Archive for the ‘Avonturiers van de koude grond’ Category

hoofdstuk 9

Author: jeroenstamgast

Het is al weer enige weken later als Johan, Barend en Maaike in de stamkroeg van Barend zitten om de goede afloop te vieren.
“Ik moet zeggen Johan, dat je een leuk restaurantje uitgezocht hebt,” zei Barend tevreden.
“Ik heb heerlijk gegeten.”
“En veel!” vulde Maaike aan. “Die arme obers konden het gewoon allemaal niet aanslepen wat jij allemaal bestelde.”
“Nou ja, dan hebben ze in ieder geval eer van hun werk gehad,” beëindigde Johan de discussie die dreigde te ontstaan.
“En ik had nog wat in te halen,” vervolgde Barend. “Zo geweldig was dat eten bij de Luxemburgse politie nou ook niet.”
“Maar waarom hielden ze jullie dan zo lang vast?” vroeg Maaike.
“Ze vertrouwden ons niet zo erg,” vertelde Johan. “Ze hadden dan wel dat anonieme telefoontje van Wilhelm gehad zodat ze ons tegemoet reden maar verder waren we net zo verdacht als de rest. Tenslotte hadden we gewoon ingebroken en waren we in het bezit van een pistool. Pas toen we ze ervan overtuigd hadden dat het ons om de beloning en het avontuur te doen was geweest, werden ze wat vriendelijker.”
“Maar zelfs toen vond ik ze nog knap vervelend,” bromde Barend.
“Nou ja, je was zelf ook niet erg vriendelijk. En die brief van Wilhelm die ze wilden zien, was spoorloos verdwenen. Dat was natuurlijk ook vreemd. En toen de politie ging zoeken op de plek waar we ze ontmoetten omdat je daarvóór de brief nog had, heb je nauwelijks meegewerkt.”
“Omdat ik alles onzin vond,” mopperde Barend.
“Maar waarom wilde je na onze vrijlating persé nog eens kijken daar?”
“Gewoon, omdat ik aan mezelf begon te twijfelen. Een soort nieuwsgierigheid zou je kunnen zeggen.”
“En, heb je die brief nog gevonden?” vroeg Maaike.
“Nee,” antwoordde Barend. “En dat is vreemd want toen deed ik wél mijn best om hem te vinden.”
“Dat kun je wel zeggen,” zei Johan. “Je was er niet vandaan te slaan. Bovendien zocht je ook nog op een andere plek.”
Barend nam een slok van zijn bier.
“En een dorst dat je krijgt van al die verhoren! Ik heb het hele verhaal geloof ik wel honderd keer verteld. En de politie alles maar natrekken.”
“Ja, ze hebben mij ook gebeld over die aanrijding die ik had met die begrafenisauto,” zei Maaike. En ik weet dat ze Johans werk hebben gebeld en misschien nog wel andere mensen.”
“Tja,” zei Johan. “En dan te bedenken dat de beloning die we krijgen ook nog tegenvalt.”
“Maar daar heb ik iets op gevonden,” zei Barend. “Het enige wat ik wil hebben van die beloning, is mijn salaris dat ik nog tegoed had. De rest is voor jou.”
“Dat wil ik niet, hoor. We delen alles eerlijk,” protesteerde Johan.
“Geen sprake van! Zonder jou had ik niets gehad. Bovendien zal ik nooit vergeten hoe je echt je leven voor mij gewaagd hebt om me te bevrijden. Ik ga nog even een drankje halen om de goede afloop te vieren.”
Barend stond resoluut op en verdween naar de tap.
“Een rare vent, die oom van je,” vond Maaike. “Aan de ene kant is hij lomp en onbehouwen maar aan de andere kant toch ook wel gevoelig, geloof ik.”
“Toch heb ik het gevoel dat hij iets achterhoudt,” peinsde Johan. “En dat heeft volgens mij te maken met die brief van Wilhelm. Ik maak me namelijk sterk dat hij die brief, toen we later nog eens gingen zoeken, wel degelijk gevonden heeft. En als ik echt kwaad wil denken, vermoed ik dat hij in die verwarrende momenten van onze ontmoeting met de politie, tijd heeft gevonden om die brief te verstoppen. En dat heeft op de een of andere manier dan weer te maken met het feit dat hij die beloning niet wil hebben.”
“Denk je dan dat er iets méér was dan die brief alleen?” vroeg Maaike.
“Ja,” zei Johan. “Maar ik heb besloten om er niet verder op in te gaan. Soms is het beter om iets maar niet te weten.”
“Dat ben ik van jou niet gewend,” lachte Maaike. “Je bent wel erg op hem gesteld, hè?”
“Ja, maar op jou nog veel meer,” zei Johan en gaf haar een dikke zoen.
Barend zat ondertussen, met zijn broek nog aan, op de rand van de wc.
“Even een ogenblik voor mezelf,” mompelde hij en ontvouwde een prop papier waar nog iets in zat ook.
Rare vent, die Wilhelm, dacht hij. Neem nou zo’n brief met inhoud. Dat had hij niet hoeven doen.
Hij las het p.s. nog eens: ‘voor alle zekerheid doe ik twee diamanten bij de brief. Jullie zien maar wat je ermee doet.’
Barend stopte de diamanten in zijn broekzak, verscheurde de brief tot kleine snippertjes, gooide deze in de wcpot en trok vervolgens door.
Soms moet je iemand tegen zichzelf beschermen, dacht hij. Johan is zo irritant eerlijk dat hij die diamanten beslist niet zou willen hebben. Maar hij is niet vies van geld. Nou heeft hij in ieder geval nog een flinke beloning doordat hij verder niet met mij hoeft te delen. Trouwens, volgens mij vermoedt hij iets, al praat hij er niet over. En wie zwijgt stemt toe, tenslotte. Je moet alles niet moeilijker maken dan dat het al is.
Barend bestelde de drankjes en wandelde terug naar de tafel waar Johan en Maaike in een gezellig gesprek verwikkeld waren.
“Als ik even storen mag,” begon Barend. “Dan wil ik graag een toast uitbrengen op de goede afloop en op jullie twee natuurlijk.”
Johan hief het glas en zei plechtig, terwijl hij Barend doordringend aankeek: “En ik toast op het gezegde ‘eerlijk duurt het langst’”
Er viel een stilte waarbij Johan en Barend elkaar aankeken en die pijnlijk geworden zou zijn als Maaike niet had ingegrepen.
“En ik toast gewoon op de vriendschap.”
Hierin kon iedereen zich vinden.                                                                                               De glazen werden hartelijk geklonken en dit was de voorbode van een gezelligheid die tot in de kleine uurtjes zou duren.

 

hoofdstuk 8

Author: jeroenstamgast

 
Erg snel ging het niet, ondanks Barends hartstochtelijke aanmoedigingen.
De paarden hadden toch al niet zo’n zin in een ritje en het feit dat er een vreemde koetsier op de bok zat, deed hun enthousiasme ook niet bepaald toenemen.
Johan begreep dat er iets moest gebeuren.
“Bij de volgende bocht springen we eraf!” riep hij tegen Barend.
“Springen?” vroeg deze verbaasd.
“Ja, dan lopen die paarden vanzelf door en dan denken onze achtervolgers dat we er nog opzitten.”
“Jij hebt teveel naar goedkope cowboyfilms gekeken. Stoppen kan ook,” besloot Barend en voegde de daad bij het woord.
“En hoe krijg je die paarden dan weer aan het rennen?” vroeg Johan.
“Zo!” riep Barend en knalde met de zweep.
De geschrokken dieren zetten het met een lege koets op een lopen en verdwenen snel uit het gezicht, evenals Johan en
Barend die zich een weg door het struikgewas baanden.
Barend deed zijn uiterste best om Johan bij te houden maar het lukte hem met de beste wil van de wereld niet.
Johan was van naturen al veel sneller maar de krachtsinspanning in de kerker maakte dat Barend eigenlijk gewoon uitgeput was.
Johan hield zich af en toe even in en gebruikte de tijd om zich te oriënteren.
Ze waren niet ver meer van de grot waar hij en Wilhelm gescholen hadden.
Daar konden ze heel even rusten.
“Mooie bondgenoot, die Wilhelm du Coq!” mopperde Barend even later in de grot. “We hadden nooit met die dweil in zee moeten gaan. Zal je zien dat hij hem ook nog met onze auto gesmeerd is. Nou, dan kunnen we het helemaal wel schudden!”
Het laatste restje energie leek nu uit zijn lichaam weg te glijden en hij strekte zich languit op de grond en sloot zijn ogen.
“Wat ga jij doen?” vroeg Johan geïrriteerd.
“Ik wacht hier op de bus. Nou goed?”
Barend voelde een machteloze woede in zich opkomen.
“Als ik niet naar jou en die judasvriend van je geluisterd had, zat ik niet hier maar lekker thuis of in mijn stamkroeg. En het is maar de vraag of ik daar ooit nog kom.”
“Als je hier op de bus blijft wachten, zeker niet,” spotte Johan. “Kom op. We moeten verder.”
Hij wees naar het smalle bospaadje dat door de opkomende zon prachtig in het licht werd gezet.
Barend zei niets, kwam kreunend en steunend overeind en volgde strompelend Johan.
Even later kwamen ze bij het touw dat er nog steeds hing.
“Dat touw had die galbak zeker niet nodig. Anders had hij dat ook nog wel gejat.”
“We weten helemaal niet zeker of hij de auto meegenomen heeft, als je dat soms bedoelt.” zei Johan toen ze via het touw naar beneden waren gegaan en het paadje volgden.
De tocht werd zwijgend voortgezet tot ze bij de plek kwamen, waar Johans auto inderdaad nog stond.
“En wat zien we daar?” vroeg Johan triomfantelijk.
“De bus,” gromde Barend en wurmde zich opgelucht in de kleine sportwagen.
Johan zette zich naast Barend en keek met een warme blik in de ogen naar het dashboard.
“Ga je die auto een zoen geven of ga je hem op zijn staart trappen? We zijn bezig met een ontsnapping, weet je nog wel?”
Johan zei niets maar startte de motor en manoeuvreerde de auto naar de weg.
Er werd niet veel gezegd tijdens de rit die volgde.
Johan hield er flink de vaart in en beiden waren in gedachten verzonken.
Plotseling schrokken ze op uit hun overpeinzingen.
Vanaf hun positie boven aan een heuvel zagen ze beneden uit het dal twee tegenliggers aankomen.
“We zijn erbij,” kreunde Barend.
“Hoezo? We weten niet eens of het die schurken zijn,” opperde Johan.
“Dan doet die ene zeker gewoon heel lang over het inhalen,” bromde Barend en wees naar de twee auto’s die naast elkaar waren gaan rijden, zodat ze de gehele breedte van de weg opvulden.
Even wist Johan niet wat hij moest doen en minderde vaart.
Paniek dreigde maar in plaats daarvan kwam er een vastberaden trek op zijn gezicht.
Hij ging midden op de weg rijden en gaf vol gas.
“Je gaat recht op die auto’s af, idioot!” brulde Barend en hij keek of hij zijn ogen niet geloofde.
“Precies! En dat verwachten ze niet. Nou is het de bedoeling dat ze schrikken en opzij gaan.”
“En weten zij ook dat dat de bedoeling is?”
“Wij hebben niets te verliezen. Zij wél.”
De oude MG vloog in volle vaart naar beneden.
Nog vijfhonderd meter te gaan en de tegenliggers reden nog steeds naast elkaar.
Nog vierhonderd meter.
De tegenliggers minderden vaart maar reden nog wel naast elkaar.
Nog driehonderd meter.
Johan reed inmiddels plankgas, wist dat hij hoog spel speelde maar ook dat hij niet meer terug kon.
Nog tweehonderd meter.
Weken de auto’s uit elkaar?
Nog…
Johan had gewonnen!
Op het allerlaatste ogenblik weken de auto’s uit elkaar en kon Johan zijn auto door de zo ontstane opening sturen.
“Zie je wel!” zei Johan terwijl zijn hart in zijn keel bonkte.
“Ik heb niets gezien. Ik had mijn ogen dicht,” stamelde Barend.
Maar de race was nog niet gereden.
De net gepasseerde auto’s keerden om en zetten de achtervolging in.
Johan haalde alles uit zijn auto wat erin zat maar besefte dat de achtervolgers grotere en snellere wagens hadden.
Johan keek in zijn achteruitkijkspiegeltje en zag dat ze langzaam maar zeker terrein verloren.
Door een aantal bochten in de weg, die Johan met grote stuurmanskunst zonder brokken wist te nemen liepen ze even uit op de achtervolgers maar daarna volgde weer een recht gedeelte.
De weg werd smaller en tot overmaat van ramp doemde er een vrachtwagen voor hen op, die bijna de hele breedte van de weg in beslag nam.
Johan drukte langdurig op de claxon waardoor de vrachtwagen zoveel mogelijk rechts op de weg ging rijden.
Hoewel er nauwelijks genoeg ruimte was, wist Johan toch de kleine sportwagen er langs te wurmen.
Bladeren van struiken langs de weg vlogen in het rond maar ze hadden het gered!
De achtervolgende auto’s waren te breed, de weg bleef smal dus van inhalen was voorlopig geen sprake meer.  
Barend liet zijn gevoelens nu de vrije loop.
“Je bent een kanjer!” riep hij tegen Johan, die spontaan in een soort lachen uitbarstte.
Ze haalden daarna opgelucht adem maar bleven op hun hoede.
Nu pas zag Barend het stuk papier dat op de bodem van de auto lag.
Hij raapte het op en bekeek het.
“Nee maar, hoe is het mogelijk! Post van Wilhelm. Moet je horen wat die slijmjurk schrijft.”
Barend begon voor te lezen maar kon het niet laten de brief hier en daar van commentaar te voorzien.
“Beste Johan en Barend, (effe kotsen hoor) Als jullie dit lezen, betekent het dat jullie nog in leven zijn. Ik ben daar oprecht blij om. (dat zal wel)  Op het moment dat ik deze brief schrijf kan ik me echter bijna niet voorstellen dat het jullie nog zal lukken te ontsnappen. (en hij had zo’n goed plan) Daarom ga ik er vandoor met de juwelen die ik in bewaring heb gekregen van Johan. ( oh, dat was een slimme zet van je, Johan) Daarmee kan ik proberen, ver weg van hier, een nieuw bestaan op te bouwen. (blijf inderdaad maar ver uit mijn buurt) Ik laat de auto hier, zodat jullie, als je hier ooit nog komt, in ieder geval verder kunt vluchten. (fideel van hem) Ook zal ik zo snel mogelijk de politie waarschuwen zodat jullie van die kant nog hulp kunnen verwachten. (heel aardig hoor) Bedankt voor jullie hulp. Mocht ik ooit te weten komen dat jullie mijn hulp nodig hebben, dan kunnen jullie op me rekenen. (bouw op Wilhelm, dan bouw je op drijfzand) p.s. Voor alle…”
Johan onderbrak Barend.
“Daar! Politieauto’s! We hebben het gered! Ik ben nog nooit zo blij geweest politie tegen te komen.”
Johan zette de MG aan de kant en wist met armzwaaien de politie tot stoppen te bewegen.
Met blije gezichten lieten ze zich inrekenen om naar een politiecel vervoerd te worden.

