Archive for januari, 2012

Hoofdstuk 21

Author: jeroenstamgast

Een kleuter die gemolken wil worden, een meisje dat een ei probeert te leggen, een jongen die achter de kippen aan zit, terwijl zijn broertje zich in de
modder wentelt en ook met de vader en moeder is het niet in orde.
Twee dagen hadden ze zich heerlijk laten verwennen.
Het oude vrouwtje sloofde zich uit tot ze er bij neerviel.
Dat gebeurde overigens regelmatig maar daar trapten Pandoeris en de kunstenaar niet meer in.
Alleen de laatste keer leek het zó echt dat ze besloten dat ze nu wel genoeg gedaan had om het weer goed te maken.
Je moest tenslotte ook niet overdrijven.
De derde dag vertrokken ze vroeg, zonder dat ze uitgezwaaid werden.
Toen ze de laatste bergrug over waren, namen ze afscheid van elkaar en ging ieder een andere kant op.
Pandoeris had er lekker het tempo in en zag zichzelf in zijn fantasie al als directeur van een groot vervoerdersbedrijf.
Hij vroeg zich alleen af hoe hij die lepel en dat bord moest gebruiken om het Verloren Oord te kunnen verlaten.
Waarschijnlijk zou dat wel weer via een herberg gaan.
Maar ja, welke?
Hij telde zijn geld en besloot om in het eerstvolgende dorp een postkoets te nemen naar de grens.
Hij hoefde dat geld toch niet meer te gebruiken om eten te kopen want hij had bij het oude vrouwtje voldoende voedsel voor onderweg ingeslagen.
In de verte zag hij een man wandelen die zijn hond uitliet.
Die zou vast wel weten hoe ver het nog lopen was naar het volgende dorp en of daar ook een postkoets langskwam.
Hij versnelde zijn pas en haalde het tweetal in.



De hond had er zeker niet zoveel zin in want de man moest hem gewoon voorttrekken aan het touw en de hond verzette zich uit alle macht.
”Goede morgen,” groette Pandoeris. ”Mag ik u iets vragen?”
De man reageerde niet en begon nog harder aan het touw te trekken.
Zeker doof, dacht Pandoeris en ging voor hem staan en herhaalde zijn vraag.
De man gaf geen antwoord maar stak zijn tong uit en begon amechtig te hijgen.
”Het klinkt misschien gek,” sprak de hond plotseling. ”Maar je spreekt tegen de verkeerde. Ik ben de baas en waar jij tegen praat is mijn hond.”
Pandoeris had even tijd nodig om deze mededeling te verwerken.
Ondertussen begon de man hem aan alle kanten te besnuffelen en tenslotte likte hij hem zelfs in zijn gezicht.
”Aai hem nou maar even,” raadde de hond hem aan. ”Anders blijft hij doorgaan.”
Pandoeris volgde het advies op en aaide de man een paar maal over de bol.
Dat vond hij wel lekker en hij ging op zijn rug liggen.
Pandoeris gaf hem toen maar een paar vriendelijke klopjes op zijn buik en keek vragend naar de hond.
”Mijn naam is Kees en dat daar is Vlekkie. We zitten in elkaars lichaam.
Dat komt zo: ik ben tovenaar en mijn zoon wou een geintje uithalen.
Hij heeft de wisselspreuk uitgesproken en nu zit mijn hele gezin in een verkeerd lichaam.”
”Maar waarom tovert hij jullie niet gewoon terug dan?” vroeg Pandoeris die nog steeds aan het idee moest wennen.
”Omdat hij zichzelf per ongeluk in een haan omgetoverd heeft en nu zit zijn lichaam achter de kippen aan. Die beesten snappen er niets van en rennen alle kanten uit en dat lichaam van hem er achteraan.”
”Maar dan kan die haan, ik bedoel uw zoon, toch de spreuk opzeggen?”
vroeg Pandoeris die logisch probeerde te redeneren.
”Dat kan alleen iemand doen die de gedaante van een mens heeft, zoals jij bijvoorbeeld. Anders werkt de spreuk niet.”
Vlekkie (in de gedaante van de man) kreeg genoeg van het oponthoud en begon luid tegen een tak te blaffen die op de grond lag.
”Hij wil dat je hem weggooit,” verduidelijkte Kees.
Pandoeris raapte de tak op en gooide deze een eind heen.
Vlekkie liet het touw los en rende er als een bezetene achteraan.
”Doe me een lol,” zei Kees en haal die halsband van mijn nek en doe hem daarna om die van Vlekkie. Dan kunnen we tenminste naar mijn huis.”
Pandoeris wilde dat wel doen maar het duurde even voor Vlekkie dat ook wilde.
Eerst moest Pandoeris de tak nog een paar maal weggooien.
De wandeling naar het huis van Kees verliep ook niet echt vlot omdat Vlekkie om de zoveel meter, dwars door zijn broek heen, een plasje bij een boom wilde achterlaten.
Eindelijk kwamen ze dan toch bij het huis van Kees aan.
”Gelukkig! Eindelijk ben je daar dan weer,” sprak een kat die op het tuinhek zat.
Vlekkie begon meteen te blaffen en wilde de ’kat’ te lijf.
Pandoeris had de grootste moeite om hem in bedwang te houden en wist uiteindelijk het touw aan een van de spijlen van het hek vast te binden.
”Dit is Cornelia, mijn vrouw,” stelde Kees haar voor aan Pandoeris.
Cornelia gaf een kattenpootje aan Pandoeris, die ondertussen zijn ogen uitkeek.
Een vrouwenfiguur probeerde in een boom te klimmen om bij een vogelnestje te komen, in een kippenhok dacht een meisje een ei te leggen, een jongen wentelde zich knorrend van genot in de modder en een kleuter loeide om gemolken te worden.
Toen hij ook nog een jongen kraaiend achter de kippen aan zag rennen, was het gezin compleet.
”Nou, je ziet het,” zei Kees. ”De waanzin ten top! Doe me een lol en probeer iedereen in de huiskamer te verzamelen en spreek de antispreuk uit.”
Pandoeris slikte even en besloot dan toch maar om te helpen.
Kees en Cornelia gingen uit zichzelf wel naar binnen en Vlekkie lukte na enig sleurwerk ook, maar nu de anderen nog…
Eerst die loeiende kleuter maar naar binnen, die leek hem de makkelijkste.
De bijbehorende koe was in de speelkamer bezig om een toren van blokken te bouwen, wat natuurlijk niet lukte.
”Kom je mee naar de huiskamer?” vroeg Pandoeris vriendelijk.
”Nee!” schreeuwde de koekleuter en draaide zijn kont naar hem toe.
”Dan krijg je wat lekkers,” lokte Pandoeris.
”Ik wil geen lekkers!”
”Wat wil je dan?”
”Ik wil paardje rijden! Dat is leuk!”
”Dat kan niet!” zei Pandoeris geschrokken en keek naar het enorme koeienlichaam.
”Ik wíl het!” dreinde de koekleuter en kwam al op Pandoeris af.
”Ik kan je niet dragen.”
”Mijn papa kan het wél!”
”Dan zal ik je papa wel halen,” zei Pandoeris boos en kwam al snel daarna met Kees terug.
”Kijk eens wie ik hier bij me heb,” zei Pandoeris.
”Dat is Vlekkie.”
”Nee, dat is je papa.”
”Mijn papa heeft geen staart.”
”Als je nou niet als de sodemieter met me meegaat dan geef ik je een paar draaien om je grote oren die je je hele leven niet meer zal vergeten!”
dreigde Kees, die zijn geduld verloor.
De koekleuter begreep onmiddellijk dat dit wel degelijk zijn papa moest zijn en sjokte huilend achter hem aan de huiskamer in.
Pandoeris ging weer naar buiten en liep op de boom af, waar de poezenvrouw nog steeds probeerde bij het nest te komen.
”Poes, poes, poes,” lokte Pandoeris.
De poezenvrouw keek niet op of om.
Ze had alleen aandacht voor het nest.
Dan maar met grof geweld, dacht Pandoeris en klauterde ook de boom in.
Erg hoog zat ze niet want het klimmen ging haar niet zo best af.
Even aarzelde Pandoeris.
Hij moest zich er echt overheen zetten om aan een vrouwenlichaam te gaan sjorren.


