Archive for september, 2011

Hoofdstuk 12

Author: jeroenstamgast

 

Pandoeris wordt door iemand geholpen en verbaast zich daarover.
De zon scheen al volop toen Pandoeris doodmoe het dichtstbijzijnde dorpje binnenstrompelde.
Er waren niet zoveel mensen op straat maar de mensen die er waren, keken hem nadrukkelijk aan en hij zag er ook een paar die duidelijk over hem aan het smoezen waren.
Op een gegeven moment kwamen er zelfs een paar naar hem toe.
”Ben jij niet de jonge held die het huwelijk tussen prins Ollie en prinses Tengeltje verhinderd heeft?” vroeg een van hen.
Pandoeris knikte vermoeid.
”Dan zou ik maar maken dat ik wegkwam,” zei een ander.
”De soldaten van koning Oliebol zijn vast al naar je op zoek.Twee dorpen verderop begint al weer het volgende koninkrijk. Als je een beetje doorloopt ben je er vanavond al.”
”Een beetje doorlopen?” schrok Pandoeris. ”Man, ik verlang nog maar één ding en dat is even lekker liggen.”
Hij had het nog niet gezegd of drie mensen duwden hem tegen de grond, gooiden een kleed over hem heen en gingen bovenop hem zitten.
”Zo letterlijk heb ik het nou ook weer niet bedoeld,” mopperde Pandoeris die door het gewicht van de drie zware lijven problemen met zijn ademhaling kreeg.
”Nee, hier is hij niet,” hoorde hij een van de drie zeggen. ”En we zitten hier al een hele tijd dus als hij hier geweest was, zouden we hem zeker gezien hebben.”
Waar heeft die het nou over? dacht Pandoeris en vroeg zich ondertussen af hoe lang een mens zonder zuurstof kan.
De drie kwamen overeind en keken of er nog leven onder het kleed was.
”Dat waren daarnet een paar soldaten,” sprak een van hen toen dit inderdaad het geval bleek te zijn. ”Ze vroegen of we jou gezien hadden.”
”Je moet hier echt weg,” zei een ander. ”Kom maar mee. Ik heb altijd al eens een held in huis willen hebben.”
Pandoeris volgde de man door de smalle straatjes tot ze bij een huisje kwamen dat een beetje achteraf lag.
”Hier ben je voorlopig veilig. Kom binnen.”
Pandoeris betrad een gezellig ingerichte kamer waar hij zich ogenblikkelijk thuis voelde.
”Heb je al gegeten?” vroeg de man.
Pandoeris zei dat hij wel wat lustte en even later zaten ze aan een feestelijk gedekte tafel waar de rest van de familie ook maar bij was gaan zitten.
Ze keken geïnteresseerd naar de hongerige Pandoeris die zich in een snel tempo door de aangeboden voorraad eten heen werkte.
”Wij zijn goede eters in dit deel van het land,” lachte de man. ”Maar jij kan er ook wat van met dat magere lichaampje van je! Ik zal me trouwens even voorstellen. Mijn naam is Jorus Goedhals en dit is mijn gezin.”
Hij noemde alle namen en Pandoeris schudde alle handen maar bij de laatste hand was hij al weer vergeten van wie de eerste was.
”Je ziet er moe uit. Wil je soms even slapen? Dat kan, hoor.”
Pandoeris verbaasde zich over zoveel vriendelijkheid.
Daar moest iets achter zitten.
Die mensen wilden vast iets van hem.
Afijn, daar zou hij na het slapen dan wel achter komen want deze kans om even uit te rusten liet hij zich natuurlijk niet ontglippen.
Uren later werd hij wakker gemaakt met een kopje koffie op bed.
”Je kan beter maar op pad gaan,” zei Jorus Goedhals vriendelijk.
”Anders ben je nooit voor de avond uit het land. Ik zal je even rijden met de koets dan is de kans dat de soldaten je zien niet zo groot.”
Tot Pandoeris’ verbazing babbelde de man de hele weg over koetjes en kalfjes zonder hem om een gunst te vragen.
In de buurt van de grens hielden ze halt.
Goedhals wees hem een weggetje waarover hij ongezien de grens kon passeren.
Hij gaf Pandoeris een hand, wenste hem veel geluk en wilde weer opstappen.
”Moet ik niet iets voor u doen?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Wat dan?” vroeg de man.
”Dat vraag ik aan u.”
”Ik zou niets weten.”
”Ik ook niet. Daar niet van. Maar ik heb bij u gegeten, geslapen en u  heeft me hierheen gereden. Dan moet ik toch iets terug doen?”
”Waarom?”
”Omdat…ja, eh…ja…nou ja. Dat hoort toch zo?”
”Wie zegt dat?”
”Dat doet iedereen toch.”
”Nee hoor. Ik zeg altijd maar zo: wie goed doet, wie goed ontmoet. En nou ga ik er vandoor. Mocht je nog eens in de buurt zijn: je komt maar aan hoor. Tot ziens!”
Goedhals zwaaide nog eens vriendelijk gedag en verdween.
In gedachten verzonken volgde Pandoeris het aangewezen paadje.
Van alles wat hij tot nu toe beleefd had, vond hij dit toch wel het vreemdst.
Iemand die gewoon aardig was zonder er iets voor terug te willen hebben.
Hoe meer Pandoeris er over nadacht, hoe vreemder hij het begon te vinden dat hij het vreemd vond.

