Archive for juli, 2011

Troosteloos

Author: jeroenstamgast

 

 

Verlegen schud ik een hand

En mompel een troostend woord

Roodomrande ogen

Kijken mij niet begrijpend aan

Stilstaan echter kan ik niet

Want de rij moet verder gaan

Het wordt nog druk

In dit verlaten oord

 

 

Ik schuifel door

Naar een gebroken wrak

Geknakt verpletterd door verdriet

Huilt zij mij toe

En ik volsta met holle frasen

Gelijk een lamgeslagen zak

De rij dringt aan

Men wordt het wachten moe

 

 

Er komt regen

Maar ik heb er nu het tempo in

Het gaat lekker snel

Men condoleert zich gek

Hier en daar

Bespeur ik zelfs goede zin

Na een laatste groet

Ligt de kist verloren in de drek

 

 

Men is blij voor de familie

Dat de dode zoveel aandacht kreeg

En de familie

Troost de verse weduwe in huis

Maar weken later

Zit zij verlaten en verloren bij de buis

En blijft het plekje naast haar 

Akelig leeg

 

 

 

september 1992 

 

 

 

Hoofdstuk 8

Author: jeroenstamgast

Het is leuk om vertroeteld te worden maar ook voor Pandoeris zijn er grenzen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het kostte Pandoeris de nodige moeite om de vaargeul te volgen. Hij was al een paar keer in de modderige bodem blijven steken en was er slechts met de grootste moeite weer uitgekomen.
Hij moest er niet aan denken dat hij hier vast zou komen te zitten.
Hij kon zich van de toverschool trouwens niet herinneren dat je het Verloren Oord via een moeras binnen kwam.
Maar ja, wat kon hij zich eigenlijk nog wel herinneren van de school?
Hij had nooit goed opgelet en de leraren hadden de moed, wat hem betreft, opgegeven.
Op het laatst had hij er gewoon voor spek en bonen bijgezeten.
Het kan toch raar gaan in het leven, dacht Pandoeris.
Nou heb ik besloten om geen tovenaar te worden en een gewoon baantje te nemen en dan sturen ze me hier heen.
Nou ja, als dit avontuur achter de rug is, ben ik eigen baas en kan ik doen en laten wat ik wil.
Maar zover was het nog lang niet.
Hij passeerde een eilandje dat zowaar bewoond was.
Midden op het eiland stond een bont gekleurd huisje, omgeven door een tuin met allerlei soorten bloemen.
Er was ook een steigertje om een boot aan te leggen en op dat steigertje stond een dikke dame te zwaaien.
”Joehoe! Veerman! Joehoe!”
Ik hoor niets, dacht Pandoeris. Dat kost allemaal tijd. Ik wil weg uit dit moeras.
”Joehoe! Veerman! Joehoe!”
Je ’joehoet’ maar, dacht Pandoeris. Ik heb even last van een spontane doofheid.
De dame gaf het niet op.
”Ben je doof of zo, veerman?!”
Voor jou wel en ik ben ook geen veerman, dacht Pandoeris en roeide onverstoorbaar verder.
De dame werd boos.
”Als je niet gauw hierheen komt, stuur ik Cornelis op je af!”
Dan moet Cornelis verdraaid snel kunnen zwemmen als hij me wil inhalen, dacht Pandoeris en zag in gedachten al een oude harkerige tuinman in het water springen.
Hij hoorde een enorme plons achter zich, dus er sprong inderdaad iemand in het water.
Hoeveel kilo moest die tuinman wel niet wegen om zo’n gigantische plons te veroorzaken?