”Kom hier, vervelende kat!” riep hij zichzelf moed in en pakte een vrouwenbeen.
Helaas had hij niet aan het andere been gedacht dat hem een enorme trap tegen zijn schouder verkocht.
Pandoeris gaf een schreeuw van pijn en duvelde bijna uit de boom.
Hij wist nog net de jurk vast te pakken die spontaan in tweeën scheurde en voorkwam zo dat hij naar beneden viel.
De poezenvrouw draaide zich half om en begon met haar lange nagels zijn gezicht open te krabben.
”Vuile kattenkop!” schreeuwde Pandoeris en wist een ’klauw’ te pakken te krijgen.
Het gevolg hiervan was weer dat ze allebei uit de boom vielen.
Pandoeris op de grond en de poezenvrouw op Pandoeris.
Even had Pandoeris geen lucht meer en de poezenvrouw probeerde zich uit de poten te maken.
Nu werd Pandoeris écht boos.
Ondanks de pijn haalde hij haar snel in en wist haar vechtend en sleurend de huiskamer in te krijgen.
De poezenvrouw kwam er met wat kleerscheuren vanaf maar Pandoeris zat onder de schrammen en blauwe plekken.
Cornelia keek geschokt naar de gescheurde kleren.
”Wat heb je met me gedaan?” vroeg ze achterdochtig.
Pandoeris hapte naar adem van verontwaardiging.
Kees zag het en suste de zaak.
”Kijk, mijn andere zoon is er ook al,” zei hij gemaakt vrolijk en wees naar een varken dat hem vriendelijk aankeek.
Pandoeris mompelde wat in zichzelf, keek Cornelia vuil aan en daarna de poezenvrouw ook nog maar eens, omdat hij even niet meer wist wie wie was.
Strompelend ging hij naar het kippenhok en legde het meisje dat een ei probeerde te leggen, uit wat de bedoeling was.
Eén van de kippen gaf antwoord.
O ja, dacht Pandoeris. Dat is waar ook. De kip is het meisje en het meisje is de kip. Als dit nog lang gaat duren word ik gek, geloof ik.
Het kippenmeisje was zo slim om tegen het meisjeslichaam dat dacht dat ze een kip was, te tokken en haar zo mee te lokken de huiskamer in.
Dat valt dan weer mee, dacht Pandoeris. Even kijken.
Wie hebben we nog?
De hanenjongen en de varkensknul. Dat ga ik niet alleen doen, hoor!
Die hanenjongen rent mij veel te snel en lijkt mij veel te sterk. Kees moet mij maar helpen.
En zo joeg Kees zijn hanenzoon naar binnen en hield Pandoeris een moddergevecht om de varkensknul naar binnen te krijgen.
Als laatste trippelde de veroorzaker van dit alles naar binnen.
”Sorry, pa,” sprak deze met gebogen hanenkop.
”Ik zal het nooit meer doen.”
Dat verhaaltje ken ik, dacht Pandoeris en begon steeds meer te begrijpen waarom zijn tante Eleanora hem af en toe wel schíeten kon.
Kees nam Pandoeris even apart en wees met zijn kop naar een boek.
”Kijk, daarin staat de spreuk. Ik weet niet helemaal zeker of het toveren lukt als het door een gewone sterveling wordt gedaan maar het is in ieder geval het proberen waard. Zolang ik in dierengedaante ben, lukt het zéker niet.”
”Ik ben een tovenaarsleerling,” stelde Pandoeris hem gerust.
”Dat verandert de zaak!” lachte Kees opgelucht.
”Wij zijn bij jou dus in goede handen!”
Reken daar nou maar niet teveel op, dacht Pandoeris en richtte zich tot alle aanwezigen.
”Even luisteren vóór ik ga beginnen. Iedereen zorgt ervoor dat hij onder een tafel of een stoel zit of in een kast, weet ik veel, maar zorg er in ieder geval voor dat je beschermd bent tegen bakstenen die van boven komen.”
Het deel van de aanwezigen dat hem kon verstaan keek hem vreemd aan maar deed toch maar wat er gezegd werd.
Pandoeris zelf verschool zich in een grote staande klok en sprak vervolgens de spreuk uit.
Halverwege de spreuk raakte de klok van slag en begon spontaan twaalf uur te slaan.
Pandoeris moest schreeuwen om er nog bovenuit te komen.
De klok was pas bij de negende slag toen de eerste stenen al vielen.
Het vervelende was, dat de dierenlichamen wél veilig waren voor de vallende stenen, omdat ze zich verstopt hadden, maar de mensenlichamen die niets van Pandoeris’ waarschuwing begrepen hadden, kregen de volle laag.
Toen de steenlawine eindelijk gestopt was, bleven bijna alle mensen dan ook bewusteloos liggen.
Alleen de kleuter was toevallig niet geraakt.
”Gaat het weer een beetje, jochie?” vroeg Pandoeris en knielde vóór hem op de grond.
”En jij beweert dat je een tovenaarsleerling bent?!” viel de kleuter uit tegen Pandoeris. ”Kijk eens om je heen naar de rotzooi die je hebt gemaakt! Ongelooflijk, wat een gestuntel!”
Al had dat jochie misschien gelijk, Pandoeris was niet van plan om zich de les te laten lezen door een kleuter.
”En wie denk jij wel dat je bent om zo tegen me te keer te gaan, kleine draak!”
”Kees,” zei de kleuter. ”Je hebt alles door elkaar gehaspeld. Nu zitten we nóg in het verkeerde lichaam. Maar gelukkig ben ik nu in mensengedaante dus ik kan het nu zélf rechtzetten.”
Pandoeris klauterde over de stenen naar de buitendeur, gevolgd door de dieren die zich in de huiskamer niet echt op hun gemak voelden.
Hij wou zonder iets te zeggen weggaan maar Kees hield hem tegen.
”Sorry dat ik zo tegen je uitviel daarnet. Je hebt ons tenslotte belangeloos willen helpen. Bedankt. Maar doe jezelf en vooral je omgeving een plezier en stop met je toveropleiding en ga een gewoon baantje zoeken.”
”Dat hád ik al,” bromde Pandoeris. ”En toen moesten ze me zo nodig naar dit gekkenoord sturen. Als het aan mij ligt, kom ik hier nooit meer. En dan nog wat: doe jezelf en vooral je omgeving een plezier en zorg ervoor dat dat leuke zoontje van je een gewoon baantje zoekt.
Dan heeft hij tenminste geen tijd voor al die flauwe grappen. Vaarwel!”
Met opgeheven hoofd verliet hij de woning en zag daardoor het rondscharrelende varken niet.
Hij struikelde erover en viel languit in de modder.
Zie je wel, dacht Pandoeris boos. Het is weer eens stank voor dank!

