Archive for mei, 2012

hoofdstuk 3

Author: jeroenstamgast

Het was al weer de derde dag van hun verblijf in Luxemburg, bedacht Barend zich.
Hij zat op het kleine balkon van het hotelletje dat ze genomen hadden in een heerlijk najaarszonnetje en bladerde lui door een paar tijdschriften.
Johan was ook deze dag druk bezig, om met de weinige informatie die hij bezat, de verblijfplaats van de voortvluchtigen te vinden.
Het interesseerde Barend eigenlijk niet zo bijzonder meer.
Hij nam nog een slok bier en blies tevreden kleine rookwolkjes uit zijn pijp de sfeervolle omgeving in.
Hij genoot ervan om er een paar dagen helemaal uit te zijn.
En, hoewel hij Johans jeugdig enthousiasme af en toe knap vervelend vond, hij moest toegeven dat ze het af en toe ook heel gezellig met elkaar hadden.
Johan wisselde zijn speurtochten af met vakantie houden en Barend wisselde niets af; hij hield gewoon vakantie.
Hij was dan ook onaangenaam verrast toen Johan plotseling binnenstapte met de mededeling dat hij het Arendsnest gevonden had.
“En weet je nou waarom ik het eerst niet kon vinden?” voegde hij er aan toe.
“Nee,” antwoordde Barend zonder enthousiasme.
“Omdat ik de hele tijd gezocht heb naar een oud kasteel,” verklaarde Johan. “En het is helemaal geen oud kasteel. Het is een buitenhuis dat gebouwd is op de plaats waar vroeger een kasteel gestaan heeft.”
“En wat doet jou tot de conclusie komen dat dat het Arendsnest is?”
“Nou, om te beginnen heet het zo en ten tweede ligt het heel geïsoleerd dus ideaal voor allerlei stiekeme praktijken.”
“Nou, je hebt mij nog niet overtuigd, hoor,” bromde Barend, die sowieso geen enkele zin had om zich te laten overtuigen.
Johan haalde daarop met de kalme zekerheid van iemand die weet dat hij gelijk heeft, een plattegrond tevoorschijn en lichtte zijn ontdekking toe.
Barend keek somber voor zich uit.
Hij ergerde zich aan Johans zelfverzekerde houding en het vervelende was dat hij waarschijnlijk nog gelijk had ook.
“Oké,” zei Barend. “Je hebt me helemaal overtuigd en wat gaan we nu doen?”
Even was het stil.
“Ja,” ging Barend verder. “Want daar hebben we het nog niet over gehad, hè. Want echt bewijsmateriaal waar de politie mee uit de voeten kan, hebben we nog niet. Zij willen keiharde feiten en geen halfzacht vermoedentje waar wij mee aankomen. Deze informatie levert ons echt niet die grote beloning op waar jij het over had.”
“Je hebt gelijk,” gaf Johan toe. “En daarom stel ik voor om poolshoogte te gaan nemen in het dichtstbijzijnde dorpje dat daar is. Als we ons onopvallend onder de dorpsbewoners begeven, komen we misschien meer te weten over het reilen en zeilen van die schurken. En wie weet: misschien kunnen we aan de hand daarvan een plan bedenken.”
Daar had Barend niet zoveel moeite mee.
Als je je onopvallend onder de dorpsbewoners wilde begeven om aan inlichtingen te komen, zou je toch wel in het plaatselijke café terechtkomen.
En zo gebeurde het ook.
Alleen was het niet het type ‘gemoedelijke dorpsbewoner’ dat ze in de enige kroeg van het dorp ontmoetten.
De buitenkant van het etablissement leek dan wel, met zijn uit vakwerk opgetrokken muren, regelrecht uit een sprookjesfilm te komen en ook het interieur stelde wat dat betreft niet teleur.
Maar wat te denken van vier ongunstige types die het niet gek zouden doen in een goedkope gangsterfilm?
De vier leunden met hun rug tegen de bar en hielden hun onbetrouwbare tronies gericht op de deur, zodat Johan en Barend bij het binnenkomen het gevoel kregen door een executiepeloton verwelkomd te worden.
“Lekkere tent heb je uitgezocht,” bromde Barend.
“Weet jij iets beters dan?”
“Ja: wegwezen. Zie je niet hoe ze ons aankijken?”
“Ach, in zo’n dorpje waar iedereen iedereen kent, zijn ze natuurlijk een beetje wantrouwend als er vreemdelingen binnenkomen.”
Johan trok een vriendelijk gezicht en richtte zich tot het ontvangstcomité.
“Een goede middag samen.”
Er kwam geen enkele reactie.
De vier bleven strak voor zich uitkijken, ook toen Johan en Barend zich enigszins ongemakkelijk naar de tap begaven.
Barend keek nog eens achter zich om te kijken wat er nou toch aan die deur te zien was waar ze zo naar staarden maar kon niets ontdekken.
Johan had zich ondertussen tot de nerveuze herbergier gericht en bestelde twee pilsjes.
Hij kon ze krijgen maar het ging niet van harte.
Hij moest meteen betalen en er werd hem min of meer te verstaan gegeven dat ze na het nuttigen daarvan, maar beter direct konden opstappen.
“Er hangt onweer in de lucht,” voegde de herbergier er veelbetekenend aan toe.
“Hoe bedoelt u?” vroeg Johan.
“Vat het op zoals je wilt, maar ik zeg je dat je beter kunt vertrekken.”
De herbergier keerde zich van hem af en begon zenuwachtig enige glazen om te spoelen.
Johan en Barend nipten zwijgend van hun biertje en voelden er veel voor om inderdaad maar op te stappen.
Helaas voor hen raakten drie van de vier klaarblijkelijk uitgekeken op de deur.
Een van de drie, de grootste, die alleen maar uit spierbundels leek te bestaan, bestelde een pilsje.
Hij botste daarbij opzettelijk tegen Johan, die een gedeelte van zijn pils over de rand van zijn glas zag klotsen.
De twee anderen, waarvan een de veelbetekenende tekst ‘ kill’ op zijn T-shirt had staan, meldden zich bij Barend.
Johan en Barend probeerden te doen alsof er niets aan de hand was, maar dat viel moeilijk vol te houden.
‘Kill’ prikte Barend provocerend in de buik.
“Wat is hij groot, hè. Zou hij ook zo sterk zijn als hij eruit ziet?”
Zijn maat kneep even gemeen in Barends arm.
“Een hoop vet, hoor,” oordeelde hij misprijzend.
“Deze hier lijkt me helemaal niets waard,” lachte de grote en gaf Johan een paar ‘schouderklopjes’ die zo hard aankwamen dat de rest van het bier nu ook uit Johans glas klotste.
Het begon er somber uit te zien maar er kwam hulp van onverwachte kant.
Een van de vier, die al die tijd wél naar de deur was blijven kijken, zag door zijn dikke hoornen bril iemand naar binnen komen.
”Daar is hij, mannen! Grijp hem!” riep hij.
De drie die bij Johan en Barend stonden, stormden naar voren en grepen de binnenkomer bij de lurven.
De brildrager, die blijkbaar de leider van het groepje was, wandelde kalm naar de in het zwart geklede heer, die stevig vastgehouden werd.
Barend haalde opgelucht adem en pakte Johan bij de arm.
“Kom op, laten we hem smeren nu het nog kan.”
“Maar die man ken ik,” sputterde Johan tegen. “Dat is die doodgraver uit het huis waar je die doodskisten maakte.”
“Dat is een van die schurken, ja. Laat ze elkaar maar afmaken. Dat is beter dan dat ze ons te grazen nemen. Dit is menens, hoor. Dit zijn geen padvinders. Kom op!”
Barend begon Johan mee te trekken naar een deur, waarachter de herbergier inmiddels al verdwenen was.
Johan schudde zich los.
“Heel even wachten.”
Duidelijk was de angst in de ogen van de doodgraver af te lezen.
De ‘bril’ gaf de weerloze man een klap in het gezicht.
“Zo, die heb je verdiend met dat slappe gedoe van je. Het is uit met ons geduld. Van jou hebben we meer last dan gemak.”
De doodgraver kreeg een tweede klap en werd hardhandig afgevoerd.
“Ze zullen hem vermoorden!” riep Johan ontsteld.
“Nou en? Liever hij dan wij. Kom op!”
Johan keek vol ongeloof naar wat er gebeurde.
Zoiets had hij nog nooit meegemaakt en in een opwelling pakte hij een barkruk en snelde naar het groepje toe.
Een van de vier keek om en zag nog net hoe de barkruk met een enorme vaart op de hersenpan van zijn collega terechtkwam.
Die zakte daarop ogenblikkelijk in elkaar.
