Archive for mei, 2011

Brontë Stam

Author: jeroenstamgast


Hoofdstuk 4

Author: jeroenstamgast

Een geheimzinnige figuur wordt ontmaskerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Drie weken waren al weer verstreken sinds Pandoeris begonnen was met werken.
Het was even wennen in het begin.
Vooral het vroege opstaan beviel hem niet zo best.
Maar na verloop van tijd begon hij zich er een stuk prettiger bij te voelen.
Hij ging goed gekleed, kreeg goed te eten en te drinken en hij deed goed zijn best.
De mensen in het dorp bij wie hij spullen afleverde of ophaalde, waren tevreden over hem en vonden dat de vervoerder een goede knecht had uitgekozen.
Pandoeris, die gewend was dat iedereen hem maar een flapdrol vond, genoot van het aanzien dat hij had gekregen.
Hij had zijn kamer gezellig ingericht, de vrouw van de vervoerder kon lekker koken en deed beslist niet onaardig tegen hem en de vervoerder zelf liet hem zijn eigen gang gaan, als hij maar zorgde dat het werk op tijd gedaan was.
En daar zorgde Pandoeris wel voor want hij wilde dat iedereen hem een flinke vent bleef vinden.
Toen hij wegging bij zijn tante Eleanora, had hij stiekem zijn schoolschriftje met toverformules meegenomen om tenminste nog iets te hebben, als hij zou mislukken als vervoerdersknecht.
Maar hij kreeg steeds meer het gevoel dat hij dat schriftje nooit meer zou hoeven gebruiken.
Hij was tevreden met het leven dat hij nu leidde.
Op een dag betrad een duistere figuur de zaak die nors naar de baas informeerde.
Toen Pandoeris vroeg of hij misschien kon helpen in plaats van de baas, werd hem toegesnauwd dat hij geen zaken deed met ondermaatse viskoppen.
Nu had Pandoeris geleerd dat je altijd beleefd tegen een klant moet blijven maar het kostte hem wel moeite deze keer.
Wat hij ook niet prettig vond was, dat de man zijn mantel zó om zich heen had geslagen dat je zijn gezicht niet meer kon zien.
De vervoerder nam de geheimzinnige man mee naar zijn kantoortje om daar voorlopig niet meer uit te komen.
Net toen Pandoeris klaar was met zijn werk en het er eens lekker van wou nemen, kwamen ze er weer uit.
De man had de mantel weer om zich heen geslagen en liep langs Pandoeris zonder hem een blik waardig te keuren.
Bij de deur stopte hij plotseling en draaide zich om.
”Kan die luie vlerk daar me niet even wegbrengen? Die zit toch maar uit zijn neus te eten.”
Pandoeris ontplofte bijna maar zijn baas zei alleen maar: ”Pandoeris, wil jij die meneer even wegbrengen?”
Nooit van mijn leven, dacht Pandoeris en zei: ”Ja baas.”
Hij haalde het paard en de wagen weer uit de stal maar pakte eerst nog even snel zijn toverschriftje van zijn kamertje.
Hij wist dat het onverstandig was wat hij wilde gaan doen maar hij kreeg de kriebels van deze onbehouwen lomperik.
Tijdens de rit werd er geen woord gewisseld.
De man gebaarde met zijn arm of hij naar links of naar rechts wilde en zo kwamen ze tenslotte aan de rand van een groot bos.
Daar sprak de man het eerste woord: ”Stop.”
Hij stapte van de wagen af en liep zonder om te kijken weg.
Pandoeris parkeerde paard en wagen snel onder een dikke eikeboom en bladerde in zijn toverschriftje.
Ik zal die verwaande kwast eens ontmaskeren, dacht Pandoeris grimmig.
Zonder haperen zegde hij een lange spreuk op waarmee je kledingstukken kon wegtoveren.
Hij was het nog niet verleerd.
Jammer alleen dat daar de eerste baksteen al weer uit de lucht kwam vallen.
De tweede en de derde volgden en de vierde trof doel.
De man bleef pijnlijk getroffen staan en draaide zich om.
”Heb jij die steen gegooid?”
”Steen?” vroeg Pandoeris onnozel.
”Ja, steen! Of wou je soms beweren dat deze bult van een eikeltje
kwam!”
Hij deed zijn mantel opzij zodat Pandoeris zijn gezicht kon zien, dat er
door de pas ontstane bult bepaald niet mooier op werd.
”Ik weet niet wie er gooit,” zei Pandoeris. ”Maar pas op! Daar komen
er nog een paar!”
Een aantal bakstenen ploften zwaar in het zand.
De man koos eieren voor zijn geld en zette het op een lopen.
Terwijl hij rende, waaide het ene na het andere kledingstuk van zijn lichaam tot hij, eenmaal bij het bos gekomen, alleen zijn ondergoed nog maar aan had.
Pandoeris lachte tevreden.
Misschien had hij toch nog een knappe tovenaar kunnen worden.
Ach, wat zat hij toch te zeuren.
Vervoerder wilde hij worden!
Toch borg hij zijn schriftje goed op.
Daar moest hij zuinig op zijn want dat kon hem nog wel eens van pas komen.
En méér dan Pandoeris lief was, zou al vrij snel blijken.

