Archive for juni, 2011

Hoofdstuk 6

Author: jeroenstamgast

Met een bord en een lepel in de hand komt men door het ganse land, maar Pandoeris raakt al snel het spoor bijster.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het afscheid van de vervoerder en zijn vrouw had niet zo lang geduurd. De vervoerder had alles nog eens kort met hem doorgesproken en zijn vrouw had allerlei lekkers voor onderweg in een rugzak gedaan.
Pandoeris had er op gestáán om de reis alleen te maken.
Hij wilde het geheim van de toegang tot het Verloren Oord niet verraden en de vervoerder had daarvoor wel begrip getoond.
De reis was overigens voorspoedig verlopen.
Na twee dagen was hij bijna waar hij wezen moest.
De weg waarover de postkoets reed werd steeds slechter en de passagiers, die hem gezelschap hielden, waren op zijn zachtst gezegd, vreemd te noemen.
Naast hem zat een man die alleen maar uit een bochel en benen leek te bestaan en tegenover hem zaten twee oude vrouwtjes te fluisteren en te stinken.
De koetsier hoorde je, boven de geluiden van de postkoets uit, vloeken en tieren om de paarden op snelheid te houden.
Plotseling hield hij halt.
De vrouwtjes stopten met fluisteren, ze stonken alleen nog maar, en de gebochelde man reutelde wat.
Pandoeris voelde zich niet op zijn gemak en nam zijn rugzak op schoot.
Het portier van de koets zwaaide open en de koetsier brulde, alsof hij het tegen de paarden had, dat ze twee minuten de tijd kregen om op te rotten.
Pandoeris wilde eerst nog vragen waar naar toe, maar een vervaarlijk heen en weer zwaaiende zweep, weerhield hem daarvan.
Gedwee volgde hij de anderen.
De koetsier klom weer op de bok, gebruikte de zweep voor de paarden en de koets verdween in de richting vanwaar ze gekomen waren.
Pandoeris keek de koets na, tot deze in een stofwolk verdwenen was.
Toen hij weer naar zijn medepassagiers keek, bleken de oude vrouwtjes ook verdwenen te zijn.
De gebochelde zat op zijn koffer, die veel te groot en te zwaar voor hem was en Pandoeris vroeg zich al af, hoe hij deze zou vervoeren.
Het antwoord hierop kwam snel.
”Jij tillen”, sprak de bochel met een hese stem en twee priemende oogjes keken hem aan.
Pandoeris had hier niet zoveel zin in maar besloot het toch maar te doen.

Je wist tenslotte nooit waar dat nog eens goed voor was en bovendien wist hij toch niet welke richting hij uit moest gaan.
Zwijgend volgde Pandoeris de stevig voortdribbelende bochel en na een uurtje zweten en puffen, kwamen ze bij herberg ’De Laatste Post’.
De bochel klopte aan en een zware eikehouten deur werd door een ongunstig uitziende herbergier geopend.
Hij liet Bochel binnen, trok de koffer uit Pandoeris zijn hand en wilde de deur voor zijn neus dicht smijten.
”Hij mee!” klonk een hese stem.
De deur ging weer open en Pandoeris glipte snel naar binnen.
De herbergier wees hen een plaats, aan een van de tafels.
De weinige gasten zaten zwijgend achter een tinnen soepbord en hielden een houten lepel vast.
Ook Pandoeris kreeg een bord en een lepel.

De soep werd zwijgend opgediend en opgegeten.
De paddestoelensoep, of wat daar voor door moest gaan, smaakte niet lekker maar Pandoeris begreep dat het opeten daarvan, nodig was om de Heksenkring te passeren.
Hij slurpte dapper door en toen hij opkeek van zijn bord, zag hij alleen nog maar nevel en kwade dampen.
De grond onder hem begon te bewegen en Pandoeris raakte in paniek.
Hij wilde opstaan en wegrennen maar een hese stem riep: ”Zitten!
Bord en lepel vast!”
Dat moest die bochel zijn.
Pandoeris kalmeerde enigszins en vroeg: ”Waar bent u en waar ben ik?”
Er kwam geen antwoord.
Pandoeris hoorde alleen een zacht gereutel dat langzaam wegstierf.
Het zweet brak hem uit maar hij hield zich goed.
Het leek wel een eeuwigheid te duren voor hij weer iets kon zien maar wat hij toen zag, stelde hem bepaald niet gerust.
Hij was op een klein eilandje terecht gekomen in een moerassig gebied.
Zijn bord en zijn lepel hield hij nog steeds vast.
Wat was daar ook al weer mee?
O ja, hij moest die bewaren om terug te kunnen komen.
Hij borg ze op in zijn rugzak en de aanblik van al dat lekkers dat daar in zat, stelde hem een beetje gerust.
Het zag er gezellig uit en het had iets vertrouwds.
Verhongeren zou hij voorlopig in ieder geval niet.
Hij bestudeerde de plattegrond die hij had meegekregen en zag dat hij nog ver van zijn reisdoel verwijderd was.
Hij besloot eerst het eilandje maar eens te verkennen.
Nou, dat was zo gebeurd.
In nog geen tien minuten tijd was hij weer bij het startpunt van zijn ontdekkingstocht gekomen en had hij het eilandje rondgelopen.
Vervolgens stak hij het eiland dwars over en midden op het eiland vond hij een half in elkaar gezakte hut.
Er was dus wel eens eerder iemand geweest.
Het begon donker te worden en dat was niet alleen omdat het laat werd, want al snel vielen de eerste regendruppels uit de inktzwarte lucht.
Hij vond een kaars in de hut en stak die aan.
De hut was niet zo best meer, maar het dak was nog in orde en dat was prettig want de regen viel met bakken uit de lucht.
Het had altijd iets gezelligs als het hard regende en je lekker droog zat, vond Pandoeris.
Hij opende zijn rugzak en begon genoeglijk te eten van het lekkers dat de vervoerdersvrouw meegegeven had.
Ach, alles zou wel weer op zijn pootjes terecht komen; je kon je overal wel druk om maken.
Hij maakte een bed van stro, dat er ook nog lag en viel tevreden in slaap met een glimlach op zijn gezicht.
Naast hem lag, verborgen in het donker, een geraamte met een grijns in zijn schedel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dag Nacht Wacht