De ander reageerde daarop door uit te halen naar Johan.
Deze wist de klap handig te ontwijken en bracht de barkruk in stelling voor een nieuwe dreun.
Maar daar zou hij niet meer aan toe komen.
De ‘grote’ had de doodgraver intussen met een enorme mep bewusteloos geslagen, zodat hij zich nu op Johan kon richten.
Hij greep hem vast en slingerde hem naar ‘Kill’.
Deze deed hem van achteren in een soort nekklem, zodat Johan geen kant meer op kon.
“Bril’, die zag dat de doodgraver uitgeteld was, liep dreigend op Johan toe.
“Waar bemoei jij je mee, snotaap? Wou je soms ook kapot? Nou, dat kan!”
‘Bril’ haalde uit voor een klap in het gezicht van Johan, maar kwam onderweg de arm van Barend tegen.
Deze had zich dan ook maar in de strijd gemengd.
Hij trok de arm van ‘Bril’ naar zich toe, zodat het daarbij behorende lichaam meekwam.
Vervolgens deed hij zijn knie omhoog en drukte daar hardhandig het hoofd van ‘Bril’ op.
Deze zakte geluidloos in elkaar.
Alleen het kapot vallen van zijn bril op de stenen vloer was te horen.
Johan wist intussen zover voorover te buigen dat ‘Kill’, die hem nog steeds van achteren in een nekklem hield, langzaam maar zeker opgetild werd.
Tenslotte viel hij over Johan heen op de grond en had losgelaten.
Johan sprong meteen boven op hem en begon er op los te rammen.
‘Grote’ keek eens om zich heen.
De doodgraver lag nog steeds bewusteloos, dat kon geen kwaad, twee collega’s waren uitgeschakeld, één door een barkruk en één door het betere handwerk, ‘Kill’ had intussen Johan van zich afgewerkt en was een goed vechter dus die zou het wel redden.
Doel was dus om die andere uit te schakelen.
Op een bepaalde manier verheugde hij zich daar wel op.
Hij had tot nu toe, met zijn enorme sterke lichaam, nog maar weinig echte tegenstand meegemaakt tijdens vechtpartijen.
De tegenstander die hij nu zag, leek er wel eentje van zijn eigen kaliber.
Hij was dan wel ouder en dikker dan hij zelf, een beetje vergane glorie zou je kunnen zeggen, maar hij kon aan alles merken dat hij in zijn jonge jaren een goede vechter geweest moest zijn.
Dat beloofde dus een mooie strijd te worden.
Barend keek heel anders tegen de situatie aan.
Niets geen uitzicht op een mooie strijd.
Hij voelde verdraaid goed aan dat hij eigenlijk te oud en te dik geworden was om deze goedgetrainde vechtmachine uit te kunnen schakelen.
Langzaam naderden de kolossen elkaar totdat ze binnen elkaars handbereik waren.
Bij Johan en Kill ging het juist om snelheid.
De beide tegenstanders probeerden elkaar af te troeven met allerlei vechttechnieken die op snelheid gebaseerd waren.
Kill had zich danig vergist in zijn tegenstander.
Hij had gedacht deze ‘mooie jongen’, dit doetje, wel even alle hoeken van de zaak te laten zien.
Maar wat hij niet wist, was, dat Johan, hoewel hij nooit op straat vocht, de beste was van zijn karateclub, waar hij twee keer in de week trainde.
Grote pakte Barend bij zijn trui.
“Een beetje vet geworden, ouwe?”
“Handen thuis, maatje!”
Barend greep de arm die zijn trui vasthield en begon deze opzij te duwen.
Grote duwde uit alle macht terug maar moest tot zijn ongenoegen toegeven dat Barend sterker was.
Zijn arm werd langzaam maar zeker opzij geduwd.
Het gaf Barend in ieder geval weer een beetje moed.
Hij wilde zelfs al tot een echte aanval overgaan maar Grote was hem voor.
Plotseling gaf hij mee, de arm ging helemaal naar opzij en Barend, die bij het armdrukken ook een beetje zijn lichaam gebruikte, verloor daarbij zijn evenwicht.
Hij kreeg nog een duw na en viel bijna op de grond.
Hij draaide zich zo snel als hij kon om, klaar om een eventuele aanval af te slaan.
Maar Grote keek hem alleen maar spottend aan, zijn handen nota bene provocerend in zijn broekzakken houdend.
Barend voelde zich vernederd en zijn angst sloeg om in boosheid.
“Pas op dat je niet overmoedig wordt, salonworstelaar! Ik heb in het verleden wel meer omhooggevallen blaaskaken tegen de grond geslagen!”
Barend stormde naar voren en haalde een paar keer flink uit.
Maar elke maai met zijn arm werd vakkundig afgeweerd of ontweken en Grote vond zelfs nog de tijd en de rust om hem tussendoor te jennen.
“Dat was vroeger, opa…Je leeft in het verleden, fossiel…Wanneer ga je nou eens serieus vechten?”
Barend brieste van woede en verloor het laatste restje voorzichtigheid.
Hij kreeg een dreun tegen zijn hoofd, voelde bij het achteruitstappen hoe zijn linkerbeen onderuit geschopt werd en viel vervolgens zwaar op de grond.
Grote gaf Barend alle tijd om overeind te krabbelen.
“Je bent wel sterk maar je mist snelheid, ouwe.”
Johan was het gelukkig beter vergaan dan Barend tot nu toe.
Hij had Kill door middel van allerlei schijnbewegingen in een hoek weten te drijven zodat hij niet verder naar achteren kon en had toen toegeslagen, of liever gezegd: toegetrapt.
Hij haalde uit voor een slag op het gezicht.
Kill begon al af te weren en had daardoor te laat in de gaten dat Johans rechtervoet richting buik ging, zodat deze zonder al te veel problemen doel kon treffen.
Een korte droge tik op de slaap maakte het karwei af.
Daarna had Johan het laatste deel van de strijd tussen de twee giganten gevolgd en gezien dat Barend wel wat hulp kon gebruiken.
De laatste stond inmiddels weer overeind en keek woedend in het spottende gezicht van Grote.
Johan kende de kracht van Barends vuisten.
Hij was in zijn kindertijd eens mee geweest naar een bokswedstrijd op een kermis waarin Barend een tegenstander van naam met een paar mokerslagen knock-out had geslagen.
Johan sloop tot twee meter achter Grote en riep plotseling: “Hé, aangeklede waslijn!”
Er gebeurde waar Barend, die Johan wél had zien gaan, op hoopte.
Grote keek geschrokken achterom.
Barend legde al zijn frustraties over het gevecht tot nu toe, in een allesvernietigende uithaal, die dreunend op de kaak van zijn tegenstander terechtkwam.
Johan schrok er zelfs van.
Hij meende het kraken van kaken te horen maar dat wist hij niet helemaal zeker.
Duidelijk was in ieder geval dat Grote uitgevochten was.
Barend keek neer op de gevelde krachtpatser, wreef over zijn vuist en richtte zich tot Johan.
“Bedankt voor je hulp. Ik denk niet dat ik het anders gered zou hebben. Maar laten we nu gaan. Dit lukt ons geen tweede keer. Zeker niet als ze hun smerige vriendjes gaan halen.”
Ze liepen naar de deur en ontdekten dat het bewusteloze lichaam van de doodgraver inmiddels verdwenen was.
“Die is natuurlijk bijgekomen toen wij bezig waren en ‘m gesmeerd,” veronderstelde Johan.
“Nog geen bedankje kon ervan af,” bromde Barend.
Ze bleven er niet te lang bij stilstaan en reden even later het parkeerplaatsje af, de weg op.
Plotseling dook de doodgraver, zwaaiend met zijn armen, pal vóór hen, uit de struiken op.
Johan trapte krachtig op de rem, waarbij Barend zijn hoofd tegen de voorruit stootte.
De doodgraver probeerde de deur van de auto open te maken.
“Snel! Laat me erin! Snel dan toch!”
Barend knikte met zijn hoofd naar het gevulde sportwagentje.
“Jij maakt grapjes. Waar wou je zitten dan?”
Johan zag de verschrikte ogen.
“Kruip er maar bij,” zei hij, welk advies de doodgraver ogenblikkelijk opvolgde.
Hij vond moeizaam een plekje achterin.
“Waar wou u naar toe?” vroeg Johan.
“Maakt niet uit,” antwoordde de doodgraver, achterom kijkend naar het café waar ze zonet hun hachelijke avontuur beleefd hadden. “Als je niet snel bent, hoef je nergens meer naar toe.”
Johan gaf daarop vol gas en de trouwe MG deed wat van hem verwacht werd: wegwezen!

