Archive for februari, 2012

Hoofdstuk 23

Author: jeroenstamgast

De glorieuze thuiskomst die alleen maar thuiskomst blijkt te zijn.

Dromen zijn bedrog. Dat bleek maar weer eens.
Niets geen glorieuze thuiskomst.
De mensen in het dorp keken hem vol afkeuring aan en er was zelfs een moeder die haar kinderen naar binnen haalde.
Pandoeris begreep dat hij eruit zag als een zwerver en probeerde zich er niet al te veel van aan te trekken.
Dat zou wel weer veranderen als hij zich goed gewassen en opgeknapt had en weer schone kleren zou dragen.
Hij wandelde zo snel mogelijk dóór naar het huis van de vervoerder.
Pandoeris raakte behoorlijk opgewonden toen hij het vertrouwde gebouw aan het pleintje vóór zich zag liggen.
Het viel hem alleen op dat de gevel veel donkerder was dan hij zich kon herinneren.
Maar daar schonk hij verder geen aandacht aan.
Hij trok aan de bel en verheugde zich al op de blij verraste gezichten van de vervoerder en zijn vrouw.
Toen er na een tijdje niet opengedaan werd, belde hij nóg maar eens.
Weer geen reactie.
Vreemd.
Hij besloot dan maar om achterom te gaan.
Hij ging de hoek om en wilde het steegje inwandelen.
Maar tot zijn ontzetting wás er geen steegje meer.
Sterker nog: er was helemaal geen vervoerdershuis meer!
Het enige dat nog overeind stond, was de voorgevel waar hij net gebeld had.
Het gebouw erachter lag bijna volledig in puin.
Nu begreep hij ook waarom de gevel er zo zwartgeblakerd uitzag.
Het gebouw was afgebrand.
Hij klom over de puinhoop en ontdekte dat een klein gedeelte bij de ingang nog enigszins in takt was.
Er stonden en lagen zelfs nog een paar meubeltjes maar het was niet meer bewoond.
Nou ja, dacht Pandoeris, met de opbrengst van de inhoud van mijn kistje kunnen we alles weer opknappen. En als er dan niet meer genoeg geld overblijft voor de vervoerder en zijn vrouw om stil van te kunnen leven, kan ik altijd nog voor ze blijven werken tot ze er vanzelf mee ophouden omdat ze te oud geworden zijn. Ik zal er dan alleen wel voor zorgen dat ik een fikse salarisverhoging krijg. Dát heb ik dan toch wel verdiend.
Hij wandelde, natuurlijk toch wel erg teleurgesteld, naar de slagerswinkel van de buurman.

