Archive for april, 2011

Hoofdstuk 2

Author: jeroenstamgast

Een gesprek in Het Geslachte Varken maakt dat Pandoeris aan zijn toekomst moet denken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toen Pandoeris weer bijkwam, bevond hij zich in herberg Het Geslachte Varken.
Zijn lichaam trilde nog na van alle doorstane angsten en de inspanning van het rennen.
Hij sloeg zijn ogen op en dacht even dat hij de kop van het geslachte varken boven zich zag maar het bleek het hoofd van zijn redder te zijn, die zich over hem heen boog.
”Ben je daar weer?” vroeg deze.
Pandoeris kreunde. ”Wáár ben ik weer?”
”In herberg Het Geslachte Varken,” antwoordde de ander.

”Hoe lang ben ik hier al?”
”Een minuut of vijf. Ik heb je hier maar mee naar toegenomen. Ik kon je daar toch ook niet laten liggen. Je was helemaal van de kaart.
Maar nu even iets anders: door wie werd je nu eigenlijk achtervolgd? Daar ben ik nou toch wel nieuwsgierig naar.”
Pandoeris hing een onduidelijk verhaal over koeien op.
Over het toveren vertelde hij niets want hij wist dat de gewone mensen daar liever niet over horen.
Het gevolg hiervan was wél dat zijn redder en de herbergier, die er bij was komen staan, er geen touw aan vast konden knopen.
”Nou, je kunt merken dat meneer nog een beetje in de war is,” mompelde de herbergier.
”Hier, drinkt u maar eens wat. Dat zal u goed doen.”
Pandoeris pakte het door de herbergier aangeboden glas aan en dronk het in één teug leeg.
”Dat is dan twee en een halve florijn,” zei de herbergier en hield zijn hand op.
Pandoeris wilde geschrokken gaan uitleggen dat hij geen geld bij zich had maar zijn redder was hem vóór.
”Ik betaal wel, herbergier. Nog twee van hetzelfde graag.”
Dat beviel Pandoeris en even later waren ze in een gezellig gesprek gewikkeld.
De herbergier liet ze alleen en kwam zo af en toe even langs om een nieuwe bestelling op te nemen.
”Ja, zie je,” vertelde de man. ”Ik ben vervoerder van beroep. Ik vervoer alles wat los en vast zit. Nou, eigenlijk alleen wat los zit want iets dat
vast zit, vervoert niet zo lekker, hè. Maar goed, ik sta erom bekend dat ik alles vervoer, gevaarlijk of niet. Meestal vervoer ik gewoon de alledaagse dingen, hoor. Maar echt véél geld verdien ik met speciale klussen.
Ik zal je vertellen dat…”
De vervoerder stopte met zijn verhaal en keek naar Pandoeris die met een gelukzalige glimlach op het gezicht, wazig voor zich uitstaarde.
”Luister je wel? Of verveel ik je? Je kijkt zo afwezig.”
Pandoeris schrok op uit zijn dagdromerij .
”O nee hoor. Ik luister heus wel. U had het over gevaarlijke en speciale klussen waar u veel geld mee verdient.”
Waarom zou hij zich vervelen?
Hij zat hier lekker knus en veilig en de vervoerder betaalde.
Of hij nu zou vertellen over het vervoer van duizend bommen en granaten of over het vervoer van een doorgelopen kleurkanarie, het maakte hem niet uit.
Hij zat goed.
”Wil je nog iets drinken?” vroeg de vervoerder.
”Nou, ik lust eigenlijk wel een boterham met pindakaas,” antwoordde Pandoeris.
”Herbergier: één rondje pindakaas voor deze tafel!”
De herbergier bracht het bestelde en de vervoerder vervolgde.
”Afijn, ik heb dus van alles vervoerd. Maar weet je wat ik de laatste tijd zo zit te denken?”
Hij keek hem aan en Pandoeris begreep wat er van hem verwacht werd.
”Wat dan?” vroeg hij met volle mond.
”Dat ik zo langzamerhand een dagje ouder word en dat het misschien niet zo gek zou zijn om er een knechtje bij te hebben. En misschien ben jij wel degene die dat knechtje zou kunnen zijn.”
De laatste mededeling overviel Pandoeris nogal en hij liet per ongeluk een boer.
Hij had niet verwacht dat het gesprek deze kant op zou gaan en er ging van alles door hem heen.
Aan de ene kant leek het hem wel wat.
Als tovenaarsleerling was hij een volslagen mislukking en ook het zinloze leventje bij tante Eleanora begon hem danig te vervelen.
Bovendien, als je altijd als nietsnut wordt beschouwd, ga je je er ook steeds meer naar gedragen.