Teveel naastenliefde

Author: jeroenstamgast

Ze vormden reeds lang
Een voorbeeldig gezin
Twee aardige ouders
En een kleine kinderschaar
Natuurlijk was er geen hartstocht meer
Zoals in het begin
Maar ze deelden lief en leed
En leunden op elkaar

Het huwelijk bood houvast
In een onzekere tijd
Toen kwam er een vriendin
Die bezig was met scheiden
Ze was eenzaam onzeker
En zocht geborgenheid
Ze gaven haar dat
Want zo iemand laat je niet lijden

Toch is het oppassen
Met zo’n zielepoot onder je dak
Want al beloof je elkaar eeuwige trouw
Zoals het hoort
Warmte en aandacht doen verlangen naar meer
En het vlees is soms zwak
Voor je het weet wordt in een wip
Het huwelijk in naastenliefde gesmoord

oktober 1995

hoofdstuk 2

Author: jeroenstamgast

Erg lekker geslapen had Johan niet, die nacht.
Vooral die droom over een reusachtig grote doodgraver die hem in een doodskist vol met broodjes en bier wilde stoppen, lag hem nog behoorlijk zwaar op de maag.
Raar toch dat een droom zo’n invloed kan hebben op de eerste ogenblikken van de dag.
Maar toen Johan eenmaal de ochtendkrant van de deurmat gehaald had, waren de schimmige droombeelden al weer verdwenen.
Hij schonk zichzelf een glas melk in, smeerde een broodje en nestelde zich gezellig met de krant op de bank in de woonkamer.
Plotseling viel zijn oog op een onopvallend berichtje dat verscholen zat tussen de afdeling moord en doodslag.
Hij las aandachtig wat er stond.
-Gisteren in de namiddag zijn uit de kluis van freule Otjegoos-Verschoor juwelen van grote
waarde ontvreemd. Hoewel de politie geen nadere mededelingen kan doen, is bekend dat
deze brutale roof veel overeenkomsten vertoont met eerder uitgevoerde juwelendiefstallen.
De politie vermoedt dat het een goed georganiseerde bende betreft. Freule Otjegoos-
Verschoor heeft een grote beloning uitgeloofd aan een ieder die inlichtingen kan
verstrekken.
Johan legde de krant even opzij en nam een slok van zijn melk.
Het zou wel heel toevallig zijn als die diefstallen te maken zouden hebben met zijn belevenissen van de vorige avond.
Maar is het niet zo dat de hele wereld van toevalligheden aan elkaar hangt?
Wat lette hem eigenlijk om daar nog eens een kijkje te gaan nemen?
Want ook als zijn belevenissen niets met die juwelenroof te maken zouden hebben, helemaal pluis was het er in elk geval niet.
Eindelijk weer eens wat afwisseling in zijn saaie bestaantje!
En met een eventuele beloning voor zijn speurwerk wist hij ook wel raad.
Hij zou zich schuil kunnen houden in of achter een van de grote bomen die om het landhuis stonden.
Eigenlijk gaf hij zichzelf weinig kans om iets te ontdekken maar als het een beetje meezat, zou Barend daar ook komen en dat was ook een reden om er heen te gaan.
Een uurtje later parkeerde hij zijn auto, zoveel mogelijk uit het zicht, tussen de struiken langs de kant van de weg.
Hij klom in een boom van waaruit hij een goed zicht op het landhuis had.
Waar hij op gerekend had, gebeurde inderdaad ook: van enige bedrijvigheid in en om het huis was niets te bespeuren en hij begon zich al snel te vervelen in zijn uitkijkpost.
Plotseling hoorde hij een tak achter zich kraken en hij draaide zich schichtig om.
De onverwachte aanwezigheid van een grote gestalte beneden hem, deed hem bijna van schrik uit de boom tuimelen.
Dit tot groot vermaak van degene die hem beslopen had en dat was voor Johan, die er zijn oom Barend in herkende, moeilijk te verkroppen.
“Mag ik weten, als u uitgelachen bent natuurlijk, waarom u mij in het geniep van achteren besluipt?”
“Ik zag een autootje staan tussen de struiken en ik dacht dat jij wel in de buurt zou zijn. En toen ik je daar zo stiekem in die boom zag zitten, kon ik het niet laten om ook stiekem te doen. Maar het was niet mijn bedoeling om je zo te laten schrikken, hoor.”
“Nou, dat is dan niet gelukt,” zei Johan korzelig.
“Man, kijk toch niet zo chagrijnig! Het zonnetje schijnt, de vogeltjes fluiten en… vandaag is het betaaldag!”
Johan trok desondanks een gezicht als een oorwurm en Barend kreeg het gevoel dat hij iets goed te maken had.
“Weet je wat? Kom met me mee. Als je je ogen en oren de kost geeft, kan je zo toch nog de misdaad van de eeuw oplossen.
Johan voelde de spot in Barends stem maar ging toch in op het voorstel en zo stonden ze even later voor het oude landhuis.
Barend belde aan maar er werd niet opengedaan.
Ook een tweede en derde keer bellen leverde niets op.
“Het lijkt wel of er niemand thuis is,” bromde Barend.
Hij morrelde aan de deur en keek door het raam.
De kamer was leeg en verlaten.
Barend wrikte nog eens aan de deur.
Morrelen kon je het niet meer noemen.
“Ik bel nog één keer aan…” sprak Barend dreigend.
“En dan?” vroeg Johan.
“Dan breek ik die deur open en als jij die grijns niet van je gezicht haalt, gebruik ik jou als breekijzer!”
Johan keek toe hoe Barend, na weer vergeefs aangebeld te hebben, zich gereed maakte om de deur in te beuken.
Johan ging een stapje opzij en zag, niet zonder bewondering, hoe Barend een enorme hoeveelheid gewicht aan spieren en vet in stelling bracht, ongetwijfeld met het doel om dwars door de niet al te stevige deur heen te gaan.
Een korte aanloop, een enorme dreun, gevolgd door gekraak en allerlei andere geluiden en Barend vloog met de resten van de deur het huis binnen.
Een beetje beduusd wandelde Johan door de zo ontstane opening en vroeg zich af of zijn oom nu niet een beetje te ver ging.
Barend vroeg zich niets af want hij krabbelde overeind en rende een trap op.
Je kon wel merken dat hij hier bekend was.
Terwijl Johan beneden wachtte, hoorde hij boven allerlei deuren open en dicht gaan, gevolgd door een reeks vloeken
Tenslotte kwam Barend, wit van woede, de trap af en ging vervolgens op een van de onderste treden zitten.
“Ze zijn hem gesmeerd, de vuilakken! En ze hebben alles meegenomen, inclusief mijn geld.”
“Ach, wat geeft dat,” spotte Johan. “Het zonnetje schijnt, de vogeltjes fluiten en…er komt vast nog wel eens een betaaldag…”
Barend keek Johan vernietigend aan.
“Dit is niet het moment om lollig te doen!”
Johan kon zich zo’n moment ook nog wel herinneren maar achtte het raadzamer om zijn mond hierover te houden.
Bovendien was hij zelf toch ook wel zo bij de zaak betrokken dat hij nieuwsgierig was naar de plotselinge verdwijning van de hele bende.
“Weet u wel zeker dat ze weg zijn? Misschien komen ze nog terug.”
“Nee jongen, ze zijn hem gesmeerd.”
“Maar hoe weet u dat dan?”
“Dat zal ik je vertellen. Dit huis was praktisch leeg, op wat hoogst noodzakelijke spullen na: een bureau, een kluis, een kast met papieren en een paar veldbedden. Nou, en dat alles is er niet meer. Vannacht weggehaald waarschijnlijk. Alle sporen uitgewist. Verdwenen! In rook opgegaan!”
“Als we er achter kunnen komen waar ze dit huis gehuurd of gekocht hebben, weten we wie ze zijn en waar ze naar toe gegaan zijn.”
“En jij denkt dat ze zo stom zijn geweest om hun echte naam op te geven? Wel nee, man! Ze hebben dit gewoon onder valse naam voor een bepaalde tijd gehuurd van een of andere projectontwikkelaar. Het geld is natuurlijk zwart uitbetaald, zodat het nergens officieel vastgelegd is. Niemand die het weet, dus geen haan die er naar kraait!”
“Maar hebben ze u dan nooit iets verteld?”
“Dat heb ik je gisteren al proberen uit te leggen. Ik heb niets met ze te maken en ik wilde ook niets met ze te maken hebben. Ik heb zoveel mogelijk elk contact met ze vermeden. Ik heb ze niets gevraagd en alleen die paar doodskisten met dubbele bodem geleverd. En daar zou ik buitengewoon goed voor betaald worden.”
“En nou heeft u dus niets…”
“Nou ja, ik heb natuurlijk een riant voorschot gehad maar ik zou de rest nog krijgen.”
Er viel een stilte waarin Johans hersenen op volle toeren draaiden.
“Wat zou u ervan zeggen als we ze achterna gaan?
Doordat ik dat gesprek afgeluisterd heb, weet ik ongeveer waar ze zitten. Ik heb nog vakantiedagen over, u werkt voor uzelf dus u kunt weg wanneer u wilt. We nemen een goedkoop hotelletje, gaan op onderzoek uit en als we ze gevonden hebben, slepen we die grote beloning samen in de wacht.”
“Grote beloning?”
Barends gezicht klaarde op.
“Ja, dat stond in de krant: een ieder die inlichtingen kan verstrekken, krijgt een grote beloning.”
Er leek Johan plotseling niets leuker dan om met zijn tweeën naar Luxemburg te gaan. Hij was dat jaar nauwelijks op vakantie geweest, Maaike was er toch niet en hij had echt behoefte aan wat afwisseling.
Bovendien vond hij het leuk om de verloren gegane band met zijn oom weer aan te halen.
Hij legde veel overtuigingskracht in zijn pleidooi om er op uit te trekken en Barend leek zowaar overstag te gaan.
“Nou ja,” bromde hij. “En als we ze niet vinden, hebben we in ieder geval een paar leuke dagen gehad. Want dat wil ik dan wel doen, hoor: een beetje vakantie houden.”
“Natuurlijk!” riep Johan. “We moeten er voor zorgen dat alleen al de reis er naar toe een feest is.”
Ze besloten met Johans auto te gaan.
Barend paste daar dan wel niet zo goed in maar zijn bestelwagen was hoognodig aan een onderhoudsbeurt toe.
En zo gingen Johan en Barend in feeststemming naar Luxemburg waar ze na drie files, een lekke band, twee omleidingen en drie kwartier extra reistijd omdat Johan een kortere weg meende te weten, heel wat minder feestelijk arriveerden.