Eens kijken of die wist waar de vervoerder tegenwoordig woonde.
”Tja,” zei de slager. ”Triest hoor. Het is ongeveer een maand geleden gebeurd. Het ging allemaal zó snel. Blussen hielp niet meer.
We hebben nog wel zijn paard en wagen kunnen redden en daarmee rijdt hij nog wel pakjes rond, een eind hier vandaan. Daar logeren ze zolang bij familie. Maar hij is een hoop klanten kwijtgeraakt. Je ziet er trouwens zelf ook niet zo florissant uit, als ik je zo bekijk. Alhoewel je het afgelopen half jaar wel flink gegroeid bent.”
”Half jaar?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Ja. Zo lang ben je zéker weggeweest. De vervoerdersvrouw komt elke zaterdag even langs om te vragen of je al teruggekomen bent. Wacht eens. Dat is morgen al weer. Weet je wat? Blijf vannacht maar bij ons slapen. Dan kun je haar morgen ontmoeten. Reken maar dat ze blij zal zijn met je komst!”
Pandoeris dacht even na.
”Het is heel vriendelijk aangeboden van u. Maar ik ga liever bij familie langs die hier in de buurt woont.”
”Zoals je wilt. Hier, neem wat brood mee en een flink stuk worst voor onderweg. Dat zal je goed doen.”
Pandoeris bedankte de man hartelijk en spoedde zich naar zijn tante Eleanora.
Hij hoopte maar dat die thuis zou zijn.
Dat bleek inderdaad het geval.
Ze was net bezig koffie te zetten toen hij aarzelend binnenkwam.
”Zo, rook je de koffie?” vroeg ze alleen maar.
Pandoeris wist niet goed wat hij zeggen moest.
”Tja, daar ben ik dan weer,” mompelde hij verlegen.
”Dat zie ik. Of dacht je soms dat ik stront in mijn ogen heb of zo.
Man, man, wat zie je eruit! Nou ja, naar school kan je tóch niet meer.
Die is maanden geleden al begonnen. Wat kom je hier eigenlijk doen?
Als je maar niet denkt dat je je oude leventje weer kunt oppakken, hoor. Daar heb ik geen zin meer in. Je moest zo nodig onder de gewone mensen leven! Nou, blijf daar dan ook maar!”
Eleanora schonk voor zichzelf een kop koffie in en ging zitten.
Pandoeris had zich niet al te veel voorgesteld van de ontmoeting met zijn tante maar dit was erger dan verwacht.
Vroeger zou hij dan het zielige jongetje zijn gaan uithangen om medelijden op te wekken.
Maar daar voelde hij zich nu toch te groot voor, na alles wat hij meegemaakt had.
”Goed. Als dat alles is wat u kunt zeggen dan ga ik wel weer,” zei hij en draaide zich abrupt om en liep naar de deur.
Vroeger zou hij dan net zolang gedraald hebben tot hij teruggeroepen werd maar nu liep hij in één keer door.
”Wacht!” riep Eleanora met verbazing in haar stem, toen hij al bij het gammele tuinhekje gekomen was. ”Je gaat er écht vandoor…”
”U heeft inderdaad geen stront in uw ogen,” sprak Pandoeris met rustige stem. ”Als ik zó onwelkom ben als u laat blijken, blijf ik geen minuut langer dan nodig is. Vaarwel!”
”Doe niet zo gek! Drink in ieder geval een kopje koffie met me en vertel me wat je meegemaakt hebt. Daar ben ik toch wel benieuwd naar.”


Eleanora zwaaide vervaarlijk met de koffiepot, als om te bewijzen dat ze meende wat ze zei.
Pandoeris kwam terug en ging zitten.
Eleanora schonk in en een ogenblik later zaten ze zwijgend tegenover elkaar.
”Je bent veranderd,” begon Eleanora en keek Pandoeris niet onwelwillend aan.
”Ik heb dan ook het nodige meegemaakt. En om je gerust te stellen: ik ben helemaal niet van plan om hier weer te gaan wonen. Ik kwam alleen maar langs omdat ik hier zolang gewoond héb.”
Er volgde weer een stilte maar deze keer was het Eleanora die zich met haar figuur geen raad wist.
”Vertel me eens: wat heb je zoal meegemaakt?”
Pandoeris vertelde in het kort zijn belevenissen zonder opschepperij of overdrijving.
”Morgen spreek ik de vervoerdersvrouw en als het een beetje meezit heb ik binnen afzienbare tijd mijn eigen bedrijf en anders in ieder geval een goed betaalde baan,” besloot hij zijn verhaal.
Eleanora zweeg en schonk voor allebei nog een kop koffie in.
”Je wilt dat écht hè, een gewoon baantje onder de gewone mensen?”
”Ik wil in ieder geval niet meer rondlummelen zoals vroeger,” zei Pandoeris resoluut. ”Dat nutteloze gedoe daar kan ik niet meer tegen.
Ik wil iets dóen met mijn leven.”
Hij verbaasde zich ondertussen over de zekerheid waarmee hij alles zei.
Maar hij meende het uit de grond van zijn hart.
”Nou ja,” zei Eleanora. ”Als je dat zo vindt dan moet je dat maar doen. Als je wilt, kun je vannacht hier blijven slapen op je oude kamertje.
Als jij je dan eens goed wast dan zal ik andere kleren voor je toveren en die rare schrammen op je gezicht en handen eens behandelen met mijn kruidenzalfjes. Dan ben je tenminste weer toonbaar als je onder de mensen komt.”