Een medaille waard

Author: jeroenstamgast

De coupé in de laatste trein van die avond was bijna leeg.
De drie reizigers, waaronder ik zelf, hadden zich strategisch over de coupé verdeeld.
Een mooie jonge vrouw, volgens de laatste mode gekleed, was druk in de weer met haar mobiele telefoon.
Een gehavende jongeman staarde somber voor zich uit.
Hem kende ik wel, hoewel niet persoonlijk.
In mijn baan als onderwijzer kwam ik hem op de jaarlijkse avondvierdaagse tegen als hij strompelend met zijn ene misvormde been toch weer de tien kilometer had weten af te leggen.
Bij het ophalen van de medailles voor mijn school zag ik hem dan vol trots met zijn medaille en bos bloemen naar de andere lopers kijken.
De trein naderde het station en minderde vaart.
De jongeman stond moeizaam op en wankelde door het gangpad naar de deuren.
De jonge vrouw googlede onverstoorbaar verder toen ik haar op mijn beurt passeerde.
Na het openen van de treindeuren haastte de jongeman zich, zo goed en zo kwaad als het ging, naar de uitgang van het station.
Ik volgde langzaam op een afstandje terwijl de jonge vrouw de trein nu dan toch ook verlaten had.
Er stond één taxi op het verder verlaten stationsterrein en dat was precies waar de jongeman, zwabberend met zijn ene been, op af stevende.
Plotseling hoorde ik een haastig klakken van hoge hakken en al spoedig werd ik ingehaald door de wandelende modepop.
Het passeren van de mankepoot was niet meer dan een formaliteit en een paar tellen later verdween de taxi, met modeshow en al, om de hoek van het station.
Ik haalde mijn fiets uit het rek en zag hoe de jongeman moedeloos het verlaten stationsterrein overzag.
Toen rechtte hij zijn rug, draaide zich resoluut om en verdween met de trotse vastberaden blik die ik kende van de avondvierdaagse in de donkere nacht.
Deze wandeling zou hem geen medaille opleveren maar wat mij betreft had hij er dubbel en dwars een verdiend.

 

Hoofdstuk 11

Author: jeroenstamgast

 

 

Wie niet sterk is, moet slim zijn.
En toch komt Pandoeris die geen van beide is, als winnaar uit de bus.
Ze waren nog niet eens zo ver buiten de poort gekomen toen er iets onder Pandoeris begon te bewegen.
Hij wachtte niet af wie of wat dat was maar maakte dat hij van de kar afkwam en rende de duisternis in.
Niet lang daarna zag hij dat er nóg een gestalte van de kar afsprong en in de struiken langs de weg dook.
Pandoeris werd nu toch wel erg nieuwsgierig wie dat was en sloop die richting uit.
Dichterbij gekomen, zag hij het van lepeldiefstal beschuldigde kokshulpje in elkaar gedoken in een bosje zitten.