Author: jeroenstamgast

Dag nacht  dag nacht  dag nacht

 

Alles gaat gewoon maar door

Een kleine meid wordt groot

Die denkt niet aan de dood

Daar waken lieve ouders voor

 

Dag wacht  dag wacht  dag wacht

 

juli 1992

Hoofdstuk 5

Author: jeroenstamgast

Hoe de lievelingsmaaltijd van Pandoeris verstoord wordt door een opdracht die hem zwaar op de maag ligt.

Bij zijn thuiskomst werd Pandoeris heel hartelijk ontvangen.
Zó hartelijk zelfs, dat hij het eigenlijk maar een beetje vreemd vond.
Nou deed de vervoerder altijd wel aardig tegen hem maar nu was hij gewoonweg griezelig vriendelijk.
Pandoeris kon alvast aan tafel gaan zitten voor het eten, dan zou de vervoerder het paard en de wagen wel in de stal zetten.
Zijn vrouw vroeg bij het binnenkomen meteen of hij iets te drinken wilde hebben en vertelde dat ze zijn lievelingsmaaltijd aan het koken was.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris snoof inderdaad de lucht op van gebraden gehaktballen en gebakken aardappeltjes, zodat het met de doperwtjes en de sla ook wel goed zou zitten.
Toch zat hij niet lekker daar aan tafel.
Hij voelde gewoon dat er iets vervelends komen ging.
Op leuke wijze ingekleed misschien maar vervelend zou het zijn.
De vervoerder kwam gezellig bij hem zitten met een asbak en een doos goede sigaren.
”Wou je ook een sigaartje?” vroeg hij op zo’n vriendelijke toon dat je bijna geen ’nee’ durfde zeggen.
Pandoeris rookte niet maar nam een exemplaar uit de toegestoken doos.
Als ik direct dan toch de sigaar ben dan neem ik er ook maar één, dacht hij.
De vervoerder stak de brand in beide sigaren en de eetkamer vulde zich al snel met rook.
Vooral de bijdrage van Pandoeris, die niet gewend was om te roken en uit onwennigheid als een gek aan zijn sigaar zat te hijsen, zorgde ervoor dat de vervoerdersvrouw bijna moeite had om in de rook de tafel nog te vinden en te dekken.
”Hoe lang werk je nu al weer hier?” vroeg de vervoerder.
”Drie weken,” kuchte Pandoeris.
”Zou je nog terug willen naar je tante?”
De tranen sprongen Pandoeris in de ogen.
”Nou, je hoeft niet te gaan huilen,” sprak de vervoerder geschrokken.
”Nee het is de rook die…”
De vervoerder zette een raampje open zodat er wat frisse lucht binnen kwam.
Het eten werd opgediend en Pandoeris vond dat een goed excuus om die dure stinksigaar op de rand van de asbak te leggen.
Of het nu door het roken kwam of door het gesprek dat volgde, Pandoeris had weinig trek meer in zijn lievelingsmaal.
”Dus het bevalt je hier wel?” vroeg de vervoerder.
”Zeker,” sprak Pandoeris en probeerde dankbaar te kijken.
”Je weet nog dat ik gezegd heb dat ik af en toe een aparte klus heb waar ik veel geld mee kan verdienen?”
Nou komt de aap uit de mouw, dacht Pandoeris. Direct gaat hij zeggen dat hij mij erbij nodig heeft.
”Wel, het is zover en daarbij heb ik jouw hulp nodig.”
”Schep nog eens op, Pandoeris,” bood de vervoerdersvrouw aan.
”Je lust vast nog wel wat.”
Pandoeris was een beetje misselijk maar vulde uit beleefdheid dapper zijn bord. Stel je voor dat de vrouw beledigd was dat hij zo weinig at, dan zou ze zijn lievelingsmaal misschien wel nooit meer koken.
Je moest voorzichtig zijn met dat soort dingen.
”Die vreemde klant die je daarnet weggebracht hebt, komt elk jaar om deze tijd vragen iets voor hem te vervoeren,” vervolgde de vervoerder.
”Ik heb het wel eens geprobeerd maar het is me nog nooit gelukt.
Volgens mij moet het jou wél lukken.”
”En waarom dan wel?” vroeg Pandoeris die zich steeds onbehaaglijker begon te voelen.