hoofdstuk 7

Author: jeroenstamgast

 

 

Er was iets geknapt bij Johan.
Geen leuke fantasieën meer over een spannend avontuur.
De jongensdroom was voorbij en vervangen door een nachtmerrie.
Gedaan was het met het kinderlijke gedoe.
Dit was de keiharde realiteit maar Johan paste zich aan.
Gedaan was het ook met de angst om iemand te verwonden of wat de politie er wel van zou denken.
Een ding was nu nog maar belangrijk.
Barend bevrijden en het er samen levend afbrengen.
Wat er daarna gebeuren zou, was op dit moment niet van belang..
Dat zou hij dan wel weer zien.
De boosheid over zijn naïviteit zette hij om in een verbetenheid om tot het uiterste te gaan.
Hij was nu vast besloten om te vechten voor wat hij waard was en geen middel onbeproefd te laten om zijn doel te bereiken.
Vanuit de struiken bekeek hij het veld dat hij over moest steken.
Het lag er stil en verlaten bij.
Buiten de muur van het Arendsnest leek het drukker.
Vaag hoorde hij achter zich stemmen en het blaffen van een hond.
Ze waren inderdaad in de omgeving naar hem op zoek.
Dat was gunstig want dan was er minder tegenstand binnen het Arendsnest te verwachten.
In gebogen houding rende hij het grasveld over naar de keuken waar de kok nog steeds vastgebonden op de grond lag.
Ook dat was gunstig want dat betekende dat ze overhaast de achtervolging ingezet hadden, zonder eerst de zaken goed op een rijtje te zetten.
En nu eerst maar eens die kok onder handen genomen, dacht Johan.
Hij haalde de prop uit diens mond en keek hem doordringend aan.
“Jij gaat me twee dingen vertellen. Eén: waar sluiten jullie altijd de gevangenen op en twee: waar is de sleutel van die ruimte?”
De kok keek hem aan maar zei niets.
“Ik vroeg je wat,” zei Johan en hield het pistool dreigend op zijn voorhoofd gericht.            
“Als je schiet, verraad je jezelf,” zei de kok en Johan meende zelfs iets van triomf in zijn ogen te zien.
Dit kost tijd, dacht Johan en die heb ik niet.
Hij pakte een oor van de kok stevig beet en begon er langzaam aan te draaien.
De kok wou gaan schreeuwen maar Johan gaf hem een zachte tik met het pistool op de neus.
“Als jij gaat brullen, verraad je me ook. Nogmaals: waar sluiten jullie de gevangenen op en waar is de sleutel?”
“Ik weet het niet,” jammerde de kok zachtjes.
“Je weet het wél,” zei Johan en draaide het oor nog een stukje verder om.
Hij moet nu wel snel wat gaan zeggen, bedacht Johan zich. Want anders draai ik dat ding er nog af.
“Aan het einde van de gang,” kreunde de kok plotseling.
“Welke gang?”
“Als je de keuken uitkomt, gewoon doorlopen en dan de trap af.”
“En waar is de sleutel?”
Johan deed net of hij aanstalten maakte om het oor definitief van het hoofd te scheiden.
“Boven het aanrecht,” zei de kok snel.
Johan keek en zag inderdaad een verzameling sleutels, keurig netjes naast elkaar gerangschikt.
Hij knikte er met zijn hoofd naar en vervolgens naar het gehavende oor.
“Welke?”
“Weet ik niet van deze afstand. Het is een grote met een ‘C’ erop.”
Johan had de bewuste sleutel snel gevonden en hield die voor de mond van de kok.
“Je weet het zeker? Als het hem namelijk niet is, kom ik terug en duw hem door je strot.”
“Het is hem echt.”
“Mooi, dan heb ik hier iets anders voor je om op te kauwen.”
Johan duwde hem de prop opnieuw in de mond en schoof de kok weer uit het gezicht.
Aan het einde van de gang bevond zich inderdaad de trap, die Johan met het pistool in de aanslag, voorzichtig afging.
Door ervaring wijs geworden, wachtte hij even voor hij naar de kerkerdeur ging.
En dat was maar goed ook want van de andere kant hoorde hij het geluid van stemmen.
“Laat je nog wel wat van hem heel?” klonk de ene stem.
“Als hij praat wel. Anders niet. En ik kan je vertellen dat ik hoop dat hij niet praat,” antwoordde de andere stem.
Johan keek toe vanuit een nis en herkende Bril en Grote.
Hij besloot af te wachten tot ze in de kerker waren en dan toe te slaan.
Ze openden de zware deur en gingen naar binnen.
Johan telde tot drie om dan naar voren te springen maar kwam niet verder dan twee.
Tot zijn stomme verbazing zag hij, na het horen van een doffe klap, eerst een bril en daarna de eigenaar ervan naar buiten vliegen.
Uit de kerker klonk nu een geluid dat nog het meeste weg had van vechtende roofdieren.
Een ogenblik later zag hij Barend naar buiten kruipen, gevolgd door Grote, die nog gewoon op zijn benen stond.
“Zo zie ik je graag,” spotte Grote. “Kruipend voor mij door het stof.”
“En ik zie jou graag met je armen omhoog en je gezicht tegen de muur. !” riep Johan en sprong tevoorschijn met het pistool in de aanslag. “En nu snel! Ik tel tot drie en schiet bij  twee! Een…”
Grote nam geen risico en deed wat Johan van hem verlangde.
Barend kwam overeind en wilde Grote te lijf gaan.
“Stop!” riep Johan. “Dat heeft geen enkele zin. Pak liever die sleutelbos die daar op de grond ligt en bevrijd jezelf van die kettingen met die steen eraan.”
Barend kwam tot bedaren.
“Sorry. Je hebt gelijk.”
Hij pakte de sleutelbos en begon de juiste sleutel te zoeken.
Onderwijl keek hij even naar Johan.
“Fantastisch trouwens dat je me te hulp bent gekomen.”
“Dat spreekt vanzelf,” zei Johan alleen maar en gaf met zijn pistool aan dat Grote de kerker in moest gaan.
“En neem die voddenbaal ook mee,” zei Johan en wees op Bril, die nog steeds buiten westen op de grond lag.
Barend, die zich inmiddels van de steen ontdaan had, sloot de deur van de kerker achter hen en deed die op slot.
“Laten we maken dat we weg komen,” zei Johan.
“Dacht je dat ik nog wat wou blijven dan?” vroeg Barend narrig.
Johan reageerde niet en luisterde bezorgd naar geluiden die uit de richting van de keuken kwamen.
“Volgens mij hebben ze die kok gevonden en die zal ze natuurlijk meteen hierheen sturen.”
“Gauw de andere kant op, naar boven,” zei Barend. “Ik weet ongeveer de weg want zo hebben ze me ook hierheen gebracht.”
Zo snel ze konden renden ze de trap op en Johan zag bezorgd hoe moeizaam dat bij Barend ging.
Boven aan de tweede trap struikelde Barend en bleef liggen.
“Kom op nou,” zei Johan ongeduldig.
“Ik kan niet meer,” hijgde Barend. “Ik heb daarnet teveel van mijn krachten gevergd.”
Johan hoorde boven ook mensen aankomen.
Als deze lieden nu de trap af zouden komen, waren ze verloren.
Er zat maar een ding op: hij moest ze boven zien tegen houden.
“Blijf liggen en rust even uit,” commandeerde hij Barend.
Johan vloog omhoog en schoot zonder waarschuwing rakelings over de aankomende belagers heen.
Deze deinsden geschrokken terug en waren volslagen in verwarring omdat ze niet wisten waar het schot vandaan kwam.
Van die verwarring moet ik gebruik maken, dacht Johan en snelde weer naar beneden.
Hij duwde Barend, die inmiddels overeind gekomen was, een zijgang in.
Ondertussen kwamen de kok en consorten de trap opgerend.
Opeens kreeg Johan een duivels plan.
Hij loste een schot vlak voor het moment dat de schurken boven en beneden elkaar konden zien.
Hij rende de gang weer in en hoorde tot zijn genoegen hoe ze nu elkaar begonnen te beschieten.
Weer een paar seconden gewonnen, dacht Johan, terwijl hij de voort zwoegende Barend inhaalde.     
Deze hield halt om na te denken.
“Hier moeten we weer de trap af,” besliste hij.
En voort ging het weer tot ze bij een deur kwamen die toegang gaf tot de tuin.
“De kust is vrij,” zei Johan die zijn hoofd om de deur had gestoken.
Ze renden over een paadje in de richting van een stal.
Ze moesten opschieten want de poort die toegang verschafte tot de tuin van het Arendsnest, ging al open.
Net op tijd waren ze in de stal, waar de aanwezige paarden onrustig snoven.
Het groepje dat de tuin in kwam had de schoten zeker gehoord want het ging behoedzaam met getrokken pistool het Arendsnest binnen.
Johan bekeek de stal en zijn blik viel op een koetsje.
“Weet jij hoe je een paard voor de wagen moet spannen?” vroeg hij aan Barend.
“Ja hoor. Met zijn kop naar voren,” antwoordde deze. “Maar is het niet veel beter om
gewoon op het paard te gaan zitten. Dan zijn we veel sneller.”
“Ik heb nog nooit op een paard gezeten,” bekende Johan.
Barend verloor geen seconde en had al snel twee paarden voor het koetsje gespannen.
Johan probeerde ondertussen vergeefs om een idee te krijgen waar de vijand zich bevond.
Maar dat was vanuit hun positie heel moeilijk te bepalen.
“We moeten het er maar op wagen en er het beste van hopen,” zei Johan. “Als ik ‘ja’ zeg, gooi ik de deuren open en zet jij dat geval in beweging. Ik spring er dan wel op als je langsrijdt.”
Een ogenblik van gespannen rust volgde tot Johan  plotseling ‘ja’ brulde en de deuren van de stal opengooide.
Het koetsje met de paarden zette zich in beweging en Johan sprong lenig op de bok naast Barend.
Beiden durfden er niet aan te denken wat er zou gebeuren als er zich iemand op het terrein zou bevinden.
Maar het geluk was met hen.
Ongehinderd bereikten ze de toegangspoort en even later reden ze de vrijheid tegemoet.
Hun vlucht was echter niet onopgemerkt gebleven en spoedig werd de achtervolging ingezet met voertuigen die over meer pk’s beschikten dan die twee waar Johan en Barend het mee moesten doen.

 

 

 

 

 

 

Er was iets geknapt bij Johan.

Geen leuke fantasieën meer over een spannend avontuur.

De jongensdroom was voorbij en vervangen door een nachtmerrie.

Gedaan was het met het kinderlijke gedoe.

Dit was de keiharde realiteit maar Johan paste zich aan.

Gedaan was het ook met de angst om iemand te verwonden of wat de politie er wel van zou denken.

Een ding was nu nog maar belangrijk.

Barend bevrijden en het er samen levend afbrengen.

Wat er daarna gebeuren zou, was op dit moment niet van belang..

Dat zou hij dan wel weer zien.

De boosheid over zijn naïviteit zette hij om in een verbetenheid om tot het uiterste te gaan.

Hij was nu vast besloten om te vechten voor wat hij waard was en geen middel onbeproefd te laten om zijn doel te bereiken.

Vanuit de struiken bekeek hij het veld dat hij over moest steken.

Het lag er stil en verlaten bij.

Buiten de muur van het Arendsnest leek het drukker.

Vaag hoorde hij achter zich stemmen en het blaffen van een hond.

Ze waren inderdaad in de omgeving naar hem op zoek.

Dat was gunstig want dan was er minder tegenstand binnen het Arendsnest te verwachten.

In gebogen houding rende hij het grasveld over naar de keuken waar de kok nog steeds vastgebonden op de grond lag.

Ook dat was gunstig want dat betekende dat ze overhaast de achtervolging ingezet hadden, zonder eerst de zaken goed op een rijtje te zetten.

En nu eerst maar eens die kok onder handen genomen, dacht Johan.

Hij haalde de prop uit diens mond en keek hem doordringend aan.

“Jij gaat me twee dingen vertellen. Eén: waar sluiten jullie altijd de gevangenen op en twee: waar is de sleutel van die ruimte?”

De kok keek hem aan maar zei niets.

“Ik vroeg je wat,” zei Johan en hield het pistool dreigend op zijn voorhoofd gericht.            “Als je schiet, verraad je jezelf,” zei de kok en Johan meende zelfs iets van triomf in zijn ogen te zien.

Dit kost tijd, dacht Johan en die heb ik niet.

Hij pakte een oor van de kok stevig beet en begon er langzaam aan te draaien.