 

Nou, daar hoefde hij geen gevaar van te duchten.
Integendeel: hij had zelfs een beetje met hem te doen, zoals hij daar zo klein en zo alleen tussen de struiken zat.
En het was eigenlijk de schuld van Pandoeris dat hij had moeten vluchten.
Als hij die lepels niet per ongeluk weggetoverd had, lag hij nu misschien wel lekker in zijn bedje.
Hij voelde zich schuldig en wilde het goed maken.
”Niet schrikken hoor,”sprak hij op geruststellende toon terwijl hij uit zijn sluiphouding overeind kwam.”Ik ben het: Pandoeris. Ik lag daarnet bovenop je in die kar met smurrie.”
”O, was jij dat? Je had ons bijna verraden, sufferd!”
Erg onder de indruk van Pandoeris’ plotselinge verschijning leek hij niet te zijn.
”Nou ja, ik wist niet dat jij er al lag dus ik schrok me dood.
Was je daar al lang?”
”Lang genoeg om werkelijk vergeven te zijn van de stank.”
”We zouden ons eigenlijk ergens moeten kunnen wassen,” opperde Pandoeris.
”Dat is een slimme opmerking van je. Ik kan merken dat jij een nadenkertje bent.”
Pandoeris vond de kleine wel een praatjesmaker maar hij had nog steeds het gevoel iets goed te moeten maken dus hij liet het maar even zo.
”Weet jij een sloot of zo waar we ons kunnen wassen?” vroeg hij dus maar.
”Kom maar mee. Tenslotte stink ik zelf ook een uur in de wind.”
De kleine stond op en wandelde weg zonder op Pandoeris te wachten, die er dan maar achteraan hobbelde.
Het ging allemaal wat anders dan hij had verwacht.
Hij kreeg steeds meer het gevoel dat de kleine niet veel behoefte had aan zijn beschermende hand.
Later bij het kampvuurtje dat ze gemaakt hadden om hun natgewassen kleren te drogen en zichzelf te verwarmen, werd het er niet beter op.
”Hoe heet je eigenlijk?” vroeg Pandoeris.
”Sjaak.”
”Werkte je al lang op het kasteel?”
”Natuurlijk niet. Hoe kun je nou ergens lang werken als je nog zo jong bent als ik.”
Pandoeris kreeg er genoeg van om zich door zo’n dreumes te laten afbekken.
”Ben jij altijd zo gezellig of is dat speciaal ter ere van mij?”
”Noem mij één reden om gezellig te zijn.”
”Nou, we zitten bijvoorbeeld in hetzelfde schuitje. We zijn allebei gevlucht en zijn dus lotgenoten zogezegd.”
”Er is één groot verschil,” zei Sjaak en keek Pandoeris strak aan.
”Ik kom uit het Verloren Oord en jij niet.”