Het leek hem eigenlijk wel fijn om eindelijk eens iets nuttigs te doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar ja, een baantje bij ’een gewoon mens’ was voor iemand die gewend was om met heksen en tovenaars om te gaan, wel een hele grote stap.
Bovendien wist hij dat zijn familie dan niets meer met hem te maken wilde hebben.
Je hoort erbij of je hoort er niet bij.
”Je zou dan bij mij in mijn huis komen wonen,” ging de vervoerder verder. ”Ik heb een groot huis dus je krijgt je eigen kamer. Ik bied je een goed salaris zodat je geld genoeg hebt om van te leven en je kunt nog sparen óók.”
Pandoeris dacht aan de armoedige bedoening bij hem thuis en aan zijn familie die altijd maar zei dat hij nergens voor deugde.
Dit was natuurlijk een kans om te bewijzen dat hij wel degelijk iets waard was.
”Weet je waarom ik speciaal aan jou denk?” vroeg de vervoerder.
Het antwoord zou even op zich laten wachten want ze werden gestoord door een grote vent die het gesprek ruw onderbrak.
”Zijn die drie koeien daarbuiten van jou?” vroeg hij en keek Pandoeris woedend aan.
Pandoeris die net een hap van zijn boterham met pindakaas had willen nemen, schrok zó erg dat hij per ongeluk het bord in zijn mond stopte in plaats van het brood.
”D-dat zou kunnen,” stamelde hij en controleerde of het glazuur nog op zijn tanden zat.
”Zo, zou dat kunnen?” herhaalde de man onvriendelijk. ”En zou het soms ook kunnen dat je dan de schade aan mijn korenveld vergoedt dat ze platgelopen en kaalgevreten hebben?”
”Ik heb geen geld,” zei Pandoeris heel zachtjes en kromp in elkaar.
De man kwam dreigend op hem af en trok hem achter de tafel vandaan.
”Zie je deze vuist?” vroeg de vent en hield hem een hand zo groot als een kolenschop onder de neus.
Pandoeris knikte bevestigend.
”Daarmee ga ik je een pak rammel geven tot je wél kan betalen.”
Pandoeris keek wanhopig om zich heen.
Dat ellendige getover van hem, had hem voor de zoveelste maal in de problemen gebracht.
Meestal hielp tante Eleanora hem wel als hij zich weer eens in de nesten gewerkt had maar die was in geen velden of wegen te bekennen.
Hij keek naar de vervoerder.
”Je kunt bij mij in dienst komen,” sprak deze. ”Dan betaal ik wel.”
Pandoeris was het opeens allemaal zó zat, dat hij een besluit nam.
”Als u me nog steeds wilt hebben: graag.”
Hij wilde niets meer met tovenarij te maken hebben.
Een gewoon baantje leek hem plotseling het fijnste wat er op aarde bestond.
De vervoerder vergoedde de schade en de man verdween weer net zo snel als hij gekomen was.
”Ik vraag me af of u wel iets aan mij heeft,” zei Pandoeris. ”Ik sta bij ons thuis bekend als een nietsnut en een stuntelaar.”
”Dat zal wel meevallen,” zei de vervoerder. ”Bovendien is er nóg iets waarom ik jou als knecht wil hebben.”
Pandoeris keek hem vragend aan.
”Toen jij aan de kant van de weg buiten westen lag, zei je in je dromen dingen waaruit ik begreep dat jij een tovenaarsleerling bent en dat kan handig voor mij zijn.”
De vervoerder keek hem doordringend aan en Pandoeris begreep dat ontkennen weinig zin had.
”Maar ik ben al drie keer voor mijn tovenaarsexamen gezakt.”
”Dat geeft niet. Je hebt er altijd wel iets van opgestoken dat we misschien nog eens kunnen gebruiken. En nogmaals: meestal heb ik gewone zaken te vervoeren maar soms is er eens iets bijzonders en dan kan het handig zijn om iemand in dienst te hebben die méér kan en weet dan een gewone sterveling. En een knechtje heb ik tóch nodig want het werken valt me zwaarder de laatste tijd. Laten we afspreken dat we het gewoon eens een paar maanden proberen. Bevalt het je niet dan ga je terug naar je familie en beval jij mij niet dan stúúr ik je terug.
”Wat heb je te verliezen?” vroeg de vervoerder triomfantelijk.
Niet veel, dacht Pandoeris. Maar hij zag nu al vreselijk op tegen het gesprek dat hij eerst met zijn tante Eleanora Heks zou moeten hebben.