Waar blijft de tijd

Author: jeroenstamgast

Het is vakantie en dus rijd ik de vertrouwde route naar wat wij als kind het saaiste dorp van Nederland noemden.
En, hoewel Lisse er tegenwoordig heel wat levendiger bijligt als in de tijd van onze zondagse bezoekjes aan opa en oma, is het bepaald nog niet als metropool van de Bollenstreek te beschouwen.
Ik passeer een troosteloos kille kerk en via een paar saaie straatjes arriveer ik om half elf bij het bejaardentehuis waar mijn opa woont.
Als ik mijn auto parkeer zie ik opa achter het raam naar mij zwaaien.
Ik zwaai terug en even later begroet ik opa in zijn eenvoudig gemeubileerde kamertje.
In de negentig is hij, klein en mager maar met een ijzersterk gestel.
Zijn grote hobby is vliegers maken van sinaasappelkistjeshout en verpakkingspapier van bosjes bloemen.
Als er weer een af is, probeert hij deze zelf uit in het plantsoentje vóór het tehuis.
Zijn vliegerproductie vindt aftrek bij de kinderen uit de buurt en bij mijn tante die ze op haar school aan de jarige kinderen cadeau doet.
Nu ze sinds kort met pensioen is, heb ik die taak op me genomen en in het magazijn van onze school bevindt zich inmiddels een aardig voorraadje.
“Dag Jeroen. Fijn dat je er bent,” klinkt de vriendelijk hese stem van opa. “De koffie staat al klaar.”
We nemen plaats aan de oude tafel en ik zit zoals gewoonlijk weer tegenover het oude slingeruurwerk dat aan de muur hangt en waar ik volgens mijn tantes als peutertje gebiologeerd naar kijken kon.
De koffie wordt ingeschonken en we steken allebei een grote bolknaksigaar op.
Aan ventileren doet opa niet dus het kamertje is al snel geheel gevuld met rook.
We nemen de familiewetenswaardigheden door, gaan over op het wereldnieuws en daarna vertelt opa over vroeger.
Ik krijg een ooggetuigenverslag uit langvervlogen tijden van iemand die aan het eind van de negentiende eeuw geboren is.
Het loopt tegen etenstijd en opa legt voor zichzelf bord, soepkom en bestek neer.
Een vriendelijke zuster zet een in drie vakken verdeeld metalen bord met een warme maaltijd neer en verdwijnt weer snel na “smakelijk eten” gezegd te hebben.
Opa pakt een tweede bordje en bestek erbij en eet vervolgens de soep en het toetje.
De hoofdmaaltijd is grotendeels voor mij want daar neemt hij bijna niets van.
Het is een wonder dat hij zo gezond blijft want, behalve een paar sneetjes brood en wat fruit, eet hij verder niets.
Na het eten zet hij het lege tehuisbord op een daarvoor bestemd plankje in de gang.
Grappig dat opa altijd schijnheilig voor één persoon dekt terwijl de zusters toch echt wel moeten weten dat dat bord alleen maar leeg teruggezet wordt als er bezoek is.
Opa schenkt voor zichzelf een citroengenever in en ik krijg een pilsje.
We kletsen nog wat, waarna opa me met stevige pas naar de lift begeleidt.
Vóór ik in mijn auto stap, zwaai ik nog even naar hem.

 Mijn laatste bezoek was aan zijn sterfbed.
Toen hij wist dat ik zou komen, had hij geen rust vóór een van mijn tantes nog gauw even een knuffel gekocht had voor mijn pasgeboren oudste dochter die hij nooit te zien zou krijgen.
Een paar dagen later lag er een klein mager mannetje in een grote kist met daarop zijn laatst gemaakte vlieger.
Zijn oude klok hangt al weer jaren bij mij aan de muur en de tijd tikt onverstoorbaar verder. 

 

Hoofdstuk 20

Author: jeroenstamgast

Een schilder wordt uit zijn schilderij gered, dat hangt in het huis van een zielig oud vrouwtje dat het mooi voor elkaar heeft.

Het landschap was er in de drie dagen dat Pandoeris nu al weer onderweg was, niet gezelliger op geworden.
Hij volgde een kronkelig pad dat hem door een kaal bergachtig gebied voerde.
Zijn voorraad eten en drinken begon al aardig op te raken en hij was blij dat hij de laatste bergrug bereikt had.
Als hij die over was, zou hij weer in de bewoonde wereld zijn.
Misschien was het beter geweest als hij dezelfde weg als de heenreis genomen had maar hij liep liever niet de kans om die struikrovers weer te ontmoeten en ook koning Oliebol zou nog wel een appeltje met hem te schillen hebben.