Pandoeris stemde ermee in en voelde zich een ander mens toen hij ’s avonds helemaal verschoond en opgeknapt in zijn eigen vertrouwde bed lag.
De weggewaaide dakpannen lagen er nog steeds niet op en ook het verdwenen raam was nog steeds niet vervangen.
Kortom: het was nog steeds dezelfde puinhoop als altijd.
En dat, terwijl Eleanora, als ze zich er even voor in zou zetten, het huisje zonder al te veel inspanningen in iets leuks zou kunnen omtoveren.
Pandoeris draaide zich op zijn zij en grinnikte in zichzelf.
Zou die lamlendige levenshouding soms in de familie zitten?

Hoofdstuk 22

Author: jeroenstamgast


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris laat het Verloren Oord achter zich en is blij als hij vloekend en tierend verwelkomd wordt.

Pandoeris had zich zo goed mogelijk gewassen en opgeknapt bij een rivier maar het bleef bij een schamel resultaat.
Echt schoon was hij niet geworden.
Op zijn gezicht en handen zaten schrammen die licht ontstoken waren en zijn kleren zaten vol vlekken en waren op een aantal plaatsen gescheurd.
Hij leek eerder op een landloper dan op een toekomstig eigenaar van een bedrijf.
Toch voelde hij zich dat laatste wél en hij liep dan ook trots, met opgeheven hoofd op de weg die hem langs een rivier voerde.
De weg werd steeds smaller, de rivier werd steeds breder en de omgeving werd steeds moerassiger.
Pandoeris voelde aan zijn water dat hij bij de grens van het Verloren Oord aanbeland moest zijn en keek uit naar een herberg, die hij even later inderdaad ook vond.
Hij ging naar binnen en groette de waard veelbetekenend.
Deze keek hem eerst verbaasd aan en even later met een zekere afkeuring.
Pandoeris was ondertussen aan een tafel gaan zitten, zette zijn bord erop en legde de lepel ernaast Verwachtingsvol bestelde hij een soep en keek samenzweerderig naar de waard alsof die wel zou begrijpen wat hij daarmee bedoelde.
Dat scheen echter niet het geval te zijn.
De waard ging breeduit voor hem staan en richtte argwanend het woord tot hem.
”Vóór ik die soep ga bereiden, wil ik éérst geld zien.”
Pandoeris legde daarop zijn laatste geldstukken op tafel.
De houding van de waard veranderde op slag.
”Neem me niet kwalijk maar ik zag uw kleren en dacht…”
”Niet altijd meteen op het uiterlijk afgaan,” onderbrak Pandoeris hem.
”Nogmaals mijn excuses. U kunt kiezen uit erwtensoep, tomatensoep, uiensoep en de specialiteit van het huis is champignonsoep. Ik mag wel zeggen dat ik daarmee veel succes heb bij de plaatselijke roeivereniging. Terwijl u uw keuze maakt, zal ik ondertussen even een schoon bord en een schone lepel halen.”
”Ik heb mijn eigen bord en mijn eigen lepel al meegenomen,” zei Pandoeris en knipoogde naar de waard.
Deze keek hem geïrriteerd aan.
”Wat wilt u toch van me?”
”Hoe bedoelt u?”
”U zit me steeds maar zo raar aan te kijken. En nou weer dat geknipoog. Net alsof u iets van me wilt. Daar ben ik niet van gediend, hoor!”
Pandoeris kreeg een hoofd als een boei.
”Ik …eh…ik doe dat in de hoop dat u begrijpt dat ik hier weg wil.”
De waard keek Pandoeris aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen.
”Als u weg wilt dan gaat u toch gewoon. Dáár is het gat van de deur!”
sprak de waard geprikkeld.
”Ja maar u moet me daar bij helpen,” probeerde Pandoeris en keek de waard hoopvol aan.
”Dat kan,” zei de waard alleen maar en vóór Pandoeris goed en wel in de gaten had wat er gebeurde, werd hij opgepakt en naar buiten gegooid.



