Archive for augustus, 2011

Anya Pijlman

Author: jeroenstamgast

 

 Ze stond bij de kassa.
In een fris- gras- groen- jasje- en- een- paarse- wijde- pijpen- broek.
Allemaal ecologische produkten.
Daarachter stond een stoere jongeman.
Met een te- gek-zwart-leren-jack,
en 2 kratten bier in zijn handen.
Hij gooide mij een vette knipoog.
Iets verder stonden een paar meiden
te giechelen.
Koket stonden ze te paraderen in hun “Cool Cat”kleren :>)
Zakken snoep vulden hun kleine handen.
Een beugel sierde hun lachende smile.
Een oudere dame irriteerde zich aan het jonge grut, pffff..
Ikzelf gekleed in een woeste legerbroek, leren jasje en zwarte laarzen.
Nee, geen mitrailleur op mijn rug :.)
Ik legde mijn legergroene spinazie en dooie kip op de band.
:.)

Amsterdam
Bij de Schreierstoren
In de vroege mistige ochtend uren
Staan vrouwen aan de kaai.
Verdronken in hun tranenvloed
En kinderen aan hun gescheurde rokken.
Zwaaiend naar hun helden.
De mannen met getaande, gelijnde, en snepig kijkende gezichten.
Op weg naar hun vangst.
Op zwarte zware golvende golven
Voeren ze weg.
Verre zeegezichten verloren in de nacht.
Mannen van stavast.
Sterk en vol vertrouwen.

Ik ben van de Heksen
Van de ridders van de ronde tafel
Van ver weg ben ik gekomen
Dansend op mijn bezem
Ik kom van verre werelden
Mijn naam werd ooit genoemd
Als een Fenix ben ik herrezen
Uit het zwarte as.
Zoekende …naar Merlijn
Avalon?
Avalon?
Ik draag je
in mijn Hart
En in mijn oude ziel.

Droom mij

Ik wil dromen in een bed van lavendel
In geuren en paarse kleuren
Lavendel mij in blauwe luchten en donkere nachten
Droom mij langs sterren en heldere planeten
Ik dans mij om de maan heen
In sterrenstoffen sluiers van neveligheid
Verlicht en dwalend
Met mijn hart als vleugels.


Een stille vriendschap

Author: jeroenstamgast

Af en toe een praatje met mijn vader
Was genoeg
Zonder veel te zeggen
Genoten wij elkaars aanwezigheid
Diepe gesprekken
Voerde ik met vrienden in de kroeg
Daar raakte ik mijn onrust
En mijn onschuld kwijt

We deelden lief en leed
In verlangen dat dat nooit voorbij zou gaan
Moeizaam genoten wij
Van alles wat ons jeugdig leven bood
Tegenwoordig ben ik zeer volwassen
Met mijn jeugd is het reeds lang gedaan
Mijn oude vrienden zeggen mij niet veel
Behalve één en die is dood.

november 1992

Klein geluk

Author: jeroenstamgast

 

Druipend van de regen stap ik van de fiets en word bij het openen van de voordeur begroet door mijn 2 jarige dochtertje Brontë.
Een “Hoi pap!” volstaat voor mijn 9 jarige dochter Amber die achter de computer bezig is met een van die spelletjes waar ik niets van begrijp.
Terwijl ik mijn vrouw Anya een zoen geef waardoor míjn nattigheid nu ook in háár nek druppelt, blijft Brontë maar enthousiast om me heen drentelen.
“Papa praten!” roept ze maar steeds en probeert me mee te trekken naar het tafeltje in de woonkamer waarop het plastic huisje van Teigetje uit de Winnie de Poeh reeks staat.
Met “Papa praten!” wordt bedoeld dat vader op zijn knieën gaat zitten en met een Winnie de Poeh figuurtje in zijn knuist, samen met zijn dochtertje, speelt dat hij in dat huisje woont en er een conversatie op touw zet.
Veel verder dan “Hallo Poeh, hallo Teigetje , spelen, boodschap doen ” komen we niet maar Brontë kan van dit soort oeverloos herhaalde zinnetjes maar geen genoeg krijgen.
Zuchtend laat ik me door mijn dochtertje meevoeren naar haar paradijsje en, terwijl het hemelwater hinderlijk uit mijn haar en baard blijft druppelen, klinkt het al snel: “Hallo Poeh, hallo Teigetje.”