Pandoeris moest zich echt bedwingen om niet achterom te kijken, maar tot zijn grote schrik dook Cornelis plotseling vóór de boot op.
Een krokodilachtig beest van grote afmetingen opende een flinke muil met stevige tanden en blies een hoeveelheid bedorven adem in Pandoeris zijn gezicht, genoeg om een boeket bloemen te doen verwelken.
”Rustig maar, Cornelis,” bracht Pandoeris er bibberend uit.
”Rustig maar, brave…” Ja, wat was het eigenlijk?
Cornelis duwde tegen de boot, zodat de neus in de richting van het eiland kwam te liggen.
Pandoeris wist niets beters te doen, dan er maar naar toe te roeien, gevolgd door Cornelis, die een vervaarlijk oogje in het zeil hield.
”Zo, ben je daar?” vroeg de dikke dame verstoord. ”Hoorde je me niet roepen?”
”Wat zegt u?” vroeg Pandoeris. ”Ik ben een beetje doof ziet u.”
”O , is dat het. Ach, wat erg. Zo’n lief knulletje. En dan doof…”
De dame stak een mollige arm naar hem uit.
”Kom maar hier hoor, lieverd. Daar kan je tenslotte ook niets aan doen.”
Ze trok Pandoeris uit de boot en gaf hem een stevige knuffel.
”Ben jij niet een beetje te jong om veerman te zijn?”
”Wat zegt U?” vroeg Pandoeris, die blij was dat ze hem even los liet.
”Of je niet te jong bent om veerman te zijn!” schreeuwde de dame uit volle borst in zijn oor.
Dat moet ze niet teveel doen, dacht Pandoeris, anders word ik nog écht doof.
”O, ja, nee, nu versta ik u. U hoeft niet zo te schreeuwen, hoor. Als u maar in de richting van mijn oor praat. Dan gaat het wel.”
Ik geef mooi geen antwoord op die vraag, dacht Pandoeris.
Wat denkt ze wel. Ik ben geen kind meer.
”Onverantwoordelijk, hoor, om een kind zulk gevaarlijk en vermoeiend werk te laten doen. Wat vind jij er nou van, Cornelis?”
Cornelis loenste likkebaardend naar Pandoeris en gromde hongerig.
Die moet ik in de gaten houden, dacht Pandoeris.
”Kom, geef tante Mollie maar een handje, dan gaan we eerst een lekker kopje thee drinken met een gebakje erbij.”
Pandoeris wilde zich losrukken maar bedacht zich, toen Cornelis zich bij hem meldde.
Stel je voor dat dat monster op het onzalige idee zou komen om hem een handje te geven, in plaats van tante Mollie.
Hij liep dus maar dicht tegen tante Mollie aan, die hem daarop vertederd een aai over zijn bol gaf.
Op de bank, in de weelderig ingerichte woonkamer, had tante zich zo neergezet, dat Pandoeris bijna bekneld raakte tussen haar en de leuning, terwijl Cornelis ook niet bij hem weg te slaan was.
”En dan ga je na de thee lekker in bad, dan zal ik je vieze kleren wassen,” kondigde tante aan.
”O, dat hoeft niet, hoor mevrouw,” zei Pandoeris geschrokken.
”Zeg maar tante, hoor, lieverd en dat hoeft wél.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cornelis gromde instemmend en even later zat Pandoeris met een chagrijnig gezicht in een schuimbad dat rook naar lavendel.
Cornelis paste gelukkig niet in de badkamer maar Pandoeris hoorde aan zijn smakgeluidjes dat hij nog wel achter de deur zat.
Even later kwam tante aanzetten met een witte pyjama, versierd met rode brandweermannetjes die laddertjes opklommen.
”Moeten we niet weg met de boot? Anders wordt het te laat, hoor,”
probeerde Pandoeris.
”Geen sprake van.Tante Mollie gaat jou even verwennen met een goede maaltijd.”
”Maar ik zit nog vol van het gebak,” protesteerde Pandoeris.
”Onzin. Kinderen die in de groei zijn, moeten goed eten,” besliste tante. ”Of wou je altijd zo klein blijven?”
”Ik ben helemaal niet klein,” zei Pandoeris boos. ”En wanneer gaan we dan op weg?”
”Morgen is er weer een dag. We gaan direct eerst gezellig ’ganzeborden’ en ’mens erger je nieten’ en daarna ga ik een feestmaal voor je klaarmaken.”
Dat ’mens erger je nieten’ zal wel lukken, dacht Pandoeris gelaten.
”Ik heb nog allerlei lekkere hapjes voor tijdens de spelletjes en sta bekend om mijn heerlijke limonade.”
Berucht zal je bedoelen, dacht Pandoeris.
Tante bleek onverbiddelijk.
Ze overvoerde hem liefdevol met hapjes en won ondertussen het ene spelletje na het andere.
’s Avonds, tijdens de maaltijd, bleef tante zijn bord maar volscheppen en Pandoeris begon Cornelis, die hij stiekem een groot deel van zijn eten gaf, steeds meer te waarderen.
Toen het donker werd, mocht Pandoeris eindelijk naar bed.
Tante gaf hem een zoen op zijn voorhoofd en dekte hem zorgvuldig toe.
”Slaap maar goed, lieve jongen. Want morgen wordt het een hele reis.
We gaan naar het feest van koning Oliebol.”
Die naam voorspelt weinig goeds, dacht Pandoeris en voelde een stevige misselijkheid in zich opkomen.

