Archive for maart, 2013

Een hartverwarmend koude dag

Author: jeroenstamgast

Het was in de winter van 1963.
Een ijzige koude hield Nederland al weken in zijn greep.
Toch had papa het er op gewaagd om samen met ons, mijn broertje Marc en ik, naar Oma in Amsterdam te gaan.
Bus en trein reden onregelmatig maar inmiddels waren we na een gezellige dag al weer bijna veilig thuis.
Papa controleerde, vlak voordat de bus bij het Bachplein zou stoppen, of onze kleding winddicht genoeg was en even later stapten Marc en ik als dik aangeklede propjes uit de bus.
Een snerpende oostenwind blies ons bijna uit onze houtje-touwtje jassen maar papa nam ons bij de hand en trok ons, tegen de wind in, naar huis.
De voordeur werd uitnodigend door mama open gedaan  nog vóór we er goed en wel waren.
“Gelukkig dat jullie er zijn! Ik begon me al ongerust te maken. Kom gauw binnen in de warmte.”
Mama sloot de deur achter ons en Marc en ik lieten ons door mama uitpellen.
Papa deed snel zijn jas uit, pakte de kolenkit en gooide nog wat extra kolen in de kachel.
Mama maakte warme chocolademelk voor ons, papa stopte een pijp en even later zaten we gezellig met zijn viertjes rond de kachel, die knetterende geluidjes maakte.
“Nou, dan zal ik nog wat voorlezen,” zei papa. “En daarna gaan jullie naar bed hoor. Het is een lange vermoeiende dag geweest.”
Mama schonk nog wat warme chocolademelk bij, terwijl papa zijn pijp in de asbak legde en het grauwgelezen ‘Winnie de Poeh’ boek uit de boekenkast haalde.
“Welk hoofdstuk willen jullie dat ik voorlees?” vroeg hij.
Daar hoefden we niet lang over na te denken.
Het werd ‘Iejoors verjaardag’, het verhaal over de pessimistisch aangelegde ezel Iejoor, die het restant van een door omstandigheden geknapte feestballon cadeau krijgt en op onnavolgbare wijze somber blijft doorzagen over de kwaliteiten van de ballon, toen het nog een ballon wás.
Ik voel dat ik naar de WC moet om te plassen maar de drang om het verhaal te horen is groter.
Papa begint voor te lezen, compleet met stemmetjes en gebaren.
Als hij bij de scène van de geknapte ballon is aanbeland, sta ik inmiddels zelf ook op knappen.
Zoals gewoonlijk slaat papa flink aan het improviseren en het gesprek tussen sombere Iejoor en zenuwachtige Knorretje begint hilarische proporties aan te nemen.
Marc en ik schateren het uit en ook mama moet lachen.
Terwijl de dialoog tussen Iejoor en Knorretje verder en verder uitloopt, begint er bij mij ook iets te lopen.
Wanhopig probeer ik de zaak nog onder controle te krijgen maar het besef groeit dat ik de strijd aan het verliezen ben.
Gierend van het lachen volgt de algehele capitulatie.
Ik schaam me en het lachen is me nu wel vergaan.
Ik kijk naar Marc, die ook uitgelachen is en Marc kijkt naar mij.
Dan zie ik onder zijn stoel ook een glinsterende plas en we moeten allebei weer lachen.
Er wordt niet al te veel aandacht aan besteed.
Mama denkt dat het wel van de kou zal komen.
Papa rondt het verhaal professioneel snel af, terwijl mama al weer droge kleren voor ons heeft.
Een kwartiertje later lig ik hoog en droog in mijn bed op zolder met een warme kruik tegen de kou.
Buiten giert de ijzige wind om het huis maar wat ik voel, is de warmte van binnen.

Uit op het strand

Author: jeroenstamgast

 

 

 

Terwijl het bulderen van de storm

Wordt overstemd door de man zijn vragend schreeuwen

Het gillend antwoord van zijn vrouw

Niet onder doet voor het krijsen van de meeuwen

Klinkt enkele passen achter hen

Onhoorbaar door het huilen van de Noordenwind

Verlaten en verloren

Het machteloze grienen van hun enigst kind.