Een echte Ier

Author: jeroenstamgast

Mijn kennismaking met de Ierse folkmuziek vond plaats halverwege de zeventiger jaren van de vorige eeuw.
Aan de Zeestraat te Beverwijk bevond zich een kroegje dat wij, als PA studenten, al snel als ons stamcafeetje beschouwden.
Het heette “het Lantaarntje” en werd bezocht door mensen van allerlei rangen, standen en leeftijden.
Ook de studenten aan de Pedagogische Academie kwamen daar regelmatig hun licht opsteken.
Op een dag kwam er een stel Ieren langs die werkten op de toenmalige “Hoogovens IJmuiden” .
Het waren gezellige praters en vóór ze helemaal dronken werden, hadden ze het voor elkaar gekregen dat tante Hennie een cassettebandje met “hun muziek” over de geluidsinstallatie liet draaien in plaats van de gebruikelijke top 40 nummers.
De muziek bleek van “the Dubliners” te zijn, een vijftal stevig uitziende ruige kerels met volle baarden die “plain and simple” prachtige ballades, drank- en strijdliederen ten gehore brachten.
Later bleken ze overigens heel wat minder stevig en ruig te zijn maar dat wist ik toen nog niet.
Ze toerden de hele wereld over en verspreidden zo het idee dat Ierland bevolkt werd door ruige guinness drinkende mannen met volle baarden en stemmen als graniet.
Ik was ogenblikkelijk verkocht: wat een vitaliteit en puurheid school er in deze muziek!
Vriend Gerrit verruilde zijn elektrische gitaar voor banjo en mandoline en samen leerden we de Ierse muziek spelen met behulp van onze groeiende collectie platen van- in eerste instantie- vooral die Dubliners.
De Ierse muziek spreekt me nog steeds aan en het land waar de muziek vandaan komt heb ik met de bands “Haddock” en “Bangers & Mash” meermalen bezocht.
Gewoon lekker vakantie houden combineerden we dan met optredens in pubs en zaaltjes.
Tijdens een van die optredens met Bangers & Mash werden we gadegeslagen door enige rijk uitziende Italiaanse toeristen.
Twee bloedmooie Italiaanse vrouwen bleven me maar aankijken en applaudisseerden telkens uitbundig als ik mijn deeltje van het repertoire zong.
In de pauze waren ze niet bij me weg te slaan en ik begon me steeds meer af te vragen waar deze hartverwarmende belangstelling toch vandaan mocht komen.
Na afloop van het optreden en een fotosessie waarbij de Italiaanse schonen meermalen met mij op de foto gingen, kwam de aap uit de mouw.
In gebroken Engels vertelden ze me dat ze fans van the Dubliners waren en besloten hadden om een long weekend naar Ierland te gaan om met het land en zijn bewoners kennis te maken.
Tot hun verbazing bleken de Ieren er heel anders uit te zien dan ze verwacht hadden en ze waren blij nu eindelijk dan tóch een echte Ier ontmoet te hebben.
De foto’s zouden ze koesteren als herinnering aan het mooie Ierland.
Ik plukte eens aan mijn baard en besloot om het maar zo te laten.

Paul Kemp

Author: jeroenstamgast

Door een onzichtbare magneet zitten wij bij verjaardagen in de tuin van huize Kuyt meestal naast elkaar.
Daarbij raken wij niet uitgesproken en valt vooral de gemeenschappelijkheid van onze passies op.
Zou het niet meer kunnen missen en kijk er alweer naar uit!

Onderstaand liedje schreef ik als 16 jarig knaapje voor een meisje uit Heemstede.
Het was de tijd van de Cyprus-conflicten en Aartsbisschop Makarios.

HET STILLE STRAND

Ik lig hier op het stille strand
Van Cyprus onder Griekenland
De zon schijnt boven op m’n rug
De zee deint kalm heen en terug

Kijk om mij heen en heb geen rust
M’n ogen dwalen langs de kust
En plots zie ik daar vlak vooraan
Een man op één der rotsen staan

Het was een grote blonde Griek
Met snor en brons gelaat
Zijn lichaam glansde van het zweet
En z’n borst was zwaar behaard

M’n handen zoeken naar een kam
Ik sta meteen in vuur en vlam
Bij ’t zien van deze Griekse held
Een bron van kracht en bruut geweld

Hij ziet me en komt naderbij
Hij knielt en oh dan kust hij mij
Maar ach ’t is slechts van korte duur
Want achter hem rijst weer een figuur

Het was een grote zwarte Turk
Met volle woeste baard
Z’n tanden waren hagelwit
Maar z’n ogen keken kwaad

De Turk grijnst eens heel gemeen
Mijn Griek is weldra op de been
Er volgt een vreselijk gevecht
De torn is groot de haat is echt

Hier in de Middellandse Zee
Vind men ook geen pais en vree
Uit angst geef ik een harde gil
Vlak naast me hoor ik “droom je Wil”

Weg was de grote blonde Griek
Weg ook de zwarte Turk
Keerde terug tot de werkelijkheid
Lag naast m’n man in Urk
Lag naast m’n man in Urk

