop! De andere helft is voor de bankdirecteur waar ik geld geleend heb. Hij wou de helft van mijn loon vóór hij verder met me wil praten. Ik zal hem hierheen sturen en reken erop dat jij hem de andere helft van mijn loon geeft, zoals afgesproken.

BOER1: Het stuit me een beetje tegen de borst maar eerlijk is eerlijk: het is de helft van je loon. Ik zal de stok klaar houden voor als hij komt.

TIJL: Bedankt, ik reken op je.

 

Tijl en de boer schudden elkaar de hand en gaan af. 

 

 

Scène 3

Author: jeroenstamgast

Verteller:  In het boek van Charles de Coster trekt Tijl door het ganse land. Hij is zelfs nog een periode soldaat in het leger van de prins van Oranje en maakt spannende en gruwelijke dingen mee. Wij laten, voor de gezelligheid natuurlijk, alles in dezelfde stad afspelen. De scènes die wij spelen komen eigenlijk terloops in het oorspronkelijke verhaal voor. In de meeste boeken, en ook in ons stuk, vormen ze echter de hoofdmoot. Nou, laten we maar verder gaan met het toneel.

 

 

 

Tijl als wonderdokter.

 

 

De waard is in de herberg bezig met het omspoelen van glazen. Allerlei patiënten van het ziekenhuis zitten gezellig aan tafeltjes.

Tijl komt binnen.

 

 

TIJL: Waard, mag ik van u een biertje?

WAARD: Natuurlijk, meneer.

TIJL: (kijkt met verbazing naar de zieken) Dank u. (krijgt biertje) Zeg eens, u heeft wel veel zieke mensen in uw zaak. Dat komt toch niet van uw bier, hoop ik?

WAARD: Nee hoor. Maar het ziekenhuis hiernaast is helemaal vol dus nu heb ik er ook een paar patiënten bij gekregen tot er weer plaats is daar.

TIJL: Zijn die doktoren hier dan zo slecht dat er zoveel zieken zijn?

WAARD: Nee hoor. Zal ik u eens wat zeggen? De verzorging is zó goed dat ze volgens mij gewoon niet weg willen. Ze hoeven niet te werken zolang ze ziek zijn en ze krijgen goed te eten en te drinken. Daarom proberen ze hun verblijf zo lang mogelijk te rekken. Het is hier net luilekkerland voor ze. O kijk, daar komt toevallig net de dokter aan.

DOKTER: En hoe gaat het met uw been meneer van Breukelen?

VAN BREUKELEN:  Slecht, dokter. Slecht. Mijn been doet zo’n pijn!

DOKTER: Maar de breuk is prachtig genezen zo te zien. Ik zal…

VAN BREUKELEN: Au! Niet aankomen! Au! U zei toch zelf het been met rust moet genezen?

DOKTER: Probeert u eens te staan op dat been.

VAN BREUKELEN: Au! Vreselijk!  Ik kan het écht niet, dokter. Heb medelijden!

DOKTER: Nou ja, morgen zal ik u wel verder onderzoeken.

VAN  BREUKELEN: Dank u, dokter.

DOKTER: En hoe gaat het met uw longen, meneer van Puffelen? Is dat hoesten nu eindelijk eens over?

VAN PUFFELEN: (veel gerochel en gehoest)

DOKTER: Hm, nog niet helemaal, geloof ik. U neemt uw hoestdrankje nog steeds trouw in?

VAN PUFFELEN: (veel gehoest, gerochel en ook ‘ja’ geknik)

DOKTER: Hm, morgen kijken we verder. En u, meneer Blind. Laat uw ogen eens zien. Nou, de zweren zijn helemaal weg.

BLIND: Maar ik zie nog zo slecht, dokter.

DOKTER: Hoeveel vingers steek ik op?

BLIND: Dat weet ik niet want ik kan uw hand niet zien. Waar is die?

DOKTER: Hier, Vlak voor u.

BLIND: O ja. Eh, ik zie zeven vingers. Klopt dat?

DOKTER: Nee. Blijf goed insmeren met die zalf die ik u gegeven heb.

BLIND: Ja dokter.

DOKTER: Wel meneer Toeter. Hoe gaat het met uw oren?

TOETER: …

DOKTER: Uw oren! Hoort u al wat?!

TOETER: …

DOKTER: Hé! Ik praat- wat zeg ik- ik schreeuw tegen u!

TOETER: O, dag dokter. Wilt u nog eens naar mijn oren kijken? Ik hoor zo slecht, ziet u.

DOKTER: Morgen bent u de eerste. En hoe is het met uw buik, meneer Kringspier?

KNARS: Dat gaat wel goed.