Vrije Val

Author: jeroenstamgast

Helemaal beneden ligt zij

Zielstevreden dood

Haar echtgenoot

Was haar al eerder voorgegaan

Zij leefde verder tegen wil en dank

Een bittere hap genadebrood

Haar eigen ik was gehalveerd

En daar is geen verwerken aan

Zij vond geen steun

Bij vroom geloof of nageslacht

Wat haar het liefste was

Bleef daarmee overleden

Een rijmpje uit haar jeugd

Bracht uitkomst in de nacht

Als je van de trap afvalt

Ben je gauw beneden

 

december 1991

Hoofdstuk 1

Author: jeroenstamgast

Waarin we kennis maken met de hoofdpersoon van dit verhaal die onverwacht bezoek krijgt van drie zware dames.


De nachtelijke storm joeg gierend door het bos en denderde tegen het gammele huisje van Eleanora de heks.
Alles wat niet helemaal vast zat aan het huisje, en dat was nogal wat, rammelde en klapperde in de wind of liet helemáál los.
Pandoeris de tovenaarsleerling, die ook in het huisje woonde, draaide zich nog eens om in zijn bed, met als gevolg dat de dekens van hem afgleden.

Hij voelde hoe een windvlaag zijn haren deed wapperen en hoe de kou bezit nam van zijn lichaam.
De storm is nog niet gaan liggen, dacht hij en trok de dekens weer goed over zich heen.
Hij draaide zich op zijn rug en bekeek het plafond waar beslist méér gaten inzaten dan hij de laatste weken gewend was om te zien.
Zeker weer een paar dakpannen weggewaaid vannacht, dacht hij.
Daar mag tante wel eens wat aan gaan doen.
Als het eventueel gaat regenen, ben ik mooi de klos.
Trouwens, wat tocht het hier. O, ik zie het al: het raam staat open.
Hij stapte snel uit bed om het dicht te doen maar zag toen dat er helemaal geen raam meer wás.
Zeker weggewaaid, dacht Pandoeris.
Vlug kroop hij weer onder de dekens maar hij kon de slaap niet meer vatten.
Hoewel het voor zijn gevoel eigenlijk nog te vroeg was om op te staan, besloot hij dit toch maar te doen.
Zuchtend trok hij zijn armoedige kleren aan en stommelde de vervaarlijk krakende trap af.
Eenmaal beneden gekomen, liep hij regelrecht naar de provisiekast die er jaren geleden ook al beroerd moest hebben uitgezien.
Een glas melk zal me goed doen, dacht hij.
Hij schoof een stoel opzij, opende de klemmende deur en keek in de kast.
”Nee hè! De melk is toch niet op, hoop ik.”
Pandoeris stak zijn hoofd nog wat verder naar binnen maar kon toch écht geen melk vinden.
”Hè, wat vervelend nou,” mopperde Pandoeris. ”Tante weet toch dat ik… Hé, waar is ze eigenlijk?”
Hij keek verbaasd om zich heen maar zag haar nergens.
Het gebeurde niet vaak dat tante Eleanora al weg was als hij beneden kwam.
Hij dacht nog eens na.
Boven was ze niet, anders had hij haar daarnet wel horen snurken en beneden in deze kleine ruimte kon je haar onmogelijk over het hoofd zien.
Dan moet ik mezelf maar zien te redden, dacht Pandoeris en vroeg zich af hoe hij aan melk kon komen zonder zich al te veel te hoeven inspannen.
Hij opende de buitendeur en zag dat de storm begon af te nemen.
Het waaide nog wel maar de kracht was er vanaf.
Hij trok zijn jas aan en ging buiten op het bankje zitten.
De zon kwam zelfs al een beetje door en het zag er naar uit dat het nog wel eens een mooie dag kon gaan worden.
Een paar zonnestralen gleden over het gezicht van Pandoeris en misschien kwam het daardoor wel dat er een ondeugend plannetje in hem opkwam om aan melk te komen.
Breed grijnzend stapte hij het huisje weer binnen en stevende recht op Eleanora’s boekenplank af.
”Ik mag dan wel drie keer voor mijn tovenaarsexamen gezakt zijn,” mompelde Pandoeris. ”Maar ik heb toch wel de nodige ervaring, zou ik zo zeggen.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorzichtig pakte hij Het Grote Toverboek van Eleanora van de plank, legde dit op tafel en begon erin te bladeren.
Af en toe keek hij schichtig om zich heen want het was ten strengste verboden om zomaar in je eentje te toveren, als je nog niet geslaagd was voor je examen.
”Dan hadden ze ook maar niet zo stom moeten zijn om me drie keer achter elkaar te laten zakken,” gromde Pandoeris en bladerde verder. ”Ha, hier staat het.”
Hij boog zich over het boek en prevelde de toverspreuk een paar maal zachtjes voor zich uit om te oefenen.
Toen hij dacht dat hij deze wel zonder al te veel problemen op zou kunnen zeggen, pakte hij het toverboek en kroop onder de tafel.
Dit is misschien wel een vreemde plaats maar om de een of andere onverklaarbare reden kwamen er altijd bakstenen uit de lucht vallen als hij aan het toveren sloeg.
Hij vermoedde dan ook wel dat dit één van de oorzaken was dat hij telkens voor het examen zakte.
Het leek hem in elk geval maar beter om het zekere voor het onzekere te nemen en deze schuilplaats te kiezen.
Je wist tenslotte nooit wat je boven het hoofd hing.