hoofdstuk 1

Author: jeroenstamgast

>

Het regende nog steeds toen Johan voor de zoveelste maal die dag naar buiten keek.
Het weer zag er net zo troosteloos uit als de gezichten van zijn collega’s in de modern ingerichte kantoorruimte.
Het meubilair mocht dan enige tijd geleden vernieuwd zijn, de mensen zagen er nog net zo stoffig uit als vroeger.
Niets voor zo’n jonge vent als ik, dacht Johan en beroerde lusteloos met de vingers van zijn ene hand de toetsen van het toetsenbord, terwijl hij de vingers van zijn andere hand gebruikte om zijn hoofd te ondersteunen.
Twee jaar zit ik hier nu en ik ben al zo afgestompt dat ik niet eens de fut meer heb om te berekenen hoeveel jaar ik nog te gaan heb voor ik met pensioen mag.
Hij keek op zijn horloge en constateerde dat de werkdag er in ieder geval over tien minuten op zou zitten.
“Tijd om te gaan,” mompelde hij en kwam zuchtend overeind.
Hij wandelde zo onopvallend mogelijk naar de deur en verdween, zonder door zijn collega’s opgemerkt te worden.
Het is maar goed dat het weekend wordt, dacht Johan en trok zijn leren jack aan.
De lift zoefde naar beneden en Johan bekeek de sleutels van zijn ouwe trouwe MG.
“Toen werden er tenminste nog echte auto’s gemaakt,” mompelde hij tevreden en opende de deur van de lift.
De parkeergarage was snel bereikt en even later reed hij met zijn sportwagentje door drukke straten, omgeven door moderne kantoorkolossen.
Bij de afslag naar het winkelcentrum werd hij verrast door een met grote snelheid aanstormende Amerikaanse stationwagen.
Johan reageerde snel, week uit naar links en wist een botsing nog maar net te voorkomen.
De auto’s scheerden rakelings langs elkaar heen.
De verkeersdrempel, die voor het parkeerterrein aangelegd was, werd zodoende met veel te grote snelheid genomen en een ogenblik leek het of Johan en zijn auto gelanceerd werden.
Gelukkig liep alles nog goed af en Johan kon op zoek gaan naar een parkeerplaatsje, dat hij na enige tijd ook vond.
Wat rijden er af en toe toch een idioten op de weg, dacht Johan, terwijl hij met een grote boodschappentas een supermarkt binnenstapte.
En het gekke was dat het, te oordelen naar het model, een auto leek te zijn van een begrafenisonderneming.
En begrafenisondernemers staan over het algemeen toch niet bekend als wegpiraten, dacht Johan.
Nou ja, mij zijn ze daarnet als klant in ieder geval misgelopen.
Hij rekende af bij de kassa, deponeerde zijn volle boodschappentas in de MG en begaf zich even later rustig in het drukke stadsverkeer.
Thuisgekomen, toverde hij zijn kleine woning in de binnenstad om tot een plaats waar het ’s avonds aangenaam verpozen is.
Zijn vriendin Maaike zou een week op pad gaan voor haar werk als journaliste en daarom zouden ze het deze avond extra gezellig voor elkaar maken.
Hij vond het fijn voor haar dat ze zo’n leuke baan met veel afwisseling had, maar kon een gevoel van jaloezie toch niet helemaal onderdrukken.
Zijn eigen baan betaalde leuk maar schonk hem niet veel voldoening.
Hij rommelde wat in de keuken, keek een tijdje naar de televisie, bekeek nog eens wat papieren van zijn werk, bladerde in een tijdschrift over auto’s en begon zich steeds meer af te vragen waar Maaike toch bleef.
Eindelijk ging de deurbel.
Hij opende de deur en keek verbaasd naar het enigszins gehavende gezicht van Maaike.
“Wat is er met jou gebeurd?” vroeg hij geschrokken en keek naar een grote bult op haar voorhoofd en een schaafwond op haar wang.
“Ik ben aangereden door een auto,” zei Maaike met een beetje trillerige stem en gaf hem een vluchtige zoen.
“Kom gauw binnen,” zei Johan en begeleidde haar naar de bank.
“Wil je iets drinken?”
“Doe maar iets,” zei Maaike en betastte haar pijnlijke elleboog.
Johan schonk een glaasje in en ging naast haar zitten.
“Wat is er precies gebeurd?” vroeg hij en vulde voor zichzelf ook een glas.
“Nou, ik fietste van de redactie naar huis om me even op te frissen, toen er van rechts zo’n grote Amerikaanse slee kwam aanscheuren. Hij had natuurlijk voorrang maar omdat hij zo snel aan kwam zetten, had ik hem gewoon te laat gezien.”
“Heeft hij je echt aangereden?” vroeg Johan en nam snel een slok.
Nou, ik reed meer tegen hem aan. Ik raakte zijn zijkant en viel op straat. Verbogen voorvork!
Ik heb mijn fiets maar daar gelaten en ben naar jou gewandeld.”
Maaike stond op en begaf zich naar de badkamer.
“Even mijn gezicht verzorgen.”
“Het verbandtrommeltje staat in het kastje naast de spiegel!” riep Johan haar na.
Maaike was even bezig maar stak toen haar hoofd om de deur.
“Weet je wat trouwens raar was? Het leek wel een begrafeniswagen. Ik vond het al gek dat hij zo hard reed maar dat hij, nadat ik op de grond gevallen was, gewoon doorreed is natuurlijk helemaal vreemd. Dat zou je van zo’n begrafenisonderneming toch niet verwachten.”
Johan keek peinzend voor zich uit.
“Het zal natuurlijk wel toeval zijn, maar ik had vanmiddag ook bijna een aanrijding met zo’n wagen.”
Maaike kwam weer naast hem op de bank zitten en dronk haar glas leeg.
“Ik voel me niet helemaal lekker. Zou je me naar mijn eigen huis willen rijden?”
Johan keek haar aan met een mengeling van teleurstelling en bezorgdheid.
“Het is niet ernstig hoor. Maar morgen moet ik op reis en het lijkt me beter dat ik me vanavond even rustig houd.”
“Ik breng je wel thuis,” zei Johan en probeerde vergeefs zijn teleurstelling te verbergen.
“En als je me vertelt waar je fiets staat, zal ik die morgen wel ophalen en naar de fietsenmaker brengen.”
Maaike gaf hem een zoen en streek hem door zijn haar.
“Lief van je dat je zo begripvol bent. En ik beloof je dat ik, als ik over een weekje weer terug ben, het dubbel en dwars zal goedmaken.”
Maar toen Johan haar thuis had afgezet, kon die belofte hem niet echt opbeuren.
Hij startte de MG en vroeg zich mismoedig af wat er op tv zou zijn.
Op dat moment werd hij ingehaald door een keihard rijdende begrafenisauto.
Dat leek wel die auto waarmee hij bijna een botsing had gehad en misschien ook wel de auto die Maaike had aangereden.
