Archive for oktober, 2011

Onverwachte groeten

Author: jeroenstamgast

 

 

Ik wandel door het winkelcentrum van het dorp.
Een pril lentezonnetje maakt dat alles er redelijk vrolijk uitziet en hier en daar zijn er al mensen op een terrasje neergestreken voor een kopje koffie of een andere versnapering.
“Hoi Jeroen!” klinkt het onverwacht achter me.
Ik draai me om en zie een vriendin die er behoorlijk gehavend uitziet.
Over haar handen lopen roodachtige krassen en een pleister bedekt haar wang.
“Hai Joke,” groet ik terug. “Wat zie jij eruit. Heb je gevochten?”
“Nee, ik heb de planten water gegeven.”
“Vleesetende planten zeker,” veronderstel ik, in een flauwe poging om grappig te zijn.
“Heb je trek in een bakkie koffie?” voeg ik er snel aan toe.
 “Waarom niet,” antwoordt ze.
We kiezen een tafeltje en bestellen koffie met appelgebak.
“Nou moet je me toch eens vertellen hoe je aan die schrammen gekomen bent,” stel ik voor en neem een eerste hap appelgebak. 
Joke gaat er eens goed voor zitten.
“Mijn schoonouders zijn een paar weken op vakantie en mijn schoonzusje zou voor de planten en de huisdieren zorgen. Een paar dagen geleden kon ze niet en vroeg ze of ik dat een keer wilde doen. Nou, ik loop dus met mijn gietertje dat lege huis binnen en ik wil net een of andere grote stekelplant water geven als ik plotseling een knijterhard “HALLO!” achter me hoor. Ik schrik me te pletter en val van pure schrik voorover in die rotplant. Blijkt er een papegaai in huis te zijn…”
Ik knik meelevend maar moet toch een beetje grinniken.
We kletsen nog wat en gaan vervolgens ieder ons weegs.
Ik heb nu haast en besluit via een plantsoentje een stukje af te snijden.
Plotseling hoor ik achter me mijn naam roepen.
Ik kijk achterom en struikel over het lage hekje rond het plantsoentje.
Net vóór ik languit in een partij prikkelstruiken val, herken ik het lachende gezicht van een vriend.
Hém hoef ik in ieder geval niet te vertellen hoe ik aan al die schrammen zal komen.

Rendierleed

Author: jeroenstamgast

 

 

Ploegend zwoeg ik
Door het mulle zand
Mijn aanwezigheid
Laat onmiskenbaar sporen na
Op elke trimbaan ziet men
Waar ik ga of sta
Dat laatste doe ik veel
Wanneer ik weer eens briesend strand

 

Een lichaam als een mooie hinde
Haalt mij mijnzaam in
Getergd ga ik dan over
Tot gestrekte draf
Ik doe mij voor als renpaard
Maar leg het hijgend af
Als logge knol een ranke sprinter spelen
Heeft geen zin

 

Een gracieuze gazelle
Springt mij luchtigjes voorbij
Ik achtervolg
Terwijl mijn lichaam protesteert
Maar het is mijn ego
Dat zich wezenlijk bezeert
Al snel
Passeert het ene rendier na het ander mij

 

Ik val stil
En bijt verbeten in het stof
Hef mijn ogen ten hemel
En zie een nachtmerrie gaan
Ik erken mijn plaats
En verlaat de sportersbaan
Ga af
Met moedeloos geslof

 

De drang tot mooi en snel bewegen
Maakt mij het leven zuur
Ik word toch geen hinde of gazelle
Als ik ren
Mijn lichaam blijft zo lomp
Als ik het heel mijn leven ken
Ik héb het niet maar bén het wel:
Een antilopefiguur.