De kok wou gaan schreeuwen maar Johan gaf hem een zachte tik met het pistool op de neus.

“Als jij gaat brullen, verraad je me ook. Nogmaals: waar sluiten jullie de gevangenen op en waar is de sleutel?”

“Ik weet het niet,” jammerde de kok zachtjes.

“Je weet het wel,” zei Johan en draaide het oor nog een stukje verder om.

Hij moet nu wel snel wat gaan zeggen, bedacht Johan zich. Want anders draai ik dat ding er nog af.

“Aan het einde van de gang,” kreunde de kok plotseling.

“Welke gang?”

“Als je de keuken uitkomt, gewoon doorlopen en dan de trap af.”

“En waar is de sleutel?”

Johan deed net of hij aanstalten maakte om het oor definitief van het hoofd te scheiden.

“Boven het aanrecht,” zei de kok snel.

Johan keek en zag inderdaad een verzameling sleutels, keurig netjes naast elkaar gerangschikt.

Hij knikte er met zijn hoofd naar en vervolgens naar het gehavende oor.

“Welke?”

“Weet ik niet van deze afstand. Het is een grote met een ‘C’ erop.”

Johan had de bewuste sleutel snel gevonden en hield die voor de mond van de kok.

“Je weet het zeker? Als het hem namelijk niet is, kom ik terug en duw hem door je strot.”

“Het is hem echt.”

“Mooi, dan heb ik hier iets anders voor je om op te kauwen.”

Johan duwde hem de prop opnieuw in de mond en schoof de kok weer uit het gezicht.

Aan het einde van de gang bevond zich inderdaad de trap, die Johan met het pistool in de aanslag, voorzichtig afging.

Door ervaring wijs geworden, wachtte hij even voor hij naar de kerkerdeur ging.

En dat was maar goed ook want van de andere kant hoorde hij het geluid van stemmen.

“Laat je nog wel wat van hem heel?” klonk de ene stem.

“Als hij praat wel. Anders niet. En ik kan je vertellen dat ik hoop dat hij niet praat,” antwoordde de andere stem.

Johan keek toe vanuit een nis en herkende Bril en Grote.

Hij besloot af te wachten tot ze in de kerker waren en dan toe te slaan.

Ze openden de zware deur en gingen naar binnen.

Johan telde tot drie om dan naar voren te springen maar kwam niet verder dan twee.

Tot zijn stomme verbazing zag hij, na het horen van een doffe klap, eerst een bril en daarna de eigenaar ervan naar buiten vliegen.

Uit de kerker klonk nu een geluid dat nog het meeste weg had van vechtende roofdieren.

Een ogenblik later zag hij Barend naar buiten kruipen, gevolgd door Grote, die nog gewoon op zijn benen stond.

“Zo zie ik je graag,” spotte Grote. “Kruipend voor mij door het stof.”

“En ik zie jou graag met je armen omhoog en je gezicht tegen de muur. !” riep Johan en sprong tevoorschijn met het pistool in de aanslag. “En nu snel! Ik tel tot drie en schiet bij  twee! Een…”

Grote nam geen risico en deed wat Johan van hem verlangde.

Barend kwam overeind en wilde Grote te lijf gaan.

“Stop!” riep Johan. “Dat heeft geen enkele zin. Pak liever die sleutelbos die daar op de grond ligt en bevrijd jezelf van die kettingen met die steen eraan.”

Barend kwam tot bedaren.

“Sorry. Je hebt gelijk.”

Hij pakte de sleutelbos en begon de juiste sleutel te zoeken.

Onderwijl keek hij even naar Johan.

“Fantastisch trouwens dat je me te hulp bent gekomen.”

“Dat spreekt vanzelf,” zei Johan alleen maar en gaf met zijn pistool aan dat Grote de kerker in moest gaan..

“En neem die voddenbaal ook mee,” zei Johan en wees op Bril, die nog steeds buiten westen op de grond lag.

Barend, die zich inmiddels van de steen ontdaan had, sloot de deur van de kerker achter hen en deed die op slot.

“Laten we maken dat we weg komen,” zei Johan.

“Dacht je dat ik nog wat wou blijven dan?” vroeg Barend narrig.

Johan reageerde niet en luisterde bezorgd naar geluiden die uit de richting van de keuken kwamen.

“Volgens mij hebben ze die kok gevonden en die zal ze natuurlijk meteen hierheen sturen.”

“Gauw de andere kant op, naar boven,” zei Barend. “Ik weet ongeveer de weg want zo hebben ze me ook hierheen gebracht.”

Zo snel ze konden renden ze de trap op en Johan zag bezorgd hoe moeizaam dat bij Barend ging.

Boven aan de tweede trap struikelde Barend en bleef liggen.

“Kom op nou,” zei Johan ongeduldig.

“Ik kan niet meer,” hijgde Barend. “Ik heb daarnet teveel van mijn krachten gevergd.”

Johan hoorde boven ook mensen aankomen.

Als deze lieden nu de trap af zouden komen, waren ze verloren.

Er zat maar een ding op: hij moest ze boven zien tegen houden.

“Blijf liggen en rust even uit,” commandeerde hij Barend.

Johan vloog omhoog en schoot zonder waarschuwing rakelings over de aankomende belagers heen.

Deze deinsden geschrokken terug en waren volslagen in verwarring omdat ze niet wisten waar het schot vandaan kwam.

Van die verwarring moet ik gebruik maken, dacht Johan en snelde weer naar beneden.

Hij duwde Barend, die inmiddels overeind gekomen was, een zijgang in.

Ondertussen kwamen de kok en consorten de trap opgerend.

Opeens kreeg Johan een duivels plan.

Hij loste een schot vlak voor het moment dat de schurken boven en beneden elkaar konden zien.

Hij rende de gang weer in en hoorde tot zijn genoegen hoe ze nu elkaar begonnen te beschieten.

Weer een paar seconden gewonnen, dacht Johan, terwijl hij de voort zwoegende Barend inhaalde.     

Deze hield halt om na te denken.

“Hier moeten we weer de trap af,” besliste hij.

En voort ging het weer tot ze bij een deur kwamen die toegang gaf tot de tuin.

“De kust is vrij,” zei Johan die zijn hoofd om de deur had gestoken.

Ze renden over een paadje in de richting van een stal.

Ze moesten opschieten want de poort die toegang verschafte tot de tuin van het Arendsnest, ging al open.

Net op tijd waren ze in de stal, waar de aanwezige paarden onrustig snoven.

Het groepje dat de tuin in kwam had de schoten zeker gehoord want het ging behoedzaam met getrokken pistool het Arendsnest binnen.

Johan bekeek de stal en zijn blik viel op een koetsje.

“Weet jij hoe je een paard voor de wagen moet spannen?” vroeg hij aan Barend.

“Ja hoor. Met zijn kop naar voren,” antwoordde deze. “Maar is het niet veel beter om

gewoon op het paard te gaan zitten. Dan zijn we veel sneller.”

“Ik heb nog nooit op een paard gezeten,” bekende Johan.

Barend verloor geen seconde en had al snel twee paarden voor het koetsje gespannen.

Johan probeerde ondertussen vergeefs om een idee te krijgen waar de vijand zich bevond.

Maar dat was vanuit hun positie heel moeilijk te bepalen.

“We moeten het er maar op wagen en er het beste van hopen,” zei Johan. “Als ik ‘ja’ zeg, gooi ik de deuren open en zet jij dat geval in beweging. Ik spring er dan wel op als je langsrijdt.”

Een ogenblik van gespannen rust volgde tot Johan  plotseling ‘ja’ brulde en de deuren van de stal opengooide.

Het koetsje met de paarden zette zich in beweging en Johan sprong lenig op de bok naast Barend.

Beiden durfden er niet aan te denken wat er zou gebeuren als er zich iemand op het terrein zou bevinden.

Maar het geluk was met hen.

Ongehinderd bereikten ze de toegangspoort en even later reden ze de vrijheid tegemoet.

Hun vlucht was echter niet onopgemerkt gebleven en spoedig werd de achtervolging ingezet met voertuigen die over meer pk’s beschikten dan die twee waar Johan en Barend het mee moesten doen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

hoofdstuk 6

Author: jeroenstamgast

Drie mensen sjokten moeizaam door de schemerige gangen in de catacomben van het Arendsnest.
De eerste omdat hij de handen in de nek moest houden en wist dat er een pistool op hem gericht was.
De tweede, die een kapotte bril op de neus droeg, omdat het linkerbeen protesteerde.
En de derde in de rij omdat het gevoel in zijn hoofd, ingepakt in verband, alle verschijnselen vertoonde die bij een gemiddelde hersenschudding horen.
Bril opende een zware deur en sommeerde Barend een naargeestige ruimte in te gaan die deed denken aan de martelkamer van een middeleeuws kasteel.
Zwijgend werd hij met polsklemmen vastgemaakt aan twee kettingen die aan een steen in de muur bevestigd waren.
“Dit is tegen alle regels van de internationale wetgeving,” baste Barend en keek Bril uitdagend aan.
“Wetten worden gemaakt door overwinnaars en dat zijn wij,” smaalde Bril en keek Barend vanachter zijn beschadigde brillenglazen venijnig aan. “Alhoewel, hier is een verliezer die je nog even wil spreken.”
Hij deed een stap opzij en Barend keek tegen een bundel verband aan, waarachter zich een hoofd bevond.
“Ken je me nog?” vroeg de bundel.
Barend voelde de dreiging die van de verbonden spierbundel uitging maar kon het niet laten hem te tergen.
“Je doet me wel aan iemand denken maar dat was iemand die er uit zag alsof hij de hele wereld aan kon en dat kan ik van jou bepaald niet zeggen.
Een grote knuist greep Barend bij zijn trui en dit gebeurde zo plotseling en krachtig dat deze zichtbaar schrok.
“Mijn kaak is gebroken maar mijn vuisten zijn nog in orde, zoals je wel zult merken als we je aan een verhoor zullen onderwerpen.”
“Een verhoor? Wat willen jullie horen dan? Hoe het komt dat twee pummels uit de provincie gehakt van jullie gemaakt hebben? Is jullie machtige organisatie bang voor die ene stumper die nog vrij rondloopt? Of wil je op deze laffe manier wraak nemen omdat je het in een eerlijk gevecht niet winnen kan? Maak me los als je durft en ik zal je opnieuw verpletteren.”
Grote wilde uithalen voor een vuistslag maar Bril kwam tussenbeide.
“Niet doen! Eerst moeten we weten of ze die andere al te grazen hebben en wat de baas precies wil. Jouw tijd komt heus nog wel.”
De twee sloten de deur achter zich en Barend liet alle stoerigheid varen.
Hij overdacht de situatie waarin hij zich bevond.
Als Johan werkelijk ontsnapt was en meteen hulp zou halen, had hij nog een kans.
Maar dan moest hij wel snel wezen want dat beloofde verhoor zou wel niet lang op zich laten wachten…

 

“Wat er aan de hand is!” brulde Johan woedend. “Ben je nou zo gek of doe je maar alsof! Mijn oom is gepakt door die rotbende van jou. Moet ik nou blij zijn omdat wij niet gepakt zijn en ik hier deze spullen uit de kluis heb?”
“Nou ja,” pruttelde Wilhelm. “Ik begrijp wel dat je een beetje overstuur bent vanwege je oom en mijn blijdschap over de geslaagde kraak is in jouw ogen natuurlijk een beetje ongepast. Maar ja, jullie wisten van tevoren waar je aan zou beginnen en…”
“We wisten van tevoren waar we aan zouden beginnen?!”
Johan ontplofte bijna.
“Jij hebt ons die hele onderneming voorgespiegeld als een vakantietripje! Er kon niets gebeuren als we maar stil zouden zijn want volgens jou was het Arendsnest bijna leeg en verlaten om deze tijd. Nou, ik zal je vertellen: als we een gang door wilden gaan, moesten we eerst wachten totdat de files opgelost waren. En als je een deur open trok, kwam er meteen een zooitje tuig achter tevoorschijn. Als die deur al niet vanzelf opengedaan werd, tenminste.
Het mag nog een godswonder genoemd worden dat we die kluis sowieso nog bereikt hebben. En dat ik hier dan zit, is echt niet te danken aan jouw voortreffelijke plannetje. Maar omdat er stomtoevallig een klimop onder het raam groeide die net sterk genoeg was om mij mijn nek niet te laten breken. En dat ik niet doorzeefd ben met kogels, komt ook niet omdat jij een veilige vluchtweg voor me uitgestippeld hebt maar omdat die revolverheld daarboven in het donker nog geen olifant van een muis kon onderscheiden!”
Johan was buiten zichzelf van woede en had zin om zich af te reageren op de verschrikte tronie van Wilhelm.
Zijn vuisten jeukten maar hij hield zich in en smeet toen maar het pakketje uit de kluis tegen de wand van de grot.
“Rustig nou,” probeerde Wilhelm Johan te kalmeren. “Dit is gebeurd en gedane zaken nemen geen keer. Het gaat er nu om wat we moeten doen om alles toch nog goed te laten aflopen.”
“En jij hebt dan zeker weer een van die geniale plannetjes waar ik dan weer met open ogen in kan lopen,” smaalde Johan.
“Nee, helemaal geen geniaal plannetje. We moeten zo snel mogelijk naar de politie gaan om hulp te halen. Eenvoudiger kan het niet.”
Johan dacht na.
Allerlei gedachten flitsten door zijn hoofd maar één gedachte kwam telkens weer terug.
“Ga jij alvast naar de politie. Ik ga kijken of ik Barend kan bevrijden.”
“Je lijkt wel niet goed wijs! Als je het nou over een slecht plannetje hebt, dan is dat er wel eentje.”
“Misschien minder dan je denkt. Jouw plan was gebaseerd op een verrassingstechniek. Niemand zou ons verwachten, waardoor we onze gang zouden kunnen gaan. Nou, ik denk niet dat er een verstandig denkende schurk is die verwacht dat ik zo gek ben om opnieuw het Arendsnest binnen te gaan. En daar moet ik het dan van hebben.”
Wilhelm dacht even na en haalde tot Johans verbazing een revolver tevoorschijn.
Even dacht hij dat hij onder schot genomen zou worden maar Wilhelm overhandigde hem het wapen alleen maar.
Johan pakte het aan en keek ernaar.
“Waarom geef je me dat nu pas? Dat had ik eerder moeten hebben.”
“Ik was bang dat je het te snel zou gebruiken en dat je zo jullie aanwezigheid zou verraden.”
“Ja ja, ik weet het,” mopperde Johan. “Verrassingstechniek. Maar ja, zoals je zegt: gedane zaken nemen geen keer.”
Johan pakte het pakketje uit de kluis van de grond en wilde het weer in zijn binnenzak stoppen.
“Je kunt dat pakketje beter aan mij geven,” zei Wilhelm en stak zijn hand al uit.
“Waarom?” vroeg Johan argwanend.
“Ik kan toch niet met lege handen bij de politie aankomen. Ik moet toch iets kunnen laten zien.”
“Wie geeft me de garantie dat je echt naar de politie gaat?”
“Als ik kwaad had gewild, had ik je toch gewoon neergeschoten in plaats van je mijn revolver te geven.”
Johan moest toegeven dat daar wel enige logica inzat maar het beviel hem toch niet en dat merkte Wilhelm ook.
“Luister,” sprak hij op zalvende toon. “Ik kan me voorstellen dat je me niet mag. Maar ik van mijn kant heb mijn leven aan jullie te danken. En met dat pakketje dat jij in je binnenzak wilt stoppen heb ik nog een kans op een toekomst. Dat zijn dus twee redenen voor mij om naar de politie te gaan.”
Johan gaf hem het pakketje en ze keken elkaar in de ogen.
Hij mocht Wilhelm inderdaad niet maar echt een hekel had hij ook niet aan hem.
Hij zag er eigenlijk heel menselijk uit, zoals hij nu keek.
“Ik geef je nog een tip, Johan. Als het op schieten aankomt: zorg dat je de eerste bent en schiet raak. Zij doen niet aan waarschuwingsschoten of zo. En wat je ook van me denken mag: ik hoop echt dat het je lukt om Barend te bevrijden. Ik van mijn kant probeer zo snel mogelijk de politie in te schakelen.”
Wilhelm stak zijn hand uit.
“Wees voorzichtig.”
Johan aarzelde even maar besloot toen toch maar de hem toegestoken hand te drukken.
“Zorg jij nu maar dat je inderdaad zo snel mogelijk de politie waarschuwt.”
“Dat beloof ik. En nogmaals: wees voorzichtig.”
Johan draaide zich abrupt om en spoedde zich terug naar het Arendsnest voor hem de moed helemaal in de schoenen gezakt zou zijn.