Zonder echt te weten waarom, volgde hij op enige afstand de auto.
Al vrij snel verlieten ze de buitenwijken van de stad en volgden ze een weg die door een bos voerde.
Hij kende deze omgeving wel.
Hij had er als kind wel gespeeld met zijn vriendjes.
Deed hij dat eigenlijk nu ook weer niet: spelen?
Hoe zou je deze achtervolging anders moeten noemen?
Net doen of je een stelletje boeven op het spoor bent.
Kinderachtig eigenlijk!
Hij begon zich een beetje belachelijk te voelen.
De auto vóór hem reed een oprijlaantje in maar Johan ging de afslag voorbij.
Hij wist namelijk dat dat oprijlaantje eindigde bij een oud landhuis en, of het nu wel of niet boeven waren, ze zaten daar in ieder geval niet op hém te wachten.
Hij parkeerde zijn auto een klein eindje verderop langs de kant van de weg en vroeg zich af wat hij zou doen.
Hij stapte uit, bedacht zich, stapte weer in, bedacht zich weer, stapte uit en bleef besluiteloos staan.
Om hem heen heerste een serene rust.
Hij hoorde slechts het geritsel van blaadjes van bomen en struiken en het geluid van een enkel nachtdier en hij rook een heerlijke bosgeur.
De regen van overdag had zijn verkwikkende werk gedaan.
Plotseling nam hij een besluit en sloop door het door de maan verlichte bos, in de richting van het landhuis.
Behalve de begrafenisauto, die daar inderdaad geparkeerd was, stond er nog een oude bestelwagen bij het schuurtje naast het huis.
Johan sloop tot dichtbij een openstaand raam waarachter licht brandde en, vóór hij het goed en wel in de gaten had, was hij getuige van een gesprek.
Hij kon zelfs een van de twee in het zwart geklede heren zien.
“Hou nou toch eens op met dat gezeur,” zei de ene heer, die hij niet kon zien, in het Duits.
“Ik weet ook wel dat dat ongelukje slecht uitkomt. Maar er is toch verder niets aan de hand. Die meid mankeert waarschijnlijk niets en heeft de politie heus niet verder kunnen helpen. Waar maak je je nou druk over?”
“Ja, maar als ze nou tóch een onderzoek gaan instellen?”
“Dan zijn ze te laat. Alles is al lang geregeld en voor je het weet zitten we weer veilig en wel thuis in ‘ het Arendsnest’.
“Ik help het je hopen! Ik ben in ieder geval blij dat dit het laatste vrachtje is en dan hoop ik maar dat ik Luxemburg voorlopig niet meer uit hoef.”
“Dat denk ik niet want…”
Johan wachtte het einde van het gesprek niet af.
Het gevoel van kinderlijke sensatie dat hij even voelde, maakte plotseling plaats voor angst.
Stel je voor dat ze hem zouden ontdekken!
Nu pas viel het hem op dat de parkeerplaats goed verlicht werd door het schijnsel van de maan en dat hij wel heel veel geluk had gehad dat niemand hem daar had zien rondsluipen.
Het leek hem verstandig om niet dezelfde weg terug te nemen en hij schoof zo voorzichtig mogelijk langs de muur in de richting van het schuurtje.
Daar aangekomen, was het maar een kleine afstand tot het bos, dat hij opgelucht in dook.
Hij kwam bij de weg, volgde deze een eindje, zag zijn ouwe trouwe MG en stapte vlug in.
Hij zuchtte diep en keek eens om zich heen.
Alles was goed afgelopen en een veilig, bijna knus gevoel, kwam over hem door het vertrouwde interieur van de auto en door het idee dat hij bij onraad direct weg kon scheuren.
Hij wilde nog niet zo ver gaan dat hij moest lachen om de angst van daarnet maar hij nam er wel duidelijk afstand van.
Dat een mens zich zo kan laten gaan, dacht hij.
Dat zou hem geen tweede keer gebeuren!
Even later draaide een bestelwagen vanuit de oprijlaan de weg op.
Johan kon het niet laten.
Hij startte de auto en zette de achtervolging in.
Het duurde niet lang voor ze de buitenwijken van de stad weer bereikt hadden.
Daar reden nog een paar auto’s, zodat het voor Johan makkelijker was om onopvallend te volgen.
Bij een oude kroeg in het centrum van de stad werd gestopt en Johan, die iets verder tot stilstand kwam, kon in zijn achteruitkijkspiegeltje zien hoe de bestuurder uitstapte.
Kwam het nu doordat het spiegeltje het beeld enigszins vertekende of was die vent die uitstapte werkelijk zo groot?
Johan draaide zich half om en zag dat het spiegeltje alles natuurgetrouw had weergegeven.
Een kolossale gestalte begaf zich met zware tred in de richting van de kroeg.
Hij moest zelfs bukken om door de deuropening te kunnen.
Johan vond iets verderop een parkeerplaatsje en stapte uit.
Het zou niet moeilijk zijn om die reus tussen de andere bezoekers van de kroeg te herkennen.
Deze enorme figuur deed hem toch wel heel sterk denken aan iemand die hij nog kende uit zijn jeugd.
Hij stapte nieuwsgierig de wereld van drankgeur, tabaksrook en geroezemoes binnen.
De grote, ouderwets ingerichte zaak was goed gevuld met mensen van allerlei leeftijden, rangen en standen.
Hij liep naar de bar, bestelde een alcoholvrij biertje en keek om zich heen.
Waar zat die kerel nou toch?
Als het inderdaad degene was die hij dacht dat het was, zou alles wat hij vanavond gezien en gehoord had, waarschijnlijk ook wel duidelijker worden.
Hij zag een ober achter de bar vandaan komen met een dienblad vol belegde broodjes, een halve kip en een paar pilsjes.
De ober verdween achter een paar gokautomaten en Johan begreep dat daarachter nog een vertrek moest zijn.
Dat verklaarde natuurlijk waarom hij hem nog niet ontdekt had.
Hij bestelde nog een biertje en passeerde ter hoogte van de gokautomaten de ober die met een inmiddels leeg dienblad terugkwam.
Het vertrek dat Johan nu betrad was meer een afdeling met tafeltjes, waar je ook kon eten.
Aan een van die tafeltjes zat de bewuste figuur te schrokken van het eten dat de ober hem net gebracht had.
Eén bierglas was al leeg, de halve kip was nogmaals gehalveerd en, naar het tempo van eten te oordelen, zouden de broodjes het ook niet lang meer maken.
Deze man kende Johan uit zijn kindertijd.
In zijn herinnering zag hij weer die reusachtig sterke oom die als grapje zijn moeder met kruk en al op de piano zette omdat haar pianospel hem zogenaamd niet beviel.
En toen zijn vader lachend protesteerde, zette hij hem ernaast.
Het was diezelfde oom die hem wel eens meegenomen had de bossen in, op strooptocht.