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris schraapte zijn keel, haalde diep adem en begon onzeker aan de ingewikkelde toverspreuk. BANG! De eerste baksteen kletterde al op de vloer.
Pandoeris stotterde even maar hakkelde dapper verder.
Hij was nu halverwege en moest zelfs zijn stem verheffen om nog boven het lawaai van de naar beneden kletterende bakstenen uit te komen.
Eindelijk was hij schreeuwend bij het laatste toverwoord beland.
Enigszins beduusd sloeg hij het toverboek dicht en nam zich voor om nooit meer stiekem te toveren.
BANG! Een laatste baksteen viel naar beneden en kwam zó hard op de tafel terecht dat hij er een gat in beukte en er halverwege in bleef steken.
Pandoeris keek geschrokken naar het steenrode gevaarte en vroeg zich af of het misschien niet beter was om maar helemáál met toveren te stoppen.
Nadat het een tijdje stil was gebleven, schoof hij enige stenen opzij zodat hij onder de tafel vandaan kon komen.
Op handen en voeten kroop hij over de stenen naar de boekenplank en zette het toverboek op zijn plaats terug.
Zuchtend ging hij op een bergje stenen zitten en keek zorgelijk om zich heen.
Het huisje van Eleanora had inmiddels meer weg van een steenbakkerij na een aardbeving dan van een woonhuis en Pandoeris besefte dat hij die stenen nooit op tijd weg zou kunnen krijgen.
Als zijn tante straks weer thuis zou komen, zou er wat voor hem zwaaien.
Plotseling hoorde hij geluiden bij de voordeur.
O nee! Daar zal je haar al hebben, dacht Pandoeris geschrokken.
”Ik kom eraan, tante!” riep hij en worstelde zich over de stenen naar de deur.
Zenuwachtig verschoof hij er een paar zodat de deur open kon, terwijl hij zich afvroeg waar dat geloei vandaan kwam dat hij meende te horen.
Zou tante visite meegenomen hebben, dacht Pandoeris.
Nou, dat komt dan lekker uit! Angstig opende hij de deur.
Als aan de grond genageld bleef hij staan!
Tot zijn stomme verbazing stond hij oog in oog met een levensgrote koe die luid in zijn gezicht begon te loeien.
Het duurde even maar toen begon er iets bij Pandoeris te dagen.
”Nee maar! Daar heb je mijn melk!” juichte hij. ”Dan is het me tóch gelukt!”
De vreugde was echter van korte duur.
De koe duwde hem achteloos opzij en klom over de stenen het huisje binnen, gevolgd door twee vriendinnen.
”Hé! Jullie mogen er niet in!” sputterde Pandoeris nog tegen maar het maakte niet de minste indruk.