 

Een kat in het nauw maakt rare sprongen.
Zo was het ook met Barend.
Tegen beter weten in bestudeerde hij de steen waaraan hij met kettingen bevestigd was.
Er zat enige beweging in maar hij wist donders goed dat je welhaast een trekpaard nodig had om daar profijt van te kunnen hebben.
Maar, zoals gezegd: een kat in het nauw maakt rare sprongen.
Barend probeerde op welke manier hij het meeste kracht kon zetten.
Uiteindelijk had hij de juiste houding gevonden.
Hij draaide zich met zijn gezicht naar de muur, pakte met zijn grote handen de ketting beet, zette zijn voeten tegen de muur en begon in een stevig ritme aan de geketende steen te trekken.
Na twintig ‘rukken’ hield hij halt en bekeek het resultaat..
Leek het nou zo of was de steen inderdaad iets verschoven?
Hij besloot door te gaan maar nu met iets meer inzet.
Hij was dan ook enigszins buiten adem toen hij, zonder al te veel hoop, voor de tweede keer keek.
Het was bijna niet te geloven maar je zou zweren dat de steen iets naar voren was gekomen.
Barend leunde even met zijn rug tegen de muur om na te denken en uit te rusten.
Doorgaan had weinig zin eigenlijk.
Maar ja, wat dan?
Afwachten met de zenuwen in zijn lijf voor wat er komen ging?
Plotseling brulde hij een vreselijke vloek door de lege kerker.
Een machteloze woede maakte zich van hem meester.
Angst maakte plaats voor agressie die een uitweg zocht.
Hij draaide zich weer om naar die ellendige steen die hem zijn vrijheid ontnam.
Wat dachten ze hier eigenlijk wel in dat achterlijke Arendsnest?
Dat hij braaf zou wachten tot ze hem in elkaar zouden slaan?
Dat nooit!
Dan maar jezelf volledig uitputten tot je niet meer kon, dan voelde je de klappen die zouden volgen ook niet zo erg.
Barend vertrok zijn gezicht tot een grimas, telde tot drie en scheurde uit alle macht aan de ketting.
Het ging minder gecoördineerd dan daarnet maar wel met de kracht van iemand die, met de moed der wanhoop, bereid is om tot het uiterste te gaan.
En kracht had Barend!
De spierbundels groeiden onder het vet, de aders zwollen op om het bloed van het op volle kracht pompende hart door het kolossale lichaam te jagen, zweet gutste uit de poriën
De explosie van kracht kwam abrupt tot een einde omdat Barend gewoon niet meer kon.
Hij keek met ogen, die verdwaasd in zijn knalrood aangelopen hoofd stonden, naar de steen die weer iets naar voren was gekomen.
Hijgend van inspanning berekende hij zijn kansen en hij begon zowaar te geloven in een goede afloop.
Nou niet meteen verder gaan.
Eerst op krachten komen en geen energie verspillen.
Het kostte moeite maar hij gunde zijn lichaam de tijd om te herstellen.
Vol goede moed bond hij de ongelijke strijd tegen de materie weer aan.
Maar, ongelijk of niet, de steen verloor terrein, zoals Barend tijdens de volgende pauze constateerde.
Jammer alleen dat zijn krachten ook terrein verloren.
Hoewel de steen tijdens de volgende trek- en scheur sessie nu echt begon mee te geven, kon Barend het niet meer opbrengen om door te gaan.
Als een verlepte harlekijn bungelde hij aan de kettingen.
Verdwaasd keek hij naar de steen.
Dit was nou echt wat je noemt: verdrinken in het zicht van de haven.
Nog even en hij zou het voor elkaar gekregen hebben, ware het niet dat hij de controle over zijn lichaam verloren leek te hebben.
Of zou hij nog één keer?
De wil was er wel.
Hij haalde een paar maal diep adem, probeerde zijn geteisterde lichaam te ontspannen en zijn hersens op nul te zetten.
Zo stond hij een paar minuten in doodse stilte om dan plotseling nog één keer alles te geven wat hij bezat.
Dit was geen explosie van kracht meer, maar een eruptie van geweld!
Onverwacht gaf de steen mee, een gat in de muur achterlatend en bijna één in Barends schedeldak toen deze het rakelings passeerde.
Maar Barend besefte dat al niet meer.
De steen en hijzelf lagen doodstil naast elkaar op de kale, koude vloer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