 

 

mei 1993

 

Een gevoel

Author: jeroenstamgast

 

 

Het was een stormachtige namiddag in oktober.
We zaten aan de ronde tafel van ons stamcafeetje in de Zeestraat.
Vanachter het grote raam in de pijpenla was goed te zien hoe de wind tekeer ging en boombladeren, vermengd met afval door de bijna verlaten straat joeg.
Binnen voelde het warm en knus.
De stemming zat er na het zoveelste rondje goed in en de gezelligheid steeg naar een hoogtepunt.
Plotseling drong het besef tot me door dat dit niet eeuwig kon voortduren.
Er zou een einde komen aan dit heerlijk samenzijn.
Mijn vrienden zouden huiswaarts keren en morgen was er weer een dag.
Dit wat ik nu meemaakte en de saamhorigheid die ik nu voelde, zouden nooit meer op deze manier samenkomen.
Dit alles was gedoemd om te verdwijnen in de tijd.
Ik betaalde snel mijn rekening, sloeg mijn jas dicht om me heen en worstelde tegen de wind in alvast maar richting vergetelheid.

Hoofdstuk 13

Author: jeroenstamgast


Pandoeris wordt tegen zijn zin uitgenodigd voor een kopje thee en krijgt het met een bezem aan de stok.

Pandoeris bleef het bospad volgen en kwam zo langs een huisje waaruit een oud vrouwtje zo goed en zo kwaad als het ging, naar buiten kwam hollen.
”Ha!” kraste ze. ”Eindelijk iemand die me kan helpen!”
Nu was Pandoeris nog in een goede stemming omdat hij daarnet zelf zo goed geholpen was maar hij vond het desondanks onplezierig om te horen.
Het liefste was hij doorgelopen zonder er op in te gaan.
”Jou heb ik net nodig,” vervolgde het oudje dat er overigens niet erg sympathiek uitzag.
”Zou jij voor mij even die bezem uit de boom willen halen? Ik kan er namelijk niet bij.”
”Hoe komt zo’n bezem nou boven in die boom?” vroeg Pandoeris argwanend.
”O, ik schoot uit bij het vegen en toen glipte hij uit mijn vingers.”
Het vrouwtje keek zo onschuldig mogelijk uit haar valse oogjes en loenste intussen hoopvol naar Pandoeris.
Hij vond het maar een raar verhaal.
Maar ach, wat kon het hem verder schelen.
Lenig klom hij in de boom, pakte de bezem en gooide deze naar beneden.
De bezem had de grond nog niet bereikt of het vrouwtje pakte hem beet en begon er woest mee tegen de boom te slaan.
”Dat zal je leren om weg te vliegen! Wormstekig aanhangsel! Volgende keer als je dat doet, maak ik brandhout van je!” krijste het mens.
Pandoeris werd er akelig van.

Het liefst was hij uit de boom geklommen en hard weggerend maar als hij dat nu deed, liep hij de kans om een mep te krijgen van de bezem die door het vrouwtje wild heen en weer gezwiept werd.
Eindelijk was ze uitgeraasd.
”Ga af!” gilde ze tegen de bezem die daarop uit zichzelf rechtop ging staan.
”Braaf,” zei de heks want dat was het natuurlijk en ze gaf hem een vriendelijk steelklopje.
”En nou naar de bezemkast!” gilde ze er plotseling achteraan.
De bezem vloog letterlijk weg, het huisje in en aan het gerommel was te horen dat hij zijn plek gevonden had.
”Het is een aardig bezempje hoor maar af en toe moet hij gewoon even weten wie de baas is,” sprak de heks tot Pandoeris.
”Heb je trek in een kopje thee?” probeerde ze vriendelijk te vragen.
”Nee, dank u. Aardig aangeboden maar ik moet echt verder,”
probeerde Pandoeris vriendelijk te antwoorden.
”Je gaat me toch niet vertellen dat je niet even tijd hebt voor zoiets gezelligs als een kopje thee, hè. Ik zie bijna nooit iemand hier.”
Ze deed zo haar best om zielig te kijken dat Pandoeris er bang van werd.
”Nou goed,” zei hij. ”Maar daarna moet ik echt gaan hoor.”
”Natuurlijk,” zei de heks en liet een kakelende lach horen.
”Daarna ga je gewoon weer weg. Ik hou je niet tegen hoor.”
Het kopje thee smaakte zowaar nog lekker ook en Pandoeris werd inderdaad niet tegengehouden toen hij afscheid nam.
Hij wandelde naar het bospad toe maar ontdekte tot zijn schrik dat dat steeds moeilijker ging.
Op het laatst bewoog hij zich voort als in een enge droom.
Hij deed vreselijk zijn best maar kwam nauwelijks meer vooruit.
Opeens wist hij het: de thee!