Hoofdstuk 10

Author: jeroenstamgast

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris organiseert zijn eigen bevrijding en ontsnapt met pratend vlees.

 

Als de nood het hoogst is, is de redding nabij, luidt een bekend spreekwoord.
Maar Pandoeris had daar geen boodschap aan.
Van wie in dit achterlijke koninkrijk kon hij nog hulp verwachten?
Voor die domme inwoners was hij de held die zich opgeofferd had en een held die zich opoffert, heeft geen hulp nodig.
Nee, hij moest het zélf doen.
Maar hoe?
Eerst had hij nog gezocht naar losse stenen in de muur die hij eruit zou kunnen trekken en toen hij die niet vinden kon en hij aan de tralies begon te trekken om te kijken of er daar soms een van loszat, verrekte hij nog een nekspier ook.
Vervolgens had hij allerlei plannetjes bedacht om de bewakers te overmeesteren als ze hem eten zouden komen brengen maar een blik op hun enorme  spierbundels deed hem daar toch maar weer vanaf zien.
Kon hij ze maar omkopen of zo.
Maar waarmee?
Tegen beter weten in, keek hij in zijn rugzak om te zien wat daar eventueel voor waardevols in zou zitten.
Het was trouwens nog een geluk dat ze hem die nagesmeten hadden, al was het dan bijna tegen zijn hoofd.
Immers, zonder die lepel en dat bord die erin zaten, zou hij nooit meer terug naar huis kunnen.
Natuurlijk, dat was het!
Die lepel en dat bord!
Hij dacht terug aan de veerman die die dingen zo graag had willen hebben.
Nou, die zou vast wel niet de enige zijn met belangstelling daarvoor.
Maar ja, die lepel en dat bord was hij natuurlijk liever niet kwijt.
Hij kon zich vaag nog herinneren dat hij op school eens een toverformule had moeten leren om kleine voorwerpen te vermenigvuldigen.
Die formule had hij, lui als hij was, natuurlijk niet geleerd maar hij had hem wel in zijn toverschriftje moeten opschrijven.
Zenuwachtig bladerde hij in zijn schriftje en warempel: hij vond hem nog ook.
Jammer alleen dat hij uit verveling dwars door de formule heen had zitten tekenen.
Nou ja, het was het proberen waard.
Eens kijken of hij van één lepel méér lepels kon toveren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dan zou hij daarna het bord proberen.
Hij legde het ding keurig in een hoek van de kerker, ging zelf zo dicht mogelijk tegen de muur staan om zich tegen vallende stenen te beschermen en begon de spreuk op te zeggen.
Behalve dat er inderdaad een paar stenen naar beneden kwamen, gebeurde er verder niets.
De lepel bleef keurig in de hoek liggen maar het bleef er één.
Mismoedig raapte hij hem op en besefte opeens dat hij eigenlijk niet eens wist wat hij met die lepel en dat bord moest doen om terug te komen.
Het laatste restje hoop zonk hem in de schoenen.
Wat was hij toch een vreselijke onbenul!
Iedereen die hem ooit een domme slapjanus had genoemd, had helemaal gelijk.
Het rinkelen van een sleutelbos deed hem uit zijn sombere overpeinzingen ontwaken.
De deur van de kerker zwaaide open en twee geschrokken bewakers stoven binnen.
”Wat is hier gebeurd?” vroeg de een.
”Waar komen die stenen vandaan?” vroeg de ander.
Pandoeris wees naar het plafond van de kerker.
”Van boven, denk ik.”
De twee keken automatisch omhoog en Pandoeris greep de onverwachte kans die hem zo geboden werd.
Hij greep zijn rugzak, nam een snoekduik tussen de bewakers door en voor ze goed en wel in de gaten hadden wat er gebeurde, rende Pandoeris de trap al op.
Sterk was hij dan misschien niet maar snel wél.