hoofdstuk 5

Author: jeroenstamgast

Het was donker, koud en het miezerde een beetje.
Kortom: allemaal omstandigheden die garant leken te staan voor een geslaagd avondje inbreken maar Barend had er nu al de dood over in.
Hij vroeg zich af wat hem er in vredesnaam toe bewogen had om in te stemmen met een hoogst twijfelachtig plan, notabene verzonnen door iemand die zelf hoogst twijfelachtig was.
Hij keek schuin opzij naar Wilhelm, die samen met Johan de plattegrond van het Arendsnest bij het schijnsel van een zaklantaarn nog eens doornam.
Het was natuurlijk waar dat deze mislukte namaakschurk niets te verliezen had en met deze onderneming alleen maar iets winnen kon.
Tenminste, als ze erin zouden slagen het belastende materiaal uit de kluis te stelen en aan de politie te overhandigen.
Maar echt vertrouwen deed hij hem toch niet.
Hij had nog steeds het gevoel dat er ergens een addertje onder het gras verscholen zat dat plotseling genadeloos zou toehappen.
Hij keek eens naar Johan, die naar de plattegrond staarde als een jonge hond naar een vette kluif.
Hij wist het met Johan niet.
Aan de ene kant had hij tijdens het gevecht in de herberg bewezen zijn mannetje te staan en straalde hij in zijn hele manier van doen beslist ook wel iets uit en was het iemand om rekening mee te houden, maar aan de andere kant vond hij hem toch wel erg naïef
Maar ja, misschien zag hij hem toch nog teveel als zijn kleine neefje, wat hij natuurlijk niet meer was.
Kleine neefjes worden tenslotte ook groot.
En waar hij eigenlijk nog wel het minste vertrouwen in had, was hij zelf.
In zijn jonge jaren had hij dan wel eens wat ‘geintjes’ uitgehaald maar een echte avonturier was hij nooit geweest.
Hij mocht in de ogen van velen dan misschien een vrijbuiter zijn, maar gewoon je eigen gang gaan wil nog niet zeggen dat je het leuk vindt om samen met anderen op avontuur te gaan.
En nu zat hij hier opgescheept met een gesjeesde misdadiger en een goedwillende padvinder om zich in een of ander onduidelijk avontuur te storten.
Als het aan hem lag, zagen ze af van de uitgeloofde beloning en verdwenen ze met stille trom naar huis en Wilhelm kon wat hem betreft met zijn plannetje doen wat hij wou, maar dan wel zonder hen.
Helaas, Johan en Wilhelm maakten aanstalten om te vertrekken en Barend wist niets beter te doen dan ook maar aanstalten te gaan maken.
Dat duurde zo een tijdje tot Barend er genoeg van kreeg.
“Gaan we nou, of gaan we nou niet? Zo lollig vind ik het hier nou ook weer niet.”
“Ja,” besloot Wilhelm. “We moeten gaan. Denk om wat ik gezegd heb. We gaan via de achterkant en, hoewel ze om deze tijd de zaak niet echt in de gaten houden, moeten we toch op onze hoede zijn. Ze hebben geen reden om bezoek te verwachten dus laten we dat zo houden.”
Wilhelm ging voorop, Johan volgde en Barend sloot met een bedrukt gezicht de rij.
Ze volgden een tamelijk smal pad dat slecht begaanbaar was en kennelijk niet veel gebruikt werd.
Johan lette goed op waar Wilhelm zijn voeten zette want de vele gaten en kuilen waren in het donker slecht te zien.
Het paadje werd nu nog smaller en ging daarbij ook nog omhoog.
Ze moesten vaak bukken om zonder kleerscheuren onder laaghangende takken door te komen.
Johan vroeg zich af hoe lang het nog zou duren voor hij het enorme kapmes dat hij bij zich droeg, zou moeten gebruiken om zich door het gebladerde een weg te banen.
Dat bleek mee te vallen.
Ze kregen weer wat meer loopruimte maar Johan kon de gedachte niet van zich afzetten dat je dat mes ook voor andere dingen kon gebruiken.
Hij had zich er al een paar keer op betrapt dat hij, toen hij meende in het donker iemand te zien, zijn kapmes in gereedheid bracht om toe te kunnen slaan.
En dat vond hij toch geen prettig idee want stel je voor dat hij er inderdaad op in zou hakken en zo iemand zou doden, wat dan?
Kon hij dan wel volstaan met tegen de politie te zeggen dat ze dit alles deden om het recht zijn loop te doen hebben?
Zou de politie het niet vreemd vinden dat ze met een ex-medewerker van een bende op pad waren om uit een kluis belastend materiaal te halen?
Zou de politie niet denken dat ze alleen maar juwelen wilden stelen en hen gewoon als misdadigers beschouwen?
Johan kreeg een steeds onbehaaglijker gevoel dat nog onbehaaglijker werd toen hij zich bedacht dat je, ook al was het dan een misdadiger die je doodde, toch een moord op je geweten zou hebben.
Het liefst zou hij rechtsomkeert maken maar Wilhelm voor hem liep gewoon door en Barend achter hem sloot gewoon aan, zodat hij ook wel moest blijven voortbewegen.
Het gaf hem trouwens wel een fijn gevoel dat Barend achter hem liep.
Zijn aanwezigheid garandeerde natuurlijk geen goede afloop maar hij had wel het idee dat hij op hem rekenen kon als er iets zou gebeuren.
Hij keek wel niet meer zo tegen hem op als vroeger toen hij zelf nog klein was en hij besefte ook wel dat de jaren bij hem waren gaan tellen, maar het leek hem nog steeds iemand waar je beter geen ruzie mee kon hebben en die in zijn leven al heel wat meegemaakt had, zodat hij zich niet zo gauw uit het veld zou laten slaan.
Bovendien was Wilhelm er ook nog die hen verzekerd had dat hij alle sluipweggetjes op zijn duimpje kende en precies wist op welke tijden er in het Arendsnest rust heerste, zodat ze zonder al te veel problemen hun gang konden gaan.
Echt vertrouwen deed hij hem niet maar hij ging er vanuit dat deze onderneming voor hem de enige manier was om te redden wat er nog te redden viel, zodat de samenwerking geen gevaar liep.
Ze klauterden nu via een rotsachtige berg omhoog en hij had zich al een paar keer bezeerd aan de harde ondergrond.
Ook Wilhelm had moeite met al dat geklauter en het was hem aan te zien dat hij dit niet dagelijks deed.
En niet alleen lichamelijk had hij het moeilijk, ook geestelijk zat hij in de problemen.
Hij begon steeds meer te twijfelen aan zijn plan en werd steeds meer de lafaard die hij altijd geweest was.
Met de moed der wanhoop hield hij zich goed om vooral zijn twee metgezellen niet af te schrikken want zonder hen kon hij het schudden.
Hij dwong zichzelf om één keer in zijn leven dapper te zijn om hierna een nieuwe start te kunnen maken.
Hij had geen keus en ook de behoefte aan wraak op de bende die hem min of meer gedwongen bij de misdaad had betrokken, hield hem op de been.
Hij had redelijk vertrouwen in Johan en Barend die bewezen hadden goede vechters te zijn en het idee dat zij degenen waren die zo meteen het vuile werk moesten opknappen terwijl hij grotendeels buiten schot bleef, stelde hem toch ook wel weer gerust.
Ze waren nu bij een steile rotswand aangekomen en de kleine expeditie hield halt.
“Hier moeten we omhoog,” fluisterde Wilhelm.
“Ik begrijp ook wel dat we er niet dóórheen kunnen,” mopperde Barend. “Maar ik ben toch wel benieuwd hoe jij hier omhoog denkt te kunnen gaan.”
“Daar hebben we het touw voor meegenomen. Luister, Barend. Jij helpt Johan zo ver mogelijk omhoog. Johan, het laatste stukje heb je een beetje meer houvast aan de uitsteeksels van de rots, dus daar klim je op eigen kracht verder. Wij gooien het touw naar je toe. Jij maakt het vast aan een boom en wij klimmen via het touw omhoog.”
Zo gezegd, zo gedaan.
Johan was vrij snel boven en even later hing het touw klaar voor Wilhelm.
Barend hielp hem zoveel mogelijk want Wilhelm kwam nauwelijks omhoog.
Toen Wilhelm op een gegeven moment Barends hoofd als springplank dreigde te gaan gebruiken, werd het hem toch te bar.
“Hé, via het touw omhoog, zei je toch!”
Barend ondersteunde Wilhelms voeten en duwde hem zo ver mogelijk naar boven.
Met veel moeite klauterde Wilhelm tot Johans uitgestrekte arm, die hem verder hielp.
Natrillend van inspanning sloeg hij vervolgens Barend gade, die op zijn beurt met zijn zware lichaam in een gevecht met de wetten van de zwaartekracht gewikkeld was.
Het eerste stuk ging nog wel maar het laatste stuk was echt afzien voor hem.
Eenmaal bovengekomen, liet hij zich buiten adem op de grond vallen.
“Volgende keer zoek je maar een andere gek voor die ongein. Ik ben verdorie geen klimgeit.”
Wilhelm schonk geen aandacht aan hem en bekeek de muur die om het Arendsnest lag.
“Dit is het laatste obstakel. Als we dat gehad hebben, zijn we eigenlijk al in het Arendsnest.
Barend keek eens naar de hoge muur en kroop vervolgens terug naar het touw dat er nog steeds hing.
“Ik ga naar huis. Ik heb genoeg geklommen voor vandaag.”
“Wacht nou even,” zei Wilhelm. “Hier hoeven we niet overheen. Ik weet een gat in de muur waar we dóórheen kunnen.”
Barend was nog niet echt overtuigd.
“Met dat gat zal ook wel iets aan de hand zijn, dat zul je zien.”
“Kom nou maar mee,” zei Johan.
Ze slopen langs de muur en hielden halt op een teken van Wilhelm.
“Hier is het.”
“Waar dan?” vroeg Barend argwanend.
“Hier,” zei Wilhelm en wees op een flink uit de kluiten gewassen struikenpartij.
“In mijn jeugd speelde ik hier vaak maar in de loop der jaren is dat gat helemaal dichtgegroeid en niemand, behalve ik, weet dat dat gat daar zit.
Johan hakte met zijn hakmes op de takken in.
Na een paar houwen stopte hij plotseling.
“Horen ze dit nou niet?”
“De wind staat gunstig en bovendien zijn ze wel gewend aan dit soort geluiden. Er wordt in deze bosrijke omgeving wel meer gekapt,” antwoordde Wilhelm.
Johan hakte verder en Barend boog de bijna afgehakte takken telkens verder opzij.
“Kijk,” zei Wilhelm. “Doordat die ene zware tak nu weg is, is de opening groot genoeg om er doorheen te kunnen.”
Moeizaam kropen ze door het struikgewas dat aan de andere kant van de muur verder ging.
Tussen deze struiken en het gebouw was een open terrein dat overgestoken diende te worden.
Wilhelm keek op zijn horloge.
“We hebben nog een half uur. Daarna gaat de nachtbewaking in. Tot die tijd gaan ze er van uit dat niemand het in zijn hoofd zal halen in te breken en nemen ze het niet zo nauw met de bewaking. De schrik zit er bij de mensen in de omgeving goed in en ze zijn op het Arendsnest een beetje overmoedig en nonchalant geworden.”
“En om te bewijzen dat dit werkelijk zo is, mag jij als eerste oversteken,” zei Johan.
Wilhelm slikte even, weifelde maar rende toen resoluut in gebogen houding naar de overkant.
Johan wachtte een moment om te zien of er iets gebeurde en volgde, toen dit niet het geval bleek te zijn, de route van Wilhelm.
Ook Barend liep het traject en was net op tijd om het geschrokken gezicht van Johan te zien, die door het raampje van de keukendeur naar binnen keek.
“Je zal je plan moeten wijzigen, Wilhelm. Er is namelijk iemand in de keuken, die volgens jou absoluut leeg zou zijn om deze tijd.”
Wilhelm keek ook en zijn hersenen werkten op volle toeren.
“Dat is de kok. Die heeft altijd honger en haalt een tussendoortje uit de koelkast. Ik ga bluffen. Let op.”
Tot verbazing van Johan en Barend opende Wilhelm, of het de gewoonste zaak van de wereld was, de deur van de keuken en groette joviaal de kok, die geschrokken stopte met kauwen en een ‘mondvol’ open liet hangen.
Wilhelm wandelde op zijn gemak rond de grote tafel die in het midden van de keuken stond naar de kok, die bedremmeld achteruit drentelde.
“Hoe-hoe komt u hier?” wist deze er tenslotte moeizaam uit te brengen.
“Door de deur, m’n beste Karl. Dat zag je toch?”
“Maar u was toch, eh, u was eh…”
“Wat was ik, m’n beste Karl?” sprak Wilhelm op onheilspellende toon, terwijl hij de kok verder richting deur dirigeerde.
“Nou ja, u eh, ze hadden me verteld dat eh, nou ja, dat ze u te grazen zouden nemen.”
“Nee hoor. Er is er hier maar een die te grazen wordt genomen en dat ben jij,” glimlachte Wilhelm vals.
Op dat moment sprong Johan tevoorschijn, die de verbouwereerde kok met een paar harde klappen uitschakelde.
Deze knalde na de laatste vuistslag met zijn gezicht tegen de koelkast en zakte langzaam in elkaar, onderwijl een spoor van etensresten uit zijn mond op de koelkast achterlatend.
Barend kwam nu ook binnen en samen met Johan bond hij de kok vast met een stuk touw dat ze tussen het keukengerei vonden, terwijl Wilhelm de plattegrond van het Arendsnest tevoorschijn haalde.
Hij nam met Johan nog eenmaal de route door die ze moesten volgen.
Johan en Barend slopen voorzichtig de gang in, terwijl Wilhelm in de keuken achterbleef.
Ze bereikten zonder problemen de trap en luisterden aandachtig of de kust veilig was.
Snel en geruisloos gingen ze naar boven, waarna ze een gang in liepen die werkelijk volgehangen was met schilderijen van bekende en onbekende meesters.
Aan het einde van de gang, tegenover een zelfportret van Vincent van Gogh, was weer een trap en die gingen ze op.
Johan begon net weer een beetje vertrouwen in de onderneming te krijgen, toen hij geschrokken terugdeinsde.
Hij hoorde duidelijk naderende voetstappen.
Hij drukte zich tegen de muur van de trappenhal en zag dat Barend hetzelfde deed.
Ook hij had het aankomende gevaar gehoord en beiden beseften dat ze als ratten in de val zouden zitten als de eigenaar van de voetstappen het onzalige idee zou hebben om de trap af te gaan in plaats van door te lopen.
Tot hun grote opluchting zagen ze hoe de man het trapgat voorbij liep..
Het geluid van de voetstappen stierf weg en Johan en Barend gingen angstig verder.
Alleen de gang nog en dan waren ze er.
Johan versnelde zijn pas, zodat Barend iets achter bleef.
Plotseling zwaaide er een deur open en Johan, die van schrik bijna door zijn benen zakte, stond oog in oog met twee bewoners van het Arendsnest, die hem verrast aankeken.
Barend dook weg achter de openstaande deur en waande zich een paar seconden veilig.
“Wie ben jij en wat kom je hier doen?” vroeg een van de twee dreigend.
“Jou in elkaar slaan,” antwoordde Johan en vloog hem naar de keel.
De ander trok snel een mes maar kreeg geen kans om daar iets mee te doen daar Barend achter de deur vandaan gekomen was en zijn machtige arm om de nietige nek van de messentrekker had geslagen.
Een welgemikte stomp tegen de slaap deed de rest en de man zakte in elkaar.
Ook Johan had zijn tegenstander uitgeschakeld en snel trokken ze de twee bewusteloze lichamen de kamer in en deden de deur achter zich dicht.
Ze namen een ogenblik de tijd om tot zichzelf te komen.
Barend wiste zich het zweet van zijn voorhoofd.
“Wat een drukte op die gangen. Het lijkt verdorie de Kalverstraat wel.”
“Ja, als dat zo doorgaat, geef ik geen stuiver meer voor dat plan van onze Wilhelm.”
Johan keek op zijn horloge.
“En we moeten nog opschieten ook. Laten we die twee snel vastbinden.”
Ze keken de kamer rond die volstond met dure spullen.
Barend pakte een prachtig antiek tafellaken en scheurde het aan flarden.
“Het is wel geen touw maar met dit kleedje zal het ook wel lukken.”
De geknevelde lichamen legde hij, uit het zicht, achter een bank en de overgebleven flarden propte hij in hun mond.
Johan opende voorzichtig de deur en keek de gang in.
“Het kan weer.”
Zonder verder oponthoud bereikten ze de kamer die ze moesten hebben en ook de verborgen kluis was precies op de plaats die Wilhelm aangegeven had.
De cijfercombinatie klopte ook en Johan haalde de papieren waar Wilhelm het over had gehad uit de kluis, evenals enige goedverpakte juwelen.
Hij stopte alles in de binnenzakken van zijn jack en deed de kluisdeur weer dicht.
Barend was bij de deur gebleven en raakte duidelijk in paniek.
“Er komen mensen hierheen.”
“Weet je het zeker?”
“Ja, natuurlijk weet ik het zeker. Ik hoor het toch.”
Johan rende naar de deur en hoorde nu ook stemmen en gelach.
“Ze komen hierheen,” zei Johan geschrokken en keek Barend aan.
“Dat zeg ik je toch al de hele tijd,” zei Barend geërgerd
“We moeten ons verstoppen.”
Barend wees met een breed armgebaar naar de bijna lege kamer.
“O ja? Waar dan?”
Johan rende naar het raam en opende dit.
“We kunnen langs de klimop naar beneden
Hij aarzelde niet en voegde de daad bij het woord.
Barend keek vertwijfeld toe hoe Johan naar beneden klauterde.
“Dat houdt mij nooit.”
“Probeer het dan!”
Barend stak een been over de rand van de vensterbank maar het was al te laat.
De binnengekomen bewoners van het Arendsnest waren snel van hun verbazing bekomen en dwongen Barend, onder bedreiging van een pistool, uit de raamopening te komen dat hij met zijn grote lichaam bijna geheel vulde.
Tergend langzaam gaf hij aan het bevel gehoor om Johan de gelegenheid te geven de grond te bereiken.
Dat laatste deed Johan overigens sneller dan hij zelf gedacht had want de klimop brak gedeeltelijk af en de drie laatste meters ging hij in duikvlucht naar beneden.
Hij kon een schreeuw van schrik niet onderdrukken, zodat hij zijn aanwezigheid meteen verraadde.
Een van de schurken probeerde om Barend heen naar beneden te kijken maar kwam met zijn hoofd tussen Barend en het kozijn klem te zitten, die net ‘toevallig’ zijn lichaam draaide om het eerder gegeven bevel op te volgen.
Een ander opende het raam ernaast en richtte zijn pistool op de in de duisternis wegrennende
Johan, die zich erover verbaasde dat alles aan zijn lichaam het nog deed.
Er klonken een paar schoten die doel misten, waarschijnlijk omdat het te donker was om goed te kunnen richten.
Johan bereikte ongedeerd de opening in de muur waar hij Wilhelm tegenkwam.
“He, jij zou toch op ons in de keuken wachten!”
“Ik ben daar gek! Ik hoor toch duidelijk dat het misgaat. Kom, ik weet en plek waar we ons tijdelijk kunnen verstoppen!”
Ze renden langs de muur en tien minuten later zaten ze in een kleine grot.
“Hier kunnen we even op adem komen,” hijgde Wilhelm. “Daarna weet ik nog een andere route om bij je auto te komen.”
Even had Johan een opgelucht gevoel maar toen dacht hij met schrik aan Barend.
Hij voelde hoe een golf van ongerustheid bezit nam van zijn lichaam.