Hoofdstuk 7

Author: jeroenstamgast

Over een veerman die niet alleen overzet, maar ook afzet en over Pandoeris, die zijn steentje bijdraagt.

Het is wel even schrikken als je ’s ochtends wakker wordt en je ontdekt dat je bijna in de armen van een geraamte ligt.
Het duurde dan ook even voordat Pandoeris van de schrik bekomen was en weer normaal kon ademen.
Hij groef, zo goed en zo kwaad als het ging, met een plank een kuil en stopte daar de overblijfselen van de vorige eilandbewoner in.
Daarna waste hij zijn handen met het bepaald niet schone moeraswater.
En nou maar hopen dat ze mij ook zo netjes begraven als ze mij per ongeluk hier vinden, dacht Pandoeris.
De moed zonk hem in de schoenen en hij begon hartverscheurend te huilen.
Er was toch niemand die je hoorde en zei dat je een flinke vent moest zijn.
Hij had erg veel medelijden met zichzelf en ging zo op in zijn verdriet, dat hij niet in de gaten had dat er een roeibootje aan kwam varen.
De roeier stopte met roeien en liet het bootje uitvaren tot vlak bij Pandoeris, die nog steeds met zijn hoofd in de handen bij de waterkant zat.
”Willen de passagiers bij de boothalte zich gereedmaken om in te stappen!” kraakte plotseling de stem van de roeier.
Pandoeris viel van schrik bijna voorover in het water.
Hij kon van de weeromstuit even geen woord uitbrengen en de roeier maakte van de stilte gebruik om een en ander toe te lichten.
”Ik ben de veerman in dit gedeelte van het moeras. Ik breng u overal waar u maar wilt, voor een bord en een lepel. Heeft u die bij zich?”
”Ik zal ze even halen!” riep Pandoeris opgelucht en rende naar de hut.
Hij had dat bord en die lepel dan wel nodig om in de gewone wereld terug te kunnen komen, maar dat was van later zorg.
Als hij eerst maar van dit ellendige eilandje af was.
Trouwens, als hij het een beetje slim aanpakte, hoefde hij niet eens te betalen als hij op de plaats van bestemming aankwam en dan bijvoorbeeld hard wegrende.
Hij wilde met zijn rugzak naar het bootje toe waden, maar deinsde achteruit toen hij bijna een tik van een roeispaan tegen zijn hoofd kreeg.
”Eerst betalen!” kraakte de stem van de veerman.
”Wie zegt me dat u niet hard weg roeit als u dat bord en die lepel eenmaal heeft?” vroeg Pandoeris argwanend.
”Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Eerst betalen, dan pas meevaren.”
Dat was een lelijke tegenvaller.
Je kunt vandaag de dag niemand meer vertrouwen, dacht Pandoeris boos.
”En als ik u alvast de lepel geef en het bord bij aankomst,” probeerde hij nog.
”Nee, allebei tegelijk en anders niet.”
Pandoeris besloot te bluffen.
”Als je me niet ogenblikkelijk op je schuit toe laat, tover ik je om in een stinkdier,” dreigde Pandoeris, ”Ik ben namelijk een tovenaarsleerling.”
”Mij maak je niet bang. Ik heb een tovervrij vest aan. Je kunt me niets maken met je getover. Bovendien: als ik jou zo zie, kan je volgens mij nog geen deuk in een pakje roomboter toveren.”
Een akelige lach echode krakend over het moeras.
”O ja? Durf je dan hier te blijven als ik mijn toverschrift pak?” daagde Pandoeris hem uit en voegde de daad bij het woord.
De veerman ging er eens lekker voor zitten.
”Ga je gang. Ik ben een en al aandacht.”
Zenuwachtig bladerde Pandoeris in zijn schriftje.
Sommige dingen had hij zo slordig opgeschreven, dat hij ze niet eens kon lezen.
En wat hij kon lezen, leek zo onbenullig, dat het de veerman hooguit op de lachspieren zou werken.
Maar ja, hij moest wel iets doen; hij kon toch ook niet blijven bladeren.
”Ha! Hier heb ik iets verschrikkelijks!” loog Pandoeris en hield zijn vinger op een lege bladzijde. ”Ik geef je nog één kans…”
”Al gaf je me er twee of drie. Ik wil dat toverkunstje van jou wel eens zien.”
”Dat weet je heel zeker?”
”Dat weet ik heel zeker.”