Het bord en de lepel werden hem nagesmeten.
”Is er verder nog iets van uw dienst?” vroeg de waard gemaakt vriendelijk.
”Mijn geld ligt nog op tafel,” sprak Pandoeris ijzig.
De waard verdween weer naar binnen en smeet het geld naar buiten.
”Een klein bedrag heb ik afgehouden voor de bediening. En nou wegwezen vóór ik echt boos word. Probeer je soep maar in die herberg verderop te krijgen. Daar komen wel meer van die gekken zoals jij!”
Pandoeris sloeg de aangegeven richting in en kwam inderdaad aan bij een herberg genaamd ’de Laatste Post’.
Dit moest dan de bewuste herberg zijn!
Dat kon niet missen.
Hij wilde de deur openen maar dat werd al voor hem gedaan.
De deur zwiepte open en iemand vloog met flinke vaart langs hem heen.
Een boos uitziende waard verscheen in de deuropening.
”Probeer je soep maar in die herberg verderop te krijgen. Daar komen wel meer van die bedriegers zoals jij!”
De ongelukkige krabbelde overeind en maakte dat hij wegkwam.
Een bord en lepel werden hem nog nagesmeten.
”En neem die namaaktroep ook mee!” brulde de waard hem na.
Pandoeris was ondertussen naar binnen geglipt en had zijn bord en lepel weer op tafel gelegd.
De waard zei niets maar vulde het bord met iets dat voor soep moest doorgaan.
”Goede reis,” zei hij alleen maar en verdween weer in de keuken.
Pandoeris haalde een paar maal diep adem en werkte zo snel als hij kon de soep naar binnen.
Weldra was hij gehuld in nevel en kwade dampen en de grond onder hem begon te bewegen.
Hij hield zijn bord en zijn lepel goed vast.
Na een tijdje kon hij weer zien waar hij was en het schudden van de grond was opgehouden.
Nieuwsgierig keek hij om zich heen of hij iets bekends zag.
Dat was niet het geval maar hij hóórde wel iets bekends.
Boven het geluid van een aankomende postkoets uit, hoorde hij het vloeken en tieren van een koetsier.
Het klonk hem als muziek in de oren.
Zo beroerd als hij op de heenreis in het moeras terecht was gekomen met een bedrieglijke veerman, zo gunstig stond hij er nu voor.
Hij hield de postkoets aan en liet zich glimlachend door de onbehouwen koetsier naar zijn plaats brullen.
Hij knikte vriendelijk naar een medereiziger die hem verstoord aankeek en zakte achterover in de kussens.
Hij hield de rugzak met daarin het kostbare kistje goed vast en sloot tevreden de ogen.
Hij was er bijna en droomde van een glorieuze thuiskomst.

Vergane glorie

Author: jeroenstamgast

Haar stramme schapenpootjes

Schuifelen futloos door de levendige straat

Geen van de passanten

Heeft aandacht voor het oude wijf

Genegeerd wordt ze

Alsof ze niet bestaat

Zelfs de Dood toont geen interesse

In haar half vergane lijf

 

Wie kent nog het mooie lichaam

Uit haar verre jeugd

Het lillend vrouwenvlees

Dat menig mannenhart deed kloppen

Haar gevulde vormen

Gaven vele vrijers vreugd

Hordes jongeheren

Kwamen hitsig binnenhoppen

 

Maar nu

Is dat voorgoed verleden tijd

Haar lang vergeten schoonheid

Doet niemand meer begeren

Haar verleidelijkheid

Is zij reeds vele jaren kwijt

Hoewel daar in het duister wacht de Necrofiel

Die wellicht haar kansen zal doen keren

 

 

december 1994