Daar had iets ingezeten waardoor hij nu als door een geheimzinnige kracht, tegengehouden werd.
Wanhopig probeerde hij te rennen maar hij kwam nu helemaal niet meer vooruit.
Sterker nog : hij werd langzaam als door een magneet naar het huisje teruggetrokken.
Op het laatst verzette hij zich niet meer zodat hij even later weer bij de heks aan tafel zat.
”Wat kom jij hier doen? Ik dacht dat je weg wilde. Of wou je nog zo’n lekker kopje thee soms? Ha ha ha!”
De heks lachte haar akelige lach.
”Tja, als je nog wat langer blijven wilt dan kan dat maar dan moet je wel wat doen voor de kost. Begin maar met de afwas.”
Ze wees met haar knokige wijsvinger naar een klein keukentje waar een afwas stond waar een niet al te groot weeshuis drie dagen voor nodig zou hebben om dat te verzamelen.
En vies dat het was!
Pandoeris moest bijna overgeven toen hij aan de slag ging.
De stank was niet te harden en het krioelde van de maden en ander onsmakelijk gedierte tussen de etensresten.
Toen hij klaar was en de brij afwaswater weg wilde spoelen, hield de heks hem tegen.
”Ho! Wacht eens even. We gooien hier niets weg. Ik bewaar de restjes altijd voor het keukenpersoneel. Daar kan ik, of liever gezegd jij, nog een lekker kopje soep van trekken. Gooi maar in die ketel daar en zet die maar op het vuur. Dat is voor jou als je vannacht klaar bent met werken..”
”Je denkt toch niet dat ik die troep opeet!” riep Pandoeris boos.
”Wacht maar tot je honger krijgt, verwende snotaap! Honger maakt rauwe bonen zoet.”
”Rauwe bonen misschien wel maar die afvaltroep van jou niet, lelijke toverkol!”
Pandoeris’ boosheid won het van zijn angst.
De heks vertrok haar gezicht tot een lelijke grimas.
”Bezem! Pak ze!” krijste ze plotseling.
Tot Pandoeris’ grote schrik vloog de bezem uit de bezemkast recht op hem af.
Hij rende om de tafel heen, op de hielen gezeten door de bezem die met zijn uiteinde rake klappen begon uit te delen.
Hij zou zeker buiten westen geslagen zijn als de heks niet genoeg had gekregen van dit spelletje.
”Bezem! Ga af!”
De bezem stond meteen rechtop en kreeg een paar steelklopjes.
”Braaf. Ga nu maar weer in de kast.”
Tot Pandoeris’ opluchting deed hij dit gelukkig.
De heks duwde Pandoeris een smoezelig papiertje onder zijn neus waar ze allerlei huishoudelijke klusjes opgeschreven had.
”Als je hier mee klaar bent, mag je je soep opeten. Eerder niet,” sprak de heks streng en ging in een schommelstoel zitten.
Pandoeris zei niets en ging als een geslagen hond aan het werk.
Zijn handen bewogen langzaam maar zijn hersens draaiden op volle toeren.
Hij moest eerst die ellendige bezem zien uit te schakelen.
Onopvallend werkte hij zich naar de bezemkast toe en deed deze ongezien op slot.
De sleutel stak hij in zijn zak.
Dat is voorlopig een zorg minder, dacht hij.
Had hij maar de kans om op zijn gemak zijn toverschriftje te raadplegen.
Misschien zou daar iets instaan om de heks te slim af te zijn.
Maar de heks hield hem goed in de gaten.
Ze wees zelfs even naar de ’soep’ en trok er een gezicht bij alsof ze zeggen wilde: dat wordt smullen straks!
Hij moest dus in ieder geval in actie komen vóór hij klaar was met zijn werklijstje.
Waar kon hij nou rustig in zijn schriftje bladeren?
In de boom misschien?
De bezem had daar tenslotte ook veilig gezeten totdat Pandoeris hem eruit haalde.