Hij zou zijn voorsprong op de bewakers dan ook zeker vergroot hebben, als hij boven aan de trap Ollie niet tegen het dikke lijf was gelopen.
”Ha, daar is mijn held!” riep Ollie ontroerd. ”Kom in mijn armen!”
Pandoeris werd bijna gesmoord in het vet en kon pas weer adem halen toen er bij Ollie iets begon te dagen en hij hem losliet.
”Jij hoort toch in de kerker?” vroeg hij achterdochtig.
Pandoeris antwoordde niet maar gaf Ollie onverwacht een zet zodat deze achterover de trap afrolde, de bewakers die net boven waren gekomen, met zich meesleurend.
En voort rende Pandoeris, de gang in.
Hij moest zich zo gauw mogelijk zien te vermommen.
Zo werd hij door iedereen herkend.
De deur van de paleiskeuken stond open en voorzichtig keek hij om het hoekje.
In de keuken heerste paniek.
”Waar zijn alle lepels gebleven?” donderde de chef-kok.
”Ik weet het echt niet,” zei de eerste assistent.
”Ik ook niet,” mompelde de tweede assistent.
”Wij weten nergens van,” zei de rest van het personeel in koor.
Iedereen keek tegelijk naar het jongste hulpje.
”Waar heb jij die lepels gelaten?!” bulderde de chef-kok.
Het jochie zei niets maar maakte dat hij wegkwam, gevolgd door het voltallige personeel dat blij was dat er iemand anders de schuld had gekregen.
Die toverspreuk moet ik toch nog eens doornemen, dacht Pandoeris die wel begreep dat die lepels door zijn getover verdwenen waren.
Snel pakte hij een kokspak van de kapstok en trok dat aan.
Onopvallend wist hij de feestzaal te bereiken maar daar bleef hij niet onopgemerkt.
”Kom jij eens hier,” beval de koning. ”Haal je baas, de chef-kok en vraag hem twee dingen.
Ten eerste: wat doet die baksteen in de soep en ten tweede: waarom hebben wij geen lepels? Of moeten wij die soep soms met mes en vork naar binnen werken? Zeg maar dat hij, als hij onderweg hierheen geen oplossing heeft gevonden, wij de soep overslaan en aan hém beginnen. En nou wegwezen!”
Dat liet Pandoeris zich geen twee keer zeggen en hij zette het op een lopen.
Buiten adem bereikte hij de binnenplaats waar een kar vol met etensafval klaarstond om door de zwaarbewaakte poort te vertrekken.
Pandoeris aarzelde niet, klom ongezien op de kar en bedekte zich zo goed en zo kwaad als het ging met de meurende etensresten.
In het donker zag hij niet zo goed wat hij deed en hij schrok dan ook hevig toen hij iets vlezigs over zich heen wilde leggen dat begon te praten.
”Blijf van me af,” siste het vlees hem zachtjes toe.
Pandoeris was verstijfd van schrik en dat was maar goed ook want anders hadden de poortwachters hem zeker zien bewegen toen de voerman het paard en de wagen door de poort loodste.

Hoofdstuk 9

Author: jeroenstamgast

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bruid in de kerker krijgt Pandoeris zover dat hij de hoofdrol speelt in haar bevrijding en dan moet zijn hoofd rollen.