In die tijd had hij ook een bootje waarmee hij uit vissen ging.
Johan mocht een keertje met hem mee het meer op, terwijl zijn vader dat niet wilde vanwege de slechte weersvooruitzichten.
Het bootje was absoluut niet bestand geweest tegen de opkomende storm en ze waren bijna verdronken.
Zijn ouders waren vreselijk ongerust geweest en zijn vader had zijn oom toen uitgemaakt voor alles wat maar lelijk was.
En toen deze zei dat hij zich niet zo moest aanstellen, verloor zijn vader alle zelfbeheersing en wilde met hem op de vuist.
Zijn oom was zonder verder iets te zeggen vertrokken en Johan had hem nooit meer teruggezien, tot nu dan.
Hij was niet eens zoveel veranderd.
Zijn kortgeknipte baard was nu iets woester en ook zijn hoofdhaar was langer en grijzer maar zijn gezicht had toch iets jongensachtig behouden.
Hij was alleen veel dikker geworden.
Om de enorme spierbundels zat nu een behoorlijke laag vet, die hem er nog kolossaler uit deed zien.
Een beetje verlegen drentelde Johan naar de tafel.
“Hallo ome Barend. Kent u me nog?”
Ome Barend keek op, terwijl zijn kaken doormaalden.
Hij slikte het gekauwde door, leegde in één teug zijn glas en glimlachte.
“Ik denk het wel,” zei hij. “Maar om te voorkomen dat ik een misser maak, mag je het me zelf vertellen.”
“Ik ben Johan,” zei Johan en schoof een stoel bij.
“Dat is lang geleden,” zei Barend en keek hem onderzoekend aan.
“U bent niet zoveel veranderd,” zei Johan om maar iets te zeggen.
Jij wél,” zei Barend en toen viel er een stilte.
“Nou ja, ik ben natuurlijk geen kind meer,” vervolgde Johan, in de hoop dat zijn oom iets toeschietelijker zou worden.
Deze begon een pijp te stoppen en keek hem nu toch iets vriendelijker aan.
“Ik vond je vroeger best een aardige knul. En wie weet, misschien ben je dat nog steeds. Wat wil je drinken?”
Johan zei dat hij best een pilsje lustte en Barend bestelde drie bier bij een juist langskomende ober.
Op Barends vraag wat hij zoal deed, vertelde Johan over zijn kantoorbaan met goede carrièremogelijkheden maar dat hij dat leven toch ook niet alles vond.
Barend ontdooide en zei dat dat misschien maar goed was ook.
Persoonlijk hield hij meer van barkrukken dan van kantoorkrukken.
Over zijn eigen werkzaamheden was hij niet erg mededeelzaam.
Hij kwam niet veel verder dan: “Ach, van alles en nog wat.”
Toch hadden ze geen onaardig gesprek en, na het volgende pilsje begon het bijna gezellig te worden.
Mede daarom vond Johan het vervelend om met zijn vraag te komen.
“U zult het misschien een beetje raar van me vinden maar ik ben u daarnet een tijdje gevolgd.”
Een voorzichtig begin kan geen kwaad, dacht Johan en ging verder.
“Eigenlijk is het toeval dat ik u op het spoor kwam want ik volgde eerst iemand anders.”
“Ik wist niet dat jij zo’n volgzaam type bent,” vulde Barend de stilte op, die ontstond omdat Johan naar de juiste toonzetting voor zijn gesprek zocht.
“De lui die ik achtervolgde vond ik nogal verdacht en dat gesprek dat ik afluisterde bevestigde dat nog eens. En toen zag ik tot mijn verbazing u daar wegrijden.”
“Zo. En nu vind je mij dus ook verdacht?”
Johan vertelde in het kort wat er daarvóór gebeurd was.
“Nou, ik kan je geruststellen: ik heb met die lui niets te maken.”
“Maar wat deed u daar dan?”
“Ik leverde een bestelling af.”
“Een bestelling?”
“Ja. Een bestelling.”
“Wat voor een bestelling?”
“Jij vindt me echt verdacht, he?”
“Welnee. Ik wil alleen maar weten wat u met die lui te maken heeft.”
“Dat zeg ik je toch: een bestelling afleveren. Ik heb een soort ‘doe het zelf zaak’ alleen ik zelf ben meestal degene die het doet. Ik doe loodgieterswerk, timmerwerk, een beetje rommelen met elektriciteit en je kunt bij mij natuurlijk ook gewoon materialen bestellen. Over bestellen gesproken: wil je nog een pilsje?”
“Nee, dank u. Ik moet nog rijden,” zei Johan, die er wel steeds meer behoefte aan begon te krijgen. Hij wist niet wat hij ervan moest denken.
“Waarom vertelt u me nou niet gewoon wat voor bestelling u afgeleverd heeft?”
Even leek het of Barend boos zou worden maar al snel verscheen er een glimlach op zijn gezicht.
“Omdat je me met dat doordrammerige gevraag aan vroeger deed denken. Toen ging je ook altijd maar door. Daarom wou ik je even laten zweten, snap je?”
“Dat snap ik. Maar ik heb nog steeds geen antwoord op mijn vraag gekregen.”
“Zie je: dat bedoel ik nou! Gewoon doordrammen! Nou ja, als ik je er een plezier mee kan doen: doodskisten.”
“Doodskisten?”
“Ja, doodskisten! Ga je nou net zo doorzeuren over die doodskisten als over die bestelling van daarnet?”
“Wat moeten die lui nou met doodskisten?”
“Weet ik veel! Vraag jij je bij elk papiertje dat je op kantoor invult af wat ze daarmee moeten of doe je gewoon je werk?” “Maar waarom laten ze die doodskisten speciaal bij u maken? Die kan je toch overal gewoon kant en klaar kopen?”
“Ja, maar niet met dubbele bodem.”
“Dubbele bodem?”
“Ja, dubbele bodem!”
Barend klopte geïrriteerd zijn pijp uit op de rand van de asbak.
“Dat kan toch geen zuivere koffie zijn! Ze gebruiken die kisten van u vast om iets uit het land te smokkelen.”
“Daar heb ik dan niets mee te maken.”
“Als u dat weet, bent u medeplichtig.”
“En wat moet ik dan volgens jou doen?”
“De politie waarschuwen.”
“Dat mag jij dan doen. Maar wacht even tot morgenmiddag. Ik heb alleen nog maar een voorschot gehad. De rest van het geld krijg ik morgenochtend.”
“Dat valt me lelijk van u tegen.”
“Jammer. Ik hoop dat ik er vannacht nog maar van slapen kan.”
Johan voelde een flinke boosheid in zich opkomen en was teleurgesteld dat het weerzien met zijn oom op deze manier gelopen was.
“Weet u wat ik ga doen? Ik ga nu weg en ik denk er hard over om even langs de politie te gaan om ze te waarschuwen. En als ik dat gedaan heb, is de kans dat u morgen uw geld nog krijgt, heel klein. Misschien is dát dan iets waar u vannacht wel wakker van ligt. Welterusten!”
Johan stond resoluut op, liep zonder om te kijken naar de uitgang, stapte in zijn auto en reed rechtstreeks door naar huis.