hoofdstuk 4

Author: jeroenstamgast

Daar zaten ze dan, met zijn drieën in een soort konditorei waar vooral oudere dames en heren hun koffie of thee met ‘iets erbij’ plegen te nuttigen.
Als het aan Barend gelegen had, waren ze in een gezellige kroeg gaan zitten maar de doodgraver wilde dat niet.
Hij was bang dat er misschien toch een kleine kans was dat ze daar bekenden van ‘het Arendsnest’ zouden tegenkomen.
Johan had nog voorgesteld om naar de hotelkamer te gaan maar daar voelde Barend weer niets voor.
En zo zaten ze dan aan een klein tafeltje op breekbare stoeltjes te kijken hoe de bestelde koffie met gebak voor hen werd neergezet.
Een verlate najaarswesp vergezelde het lekkers en verdween pas toen de doodgraver, die het woord wilde nemen, hem verjoeg.
“Allereerst bedankt voor jullie hulp. Ik had die eigenlijk niet verdiend.”
Barend knikte instemmend.
“Ik kan me voorstellen dat jullie denken dat ik een doortrapte schurk ben,” vervolgde de doodgraver.” Maar dat is niet zo.”
Barend keek verbaasd op van zijn taartje, waar hij net de chocoladeversiering afgepeuterd had.
De doodgraver liet zich door Barends blik en de wesp, die het gebak ook eens wilde inspecteren, niet van de wijs brengen en ging verder.
“Barend, jij kent me nog door het werk dat je voor ons gedaan hebt…”
“Je bedoelt toch dat werk waar ik nog niet voor betaald ben?” onderbrak Barend hem.
“Ja, dat bedoelt hij,” zei Johan geïrriteerd “Ga verder.”
De doodgraver zwaaide met zijn armen, zodat de wesp zijn heil elders ging zoeken en vervolgde: “Ik zal me even voorstellen. Mijn naam is Wilhelm du Coq. Mijn vader was juwelier en eigenaar van het Arendsnest. Hij was een geslaagd zakenman maar helaas verslaafd aan het gokspel.”
De wesp was inmiddels door een venijnig kijkende dame richting Johan verjaagd, die ook al weinig met het insect ophad.
“In korte tijd heeft hij zijn hele fortuin er doorheen gejaagd. Een internationale misdaadorganisatie heeft toen aangeboden al zijn schulden te betalen in ruil voor zijn medewerking. Door zijn contacten in de juwelierswereld kon hij ze goed van dienst zijn.
Omdat ik zijn zoon ben, moest ik al snel meedoen, of ik wilde of niet.”
“Je had ook je eigen weg kunnen gaan en niet meedoen met die lui,” vond Johan en bonjourde de wesp naar Barend.
“Dat is waar,” gaf Wilhelm toe. “Maar als je eenmaal gewend bent aan rijkdom, is het moeilijk om daar afstand van te doen. En daar komt nog bij dat we in het begin eigenlijk niet veel meer hoefden te doen dan informatie te verschaffen. Pas later werden we er echt bij betrokken en toen was het natuurlijk te laat om er mee te stoppen. Op het ogenblik zit ik er tot over mijn oren in. Mijn vader is inmiddels overleden en aan mij hebben ze niet zoveel. Mijn vader was voor de buitenwacht de gerespecteerde zakenman en ik ben alleen maar zijn verwende zoontje. Met mij hebben ze dus geen entree in rijke zakenkringen waar wat te halen valt.”
Wilhelm schrok van Barend, die zijn arm hief voor een klap, maar ging verder toen hij zag dat deze niet voor hem bedoeld was , maar voor de wesp die op het gebak was neergestreken.
“Ik werd al snel gebruikt als manusje van alles en over het Arendsnest heb ik niets meer te vertellen. Daar komt nog bij dat ik geen succes ben in de wereld van de misdaad. Bovendien weet ik teveel en daarom ben ik gevaarlijk voor ze. Door een buitengewoon toeval kwamen jullie precies op het moment dat ze me uit de weg wilden ruimen.”
Wilhelm boog zich iets voorover en sprak op samenzweerderige toon: ”Toch kan ik waardevol voor jullie zijn want ik weet dat jullie achter de bende aanzitten en ik heb een plan.”
Het was niet de mededeling over het plan die insloeg als een bom maar de hand van Barend, die de wesp diep in het gebak mepte.
Cake en klodders slagroom vlogen in het rond en de kopjes stonden op hun schoteltjes te trillen.
Wilhelm liet een gebaksvorkje vallen en Johan bracht zijn arm in stelling om een eventuele aanval af te slaan.
Barend haalde tussen duim en wijsvinger het overblijfsel van de wesp tussen de klodders vandaan en toonde dit triomfantelijk aan de omgeving, die hier alles behalve opgetogen op reageerde.
Het duurde even voor de zaak gesust was en het gesprek weer voortgezet kon worden.
Johan haalde nog wat slagroom van zijn overhemd en vroeg: “En waarom denk je dat we met jou willen samenwerken?”
“Omdat ik weet hoe je ongemerkt het Arendsnest kunt binnenkomen.”
“En wat zit er voor jou dan aan vast?”
“Ja, want waarom zou jij ons helpen?” vulde Barend aan, die over de gêne van zijn onbesuisde aanval van daarnet heen was. “Wie zegt ons dat je ons er niet op de een of andere manier wilt inluizen?”
“Wat win ik daarmee?” was de wedervraag van Wilhelm. “Ze willen me tóch uit de weg ruimen, of ik jullie nu wel of niet erbij lap.”
Er viel een korte stilte waarin een ieder nadacht.
Johan wilde net iets zeggen maar Barend was hem voor.
“Zeg Johan, lust jij je gebak niet meer?”
“Neem maar, hoor,” zei Johan afwezig en schoof Barend het gevraagde toe.
“Kijk,” ging Wilhelm verder. “Ik kan geen kant meer op. Geld om weg te vluchten heb niet en als ik hier blijf, ga ik eraan. Als ik nou samen met jullie wat belastend materiaal uit de kluis steel en aan de politie geef, hoop ik gratie te krijgen of op zijn minst strafvermindering.
En op die manier neem ik meteen wraak op die schurken die mijn leven geruïneerd hebben. Want ook dat is voor mij heel belangrijk. En jullie strijken de beloning op…”
Johan en Barend keken elkaar aan.
Wilhelm zag dat ze geïnteresseerd begonnen te raken en deed er nog een schepje bovenop.
“Ik ken het Arendsnest op mijn duimpje en ik garandeer jullie dat we ongezien bij de kluis kunnen komen, waar ik de code van ken. We moeten alleen een paar spullen aanschaffen voor vannacht maar ik weet waar je die krijgen kunt. Alleen, een van jullie moet het gaan halen want ik durf me overdag niet meer op straat te vertonen. Als jullie met het voorstel akkoord gaan, kunnen we vanavond al aan de slag.”
“En dat zegt van zichzelf dat hij geen schurk is,” smaalde Barend.
Wilhelm gaf geen krimp.
“Als jullie maar begrijpen dat we er alledrie belang bij hebben om die gegevens te stelen en aan de politie te overhandigen.”
“Goed,” zei Johan. “We doen het.”
Barend sputterde nog wat tegen maar liet zich toch overhalen.
De beslissing was genomen: nu zou het er om gaan spannen!