Na een overvloedig ontbijt en een roerend afscheid van Cornelis die op het eiland moest passen, gingen ze dan toch eindelijk op weg.
Pandoeris had nog even overwogen om tante Mollie onderweg gewoon ergens overboord te zetten maar kon dat toch niet over zijn hart verkrijgen.
Bovendien bleek het land van koning Oliebol op de route te liggen.
Bij de rederij van de veerman meldde hij nog even waar deze te vinden was, zodat ze hem op konden halen.
Tante Mollie kende deze veerman wel en had hem altijd al een onbehouwen vlegel gevonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nee, dan aan het hof van koning Oliebol!
Daar hadden ze smaak en goede manieren!
En smaak moest je dan wel letterlijk opvatten want uit de verhalen van tante Mollie begreep Pandoeris dat een groot deel van de dag met eten en drinken doorgebracht werd.
Ze verlieten het moeras en legden aan bij een prachtig versierde steiger.
Een dikke lakei hielp hen aan land en begeleidde hen naar een rijtuig met dikke paarden ervoor.
In het land van koning Oliebol krijgt dus echt iedereen goed te eten, dacht Pandoeris en keek naar een paar moddervette eenden en ganzen.
Of zouden de dieren vroeg of laat in de pan verdwijnen?
In het paleis van koning Oliebol was het een drukte van belang.
Lakeien liepen af en aan met eten en drinken en de overwegend dikke tot zeer dikke gasten lieten het zich goed smaken.
Midden in de feestelijk aangeklede zaal zat koning Oliebol op zijn enorme troon achter een tafel met eten, genoeg om een hongerig aangelegd gezin een week mee te kunnen voeden.
Tante omhelsde de koning.
Ze kenden elkaar blijkbaar goed.
”Hartelijk gefeliciteerd met het huwelijk van je zoon en aanstaande schoondochter. Waar zijn ze eigenlijk?”
”Mijn zoon is op zijn kamer en de bruid is in de kerker,” sprak de koning vermoeid.
Een heel dik meisje dat naast de koning zat en nog het meest weg had van een aangeklede suikerspin, begon plotseling hartverscheurend te huilen.
”Ach, toe nou, Truffeltje,” sprak koning Oliebol verstoord.
”Ga nou niet wéér huilen.”
Truffeltje liet zich niet van de wijs brengen en deed er nog een schepje bovenop.
”Nou, vooruit. Ga dan nog maar even naar Ollie toe. Maar denk erom: ik wil geen toestanden als ze gaan trouwen, hoor!”
Truffeltje stopte abrupt met het plengen van tranen, worstelde zich uit haar stoel en maakte zich waggelend uit de voeten.
Aan Pandoeris schonk verder niemand aandacht en, omdat hij toch wel nieuwsgierig begon te worden naar de bruid in de kerker, volgde hij het dikke wicht.
Hijgend beklom ze de trappen van het paleis tot ze bij een deur kwam waarachter werd geweend.
Ze klopte met bonzend hart aan.
”Ollie, ben je daar?”
De deur werd geopend door een wandelende vetklomp, waarna de twee kolossen elkaar snikkend in de armen vielen.
Pandoeris sloeg het tafereeltje gade en kuchte luid om te laten merken dat hij er was.