DOKTER: Wát zegt u?

KNARS: Het gaat wel goed met mijn buik.

DOKTER: Dus u kunt naar huis?

KNARS: Nee, want het is mijn hoofd dat zo’n pijn doet. Ik ben meneer Knars. Dát daar is meneer Kringspier. Ik heb zo’n enorme pijn in mijn hoofd. Ondraaglijk gewoon!

DOKTER: Ik zal zorgen dat u nieuwe hoofdpijntabletten krijgt, meneer Knars.

KRINGSPIER: Dokter, mijn buik die…

DOKTER: Hou maar op. Ik weet genoeg. Uw buik is nog niet in orde. Morgen zal ik u verder onderzoeken.

 

De dokter gaat moedeloos bij Tijl en de waard zitten terwijl de patiënten elkaar veelbetekenend aankijken.

 

DOKTER: Waard, geef mij maar een dubbele dosis van mijn eigen medicijn. Daar ben ik wel aan toe momenteel.

TIJL: Het gaat niet zo goed met uw patiënten, hè?

DOKTER: Wie bent u eigenlijk?

TIJL: Ik ben Tijl Uilenspiegel, de wonderdokter.

DOKTER: Nou, wij kunnen hier wel een paar wondertjes gebruiken.

TIJL: Hoeveel is het u waard als ik er voor zorg dat uw ziekenhuis en deze dependance binnen een uur leeg is?

DOKTER: Dat lukt u toch niet.

TIJL: Ik zeg u dat het me wél lukt! Ik ben niet voor niets wonderdokter.

DOKTER: Als het u lukt krijgt u van mij honderd florijnen.

TIJL: Voor honderdvijftig florijnen doe ik het.

DOKTER: Ach, wat maakt het uit. Honderdvijftig florijnen is ook goed. Het lukt u toch niet.

TIJL: Dan ga ik nu eerst even naar het ziekenhuis hiernaast. Daarna doe ik deze dependance wel.

 

Tijl gaat weg. De dokter drinkt mismoedig van zijn drankje. De  “zieken” hebben het naar hun zin, behalve als de dokter af en toe even hun richting uit kijkt. Dan trekken ze meteen een smartelijk gezicht. Even later komt Tijl weer binnen.

 

TIJL: Zo, het is voor elkaar hoor. Alle zieken zijn genezen en naar huis. Gaat u maar kijken en neemt u gelijk die honderdvijftig florijnen mee. Dan zal ik het intussen hier even voor u leeg maken.

DOKTER: U maakt een grapje.

TIJL: Nee hoor. Gaat u maar kijken.

 

De dokter staat op en als hij verdwenen is, loopt Tijl een paar maal dreigend om de zieken heen.

 

 

TIJL: Zo, geachte patiënten. En nu wij even. Luister goed. Ik ben de wereldberoemde wonderdokter Tijl Uilenspiegel en ik kan u allemaal genezen. Ik ga direct dat toverdrankje maken waarmee ik dat zal doen. Maar daarvoor heb ik wél de hulp van één van u nodig. De allerziekste zal ik gebruiken om mijn drankje te brouwen. Het is misschien niet leuk maar deze zieke, die waarschijnlijk tóch niet meer te redden is, zal ik verbranden en met zijn of haar as kan ik mijn drankje bereiden dat u zal genezen. Dus diegenen die grotendeels beter zijn, gaan direct weg en uit de overblijvers  zal ik de allerziekste kiezen die zich opoffert voor de anderen. Een beetje solidariteit is nodig in het leven!

Hebt u het ook begrepen meneer Toeter?

TOETER: Ja dokter. Helemaal.

 

De dokter komt binnen stuiven.

 

DOKTER: Ongelooflijk! Er is geen zieke meer in het ziekenhuis te bekennen!

TIJL: Ziet u wel. Welnu: Iedereen die beter is, kan nú weggaan en die wil ik voorlopig niet meer terug zien!

 

Alle zieken springen overeind en rennen weg, de dokter en de waard omver duwend.

 

DOKTER: Ongelooflijk! Dit is een wonder!

TIJL: Ik zei u toch dat ik een wónderdokter ben.

DOKTER: Hier is uw geld. Wilt u niet in dienst van het ziekenhuis blijven?

TIJL: Nee dokter. Dat is niet goed voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik moet écht weer gaan. Het ga u goed!

DOKTER: Wacht, ik zal u uitlaten.

 

De dokter en Tijl verlaten de herberg. De waard kijkt peinzend voor zich uit.

 

WAARD: Daar gaan mijn klanten! Ik zou eigenlijk zo’n middeltje moeten hebben om klanten binnen te halen.

 

De waard gaat sloffend af.