hoofdstuk 3

Author: jeroenstamgast

Het was al weer de derde dag van hun verblijf in Luxemburg, bedacht Barend zich.
Hij zat op het kleine balkon van het hotelletje dat ze genomen hadden in een heerlijk najaarszonnetje en bladerde lui door een paar tijdschriften.
Johan was ook deze dag druk bezig, om met de weinige informatie die hij bezat, de verblijfplaats van de voortvluchtigen te vinden.
Het interesseerde Barend eigenlijk niet zo bijzonder meer.
Hij nam nog een slok bier en blies tevreden kleine rookwolkjes uit zijn pijp de sfeervolle omgeving in.
Hij genoot ervan om er een paar dagen helemaal uit te zijn.
En, hoewel hij Johans jeugdig enthousiasme af en toe knap vervelend vond, hij moest toegeven dat ze het af en toe ook heel gezellig met elkaar hadden.
Johan wisselde zijn speurtochten af met vakantie houden en Barend wisselde niets af; hij hield gewoon vakantie.
Hij was dan ook onaangenaam verrast toen Johan plotseling binnenstapte met de mededeling dat hij het Arendsnest gevonden had.
“En weet je nou waarom ik het eerst niet kon vinden?” voegde hij er aan toe.
“Nee,” antwoordde Barend zonder enthousiasme.
“Omdat ik de hele tijd gezocht heb naar een oud kasteel,” verklaarde Johan. “En het is helemaal geen oud kasteel. Het is een buitenhuis dat gebouwd is op de plaats waar vroeger een kasteel gestaan heeft.”
“En wat doet jou tot de conclusie komen dat dat het Arendsnest is?”
“Nou, om te beginnen heet het zo en ten tweede ligt het heel geïsoleerd dus ideaal voor allerlei stiekeme praktijken.”
“Nou, je hebt mij nog niet overtuigd, hoor,” bromde Barend, die sowieso geen enkele zin had om zich te laten overtuigen.
Johan haalde daarop met de kalme zekerheid van iemand die weet dat hij gelijk heeft, een plattegrond tevoorschijn en lichtte zijn ontdekking toe.
Barend keek somber voor zich uit.
Hij ergerde zich aan Johans zelfverzekerde houding en het vervelende was dat hij waarschijnlijk nog gelijk had ook.
“Oké,” zei Barend. “Je hebt me helemaal overtuigd en wat gaan we nu doen?”
Even was het stil.
“Ja,” ging Barend verder. “Want daar hebben we het nog niet over gehad, hè. Want echt bewijsmateriaal waar de politie mee uit de voeten kan, hebben we nog niet. Zij willen keiharde feiten en geen halfzacht vermoedentje waar wij mee aankomen. Deze informatie levert ons echt niet die grote beloning op waar jij het over had.”
“Je hebt gelijk,” gaf Johan toe. “En daarom stel ik voor om poolshoogte te gaan nemen in het dichtstbijzijnde dorpje dat daar is. Als we ons onopvallend onder de dorpsbewoners begeven, komen we misschien meer te weten over het reilen en zeilen van die schurken. En wie weet: misschien kunnen we aan de hand daarvan een plan bedenken.”
Daar had Barend niet zoveel moeite mee.
Als je je onopvallend onder de dorpsbewoners wilde begeven om aan inlichtingen te komen, zou je toch wel in het plaatselijke café terechtkomen.
En zo gebeurde het ook.
Alleen was het niet het type ‘gemoedelijke dorpsbewoner’ dat ze in de enige kroeg van het dorp ontmoetten.
De buitenkant van het etablissement leek dan wel, met zijn uit vakwerk opgetrokken muren, regelrecht uit een sprookjesfilm te komen en ook het interieur stelde wat dat betreft niet teleur.
Maar wat te denken van vier ongunstige types die het niet gek zouden doen in een goedkope gangsterfilm?
De vier leunden met hun rug tegen de bar en hielden hun onbetrouwbare tronies gericht op de deur, zodat Johan en Barend bij het binnenkomen het gevoel kregen door een executiepeloton verwelkomd te worden.
“Lekkere tent heb je uitgezocht,” bromde Barend.
“Weet jij iets beters dan?”
“Ja: wegwezen. Zie je niet hoe ze ons aankijken?”
“Ach, in zo’n dorpje waar iedereen iedereen kent, zijn ze natuurlijk een beetje wantrouwend als er vreemdelingen binnenkomen.”
Johan trok een vriendelijk gezicht en richtte zich tot het ontvangstcomité.
“Een goede middag samen.”
Er kwam geen enkele reactie.
De vier bleven strak voor zich uitkijken, ook toen Johan en Barend zich enigszins ongemakkelijk naar de tap begaven.
Barend keek nog eens achter zich om te kijken wat er nou toch aan die deur te zien was waar ze zo naar staarden maar kon niets ontdekken.
Johan had zich ondertussen tot de nerveuze herbergier gericht en bestelde twee pilsjes.
Hij kon ze krijgen maar het ging niet van harte.
Hij moest meteen betalen en er werd hem min of meer te verstaan gegeven dat ze na het nuttigen daarvan, maar beter direct konden opstappen.
“Er hangt onweer in de lucht,” voegde de herbergier er veelbetekenend aan toe.
“Hoe bedoelt u?” vroeg Johan.
“Vat het op zoals je wilt, maar ik zeg je dat je beter kunt vertrekken.”
De herbergier keerde zich van hem af en begon zenuwachtig enige glazen om te spoelen.
Johan en Barend nipten zwijgend van hun biertje en voelden er veel voor om inderdaad maar op te stappen.
Helaas voor hen raakten drie van de vier klaarblijkelijk uitgekeken op de deur.
Een van de drie, de grootste, die alleen maar uit spierbundels leek te bestaan, bestelde een pilsje.
Hij botste daarbij opzettelijk tegen Johan, die een gedeelte van zijn pils over de rand van zijn glas zag klotsen.
De twee anderen, waarvan een de veelbetekenende tekst ‘ kill’ op zijn T-shirt had staan, meldden zich bij Barend.
Johan en Barend probeerden te doen alsof er niets aan de hand was, maar dat viel moeilijk vol te houden.
‘Kill’ prikte Barend provocerend in de buik.
“Wat is hij groot, hè. Zou hij ook zo sterk zijn als hij eruit ziet?”
Zijn maat kneep even gemeen in Barends arm.
“Een hoop vet, hoor,” oordeelde hij misprijzend.
“Deze hier lijkt me helemaal niets waard,” lachte de grote en gaf Johan een paar ‘schouderklopjes’ die zo hard aankwamen dat de rest van het bier nu ook uit Johans glas klotste.
Het begon er somber uit te zien maar er kwam hulp van onverwachte kant.
Een van de vier, die al die tijd wél naar de deur was blijven kijken, zag door zijn dikke hoornen bril iemand naar binnen komen.
”Daar is hij, mannen! Grijp hem!” riep hij.
De drie die bij Johan en Barend stonden, stormden naar voren en grepen de binnenkomer bij de lurven.
De brildrager, die blijkbaar de leider van het groepje was, wandelde kalm naar de in het zwart geklede heer, die stevig vastgehouden werd.
Barend haalde opgelucht adem en pakte Johan bij de arm.
“Kom op, laten we hem smeren nu het nog kan.”
“Maar die man ken ik,” sputterde Johan tegen. “Dat is die doodgraver uit het huis waar je die doodskisten maakte.”
“Dat is een van die schurken, ja. Laat ze elkaar maar afmaken. Dat is beter dan dat ze ons te grazen nemen. Dit is menens, hoor. Dit zijn geen padvinders. Kom op!”
Barend begon Johan mee te trekken naar een deur, waarachter de herbergier inmiddels al verdwenen was.
Johan schudde zich los.
“Heel even wachten.”
Duidelijk was de angst in de ogen van de doodgraver af te lezen.
De ‘bril’ gaf de weerloze man een klap in het gezicht.
“Zo, die heb je verdiend met dat slappe gedoe van je. Het is uit met ons geduld. Van jou hebben we meer last dan gemak.”
De doodgraver kreeg een tweede klap en werd hardhandig afgevoerd.
“Ze zullen hem vermoorden!” riep Johan ontsteld.
“Nou en? Liever hij dan wij. Kom op!”
Johan keek vol ongeloof naar wat er gebeurde.
Zoiets had hij nog nooit meegemaakt en in een opwelling pakte hij een barkruk en snelde naar het groepje toe.
Een van de vier keek om en zag nog net hoe de barkruk met een enorme vaart op de hersenpan van zijn collega terechtkwam.
Die zakte daarop ogenblikkelijk in elkaar.
De ander reageerde daarop door uit te halen naar Johan.
Deze wist de klap handig te ontwijken en bracht de barkruk in stelling voor een nieuwe dreun.
Maar daar zou hij niet meer aan toe komen.
De ‘grote’ had de doodgraver intussen met een enorme mep bewusteloos geslagen, zodat hij zich nu op Johan kon richten.
Hij greep hem vast en slingerde hem naar ‘Kill’.
Deze deed hem van achteren in een soort nekklem, zodat Johan geen kant meer op kon.
“Bril’, die zag dat de doodgraver uitgeteld was, liep dreigend op Johan toe.
“Waar bemoei jij je mee, snotaap? Wou je soms ook kapot? Nou, dat kan!”
‘Bril’ haalde uit voor een klap in het gezicht van Johan, maar kwam onderweg de arm van Barend tegen.
Deze had zich dan ook maar in de strijd gemengd.
Hij trok de arm van ‘Bril’ naar zich toe, zodat het daarbij behorende lichaam meekwam.
Vervolgens deed hij zijn knie omhoog en drukte daar hardhandig het hoofd van ‘Bril’ op.
Deze zakte geluidloos in elkaar.
Alleen het kapot vallen van zijn bril op de stenen vloer was te horen.
Johan wist intussen zover voorover te buigen dat ‘Kill’, die hem nog steeds van achteren in een nekklem hield, langzaam maar zeker opgetild werd.
Tenslotte viel hij over Johan heen op de grond en had losgelaten.
Johan sprong meteen boven op hem en begon er op los te rammen.
‘Grote’ keek eens om zich heen.
De doodgraver lag nog steeds bewusteloos, dat kon geen kwaad, twee collega’s waren uitgeschakeld, één door een barkruk en één door het betere handwerk, ‘Kill’ had intussen Johan van zich afgewerkt en was een goed vechter dus die zou het wel redden.
Doel was dus om die andere uit te schakelen.
Op een bepaalde manier verheugde hij zich daar wel op.
Hij had tot nu toe, met zijn enorme sterke lichaam, nog maar weinig echte tegenstand meegemaakt tijdens vechtpartijen.
De tegenstander die hij nu zag, leek er wel eentje van zijn eigen kaliber.
Hij was dan wel ouder en dikker dan hij zelf, een beetje vergane glorie zou je kunnen zeggen, maar hij kon aan alles merken dat hij in zijn jonge jaren een goede vechter geweest moest zijn.
Dat beloofde dus een mooie strijd te worden.
Barend keek heel anders tegen de situatie aan.
Niets geen uitzicht op een mooie strijd.
Hij voelde verdraaid goed aan dat hij eigenlijk te oud en te dik geworden was om deze goedgetrainde vechtmachine uit te kunnen schakelen.
Langzaam naderden de kolossen elkaar totdat ze binnen elkaars handbereik waren.
Bij Johan en Kill ging het juist om snelheid.
De beide tegenstanders probeerden elkaar af te troeven met allerlei vechttechnieken die op snelheid gebaseerd waren.
Kill had zich danig vergist in zijn tegenstander.
Hij had gedacht deze ‘mooie jongen’, dit doetje, wel even alle hoeken van de zaak te laten zien.
Maar wat hij niet wist, was, dat Johan, hoewel hij nooit op straat vocht, de beste was van zijn karateclub, waar hij twee keer in de week trainde.
Grote pakte Barend bij zijn trui.
“Een beetje vet geworden, ouwe?”
“Handen thuis, maatje!”
Barend greep de arm die zijn trui vasthield en begon deze opzij te duwen.
Grote duwde uit alle macht terug maar moest tot zijn ongenoegen toegeven dat Barend sterker was.
Zijn arm werd langzaam maar zeker opzij geduwd.
Het gaf Barend in ieder geval weer een beetje moed.
Hij wilde zelfs al tot een echte aanval overgaan maar Grote was hem voor.
Plotseling gaf hij mee, de arm ging helemaal naar opzij en Barend, die bij het armdrukken ook een beetje zijn lichaam gebruikte, verloor daarbij zijn evenwicht.
Hij kreeg nog een duw na en viel bijna op de grond.
Hij draaide zich zo snel als hij kon om, klaar om een eventuele aanval af te slaan.
Maar Grote keek hem alleen maar spottend aan, zijn handen nota bene provocerend in zijn broekzakken houdend.
Barend voelde zich vernederd en zijn angst sloeg om in boosheid.
“Pas op dat je niet overmoedig wordt, salonworstelaar! Ik heb in het verleden wel meer omhooggevallen blaaskaken tegen de grond geslagen!”
Barend stormde naar voren en haalde een paar keer flink uit.
Maar elke maai met zijn arm werd vakkundig afgeweerd of ontweken en Grote vond zelfs nog de tijd en de rust om hem tussendoor te jennen.
“Dat was vroeger, opa…Je leeft in het verleden, fossiel…Wanneer ga je nou eens serieus vechten?”
Barend brieste van woede en verloor het laatste restje voorzichtigheid.
Hij kreeg een dreun tegen zijn hoofd, voelde bij het achteruitstappen hoe zijn linkerbeen onderuit geschopt werd en viel vervolgens zwaar op de grond.
Grote gaf Barend alle tijd om overeind te krabbelen.
“Je bent wel sterk maar je mist snelheid, ouwe.”
Johan was het gelukkig beter vergaan dan Barend tot nu toe.
Hij had Kill door middel van allerlei schijnbewegingen in een hoek weten te drijven zodat hij niet verder naar achteren kon en had toen toegeslagen, of liever gezegd: toegetrapt.
Hij haalde uit voor een slag op het gezicht.
Kill begon al af te weren en had daardoor te laat in de gaten dat Johans rechtervoet richting buik ging, zodat deze zonder al te veel problemen doel kon treffen.
Een korte droge tik op de slaap maakte het karwei af.
Daarna had Johan het laatste deel van de strijd tussen de twee giganten gevolgd en gezien dat Barend wel wat hulp kon gebruiken.
De laatste stond inmiddels weer overeind en keek woedend in het spottende gezicht van Grote.
Johan kende de kracht van Barends vuisten.
Hij was in zijn kindertijd eens mee geweest naar een bokswedstrijd op een kermis waarin Barend een tegenstander van naam met een paar mokerslagen knock-out had geslagen.
Johan sloop tot twee meter achter Grote en riep plotseling: “Hé, aangeklede waslijn!”
Er gebeurde waar Barend, die Johan wél had zien gaan, op hoopte.
Grote keek geschrokken achterom.
Barend legde al zijn frustraties over het gevecht tot nu toe, in een allesvernietigende uithaal, die dreunend op de kaak van zijn tegenstander terechtkwam.
Johan schrok er zelfs van.
Hij meende het kraken van kaken te horen maar dat wist hij niet helemaal zeker.
Duidelijk was in ieder geval dat Grote uitgevochten was.
Barend keek neer op de gevelde krachtpatser, wreef over zijn vuist en richtte zich tot Johan.
“Bedankt voor je hulp. Ik denk niet dat ik het anders gered zou hebben. Maar laten we nu gaan. Dit lukt ons geen tweede keer. Zeker niet als ze hun smerige vriendjes gaan halen.”
Ze liepen naar de deur en ontdekten dat het bewusteloze lichaam van de doodgraver inmiddels verdwenen was.
“Die is natuurlijk bijgekomen toen wij bezig waren en ‘m gesmeerd,” veronderstelde Johan.
“Nog geen bedankje kon ervan af,” bromde Barend.
Ze bleven er niet te lang bij stilstaan en reden even later het parkeerplaatsje af, de weg op.
Plotseling dook de doodgraver, zwaaiend met zijn armen, pal vóór hen, uit de struiken op.
Johan trapte krachtig op de rem, waarbij Barend zijn hoofd tegen de voorruit stootte.
De doodgraver probeerde de deur van de auto open te maken.
“Snel! Laat me erin! Snel dan toch!”
Barend knikte met zijn hoofd naar het gevulde sportwagentje.
“Jij maakt grapjes. Waar wou je zitten dan?”
Johan zag de verschrikte ogen.
“Kruip er maar bij,” zei hij, welk advies de doodgraver ogenblikkelijk opvolgde.
Hij vond moeizaam een plekje achterin.
“Waar wou u naar toe?” vroeg Johan.
“Maakt niet uit,” antwoordde de doodgraver, achterom kijkend naar het café waar ze zonet hun hachelijke avontuur beleefd hadden. “Als je niet snel bent, hoef je nergens meer naar toe.”
Johan gaf daarop vol gas en de trouwe MG deed wat van hem verwacht werd: wegwezen!