 

 

juli 1997

Scène 2

Author: jeroenstamgast

VERTELLER:  Zo, daar ben ik al weer. Terwijl de acteurs bezig zijn zich op te stellen voor scène 2, kan ik u mooi iets vertellen over de vader van Tijl, die overigens Klaas heet. Er wordt in het stuk wel verteld dát hij overleden is maar niet hóe. Hij is in de serieuze versie op de brandstapel gestorven wegens ketterij. De toenmalige koning van Spanje, Philips II, die ook over de Nederlanden regeerde, strafte op deze manier de hervormden, die tegen de misstanden in de katholieke kerk waren. Als zijn vader verbrand is, schraapt Tijl wat as van het verkoolde lijk en doet dit in een zijden zakje dat hij op zijn borst zal dragen. Elke keer als er hem iets ergs gebeurt, voelt Tijl de as van zijn vader op zijn borst kloppen. Tijl en zijn moeder zijn overigens ook gemarteld maar niet veroordeeld. Nou ja, laten we maar weer verder gaan met de gezelligheid.

 

 

 

SCÈNE  2

 

 

Een graaf en een gravin houden een picknick, een soldaat bewaakt en een lakei zet thee.

 

 

GRAAF:  Wat is het hier toch heerlijk, lieve.

GRAVIN:  Nou, zalig hoor. Die rust en die stilte, die prachtige natuur.

GRAAF:  Het is maar goed dat ik overal borden heb laten neerzetten dat er op mijn grafelijk domein geen gewoon volk mag komen. Vóór je het weet heb je het gewone plebs over de vloer.

GRAVIN:  Zo is dat. En wij willen alleen maar mensen van onze eigen stand, nietwaar. James, schenk jij nog eens een kopje thee in.

JAMES:  Tot uw dienst mevrouw.

GRAAF:  Weet je overigens al wat je voor je verjaardag wilt hebben?

GRAVIN:  Een wolkje melk graag.

GRAAF:  Een wolkje melk?
GRAVIN:  In de thee, bedoel ik. Ik zei dat tegen James.

GRAAF:  Hè, waar bemoeit hij zich mee als wij aan het praten zijn!

GRAVIN:  En weet jij al wat je voor jouw verjaardag wilt hebben? Tenslotte zijn we bijna op dezelfde dag jarig.

GRAAF:  Eén schepje suiker graag.

GRAVIN:  Eén schepje suiker?

GRAAF:  In de thee, bedoel ik. Ik zei het tegen James. Zeg James, kan je nou niet één moment je stil houden als wij aan het praten zijn!

JAMES:  Tot uw dienst mijnheer.

SOLDAAT:  Halt!

GRAAF:  En tegen wie denk jij wel dat je het hebt, brutale vlerk!

SOLDAAT:  Eh, tegen hém daar mijnheer de graaf.

 

Iemand heeft zich bij het gezelschap gevoegd.

 

GRAAF:  O, welnu, vraag dat schorem wat het op mijn grafelijk domein komt doen.

SOLDAAT:  Wat kom jij hier doen, schorem?

TIJL:  Ik ben kunstenaar en kom u mijn diensten aanbieden.

SOLDAAT:  Hij is kunstenaar en hij komt…

GRAAF:  Ja, hoor eens, ik ben niet doof. Vraag hem wat hij allemaal te bieden heeft.

SOLDAAT:  Wat heb jij…

TIJL:  Ik heb het al gehoord, soldaat. Stop maar. Ik ben toverschilder. Ik schilder portretten die van een betoverende schoonheid zijn. Maar het meest bijzondere daarvan is toch wel dat alleen intelligente mensen ze kunnen zien. Als u bezoek heeft en u laat uw portretten zien, dan weet u meteen of iemand intelligent is of niet. Dat is heel handig om te weten.

GRAAF:  Misschien is dat wel een leuk cadeau voor je verjaardag: een portret van mij.

GRAVIN:  Ja en dan geef ik een portret van mij aan jou!

GRAAF:  Hoeveel moet dat kosten, kunstenaar?

TIJL:  Honderd florijnen per portret, hoogheid.

GRAAF:  Dat is niet goedkoop.

TIJL:  Maar het zijn dan ook geen gewone portretten, nietwaar,  majesteit.