De voorste koe was al aan de kruidenvoorraad van Eleanora begonnen.
Pandoeris struikelde naar voren en probeerde het dier weg te duwen.
Ze keek hem niet begrijpend aan, likte hem vriendelijk over zijn voorhoofd en loerde vervolgens verlekkerd naar zijn stroblonde haar.
Pandoeris zag het gevaar op tijd en deinsde achteruit.
De koe was nu zeker van mening dat niets ter wereld smakelijker was dan het haar van Pandoeris en volgde hem likkebaardend.
De beide andere koeien waren blijkbaar tot dezelfde conclusie gekomen en kwamen nu ook op hem af.
Pandoeris maakte dat hij wegkwam en wist struikelend over de stenen de deur te bereiken, die nog steeds openstond.
Met een klap sloeg hij deze achter zich dicht zodat de koeien binnengesloten waren en hij veilig buiten was.

Hij wilde net gaan uitblazen, toen hij tot zijn ontsteltenis zag hoe de koeien met deur en al naar buitenkwamen.
Pandoeris zag de hongerige blik in drie paar ogen en begon te rennen zoals hij nog nooit gerend had.
De drie zagen hun lekkere hapje er vandoor gaan en zetten loeiend de achtervolging in.

”Help! Help!” gilde Pandoeris zo hard hij kon over het eenzame bospad, in de hoop dat iemand hem zou horen en te hulp zou komen.
Hij durfde niet achterom te kijken en rende voort als in een akelige droom.
Het loeien van de koeien hoorde hij al vrij snel niet meer maar wél nog steeds de geluiden van een achtervolging.
”Kan ik je ergens mee helpen?” klonk plotseling een zware stem achter hem.
Eindelijk, dacht Pandoeris. Eindelijk iemand die mijn hulpgeroep gehoord heeft.
”Ik word achtervolgd!” schreeuwde hij en rende voort, bang als hij was om door de koeien vertrapt te worden.
Het duurde even vóór er antwoord kwam.
”Wat zeg je?” werd er toen gevraagd.
”Ik zeg,” schreeuwde Pandoeris, ”dat ik achtervolgd word!”
Het antwoord liet weer even op zich wachten terwijl Pandoeris als een blind paard verder rende.
”Weet je dat zeker?” klonk de stem aarzelend.
”Ja, natuurlijk weet ik dat zeker!” gilde Pandoeris en vroeg zich af waarom nu uitgerekend zo’n sufferd hem te hulp moest komen.
”Maar je bent toch niet bang voor me?” vroeg de stem verontschuldigend.
”Nee, voor ú niet!” brulde Pandoeris terwijl zijn krachten zienderogen afnamen.
Hij had nog wat willen zeggen maar daarvoor ontbrak hem de adem.
”Maar voor wie dan?” vroeg een dikke man die nu met zijn paard en wagen naast hem kwam rijden.
”Ik rijd al een tijdje achter je omdat de weg te smal was om náást je te komen maar behalve mijzelf en mijn paard, is er niemand in de wijde omtrek te bekennen.”
Pandoeris probeerde al rennende na te denken en juist toen hij struikelde en met een sierlijk boogje in een bosje brandnetels belandde, had hij het raadsel opgelost.
Het geluid dat hij al die tijd achter zich gehoord had, was het geluid van zijn ’redder’ met zijn paard en wagen geweest.
Met zijn laatste krachten wist hij nog uit de brandnetels te kruipen en daarna bleef hij zwaar ademend langs de kant van het pad liggen.

De Verwachting

Author: jeroenstamgast

Met grote ogen troon je in de kinderstoel
Jij ouders’ kostbaar goed

Vader moeder alles draait om jou
Als vliegen om de stront
In veilige geborgenheid van thuis
Kijk jij nieuwsgierig in het rond
Buiten scheurt een auto
Door de kale nieuwbouwwijk
Rauwe jongensstemmen maken ruzie
Om een pas gevonden poezenlijk

Je spitst de oren luistert lacht
Tragisch toch dat je nog zoveel leren moet.

juli 1991