De waarde van het leven

Author: jeroenstamgast

Ik vat een fotoboek

En beblader de vergankelijkheid

Inmiddels overleden mensen

Lachen mij welwillend toe

Hun aanwezigheid is vastgelegd

Verloren in de tijd

Dit streven naar vereeuwiging

Lijkt mij een nutteloos gedoe

 

Ik weet niet

Wie die mensen zijn

Wat zij betekend hebben

Is mij onbekend

Voor iemand echter

Was hun waarde klein

Iets dierbaars immers

Gaat niet naar een lompenvent

 

En zo ligt dan het menselijk bestaan

Op de rommelmarkt te koop

De waarde van het leven

Wordt bepaald door wat men biedt

Ik doe een bod

En geeft de wereld dus weer hoop

Alhoewel

Veel geld betalen hoef ik niet.

 

april 1992

Hoofdstuk 3

Author: jeroenstamgast

Pandoeris neemt afscheid van het luie leventje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het gesprek met zijn tante was hem uiteindelijk nog wel meegevallen.
Om te beginnen waren de stenen al weggetoverd toen hij thuiskwam en Pandoeris speelde zijn rol van het zielige jongetje dat spijt heeft van zijn slechte daden, nog beter dan anders.
Het lukte hem bij het binnenkomen zowaar al een traan eruit te persen en daarna ging het jammeren vanzelf.
Toen tante zoals gewoonlijk toch weer medelijden met hem kreeg en hem zijn kwajongensstreken vergaf, zei Pandoeris dat hij iets heel belangrijks te vertellen had.
”Nou, dan ga ik er maar even voor zitten,” zei tante Eleanora.
”Want dat ben ik van jou niet zo gewend.”
Ze zette een kan met koffie op tafel en twee kopjes zonder oor.
Eén ervan schonk ze in en begon dat blazend en slurpend leeg te drinken.
”Het zit namelijk zo,” zei Pandoeris, ”dat ik ga werken.”
Tante Eleanora verslikte zich in de koffie, haar piekhaar sprong overeind en de wrat op haar neus begon spontaan licht te geven.
”Werken?” vroeg ze stomverbaasd en vergat haar mond dicht te doen.
”Ja,” zei Pandoeris een beetje verlegen. ”Bij een vervoerder. Ik moet dan pakjes en zo rondbrengen.”
Tante staarde wezenloos voor zich uit, pakte verstrooid de koffiekan en begon dáár uit te drinken.
”Er zit nog koffie in uw kopje hoor,” waarschuwde Pandoeris haar.
”O ja, dat moet eerst op.”
Eleanora goot de inhoud van het kopje in de kan en dronk dááruit verder.
Pandoeris was blij dat hij nog net op tijd een kopje voor hem zelf ingeschonken had.
”Je hebt het dus over werken, pakjes rondbrengen en zo. Je bedoelt dus dat je iets gaat dóen?”
”Ja,” zei Pandoeris aarzelend.
”Je neemt me toch niet kwalijk dat ik even een paar minuten nodig heb om dit te verwerken, hè?”
Ze pakte de koffiekan om nog eens in te schenken maar ontdekte dat die leeg was.
”Ik zou zweren dat ik nog koffie had,” sprak ze verbaasd. ”O, ik begrijp het al: verkeerde kopje.”
Ze nam het nog volle kopje van Pandoeris en begon dát leeg te slurpen.
”Weet je wat ik nou niet begrijp?” vroeg tante. ”Jarenlang zit ik je achter je vodden aan, dat je eens aan je school denkt, je toekomst. Jarenlang voer je geen klap uit. Als ik je ’s ochtends niet uit je bed zou sleuren, zou je daar de hele dag in blijven liggen. Eén keer sta je dan eens uit jezelf op en besluit je eens iets te gaan doen en dan kom je met zoiets!
Had liever je schoolboeken nog eens doorgelezen.”
”Die heb ik nu in ieder geval niet meer nodig,” zei Pandoeris en hij dacht even dat hij het toch wel jammer vond.
”Sterker nog: je bent ze kwijt! Je denkt toch niet dat je die mag houden als je weggaat. Ik zou nog maar eens goed nadenken over wat je van plan bent om te gaan doen.”
Het gesprek dat hier op volgde, verliep nogal moeizaam.
Tante Eleanora, die al die jaren gewend was om Pandoeris te dwingen iets te gaan dóen, kon de juiste toon niet vinden om hem ervan te overtuigen iets níet te gaan doen.
En Pandoeris, die op wat mislukte toverpogingen na, eigenlijk nooit iets ondernomen had, begon zich steeds meer af te vragen waar hij in vredesnaam mee bezig was.

Het wás dat tante Eleanora het gesprek vrij plotseling beëindigde met de mededeling dat ze hem niet meer wilde zien, anders had Pandoeris zich misschien nog bedacht.
Bij het afscheid nemen zei tante nog dat hij, als hij vóór het nieuwe schooljaar begon, terug zou komen, hij het nog eens mocht proberen.
En Pandoeris verzekerde haar dat hij, als dát het geval zou zijn, hij zeker goed zijn best zou doen op school.
”Ga nou maar,” zei tante. ”En je weet het: geen getover!”
”Ik weet het, tante. Bovendien: ik heb toch geen schoolboeken meer waarin ik toverspreuken kan opzoeken.”
”Dat is waar. Misschien ga je er nog wel eens naar terugverlangen.”
Pandoeris gaf haar een zoen op haar rimpelige wang en liep zonder om te kijken van het huisje weg.
Tot zijn verbazing voelde hij hoe zijn ogen vochtig werden.