De beslissing was genomen.
Alles was beter dan die soep!
Plotseling opende hij de deur en rende naar de boom die hij vliegensvlug inklom.
De thee was nog niet uitgewerkt want doorrennen ging niet.
Hij haalde zijn schriftje tevoorschijn en begon snel te bladeren.
De heks kwam op haar dooie gemakje aanlopen.
Beneden aan de boom bleef ze staan.
”Wat ben jij nou aan het doen?” vroeg ze nieuwsgierig.
”Ik kijk in mijn schriftje of er nog een receptje in staat voor een lekker kopje soep,” antwoordde Pandoeris.”Want dat spul van jou hoef ik echt niet.”
De heks keek hem met een scheef hoofd aan.
”Ik geloof er geen snars van,” zei ze.”Volgens mij voer je iets in je schild.Ik zal mijn toverboek eens halen dan heb ik je zo weer naar beneden. Je denkt zeker dat je daar veilig zit omdat ik die bezem er niet uitkreeg, hè? Nou, vergeet het maar!”
Met kleine driftige pasjes ging ze terug naar huis om haar toverboek te halen.
Pandoeris meende intussen een spreuk gevonden te hebben.
Als dit lukt kan ze de eerste tijd haar huis niet meer uit, dacht Pandoeris. Haar deuren en ramen zijn dan een tijdje op slot getoverd en haar toverkunsten kunnen mij dan niet bereiken.
In die tijd is de thee waarschijnlijk wel uitgewerkt en kan ik ontsnappen…hoop ik, dacht hij er nog achteraan.
Hij schraapte zijn keel en sprak luid en duidelijk de spreuk uit.
Al vrij snel viel er een flinke partij bakstenen op en om het huis van de heks.
Pandoeris wachtte niet af, klom uit de boom en probeerde weg te komen.
Hij kon merken dat de thee uitgewerkt begon te raken maar het lukte hem nog niet om te ontsnappen.
We zullen geduld moeten hebben, dacht Pandoeris en ging er even bij zitten.
Hij keek naar het huis en zag tot zijn ontzetting hoe de heks zonder de geringste moeite de deur open deed en recht op hem afkwam met het toverboek onder haar arm.
”Ha ha!” lachte ze kakelend. ”Je dacht zeker te kunnen ontsnappen omdat ik niet meteen kwam, hè. Nou, ik heb alleen maar even die hagelbui van daarnet afgewacht. Je denkt toch zeker niet dat ik in dat hondenweer ga toveren, hè.”
Pandoeris sloot zijn ogen en wachtte angstig op de dingen die gebeuren gingen.
”Ik denk dat ik jou maar eens een tijdje zal laten rondkruipen als een schildpad. Dan komt er van dat weglopen ook niet veel meer.”
Ze wilde haar toverboek opendoen maar merkte dat dat niet lukte, doordat Pandoeris dit per ongeluk op slot getoverd had.
Hoe ze ook trok en scheurde aan het boek, het bleef gesloten.
Toen Pandoeris dit ontdekte, veerde hij overeind en pakte haar het boek af.
De heks kromp ineen.
”Je gaat een oud zwak vrouwtje toch geen kwaad doen, hè?” smeekte ze. ”Dat van die schildpad was maar een grapje, hoor.”
”Een grapje,” herhaalde Pandoeris dreigend.
”Ja, een grapje. Of kan je soms niet tegen grapjes?” vroeg de heks uitdagend.
”O, zeker wel,” antwoordde Pandoeris. ”Ik ben gek op grapjes. Kom maar eens mee dan zal ik je laten merken hoe grappig ik kan zijn.”
Pandoeris nam haar mee naar de ketel met ’soep’, gaf haar een soepbord en schepte dat tot de rand toe vol.
”Opeten,” zei hij alleen maar.
”Opeten?”
”Ja, opeten. Dat zal een arm zwak vrouwtje goed doen.”
De heks begon te huilen.
”Dat van die soep was echt een grapje,” jammerde ze. ”Kijk maar. Ik had de tafel al voor ons gedekt.”