Wat nu? dacht Pandoeris. Het zou toch wel prettig zijn als me iets heel briljants te binnen schiet.
Misschien kan ik iets op hem laten vallen en hem zo uitschakelen, zonder de boot te vernielen natuurlijk. Ach dat is het! Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb! De stenen! Als ik tover, regent het bakstenen.
En het maakt niet uit welke toverspreuk ik gebruik, als het maar stenen regent.
Pandoeris zegde de spreuk op waar hij, vlak voor hij deze reis begonnen was, ook al succes mee had gehad en rende naar de hoger gelegen hut om daar te schuilen.
De veerman keek geamuseerd toe en schaterde het uit, toen hij zag hoe het ene na het andere kledingstuk van Pandoeris zijn lijf viel, terwijl hij als een gek zigzagde om de vallende stenen te ontwijken.
Het hoogtepunt was voor hem toch wel het moment waarop een inmiddels geheel blote Pandoeris moest toezien hoe zijn schuilplaats bedolven werd onder een hoeveelheid bakstenen en in elkaar stortte.
De truc met de stenen was dan wel gelukt, maar ze waren op deverkeerde plek gevallen.
De veerman gierde het uit en sloeg zich huilend van het lachen op de knieën.
Iets te hard waarschijnlijk want hij verloor zijn evenwicht en viel met een plons voorover uit de boot.
Zwemmen kon hij blijkbaar niet want hij had de grootste moeite om zijn hoofd boven water te houden.
Pandoeris zag het en rende zo hard hij kon terug naar de boot om er eerder te zijn dan de veerman.
Helaas: de veerman had de boot te pakken en hees zich er in, nog vóór Pandoeris iets had kunnen ondernemen.
”Te laat, mannetje,” rochelde de veerman, terwijl het water uit alle plaatsen van zijn lichaam liep waar een gat in zat.
In een vlaag van woede pakte Pandoeris een van de stenen die verspreid op de grond lagen en gooide die naar zijn tegenstander.
Tot zijn verbazing gooide hij raak en de veerman zakte in elkaar.
Pandoeris aarzelde niet, sprong in het water en sleepte de boot, met veerman en al, naar de kant.
Snel trok hij de natte kleren van de veerman aan, die hij bewusteloos op de kant had gelegd.
Hij pakte zijn rugzak, stapte in de boot en roeide harkerig, omdat hij dat niet gewend was, een eindje weg.
De veerman krabbelde intussen overeind en begon te vloeken en te tieren.
Pandoeris wachtte tot hij uitgeraasd was.
”Als je me vertelt waar ik hulp kan halen voor je, zal ik dat doen,” sprak hij edelmoedig.
De veerman wilde verder gaan met schelden maar bedacht zich.
”Vaar een paar uur in noordelijke richting, dan kom je bij een groter eiland. Daar vind je ook onze rederij.”
Pandoeris stuntelde in de aangegeven richting.
”Je stuurt toch wel iemand, hè?” vroeg de veerman nederig.
”Natuurlijk,” zei Pandoeris. ”Ik weet alleen niet of je een bord en een lepel nodig hebt. Maar dat zoek je zelf maar uit.”
Het duurde even voor Pandoeris de juiste ’roeislag’ te pakken had, maar toen ging hij er toch redelijk snel vandoor.