Afijn, dit ongastvrij gedeelte van de reis zat er nu in elk geval bijna op.
In gedachten verzonken wandelde hij voort tot hij iets op het pad zag liggen.
Het leek wel het lichaam van een mens!
Hij versnelde zijn pas en zag hoe een oud vrouwtje moeizaam overeind probeerde te komen.
Het ’lichaam’ leefde in ieder geval dus nog wel.
Hij hielp het vrouwtje op haar dunne beentjes.
”Gaat het een beetje?” vroeg hij vriendelijk.
”Nee,” antwoordde het vrouwtje met zwakke stem.
”Heeft u zich pijn gedaan?” informeerde Pandoeris verder.
”Alles doet pijn,” klaagde ze zachtjes.
”Hoe komt u hier eigenlijk terecht?”
”Weet ik niet.”
”Waar komt u vandaan?”
Dat wist ze blijkbaar nog wel want meteen wees ze omhoog naar een huisje op een overhangende rotspunt.
”Zal ik u thuisbrengen?” vroeg Pandoeris behulpzaam.
”Ja,” zei het vrouwtje met beverige stem.
Pandoeris gaf haar een arm en begeleidde het moeizaam schuifelende vrouwtje naar boven.
Hij was blij dat ze bij het huisje aangekomen waren want het vrouwtje hing wel érg zwaar aan zijn arm.
De woning zag er overigens prima verzorgd uit.
Er stonden zelfs bakken met vrolijke bloemetjes voor de deur.

Het vrouwtje probeerde de sleutel van de deur in het sleutelgat te steken, wat even duurde omdat haar hand zo erg beefde.
Toen ze binnen waren, hielp Pandoeris haar naar een leunstoel in een prachtig ingerichte kamer.
”Zo,” zei hij gemaakt vrolijk. ”Nu bent u weer veilig thuis. Wanneer komen de anderen?”
”Weet ik niet,” jammerde het vrouwtje en er biggelde een traan over haar wang.
”U weet toch wel wanneer er iemand komt of woont u hier soms alleen?”
”Weet ik niet.”
Het vrouwtje sloot haar ogen en ademde zwaar.
Pandoeris schrok.
Ze zou toch niet doodgaan?
”Zal ik een kopje thee voor u zetten?” vroeg hij haastig op goed geluk.

Ze opende meteen haar ogen en wist een klaaglijk ”Ja-a-a” uit haar mond te krijgen.
Pandoeris liep naar een keurig opgeruimd keukentje en zette een ketel met water op het fornuis dat nog warm was.
Hij vond het maar vreemd.
Zou ze haar geheugen soms verloren hebben?
Hij wist dat dat wel eens voorkwam bij mensen die bijvoorbeeld heel hard op hun hoofd gevallen waren of zo.
Ze woonde hier vast niet alleen, anders zou alles er niet zo keurig verzorgd uit hebben gezien.
Hij keek vanuit zijn ooghoeken nog eens naar het wrakkige vrouwenlichaampje.
Nee, dat huis kon ze nooit helemaal alleen onderhouden.
Wat moest hij nou doen?
Zomaar weggaan, wat hij het liefste deed, vond hij toch wel érg harteloos.
Hij besloot te blijven tot er een van haar huisgenoten zou verschijnen en daarna zou hij zijn reis dan wel vervolgen.
Even later zaten ze naast elkaar op de bank aan een kopje thee met een koekje.
Pandoeris had er voor zichzelf als troost drie genomen.
Hij moest het vrouwtje helpen haar kopje met thee naar de mond te brengen anders ging alles er overheen.
Na de thee wist ze er met klaaglijke stem uit te brengen dat ze honger had.
Pandoeris zei dat hij wel een broodje voor haar zou smeren maar daar nam ze geen genoegen mee.
Huilend maakte ze hem duidelijk dat ze een warme maaltijd wilde hebben en Pandoeris wist niets beters te doen dan maar weer naar het keukentje te gaan om daar aan haar wensen te voldoen.

Hij kon niet tegen huilende oude vrouwtjes die, op sterven na, dood waren.
Het eten ging haar beter af dan het theedrinken want haar bevende hand en hoofd beletten haar niet om haar bordje in minder dan geen tijd leeg te lepelen.
Alleen het inmiddels lege bord opscheppen ging niet zo goed.
Dat moest Pandoeris voor haar doen.
Na het eten en de afwas meende Pandoeris even tijd voor zichzelf te hebben maar dat had hij verkeerd ingeschat.
Ze had nog allerlei huishoudelijke karweitjes voor hem in petto en tussendoor vroeg ze telkens weer aandacht voor haar zwakke gezondheid.
”Wordt het niet eens tijd dat u lekker gaat slapen?” vroeg Pandoeris, niet zonder eigen belang.
Dan had hij tenminste ook even rust.
”Ik kan niet slapen zonder mijn drankje,” jammerde ze.
”En waar staat dat drankje?”
”In de grote kast in de keuken. Ik doe altijd drie kleine theelepeltjes in een beker met warme melk. Maar eerst moet je me nog even naar bed brengen. Dat kan ik niet alleen. Dat weet je.”
”Ja, dat weet ik zo langzamerhand wel,” gromde Pandoeris in zichzelf en hielp haar naar bed.
Vervolgens deed hij drie grote dessertlepels met slaapdrank in een beker met warme melk en hield die haar voor.
”Hier,” zei hij. ”Dat zal u goed doen.”
En mij ook, dacht hij bij zichzelf.
Ze viel inderdaad als een blok in slaap.
Alleen haar gesnurk zorgde ervoor dat hij haar niet vergeten zou.
Hij vond haar echt wel zielig maar kreeg desondanks een grondige hekel aan haar.
Er was iets aan de hele situatie wat niet klopte.
Hij ijsbeerde door de kamer en hield halt voor een groot schilderij waar een prachtig landschap op te zien was.
Plotseling hoorde hij heel uit de verte een stemmetje dat riep: ”Hé! Jij daar!”
Dat moet voor mij bestemd zijn , dacht Pandoeris. Maar waar komt dat geluid vandaan?
Verbaasd keek hij om zich heen.
Het snurken van het vrouwtje ging gewoon door.
”Hé! Hallo!” klonk het opnieuw. ”Ik zit hier! In het schilderij!”
In het schilderij?
Pandoeris keek ongelovig naar het geschilderde landschap.
”Ja, nu kijk je in de goede richting,” klonk het. ”Luister, ik heb nu geen tijd om alles uit te leggen maar ik zit in mijn eigen schilderij en ik heb je hulp nodig om eruit te komen. Wil je me helpen?”