Ze wees naar een tafel met lekker eten en inderdaad twee bordjes erop.
”Ik had je die soep écht niet op laten eten.”
”En dat van die schildpad dan?”
Pandoeris liet zich niet zomaar ompraten.
”Dat zou ik maar voor een uurtje gedaan hebben. Daarna zou ik je weer teruggetoverd hebben. En na het eten hadden we gezellig kunnen kletsen. Ik heb eigenlijk nooit bezoek. Dat leek me zo leuk. Een beetje babbelen en zo.”
De heks leek het echt te menen en Pandoeris kreeg tot zijn ergernis nog medelijden ook.
”Nou, ik geef je een advies: als er nog eens iemand langskomt, doe dan de leuke dingen en laat al het andere achterwege. Zo jaag je de mensen alleen maar weg.”
De heks ging aan tafel zitten.
”Eet je nog een hapje mee? Er zit écht niets in het eten.”
Pandoeris weifelde.
De verleiding was groot.
Hij had honger, het werd donker buiten en de heks leek deze keer onschuldig.
Hij durfde het niet aan.
Dit was vragen om moeilijkheden.
”Ik ga,” zei hij. ”Hier is je boek. Over een tijdje zal het wel weer opengaan.”
”Waarom geef je het me terug?” vroeg de heks stomverbaasd.
”Om je te laten zien dat je meer bereikt als je aardig doet.”
De mond van de heks viel open van verbazing en was nog niet gesloten toen Pandoeris het huis al weer verlaten had.
Hij kon het gebied rond het huis tot zijn opluchting nu zonder problemen verlaten.
De thee was blijkbaar uitgewerkt.
Hij had er nog even over gedacht om het toverboek mee te nemen maar de belevenissen bij de familie Goedhals hadden hem doen besluiten om de heks een kans te geven.
Wie weet: misschien zou ze daardoor een beetje veranderen.
En als dat niet zo was, dan was hij in ieder geval ver weg.

Een geur van herkenning

Author: jeroenstamgast

 

Ik zwerf door Amsterdam

En bezoek de cafés

Onverwacht ruik ik een geur

Van zwartgebklakerd vlees

Mijn gedachten

Dwalen af in de tijd

Flarden jeugd

Ontschieten de vergetelheid

 

Ik zit bij Oma aan tafel

En geniet

Een kleine jongen

Die alleen het goede ziet

Een lieve oma

Die slechts gezelligheid kent

Kortom een situatie

Waarin je als kind eenvoudigweg gelukkig bent

Het enige minpunt

Is de kwaliteit van het menu

Een keiharde gehaktbal ligt dreigend

Tussen aardappels met jus

Ik voorzie een zware klus

Om dat graniet te verwerken

Ik hak en slik

Aan mij zal Oma dat niet merken

Zij is het symbool

Van gezelligheid op aard

En dat is waarachtig wel

Een moeizame stoelgang waard

 

Ik sta stil

En snuif de stank op van het verkeer

Het is met verscheurd gemoed

Dat ik aldus proclameer

Haar ballen waren dan misschien

Niet te vreten

Maar sinds haar dood

Heb ik ze niet zo lekker gegeten

 

februari 1993