”Omdat jij een tovenaarsleerling bent.”
”Een tovenaarsleerling wás, bedoelt u.”
”Nou ja, dat doet er niet toe. Jij weet waarschijnlijk wel hoe je in ’het Verloren Oord’ moet komen. Ik heb het geprobeerd maar ik verdwaal steeds.”
Er begon Pandoeris iets te dagen.
Het Verloren Oord lag voorbij de Heksenkring en daar kon je inderdaad niet zo maar komen.
” Waarom gaat die klant van u dan niet naar een tovenaar of een heks?”
”Omdat hij die niet vertrouwt. En nou wil ik een eerlijk antwoord van je: kun jij daar komen of niet?”
De vervoerder keek hem doordringend aan.
Pandoeris overwoog nog even om te liegen maar besloot de waarheid te vertellen.
”Ik denk het wel.”
”Fantastisch!” brulde de vervoerder. ”Man, als dit lukt, verdien ik zoveel geld dat ik niet meer hoef te werken!”
Enthousiast keek hij naar het beteuterde gezicht van Pandoeris en begreep dat hij hem met deze mededeling niet enthousiast zou krijgen.
”Luister,” vervolgde hij daarom snel. ”Als ik stop met werken, doe ik mijn zaak aan jou over. Je mag alles hebben. Je bent dan eigen baas en je kunt doen en laten wat je wilt. Lijkt je dat wat?”
Pandoeris moest toegeven, dat dat inderdaad niet gek zou zijn.
”Als je je eten niet meer lust, mag je het laten staan, hoor,” zei de vervoerdersvrouw goedig toen ze zag dat Pandoeris een beetje groene kleur op zijn gezicht begon te krijgen.
”Hier, neem een glaasje cognac. Dat is goed voor de spijsvertering.”
De vervoerder schonk scheutig een glas in.
”Vertrouwt u die vent dan wél?” vroeg Pandoeris en nam een slokje.
”Deze sleutel hier,” de vervoerder toonde hem een ouderwetse sleutel, ”past op een kistje met juwelen en goudstukken dat verborgen ligt in het Verloren Oord. Mijn klant heeft de andere sleutel die nodig is om het kistje open te maken. Hij weet het kistje te vinden maar kan er niet komen. Jij wel. Als jij dat bewuste kistje hier mee naar toe neemt, ben ik erbij als we de opbrengst delen. Er kan niets fout gaan.”
Pandoeris wou iets zeggen maar de cognac brandde in zijn keel en belette hem het spreken.
”Ja, daar ben je sprakeloos van, hè,” ging de vervoerder verder. ”Ik heb al tegen mijn klant gezegd dat het lukken gaat dit jaar.”
”Nou, erg vrolijk vond ik hem anders niet,” zei Pandoeris die zijn spraakvermogen teruggekregen had.
”Het is een verbitterd man. Een of andere heks heeft na een ruzie al zijn geld en juwelen weggetoverd en nu bezit hij bijna niets meer terwijl hij vroeger rijk en machtig was. Hij schaamt zich zó erg voor zijn armoede, dat hij zich op zo’n manier aankleedt dat niemand hem herkent.”
Pandoeris kreeg een beetje spijt van zijn toverkunstje, eerder op die dag.
Nou ja, dan had hij ook maar niet zo neerbuigend en onvriendelijk moeten doen.
Pandoeris begon zich letterlijk en figuurlijk steeds beroerder te voelen.
”Wanneer kun je gaan?” vroeg de vervoerder. ”Morgen?”
Die heeft haast, dacht Pandoeris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

”Dan moet hij eerst een nacht goed slapen zodat hij morgen lekker uitgerust is,” antwoordde de vervoerdersvrouw.
”Ja, doe dat maar want je ziet eruit als een dweil,” sprak de vervoerder.
Dat komt van die vieze sigaar en die afschuwelijke cognac van je, dacht Pandoeris.
”Je zult zien, als je morgen lekker uitgerust bent, dan heb je gewoon zín om te vertrekken.”
Pandoeris zei niets en strompelde naar zijn kamer.
Hij voelde zich zo akelig dat van lekker slapen ook niet veel kwam.
Maar zin om te gaan zou hij ook niet gekregen hebben na een goede nachtrust.