Geen van beiden reageerde.
Ze hadden alleen maar aandacht voor elkaar.
Pandoeris kuchte nog eens maar nu harder.
Weer geen reactie.
Na nog wat luidruchtig hoesten, gaf Pandoeris het op.
Dan maar recht op het doel af, dacht hij en richtte verlegen het woord tot hen.
”Goede middag. Weet u soms waar de trouwplechtigheid is?
Ik ben een beetje verdwaald, ziet u.”
De twee lieten elkaar los en keken hem verbaasd aan.
”Wie ben jij eigenlijk?” vroeg Ollie.
”Ik ben Pandoeris en ik ben hier min of meer per ongeluk terecht gekomen. Bent u het bruidspaar?”
”Was dat maar waar,” jammerde Truffeltje. ”Ollie is de bruidegom en ik had zo graag zijn lieve bruidje willen zijn.”
”Maar wie is het lieve bruidje dan?” vroeg Pandoeris.
”Dat skelet zit in de kerker,” antwoordde Ollie en trok een vies gezicht.
”Maar waarom zit ze in de kerker?”
”Omdat ze anders wegloopt natuurlijk.”
Ollie schudde zijn hoofd om zoveel onbenul.
”Wil ze dan niet met je trouwen?”
”Nee, natuurlijk niet. En ik niet met haar. Alleen ik loop niet weg omdat ik hier woon en nergens heen kan.”
”Maar waarom ga je dan trouwen met iemand waar je niet van houdt?”
”Omdat mijn vader vroeger met de vader van de bruid afgesproken heeft, dat wij zouden trouwen. En wil je ons nu alleen laten. Dan kunnen wij nog even aandacht aan elkaar schenken.”
Ollie nam vertederd het vette handje van Truffeltje in de zijne en na wat wrikken in de deuropening, verdwenen ze samen achter de dichte deur.
Pandoeris krabde zich eens achter de oren.
Als hij het dus goed begrepen had moest de bruid met geweld binnen de poorten gehouden worden en was de bruidegom een totale ineenstorting nabij, terwijl zijn geliefde er niet veel beter aan toe was.
Nou, die gingen dan een fijne toekomst tegemoet.
Hoofdschuddend ging hij de trappen af.
Beneden aangekomen, liep hij twee ruziemakende koks tegen het lijf.
”Ga jij maar,” zei de ene.
”Nee, het is jóuw beurt,” zei de andere.

”Wat vind jij daar nou van?” vroeg de ene kok onverwacht aan Pandoeris.
”Ja,” zei de andere. ”Geef jij je mening eens.”
”Waarover?” vroeg Pandoeris.
”Nou, elk uur moet de aanstaande bruid, prinses Tengeltje, haar eten krijgen volgens de voorschriften. Maar ze wil het niet. En het vervelende is dat ze elke keer het eten in ons gezicht smijt. En nou staat er gloeiend hete soep op het menu…”
Met dat soort dingen had Pandoeris geen moeite.
”Gewoon niet brengen. Ze eet het toch niet.”
”Dat kan niet. Een kok hoort zijn plicht te doen. Desnoods tot de dood erop volgt.”
”Laat de soep dan eerst afkoelen voor je hem brengt en over je heen krijgt,” verzon Pandoeris die niet voor één gat te vangen was.
”Of wacht. Weet je wat? Als ik jullie daar een plezier mee kan doen: ík zal de soep brengen.”
Dat was een mooie gelegenheid om die prinses Tengeltje eens te ontmoeten.
De koks maakten geen bezwaar en even later stond Pandoeris voor de tralies waarachter een prachtig aangeklede schoonheid gevangen zat.
”Ben jij nieuw hier?” vroeg de schoonheid. ”Of lijd jij aan een ernstige ziekte?”
”Hoezo?” vroeg Pandoeris.
”Omdat ik hier normaal gesproken alleen maar mensen zie die minstens honderd kilo wegen.”
Pandoeris legde uit dat hij hier min of meer per ongeluk terecht gekomen was en vroeg ’op de prinses af’ waarom ze niet wilde trouwen met Ollie.
”Wat heb jij voor smurrie in je ogen zitten? Heb jij die Ollie al eens goed bekeken? Daarbij vergeleken ben jij een knappe jongen.”
”Dank je,” zei Pandoeris gevleid.
”Het is krankzinnig allemaal! We moeten trouwen van onze ouders terwijl ze het zelf ook niet willen. En dat allemaal omdat het heel vroeger eens een keer afgesproken is.”
”Maar waarom maken ze dan geen andere afspraak?” vroeg Pandoeris die zelf bijna nooit een afspraak maakte en zich er in ieder geval niet aan hield, als het hem per vergissing eens overkomen was.
”Omdat het dan oorlog wordt tussen onze landen.
Zo’n belediging kan het andere land niet over zijn kant laten gaan.”
”Wat een onzin,” vond Pandoeris.
Prinses Tengeltje keek Pandoeris eens aan.
”Misschien zou jij me van die afschuwelijke vleesmassa kunnen redden.
Durf je dat?”
”Ik durf alles,” pochte Pandoeris die Tengeltje steeds leuker begon te vinden en graag een goede indruk wilde maken.
”Kom eens dichterbij,” wenkte Tengeltje hem.
Pandoeris zijn gezicht was nu vlakbij dat van haar en plotseling kreeg hij, tussen de tralies door, een zoen.