GRAAF:  Dat is zo. Wanneer kun je beginnen?

TIJL:  Wat mij betreft vanmiddag al, uw edele.

GRAAF:  In orde. De kunst kan niet wachten.

 

 

Allen gaan af. James en de kok zijn in de keuken.

 

 

JAMES:  Die kunstenaar vraagt of er nog wat te eten is.

KOK:  Nóg meer? Die hansworst zegt dan wel dat hij bijzondere schilderijen maakt maar voorlopig valt me alleen zijn bijzondere eetlust op. Hij is hier nu één week maar hij heeft de voedselvoorraad van de hele maand er al doorheen gejaagd. En wat hij schildert? Ik weet het niet. Ik zie niets.

JAMES:  Dat komt omdat alleen intelligente mensen zijn kunst kunnen zien en begrijpen.

KOK:  O, zie jij dan wat?
JAMES:  Om eerlijk te zijn: ik meen wel iets te kunnen onderscheiden maar écht goed kan ik het toch ook niet zien.

KOK:  Nee dus! Nou, ik zie helemaal niets. Dan ben ik maar dom. Neem dit maar mee voor onze kunstenaar. Dan is alles op ook.

 

Beiden gaan af. De gravin is bezig met een vaasje bloemen, de graaf komt binnen.

 

GRAAF:  Dag lieve. Ben je nog een beetje blij met je aanstaande cadeautje?

GRAVIN:  Nou, het wordt echt prachtig! Die kleuren! En het lijkt ook zo goed! En jij? Ben jij nog een beetje tevreden?

GRAAF:  O, ja hoor! Je ziet er betoverend mooi uit op het doek! Het wordt echt een heel bijzonder kunstwerk.

TIJL:  Ha, hier bent u dus! De portretten zijn af. Hoe vindt u ze ?

GRAAF: Prachtig!
GRAVIN: Heel bijzonder!

GRAAF: Indrukwekkend.

GRAVIN: En ook heel verrassend, moet ik zeggen.

TIJL: Dan zou ik nu graag mijn loon willen hebben want het eten is op. Eh, ik bedoel, ik moet dringend verder want de keizer van Heemstede is zo vriendelijk geweest om mij een opdracht voor een schilderij te verlenen.

GRAAF: Juist ja. Welnu, hier heeft u uw tweehonderd florijnen.

GRAVIN: James, laat jij onze gast even uit.

JAMES: Heel graag, mevrouw.

 

Tijl gaat af, een kind komt binnen rennen.

 

KIND: Papa! Mama! Mag ik…(ziet de twee lege doeken) Hé, die kunstenaar is ook niet opgeschoten.

GRAVIN: Wat bedoel je, kleintje?

KIND: Nou, er staat niets op.

GRAVIN: Wat ben jij dom zeg! Daar staan je vader en moeder opgeschilderd.

KIND: O en waar staat ú dan?

GRAVIN: Dat zie je toch zo. Dít ben ik.

GRAAF: Nee lieve. Nu vergis je je. Dit ben ík.

GRAVIN: Nee, de kunstenaar heeft duidelijk gezegd dat ik dat was. Ik zie dat aan die lijst. Eh, ik bedoel…

KIND: Volgens mij ziet u geen van beiden iets.

GRAAF: Wat hebben wij toch een dom kind! Dat valt me erg tegen, hoor!

GRAVIN: Nou ja, zij is anders wel de beste van haar klas.

GRAAF: Dat zegt dan ook iets over het niveau van die klas. Misschien moeten we maar een andere school voor haar zoeken.

GRAVIN: Ja, of…of zou…wees eens eerlijk: zie jij écht iets?

GRAAF: Hm, zie jij iets?

GRAVIN: Ach, dat wil zeggen…

KIND: Geef nou maar toe: jullie zien óók niets. Jullie hebben je gewoon beet laten nemen. Dát is pas dom!

GRAAF: Als ik die schijnheilige leugenaar ooit in mijn handen krijg!

GRAVIN: Doe nou geen domme dingen waar je later spijt van krijgt.

 

De graaf en de gravin gaan af.

KIND: Volgens mij heeft hij al spijt. Kom, ik ga maar eens een mooie tekening maken.

 

Kind gaat huppelend af.