”Hoe weet jij dat?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Omdat jij die dikke Ollie en zijn Tengeltje geholpen hebt. Dat zou alleen een held doen of iemand die niet op de hoogte is van de regels.
Nou, je ziet er bepaald niet uit als een held en iedereen kent de regels van koning Oliebol…”
”Je hebt inderdaad gelijk,”gaf Pandoeris toe. ”Ik ben niet van hier.”
Sjaak werd iets toeschietelijker.
”Vertel me eens. Hoe komt het toch dat zo’n simpele ziel als jij wél in en uit het Verloren Oord kan reizen en ik niet?”
”Dat weet ik niet.”
”Ach nee, natuurlijk niet. Je zou eens wel wat weten. Ik probeer al twee jaar van mijn korte leventje uit deze uithoek weg te komen en telkens verdwaal ik in de moerassen.”
”Waarom wil je dan zo graag weg?”
”Omdat ik op school hier uitgeleerd ben. Ik weet alles nou wel. Het wordt tijd dat ik me verder ontwikkel maar hier in het Verloren Oord is domheid troef. Wat dat betreft zouden we beter kunnen ruilen: jij hier en ik daar. Uit welke streek kom je eigenlijk?”
”Uit Bosoord,” antwoordde Pandoeris.
Om te bewijzen dat Sjaak echt veel wist, begon hij allerlei wetenswaardigheden over de streek van Pandoeris te vertellen.
Pandoeris begon zich steeds onbenulliger te voelen.
”Je weet zelfs meer over mijn geboortestreek dan ik,” sprak Pandoeris bewonderend.
”Nou ja, daar is niet veel voor nodig,” zei Sjaak bescheiden. ”Wat kom je hier eigenlijk doen? Waar moet je naar toe?”
Pandoeris haalde zijn landkaart tevoorschijn en wees het reisdoel aan.
”Heb je zin om mee te gaan?”
”Nee, dat is voor mij precies de verkeerde kant uit. En nou ga ik slapen.”
Sjaak draaide zich abrupt op zijn zij en voegde de daad bij het woord.
Pandoeris stopte teleurgesteld de kaart weer in zijn rugzak en besloot ook maar te gaan liggen.
Hij deed zijn ogen dicht maar van slapen kwam niet veel en dat was niet alleen omdat hij over zijn slaap heen was.
Op een gegeven moment draaide hij zich op zijn andere zij en ontdekte dat Sjaak verdwenen was en veel erger nog: zijn rugzak óók!
Geschrokken en woedend tegelijkertijd sprong hij overeind.
Welke kant was die kleine gifkikker opgegaan?
Zenuwachtig keek hij om zich heen en ontdekte zijn voetafdrukken in de zachte bodem.
Hij volgde het spoor en kwam aan een weg waar natuurlijk geen voetafdrukken meer te zien waren.
Hij rende enige ogenblikken door in de richting die je naar aanleiding van de voetstappen zou verwachten maar stond toen stil.
Hij dacht even na.


Die kleine blaaskaak was sluw en verwachtte natuurlijk dat dat precies was wat zo’n sufferd als Pandoeris zou doen.
Hij draaide zich om en rende in de tegenovergestelde richting.
Hij probeerde zijn krachten goed te verdelen en hield er zo een aardig tempo in.
Na een uurtje ploeteren zag hij tot zijn grote vreugde inderdaad de kleine gestalte van de dief.
Hij haalde hem zienderogen in omdat hij gewoon veel sneller was en sterker.
En dat laatste zou Pandoeris hem laten voelen ook.
Zijn handen jeukten en dat was niet met krabben te verhelpen.
Hij zou die diefachtige praatjesmaker eens even flink in elkaar slaan.
Sjaak besefte dat verder doorrennen geen zin meer had en wachtte angstig af.
Hij leek in niets meer op die zelfverzekerde betweter die Pandoeris telkens hooghartig afgebekt had.
Pandoeris pakte hem bij zijn jasje en deed zijn arm naar achteren om eens lekker uit te halen.
”Nee! Niet slaan!” riep Sjaak.
Pandoeris grijnsde vals.
”Noem mij één reden waarom ik niet zou slaan.”
”Omdat ik nog maar een kind ben!” jammerde Sjaak en begon te huilen.
Verdraaid, dacht Pandoeris. Zelfs nu is hij me nog te slim af.
Er was van Sjaak inderdaad niet veel meer over dan een angstig klein kind en kleine kinderen kan je toch zo maar niet in elkaar slaan?
Pandoeris liet met tegenzin los.
”Waarom heb je mijn rugzak gestolen?” vroeg hij toen maar.
”Ik hoopte dat er iets in zou zitten waarmee ik in Bosoord kan komen,” snotterde Sjakie. ”Maar ik zal het nooit meer doen.”
Direct krijg ik nog medelijden met hem ook, dacht Pandoeris.
Hij controleerde of alles nog in zijn rugzak zat.
”Nou, maak maar dat je wegkomt,” zei Pandoeris.
Sjakie deed dat maar draaide zich toch nog even om.
”Je bent slimmer dan ik dacht,” zei hij en verdween toen echt.
Pandoeris keek hem peinzend na.
Misschien heeft hij nog gelijk ook, dacht hij.