Gerrit Kuyt

Author: jeroenstamgast

19 oktober 2012

In deze digitale wereld, die overloopt van de ”social media” is het toch leuk om een persoonlijk compliment te krijgen.
Wat kan er op, tegen een vriendelijke open blik, een warme stem en handdruk??? Zeker geen digitaal gefotoshopt mini-afbeeldinkje, voorzien van een door de spellingscontrole gecontroleerde tekst, dat 1-2-3-zomaar op het schermpje van je mobieltje verschijnt.
Nou ja, je kunt het opslaan, versturen enz.
Alles via de digitale snelweg, kun je er altijd ff naar kijken, maar dat is dan ook het enige.
Zo, dat moest ik even kwijt!!!

Hallo Jeroen,

Als oud klasgenoot op de P.A. te Beverwijk en gelukkig nog steeds goede vriend vond ik het heel leuk om je site even te bewonderen. Inmiddels liggen er bijna 40 jaren tussen onze eerste ontmoeting en in die tijd is heel wat gebeurd.
Beide onze studie afgemaakt, beide getrouwd, jij geweest, en 2 dochters, tja waar blijft de tijd. Vele bezoeken aan het Lantaarntje met alle gevolgen van dien, een roemruchte schoolreis naar Neuwied met een eerste optreden onder de naam ‘’Ausserordentliche Lehrergruppe’’waaruit een pril Matthew Quintal ontstond, goed voor enkele optredens in en rond Beverwijk, Heemskerk en Uitgeest, schoolfeesten, tuinen aanleggen in Amsterdam en Castricum met Kees o.l.v. Jan Twisk.
Vakantie in Gulpen, vakantie in Ouistreham
Toch elkaar weer gevonden na een lange periode van ‘’ieder zijn eigen weg zoeken’’ en de muzikale draad van de jaren 70 weer opgepakt, zij het een stuk ‘’gerijpter’’ en rustiger.
Ieder een eigen band, Bangers&Mash en Tizzmtog
De muziek blijft als een rode draad tussen ons doorlopen en dat is maar goed ook. Als Fisherman’s Bend (jaja Bend met een e)met z’n tweetjes, bestaan we inmiddels ook al aardig wat jaartjes en het verveelt nooit.
Maar genoeg gekletst, ik heb nog wel een schriftelijk aardigheidje, wat ik neergeschreven heb als 16 jarige knul in 1969. Allerlei in mijn ogen magische ontwikkelingen op kunst en cultuurgebied vlogen door mijn blikveld en gedachten, evenals een aantal maatschappelijk en sociale nieuwigheden.
Wat was dat een tijd, maar dat zullen de jongeren van nu ook wel zeggen in dit fantastische digitale tijdperk, waarin het onmogelijke digitaal mogelijk kan worden.
Het is een gedichtje, rijmpje wat ik na enige blikverruimende trekjes van een nogal fors uitgevallen sjekkie gevuld met samengeperste hars van de hennepplant, zomaar uit mijn BIC balpen liet rollen.

Wij leven voort en voort, zij die komen,
zij die gaan, tot in het eeuwige land,
dat, als het bestaat, een van onze eerste
stappen in het oneindige zal zijn.

Ik vind het na 43 jaar nog steeds een grappig dingetje.
Groet,
Gerrit Kuyt