”Dat wil ik wel,” zei Pandoeris. ”Maar hoe?”
”Je stapt gewoon in het schilderij en…”
”Ik stap gewoon in het schilderij? Ik ben niet achterlijk,hoor,” onderbrak Pandoeris hem.
”Nee, het kan écht. Het schilderij is betoverend mooi geschilderd dus dat kan. Nou, je stapt dus in het schilderij en je neemt het palet met verf mee en een paar kwasten die je in de grote keukenkast kan vinden.
Ik zal je verder wel zeggen hoe je bij me kunt komen. Ik weet de weg want ik heb alles tenslotte zelf geschilderd. Wil je dat voor me doen?” Pandoeris aarzelde.
Nou was er wéér iemand die zijn hulp nodig had.
Waarom lieten ze hem nou niet gewoon eens met rust?
”Je laat me toch niet in de steek, hè,” smeekte de stem.
Zie je wel, dacht Pandoeris. Ik ben er weer ingetrapt.
”Ja, ja, ik kom eraan,” mopperde hij.
Hij zette het schilderij op de grond en pakte alles bij elkaar wat hij nodig had.
Vervolgens haalde hij diep adem alsof hij een duik in troebel water ging nemen en trad het schilderij binnen.
Even werd alles donker om hem heen en leek het of hij bewusteloos zou raken.
Het was een heel akelig gevoel dat gelukkig niet lang duurde.
Al vrij snel werd het weer licht en bevond hij zich in een lenteweide waar konijntjes huppelden en allerlei bloemetjes bloeiden.
”Ha, daar ben je dan,” zei de stem. ”Zie je die berg in de verte? Daar moet je naar toe.”
Pandoeris zag de berg maar ook het dichtbegroeide bos ervóór waar hij doorheen moest om er te kunnen komen.
”Het kost me een alleen al een dag om door dat bos heen te komen,” mopperde Pandoeris. ”Zoveel tijd heb ik niet, hoor. Er is er hier nog een die mijn hulp nodig heeft.”
”Daarom heb ik je die verf ook mee laten nemen,” sprak de stem.
”Je gaat gewoon een leuk bospaadje schilderen.”
”Een leuk bospaadje schilderen?”
Pandoeris dacht even dat hij het niet goed gehoord had.
”Ja, dat kan. Je kiest een mooie kleur uit, je zorgt ervoor dat je een beetje vaste hand hebt en hup: schilderen maar!”
Pandoeris deed wat hem gezegd werd en trok een rechte lijn dwars door het bos heen.
Tot zijn verbazing lukte het ook nog.
”He! Wat doe je nou?! Ik had het over een leuk bospaadje! Dit lijkt wel op een dubbele hoofdweg. Dat is toch geen schilderen meer!”
”Ja, hoor eens, dan had je je maar moeten laten helpen door een echte kunstenaar.Ik kan het niet beter. Bovendien heb ik haast.”
Pandoeris liep in een snel tempo over zijn zelf geschilderde weg.
Een half uurtje later was hij het bos door en stond hij voor een brede rivier die met flinke snelheid door een dal stroomde.
”Probeer nu een leuke brug te schilderen,” zei de stem. ”Persoonlijk zou ik kiezen voor een leuk boogbruggetje. Misschien kun je…”
Pandoeris luisterde niet eens en trok een brede streep dwars door de rivier heen.
”O nee!” riep de stem ontzet. ”Dat is een dam! Zo hou je de rivier tegen! Alles zal overstromen!”
Inderdaad zocht de rivier een nieuwe weg en het water stroomde om de door Pandoeris per ongeluk geschilderde dam heen, zó het dal in.
Pandoeris schilderde snel de dam langer en hoger en rende eroverheen.
”Hoe moet ik nou lopen?” vroeg hij zenuwachtig terwijl hij al natte voeten begon te krijgen.
”Je moet het dal door,” zei de stem droog.
”Maar dat stroomt nu net vol met water. Wacht, ik zal de dam een beetje langer maken.”
En nog vóór de stem heel hard ’nee’ had kunnen roepen, trok hij met de grootste kwast die hij bij zich had een dikke streep dwars door het dal heen tot aan de berg op de achtergrond.
”Wat heb je nou weer gedaan?!” gilde de stem ontzet.
”Ik heb een dijk geschilderd zodat het water voorlopig tegengehouden wordt,” antwoordde Pandoeris.
”Je hebt zo mijn hele schilderij verpest,” mopperde de stem.
”Dat weet ik nou wel, dat ik niet kan schilderen,” mopperde Pandoeris op zijn beurt.”Dus nu moet ik het dal door?”
”Blijf maar daar. Ik kom wel naar jou toe over die dijk van je.
Die eindigt toevallig vlak bij de rotspunt waar ik eerst niet vanaf kon komen maar nu wél.”
En maar klagen over mijn schilderkunst, dacht Pandoeris.