”Jij bent mijn held.”
”W- w- wat moet ik doen?” stamelde Pandoeris.
”Luister goed. Er is één mogelijkheid om mij te helpen. Op een gegeven ogenblik vraagt de ceremoniemeester officieel of er iemand bezwaar heeft tegen het huwelijk. Het klinkt belachelijk maar als jij dan zegt dat je er tegen bent, gaat het huwelijk niet door. Er staat namelijk in de wet dat iedereen die aanwezig is, het met het huwelijk eens moet zijn. Anders gaat het niet door. En omdat niemand het huwelijk eigenlijk wil, is iedereen je nog dankbaar ook. En ik natuurlijk het meest.”
Tengeltje keek Pandoeris op zo’n manier aan, dat hij het er warm van kreeg.
”Maar waarom doet niemand dat dan, als het zo eenvoudig is?”
Pandoeris vond het maar raar. Daar stak beslist méér achter.
Hij kreeg echter geen gelegenheid om verder te vragen want de prinses werd door enige hofdames en soldaten opgehaald.
”Doe je het?” vroeg prinses Tengeltje nog, toen ze meegesleurd werd.
”Ik zal je redden!” riep Pandoeris haar stoer na.
Maar toen de plechtigheid in de Grote Zaal begon, voelde hij zich heel wat minder flink en hij werd hoe langer hoe zenuwachtiger.
Op een gegeven moment kwam de langverwachte vraag van de ceremoniemeester.
”Als er iemand tegen het huwelijk is, moet hij dit nu kenbaar maken!”
Het was muisstil in de Grote Zaal.
Je kon een speld horen vallen.
Alle aanwezigen keken somber voor zich uit.
Alleen prinses Tengeltje keek Pandoeris smekend aan met haar mooie grote ogen.
”Ik ben tegen!” schreeuwde Pandoeris plotseling met overslaande stem.
Een oorverdovend gejuich brak los.
Mensen vielen elkaar huilend en lachend van geluk in de armen en de beide koningen kwamen Pandoeris zelfs persoonlijk bedanken, gevolgd door Ollie, Truffeltje en Tengeltje.
”Eén hoeraatje voor onze held!” riep koning Oliebol.
De andere koning speldde Pandoeris zelfs een medaille op wegens bijzondere verdiensten voor zijn land.
”En laten we dan nu verder gaan met het feest!” riep koning Oliebol.
Pandoeris wilde al aan de feestelijk gedekte tafel naast Tengeltje gaan zitten maar werd tegengehouden door een woest uitziende schildwacht.

”Meegaan jij!” baste de schildwacht en greep Pandoeris stevig vast.
”Iemand die de huwelijksplechtigheid verstoort, wordt de volgende dag bij zonsopgang onthoofd. Zo staat het in de wet!”
Pandoeris werd onder luide toejuichingen van de feestgangers meegesleurd en koning Oliebol riep hem troostend na dat zijn hoofd een mooie plaats zou krijgen in de eregalerij van het paleis.
Pandoeris kon zich wel voor zijn hoofd slaan dat hij zo stom was geweest om er in te tuinen.
Maar hij besefte dat het nu te laat was en dat hij zelfs dát binnenkort niet meer kon doen…