De dankbaarheid is weer eens ver te zoeken.
Heel in de verte zag hij inderdaad een stipje over de dijk dichterbij komen.
Een uurtje later stond hij oog in oog met de kunstenaar die hem vriendelijk de hand schudde.
”Neem me niet kwalijk dat ik daarnet zo ondankbaar was. Je hebt me gered en dat is het belangrijkste. Kom, laten we maar gauw teruggaan over die mooie hoofdweg van je.”
Pandoeris keek voor het eerst eens achter zich en zag in de verte een grote rechthoek met uitzicht op de kamer waar hij vandaan kwam.
Hij kon het vrouwtje zelfs in haar bed zien liggen.
Samen liepen ze er in een snel tempo naar toe.
”Hoe ben je toch in vredesnaam in je eigen schilderij terechtgekomen?” vroeg Pandoeris.
”Dat is een heel verhaal maar ik zal proberen je het in het kort uit te leggen. Ik kom uit een tovenaarsfamilie maar ik heb gekozen voor de kunst. Mijn schilderijen zijn van zulk een betoverende schoonheid dat je er als het ware ’in kunt treden’. Dat doe ik meestal niet want het kan heel gevaarlijk zijn als je niet oppast. Deze keer had ik het gedaan om even van dat vreselijke mens verlost te zijn.”
”Welk vreselijk mens?” vroeg Pandoeris die wel vermoedde om wie het ging.
”Dat mens dat jij daarnet óók geholpen hebt,” antwoordde de kunstenaar. ”Dat kreng weet iedereen die toevallig langskomt voor haar aan het werk te krijgen. En ze doet dat op een heel gemene manier: ze wekt je medelijden op zodat je je verplicht voelt om haar te helpen.
Vóór je het weet ben je dan haar huissloofje. Op een gegeven moment komt er dan wel weer iemand langs die er ook intrapt en die het uit medelijden met haar van je overneemt. Zo ben ik daar ook terechtgekomen. Ik ben alleen zo stom geweest om haar de waarheid te vertellen en te zeggen dat ik de mensen voor haar zou waarschuwen.
En toen ze begon te gillen en te krijsen, heb ik me in mijn schilderij teruggetrokken om even rust en stilte om me heen te hebben. Daarvan heeft zij gebruik gemaakt om een paar rotsen weg te schilderen zodat ik er niet meer vanaf kon.”
”Zou ze je daar hebben laten zitten, denk je?”
”Ik kan het me eerlijk gezegd niet voorstellen. Het is een sluw misbaksel maar geen moordenares. Ze zou me wel omgepraat hebben om het niet door te vertellen en daarna zou ze me wel hebben laten gaan, denk ik. Weet je trouwens dat ze heel gezond is en loopt als een kievit? Dat heb ik gezien toen ik in mijn schilderij zat en zij nog niet wist dát ik er zat.”
”Wat zullen we met haar doen?” vroeg Pandoeris toen ze uit het schilderij getreden waren.
Ze stonden inmiddels bij het bed en keken naar het onrustig slapende wijvie.
Ze murmelde met haar tandenloze bekkie in haar slaap en je kon aan alles zien dat ze een enge droom had.
”Als je haar zo ziet, zou je bijna wéér medelijden met haar krijgen, hè,” peinsde de kunstenaar.
”Tja,” filosofeerde Pandoeris. ”Sommige mensen stralen het uit, hè. Ik zou zo toch niet willen leven, hoor.”
”Ik ook niet,” beaamde de kunstenaar. ”Zullen we haar maar met rust laten? Wat schieten we er eigenlijk mee op als we haar straffen? Trouwens, wat voor straf zouden we haar moeten geven?”
”Je hebt gelijk,” zei Pandoeris. ”We doen het tegenovergestelde: we geven haar de kans om het góed te maken.”
”Hoe dan?” vroeg de kunstenaar nieuwsgierig.
”Ik heb gezien dat er boven een paar logeerbedden staan. Wat zou je ervan zeggen als we van een goede nachtrust gaan genieten en een briefje voor haar klaarleggen waarop staat wat we morgen als ontbijt  willen hebben. Wacht eens. Dan kan ze gelijk onze kleren en zo even wassen.”
”O,” zei de kunstenaar. ”Dan weet ik ook nog wel wat. Ze kan dan ook alvast het water verwarmen voor een lekker bad.”
”Ja, dat is een goed idee. Er schiet me nóg iets te binnen wat ze kan doen.”
Ze gingen er eens lekker voor zitten met potlood en papier.
Ze waren blij voor het vrouwtje dat ze haar zo een kans konden biedenom het weer een beetje goed te maken.
Voorlopig waren ze nog niet klaar met hun lijst van werkzaamheden.

Theo Bos

Author: jeroenstamgast

Hoofdstuk 19

Author: jeroenstamgast

Het legioen der Driehoekvrijstaat zoekt soldaten maar Pandoeris voelt zich niet geroepen.

Pandoeris wilde geen misbruik maken van de gastvrijheid van de familie Goedhals en had die nacht stiekem in de hooiberg van een boer geslapen.
Hij wilde zo snel mogelijk in Rotsberg zijn en ging er met een postkoets naar toe.
De reis verliep voorspoedig en ’s middags was hij al in het stadje boven op een berg aangekomen.
Het plaatsje, dat toch de hoofdstad was van een streek, was niet zo groot en de smederij was snel gevonden.
De smid had, bij navraag, inderdaad een klant met een kistje gehad maar hij had hem niet kunnen helpen.
Als Pandoeris geluk had, kon hij hem nog ontmoeten want hij had gezegd dat hij nog een paar dagen in Rotsberg zou blijven.
Pandoeris haastte zich naar de plaatselijke herberg want hij dacht dat hij hem daar wel zou vinden.
Het geluk was met hem.
Jerry zat verveeld en met een ontevreden gezicht aan een tafeltje.
Pandoeris schoof een stoel bij zonder iets te zeggen en was benieuwd naar zijn reactie.
Jerry leek niet eens geschrokken.
”Ben je daar eindelijk?” zei hij berustend.
”Had je me verwacht dan?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Ja natuurlijk. Mij lukt nooit iets. Nou, hier heb je je rugzak weer.
Alles zit er nog in, behalve een schriftje. Dat heeft mijn kleine zus.
Als die iets wil kan je haar beter maar haar zin geven want anders is het huis te klein.”
”Dat heb ik gemerkt,” zei Pandoeris. ”Maar ik heb het al terug.”
Hij controleerde zijn rugzak op de inhoud en tot zijn voldoening zat alles er nog in.
Ook het kistje en het bord en de lepel.
”Waarom heb je het gestolen?” vroeg hij want daar was hij toch wel nieuwsgierig naar.
Jerry zuchtte.
”Ik raakte zo onder de indruk van al je verhalen dat ik dacht: dat wil ik ook wel. Reizen en op avontuur gaan en zo. Maar dan wel met voldoende geld op zak. Dat kistje was een unieke mogelijkheid om aan geld te komen maar niemand kan het open krijgen. Nou ja, ik zal de rest van mijn leven wel slijten in dat saaie stadje van ons.”
”Het is maar wat je er zelf van maakt,” vond Pandoeris.
Jerry ging er niet op in en keek verveeld voor zich uit.
Pandoeris kreeg schoon genoeg van zijn gezelschap en verliet zonder verder iets te zeggen de herberg.
Buiten scheen de zon en Pandoeris hervatte in jubelstemming de terugreis.
Deze keer zou hij zich niet meer in de verleiding laten brengen.
Hij had zijn lesje wel geleerd!
Hij had voldoende voedsel ingekocht voor onderweg en daalde zingend de berg af.
Zijn stemming bleef vrolijk en opgeruimd hoewel het landschap waar hij door liep er steeds naargeestiger uit begon te zien.
Bomen en struiken maakten plaats voor kale rotspartijen met hier en daar wat lage begroeiing.

Hij overnachtte in een grot en hervatte daarna de tocht heel wat minder vrolijk en opgeruimd.
Met de nachtelijke kou, was ook zijn stemming tot beneden het vriespunt gedaald.
Een paar uur later scheen de zon weer en ook Pandoeris’ humeur klaarde op.
Tegen de middag werd hij staande gehouden door een soort soldaat in een roze uniform met daarop een vierkant geborduurd.
Hij stond midden op de weg bij een gammel houten wachthuisje.
”Dit is de grens van de Driehoekvrijstaat!” sprak de soldaat met luide stem. ”Heeft u toestemming om de grens te passeren?”
”Nee,” zei Pandoeris. ”Maar die Driehoekvrijstaat staat ook helemaal niet op mijn kaart aangegeven en die is vrij nieuw, kan ik u verzekeren.”
”Onze Driehoekvrijstaat óók. Vorige maand is hij uitgeroepen onder de bezielende leiding van Grote Jul, onze fiere leider.”
De soldaat stampte drie maal met beide voeten op de grond, salueerde en riep: ”Leve Grote Jul, onze fiere leider!”
Bij de tweede stamp op de grond raakte een plank van het wachthuisje een beetje los en tot Pandoeris’ plezier kletterde die bij de derde stamp op de grond.
”Moet je daar om lachen?” vroeg de soldaat boos.
”Waarom?”
”Om die plank.”
”Nee,” zei Pandoeris geschrokken.
Op dat moment liet een tweede plank los die ook met het nodige kabaal op de rotsachtige bodem viel.
Pandoeris wist zijn lachen maar net in te houden.
”Denk erom,” dreigde de soldaat. ”Wij van het Driehoekvrijstaatlegioen laten niet met ons spotten. Wij hebben niet voor niets het teken van standvastigheid op ons uniform staan.”

”U bedoelt dat vierkant?”
”Die driehoek, ja!”
”Dat is toch een vierkant?”
”Dat is een driehoek!” schreeuwde de soldaat en stampvoette woedend op de grond.
Dat was teveel voor het wachthuisje.
De ene na de andere plank liet los, tot tenslotte het hele wachthuisje luidruchtig in elkaar stortte.
En dat was weer teveel voor Pandoeris.
Hij moest lachen of hij wilde of niet.
De soldaat richtte het geweer op Pandoeris en zei: ”Jij bent onze gevangene!”
”Waarom? Wat heb ik gedaan?” vroeg Pandoeris die meteen uitgelachen was.
”Dat zal ik je vertellen,” sprak de soldaat. ”Ten eerste: een poging om illegaal de grens te passeren. Ten tweede: het ontkennen van het bestaan van onze staat. Ten derde: het beledigen van Grote Jul, onze fiere leider en ten vierde: het vernielen van een staatseigendom.”

”Dat laatste heb je zélf gedaan, uitslover! Ik heb niets aangeraakt!”
”En ten vijfde: het beledigen van een ambtenaar in functie. Kom jij maar eens mee naar het hoofdkwartier.”
Pandoeris achtte het raadzamer om verder zijn mond maar te houden en ging mee in de richting die de soldaat aangaf door middel van prikken in zijn rug met het geweer.
Ze waren er met een kwartiertje.
Driehoekvrijstaat bleek niet zo groot te zijn.
Het hoofdkwartier was een klein bouwvallig kasteeltje met daaromheen een paar grote bouwketen, die op hun beurt weer omgeven waren door een muur van rotsblokjes.

Ze passeerden een paar soldaten in roze uniform, allen gewapend met een geweer waardoor Pandoeris geen lust tot ontsnappen had.
Hij werd binnengeleid in een ruime zaal, waar op een grote troon een oude man onderuitgezakt lag te slapen.
”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider!” riep de soldaat ter begroeting.
Hij stampte drie maal met beide voeten op de grond en salueerde er ook nog bij, maar Grote Jul sliep rustig door.
”Probeer het nog maar eens,” sprak de soldaat die naast Jul stond.
Onze fiere leider is in diepe gedachten verzonken. Hij heeft je vast niet gehoord.”
De soldaat waagde een tweede poging.
”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider!” schreeuwde hij zo hard hij kon.
De fiere leider bewoog onrustig in zijn slaap.
”Nog maar een keertje,” zei de soldaat. ”Driemaal recht is scheepsrecht, net als onze driehoek.”
Hij ging wat dichter bij een oor van Jul staan, haalde diep adem en schreeuwde met overslaande stem: ”Gegroet, o Grote Lul, onze fiere jeider!”
Jul werd inderdaad wakker en kwam zuchtend en steunend overeind op zijn troon.

Hij keek vermoeid naar de soldaat en toen naar Pandoeris.
”Schuldig,” mompelde hij alleen maar en deed zijn ogen weer dicht.
”Je hoort het,” zei de soldaat tegen Pandoeris. ”Dat betekent dat je wordt ingelijfd bij ons Driehoekvrijstaatlegioen.”
Pandoeris werd naar een van de bouwketen afgevoerd.
De soldaat opende een gammele deur en zei plechtig: ”Welkom bij ons legioen.”
Daarna duwde hij hem naar binnen en deed de deur heel voorzichtig achter hem dicht om de bouwvallige bouwkeet niet te beschadigen.
De mensen die binnen waren, zagen er allemaal ziek, zwak of misselijk uit.
Ook de roze uniformen met het geborduurde vierkant daarop, droegen niet bij tot een beeld van heldhaftigheid.
Waarschijnlijk was er maar één maat beschikbaar want niemand had een uniform dat paste.
Een oude dikke man in een veel te krap uniform slofte naar Pandoeris toe.
”Ik ben helaas soldaat der eerste klasse dus ik moet je een plaatsje geven. Dat bed daar is vrij en dat apenpakkie dat erop ligt moet je aantrekken.”
Pandoeris keek de soldaat der eerste klasse aan en vroeg wat dit toch allemaal te betekenen had.
De soldaat der eerste klasse legde uit dat ze eigenlijk allemaal arme boeren waren die zich door Jul in de luren hadden laten leggen.
Jul had van hun ontevredenheid gebruik gemaakt om leider te worden in dit vergeten stukje land.
Hij wilde een opstand organiseren maar dan moesten ze zich éérst aanmelden bij het legioen.
Als ze genoeg geoefend waren als soldaat, zouden ze de hoofdplaats Rotsberg aanvallen en de macht overnemen.


Omdat ze zich erg achtergesteld voelden bij de Rotsbergers, leek het ze eerst wel wat.
Nu hadden ze pas door dat die Jul een seniele oude man was die een groot deel van de dag slapend doorbracht.
Ze hadden allang met die onzin willen stoppen maar de handlangers van Jul hadden geweren en genoten van hun nieuwe macht die ze niet wilden opgeven.
”Maar jullie hebben als soldaat toch ook geweren?” vroeg Pandoeris.
”Ja. Van hout,” zuchtte de soldaat der eerste klasse. ”Net als onze zwaarden. En de pijlen van onze bogen hebben rubberen ploppertjes in plaats van ijzeren punten. Zelfs onze paarden zijn van hout.”
”Paarden van hout?” vroeg Pandoeris ongelovig.
”Ja. Daar staan ze.”
Pandoeris keek in de aangegeven richting en zag een paar stokken tegen de muur staan met een lappen paardenhoofd eraan bevestigd.
Pandoeris barstte in lachen uit.
”Ja, lach nog maar eens flink. Dat doe je over een paar dagen ook niet meer,” smaalde de soldaat der eerste klasse.
”En wie heeft die belachelijke kleur roze voor dat uniform uitgezocht?”
vroeg Pandoeris die er nog steeds de humor van inzag.
”Jul,” sprak de soldaat der eerste klasse met een grafstem.
”Hij is kleurenblind en dacht dat het bruin was.”
Pandoeris gierde het uit.
”En waarom zegt iedereen ’driehoek’ tegen een vierkant?”
”Omdat het opstandig gebied Driehoekvrijstaat heet en Jul het verschil niet weet tussen een driehoek en een vierkant.”
Pandoeris dacht even dat hij er in blééf!
Buiten klonk het geluid van een gescheurde trompet en de meute kwam in beweging, gewapend met bord en bestek.
Zelfs de soldaat der eerste klasse vertoonde enige levendigheid.
”Etenstijd,” sprak hij gejaagd.
Pandoeris trok snel zijn roze uniform aan, pakte bord en bestek en sloot achter in de rij aan.
Het eten zag er niet slecht uit en Pandoeris wilde al aan een van de lange eettafels plaatsnemen.
”Even wachten,” zei de soldaat der eerste klasse. ”We krijgen eerst de etensgroet.”
Het legioen stond zwijgend opgesteld achter de lange tafels.
De trompetter probeerde een toonladdertje uit zijn instrument te halen maar stopte na de derde poging.
De soldaten stampten driemaal met beide voeten op de grond, salueerden en riepen in koor: ”Gegroet, o eten van Grote Jul, onze fiere leider!”
De trompetter haalde adem voor wéér een toonladder en na een langgerekte piep ging iedereen zitten en toog aan het eten.
Na de maaltijd herhaalde de ceremonie zich en daarna trokken de soldaten zich terug in de ’kazerne’.
”Direct gaan we oefenen,” zei de soldaat der eerste klasse.
”Ons peloton vormt de cavalerie dus wij moeten onze houten paarden meenemen. O ja. Voor ik het vergeet: als de officier zegt ’links’ dan ga je rechts en als hij zegt ’rechts’ dan ga je…Nou ja, je begrijpt het wel, hè.”
Pandoeris’ mond viel open.
”En als hij ’halt’ zegt, moeten we zeker aanvallen?”
”Pak je paard nou maar, grapjas,” mopperde de soldaat der eerste klasse.
Even later stonden alle pelotons opgesteld op het oefenterrein.
Grote Jul hadden ze wakker gekregen en hij mompelde, gezeten op een echt paard dat door vier mensen vastgehouden werd, een korte toespraak.
De cavalerie kreeg de opdracht om als eerste de denkbeeldige vijand aan te vallen.
”Cavalerie! Ten aanval!” brulde een officier.
De cavaleristen namen het stokpaardje tussen de benen, trokken hun houten zwaard en galoppeerden er op los.
Pandoeris hinnikte er nog wat bij om het echter te laten lijken.
Al na een paar meter vielen de eerste cavaleristen af.
De een struikelde over zijn stokpaard, een ander verzwikte zijn enkel, een derde en een vierde botsten tegen elkaar aan, een vijfde vloog uit de bocht en ramde een bouwkeet die daarop half instortte en een zesde zakte gewoon van pure lamlendigheid in elkaar.
De eerste hindernis waar ze overheen moesten springen kostte een groter aantal uitvallers en tenslotte was Pandoeris de enige die de overkant van het terrein haalde.
De oefeningen van de andere pelotons verliepen niet veel beter en Pandoeris kon zich niet voorstellen dat dit leger ooit een bedreiging voor wie dan ook zou kunnen vormen.
Jul was ondertussen weer in slaap gevallen en werd met zachte hand weggeleid door handlangers die er voor zorgden dat het niet al te veel opviel.

Na de oefeningen was er weer een goede maaltijd en Pandoeris dacht wel dat dat een van de redenen was dat er nog geen muiterij onder de namaaksoldaten uitgebroken was.
Een andere reden was dan wel die strakke discipline met die overdreven rare gewoontes, zoals het groeten bijvoorbeeld.
Hoe dan ook: Pandoeris was van plan om zo snel mogelijk deze domme namaakwereld te verlaten.
Diezelfde nacht nog, toen het kamp in diepe rust verzonken was, wandelde hij alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, regelrecht naar de wachtpost toe.
Hij stampte driemaal zachtjes met beide voeten op de grond, salueerde en sprak op gedempte toon: ”Gegroet o Grote Jul, onze fiere leider.”
De wachtpost deed hetzelfde en vroeg wat hij kwam doen.
Pandoeris legde uit dat hij met een buitengewoon geheime opdracht op pad werd gestuurd en toonde als bewijs een door hemzelf geschreven brief in geheimtaal met daaronder een vierkant als handtekening.
De wachtpost deed alsof hij de brief las en knikte begrijpend.
”Je begrijpt het: mondje dicht, hè,” fluisterde Pandoeris samenzweerderig.
”Komt in orde,” beloofde de wachtpost.
Beiden stampten zachtjes driemaal op de grond, salueerden en fluisterden: ”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider.”
Pandoeris liep opgelucht de heldere nacht in.
Het zou wel weer een nachtje zonder slaap worden maar dat had hij er graag voor over.
Hij keek naar de ontelbare sterren die aan de heldere hemel stonden.
De onafzienbare uitgestrektheid van het heelal deed hem goed na de enge bekrompenheid van het legioen der Driehoekvrijstaat.