hoofdstuk 2

Author: jeroenstamgast

Erg lekker geslapen had Johan niet, die nacht.
Vooral die droom over een reusachtig grote doodgraver die hem in een doodskist vol met broodjes en bier wilde stoppen, lag hem nog behoorlijk zwaar op de maag.
Raar toch dat een droom zo’n invloed kan hebben op de eerste ogenblikken van de dag.
Maar toen Johan eenmaal de ochtendkrant van de deurmat gehaald had, waren de schimmige droombeelden al weer verdwenen.
Hij schonk zichzelf een glas melk in, smeerde een broodje en nestelde zich gezellig met de krant op de bank in de woonkamer.
Plotseling viel zijn oog op een onopvallend berichtje dat verscholen zat tussen de afdeling moord en doodslag.
Hij las aandachtig wat er stond.
-Gisteren in de namiddag zijn uit de kluis van freule Otjegoos-Verschoor juwelen van grote
waarde ontvreemd. Hoewel de politie geen nadere mededelingen kan doen, is bekend dat
deze brutale roof veel overeenkomsten vertoont met eerder uitgevoerde juwelendiefstallen.
De politie vermoedt dat het een goed georganiseerde bende betreft. Freule Otjegoos-
Verschoor heeft een grote beloning uitgeloofd aan een ieder die inlichtingen kan
verstrekken.
Johan legde de krant even opzij en nam een slok van zijn melk.
Het zou wel heel toevallig zijn als die diefstallen te maken zouden hebben met zijn belevenissen van de vorige avond.
Maar is het niet zo dat de hele wereld van toevalligheden aan elkaar hangt?
Wat lette hem eigenlijk om daar nog eens een kijkje te gaan nemen?
Want ook als zijn belevenissen niets met die juwelenroof te maken zouden hebben, helemaal pluis was het er in elk geval niet.
Eindelijk weer eens wat afwisseling in zijn saaie bestaantje!
En met een eventuele beloning voor zijn speurwerk wist hij ook wel raad.
Hij zou zich schuil kunnen houden in of achter een van de grote bomen die om het landhuis stonden.
Eigenlijk gaf hij zichzelf weinig kans om iets te ontdekken maar als het een beetje meezat, zou Barend daar ook komen en dat was ook een reden om er heen te gaan.
Een uurtje later parkeerde hij zijn auto, zoveel mogelijk uit het zicht, tussen de struiken langs de kant van de weg.
Hij klom in een boom van waaruit hij een goed zicht op het landhuis had.
Waar hij op gerekend had, gebeurde inderdaad ook: van enige bedrijvigheid in en om het huis was niets te bespeuren en hij begon zich al snel te vervelen in zijn uitkijkpost.
Plotseling hoorde hij een tak achter zich kraken en hij draaide zich schichtig om.
De onverwachte aanwezigheid van een grote gestalte beneden hem, deed hem bijna van schrik uit de boom tuimelen.
Dit tot groot vermaak van degene die hem beslopen had en dat was voor Johan, die er zijn oom Barend in herkende, moeilijk te verkroppen.
“Mag ik weten, als u uitgelachen bent natuurlijk, waarom u mij in het geniep van achteren besluipt?”
“Ik zag een autootje staan tussen de struiken en ik dacht dat jij wel in de buurt zou zijn. En toen ik je daar zo stiekem in die boom zag zitten, kon ik het niet laten om ook stiekem te doen. Maar het was niet mijn bedoeling om je zo te laten schrikken, hoor.”
“Nou, dat is dan niet gelukt,” zei Johan korzelig.
“Man, kijk toch niet zo chagrijnig! Het zonnetje schijnt, de vogeltjes fluiten en… vandaag is het betaaldag!”
Johan trok desondanks een gezicht als een oorwurm en Barend kreeg het gevoel dat hij iets goed te maken had.
“Weet je wat? Kom met me mee. Als je je ogen en oren de kost geeft, kan je zo toch nog de misdaad van de eeuw oplossen.
Johan voelde de spot in Barends stem maar ging toch in op het voorstel en zo stonden ze even later voor het oude landhuis.
Barend belde aan maar er werd niet opengedaan.
Ook een tweede en derde keer bellen leverde niets op.
“Het lijkt wel of er niemand thuis is,” bromde Barend.
Hij morrelde aan de deur en keek door het raam.
De kamer was leeg en verlaten.
Barend wrikte nog eens aan de deur.
Morrelen kon je het niet meer noemen.
“Ik bel nog één keer aan…” sprak Barend dreigend.
“En dan?” vroeg Johan.
“Dan breek ik die deur open en als jij die grijns niet van je gezicht haalt, gebruik ik jou als breekijzer!”
Johan keek toe hoe Barend, na weer vergeefs aangebeld te hebben, zich gereed maakte om de deur in te beuken.
Johan ging een stapje opzij en zag, niet zonder bewondering, hoe Barend een enorme hoeveelheid gewicht aan spieren en vet in stelling bracht, ongetwijfeld met het doel om dwars door de niet al te stevige deur heen te gaan.
Een korte aanloop, een enorme dreun, gevolgd door gekraak en allerlei andere geluiden en Barend vloog met de resten van de deur het huis binnen.
Een beetje beduusd wandelde Johan door de zo ontstane opening en vroeg zich af of zijn oom nu niet een beetje te ver ging.
Barend vroeg zich niets af want hij krabbelde overeind en rende een trap op.
Je kon wel merken dat hij hier bekend was.
Terwijl Johan beneden wachtte, hoorde hij boven allerlei deuren open en dicht gaan, gevolgd door een reeks vloeken
Tenslotte kwam Barend, wit van woede, de trap af en ging vervolgens op een van de onderste treden zitten.
“Ze zijn hem gesmeerd, de vuilakken! En ze hebben alles meegenomen, inclusief mijn geld.”
“Ach, wat geeft dat,” spotte Johan. “Het zonnetje schijnt, de vogeltjes fluiten en…er komt vast nog wel eens een betaaldag…”
Barend keek Johan vernietigend aan.
“Dit is niet het moment om lollig te doen!”
Johan kon zich zo’n moment ook nog wel herinneren maar achtte het raadzamer om zijn mond hierover te houden.
Bovendien was hij zelf toch ook wel zo bij de zaak betrokken dat hij nieuwsgierig was naar de plotselinge verdwijning van de hele bende.
“Weet u wel zeker dat ze weg zijn? Misschien komen ze nog terug.”
“Nee jongen, ze zijn hem gesmeerd.”
“Maar hoe weet u dat dan?”
“Dat zal ik je vertellen. Dit huis was praktisch leeg, op wat hoogst noodzakelijke spullen na: een bureau, een kluis, een kast met papieren en een paar veldbedden. Nou, en dat alles is er niet meer. Vannacht weggehaald waarschijnlijk. Alle sporen uitgewist. Verdwenen! In rook opgegaan!”
“Als we er achter kunnen komen waar ze dit huis gehuurd of gekocht hebben, weten we wie ze zijn en waar ze naar toe gegaan zijn.”
“En jij denkt dat ze zo stom zijn geweest om hun echte naam op te geven? Wel nee, man! Ze hebben dit gewoon onder valse naam voor een bepaalde tijd gehuurd van een of andere projectontwikkelaar. Het geld is natuurlijk zwart uitbetaald, zodat het nergens officieel vastgelegd is. Niemand die het weet, dus geen haan die er naar kraait!”
“Maar hebben ze u dan nooit iets verteld?”
“Dat heb ik je gisteren al proberen uit te leggen. Ik heb niets met ze te maken en ik wilde ook niets met ze te maken hebben. Ik heb zoveel mogelijk elk contact met ze vermeden. Ik heb ze niets gevraagd en alleen die paar doodskisten met dubbele bodem geleverd. En daar zou ik buitengewoon goed voor betaald worden.”
“En nou heeft u dus niets…”
“Nou ja, ik heb natuurlijk een riant voorschot gehad maar ik zou de rest nog krijgen.”
Er viel een stilte waarin Johans hersenen op volle toeren draaiden.
“Wat zou u ervan zeggen als we ze achterna gaan?
Doordat ik dat gesprek afgeluisterd heb, weet ik ongeveer waar ze zitten. Ik heb nog vakantiedagen over, u werkt voor uzelf dus u kunt weg wanneer u wilt. We nemen een goedkoop hotelletje, gaan op onderzoek uit en als we ze gevonden hebben, slepen we die grote beloning samen in de wacht.”
“Grote beloning?”
Barends gezicht klaarde op.
“Ja, dat stond in de krant: een ieder die inlichtingen kan verstrekken, krijgt een grote beloning.”
Er leek Johan plotseling niets leuker dan om met zijn tweeën naar Luxemburg te gaan. Hij was dat jaar nauwelijks op vakantie geweest, Maaike was er toch niet en hij had echt behoefte aan wat afwisseling.
Bovendien vond hij het leuk om de verloren gegane band met zijn oom weer aan te halen.
Hij legde veel overtuigingskracht in zijn pleidooi om er op uit te trekken en Barend leek zowaar overstag te gaan.
“Nou ja,” bromde hij. “En als we ze niet vinden, hebben we in ieder geval een paar leuke dagen gehad. Want dat wil ik dan wel doen, hoor: een beetje vakantie houden.”
“Natuurlijk!” riep Johan. “We moeten er voor zorgen dat alleen al de reis er naar toe een feest is.”
Ze besloten met Johans auto te gaan.
Barend paste daar dan wel niet zo goed in maar zijn bestelwagen was hoognodig aan een onderhoudsbeurt toe.
En zo gingen Johan en Barend in feeststemming naar Luxemburg waar ze na drie files, een lekke band, twee omleidingen en drie kwartier extra reistijd omdat Johan een kortere weg meende te weten, heel wat minder feestelijk arriveerden.

hoofdstuk 1

Author: jeroenstamgast

>

Het regende nog steeds toen Johan voor de zoveelste maal die dag naar buiten keek.
Het weer zag er net zo troosteloos uit als de gezichten van zijn collega’s in de modern ingerichte kantoorruimte.
Het meubilair mocht dan enige tijd geleden vernieuwd zijn, de mensen zagen er nog net zo stoffig uit als vroeger.
Niets voor zo’n jonge vent als ik, dacht Johan en beroerde lusteloos met de vingers van zijn ene hand de toetsen van het toetsenbord, terwijl hij de vingers van zijn andere hand gebruikte om zijn hoofd te ondersteunen.
Twee jaar zit ik hier nu en ik ben al zo afgestompt dat ik niet eens de fut meer heb om te berekenen hoeveel jaar ik nog te gaan heb voor ik met pensioen mag.
Hij keek op zijn horloge en constateerde dat de werkdag er in ieder geval over tien minuten op zou zitten.
“Tijd om te gaan,” mompelde hij en kwam zuchtend overeind.
Hij wandelde zo onopvallend mogelijk naar de deur en verdween, zonder door zijn collega’s opgemerkt te worden.
Het is maar goed dat het weekend wordt, dacht Johan en trok zijn leren jack aan.
De lift zoefde naar beneden en Johan bekeek de sleutels van zijn ouwe trouwe MG.
“Toen werden er tenminste nog echte auto’s gemaakt,” mompelde hij tevreden en opende de deur van de lift.
De parkeergarage was snel bereikt en even later reed hij met zijn sportwagentje door drukke straten, omgeven door moderne kantoorkolossen.
Bij de afslag naar het winkelcentrum werd hij verrast door een met grote snelheid aanstormende Amerikaanse stationwagen.
Johan reageerde snel, week uit naar links en wist een botsing nog maar net te voorkomen.
De auto’s scheerden rakelings langs elkaar heen.
De verkeersdrempel, die voor het parkeerterrein aangelegd was, werd zodoende met veel te grote snelheid genomen en een ogenblik leek het of Johan en zijn auto gelanceerd werden.
Gelukkig liep alles nog goed af en Johan kon op zoek gaan naar een parkeerplaatsje, dat hij na enige tijd ook vond.
Wat rijden er af en toe toch een idioten op de weg, dacht Johan, terwijl hij met een grote boodschappentas een supermarkt binnenstapte.
En het gekke was dat het, te oordelen naar het model, een auto leek te zijn van een begrafenisonderneming.
En begrafenisondernemers staan over het algemeen toch niet bekend als wegpiraten, dacht Johan.
Nou ja, mij zijn ze daarnet als klant in ieder geval misgelopen.
Hij rekende af bij de kassa, deponeerde zijn volle boodschappentas in de MG en begaf zich even later rustig in het drukke stadsverkeer.
Thuisgekomen, toverde hij zijn kleine woning in de binnenstad om tot een plaats waar het ’s avonds aangenaam verpozen is.
Zijn vriendin Maaike zou een week op pad gaan voor haar werk als journaliste en daarom zouden ze het deze avond extra gezellig voor elkaar maken.
Hij vond het fijn voor haar dat ze zo’n leuke baan met veel afwisseling had, maar kon een gevoel van jaloezie toch niet helemaal onderdrukken.
Zijn eigen baan betaalde leuk maar schonk hem niet veel voldoening.
Hij rommelde wat in de keuken, keek een tijdje naar de televisie, bekeek nog eens wat papieren van zijn werk, bladerde in een tijdschrift over auto’s en begon zich steeds meer af te vragen waar Maaike toch bleef.
Eindelijk ging de deurbel.
Hij opende de deur en keek verbaasd naar het enigszins gehavende gezicht van Maaike.
“Wat is er met jou gebeurd?” vroeg hij geschrokken en keek naar een grote bult op haar voorhoofd en een schaafwond op haar wang.
“Ik ben aangereden door een auto,” zei Maaike met een beetje trillerige stem en gaf hem een vluchtige zoen.
“Kom gauw binnen,” zei Johan en begeleidde haar naar de bank.
“Wil je iets drinken?”
“Doe maar iets,” zei Maaike en betastte haar pijnlijke elleboog.
Johan schonk een glaasje in en ging naast haar zitten.
“Wat is er precies gebeurd?” vroeg hij en vulde voor zichzelf ook een glas.
“Nou, ik fietste van de redactie naar huis om me even op te frissen, toen er van rechts zo’n grote Amerikaanse slee kwam aanscheuren. Hij had natuurlijk voorrang maar omdat hij zo snel aan kwam zetten, had ik hem gewoon te laat gezien.”
“Heeft hij je echt aangereden?” vroeg Johan en nam snel een slok.
Nou, ik reed meer tegen hem aan. Ik raakte zijn zijkant en viel op straat. Verbogen voorvork!
Ik heb mijn fiets maar daar gelaten en ben naar jou gewandeld.”
Maaike stond op en begaf zich naar de badkamer.
“Even mijn gezicht verzorgen.”
“Het verbandtrommeltje staat in het kastje naast de spiegel!” riep Johan haar na.
Maaike was even bezig maar stak toen haar hoofd om de deur.
“Weet je wat trouwens raar was? Het leek wel een begrafeniswagen. Ik vond het al gek dat hij zo hard reed maar dat hij, nadat ik op de grond gevallen was, gewoon doorreed is natuurlijk helemaal vreemd. Dat zou je van zo’n begrafenisonderneming toch niet verwachten.”
Johan keek peinzend voor zich uit.
“Het zal natuurlijk wel toeval zijn, maar ik had vanmiddag ook bijna een aanrijding met zo’n wagen.”
Maaike kwam weer naast hem op de bank zitten en dronk haar glas leeg.
“Ik voel me niet helemaal lekker. Zou je me naar mijn eigen huis willen rijden?”
Johan keek haar aan met een mengeling van teleurstelling en bezorgdheid.
“Het is niet ernstig hoor. Maar morgen moet ik op reis en het lijkt me beter dat ik me vanavond even rustig houd.”
“Ik breng je wel thuis,” zei Johan en probeerde vergeefs zijn teleurstelling te verbergen.
“En als je me vertelt waar je fiets staat, zal ik die morgen wel ophalen en naar de fietsenmaker brengen.”
Maaike gaf hem een zoen en streek hem door zijn haar.
“Lief van je dat je zo begripvol bent. En ik beloof je dat ik, als ik over een weekje weer terug ben, het dubbel en dwars zal goedmaken.”
Maar toen Johan haar thuis had afgezet, kon die belofte hem niet echt opbeuren.
Hij startte de MG en vroeg zich mismoedig af wat er op tv zou zijn.
Op dat moment werd hij ingehaald door een keihard rijdende begrafenisauto.
Dat leek wel die auto waarmee hij bijna een botsing had gehad en misschien ook wel de auto die Maaike had aangereden.
Zonder echt te weten waarom, volgde hij op enige afstand de auto.
Al vrij snel verlieten ze de buitenwijken van de stad en volgden ze een weg die door een bos voerde.
Hij kende deze omgeving wel.
Hij had er als kind wel gespeeld met zijn vriendjes.
Deed hij dat eigenlijk nu ook weer niet: spelen?
Hoe zou je deze achtervolging anders moeten noemen?
Net doen of je een stelletje boeven op het spoor bent.
Kinderachtig eigenlijk!
Hij begon zich een beetje belachelijk te voelen.
De auto vóór hem reed een oprijlaantje in maar Johan ging de afslag voorbij.
Hij wist namelijk dat dat oprijlaantje eindigde bij een oud landhuis en, of het nu wel of niet boeven waren, ze zaten daar in ieder geval niet op hém te wachten.
Hij parkeerde zijn auto een klein eindje verderop langs de kant van de weg en vroeg zich af wat hij zou doen.
Hij stapte uit, bedacht zich, stapte weer in, bedacht zich weer, stapte uit en bleef besluiteloos staan.
Om hem heen heerste een serene rust.
Hij hoorde slechts het geritsel van blaadjes van bomen en struiken en het geluid van een enkel nachtdier en hij rook een heerlijke bosgeur.
De regen van overdag had zijn verkwikkende werk gedaan.
Plotseling nam hij een besluit en sloop door het door de maan verlichte bos, in de richting van het landhuis.
Behalve de begrafenisauto, die daar inderdaad geparkeerd was, stond er nog een oude bestelwagen bij het schuurtje naast het huis.
Johan sloop tot dichtbij een openstaand raam waarachter licht brandde en, vóór hij het goed en wel in de gaten had, was hij getuige van een gesprek.
Hij kon zelfs een van de twee in het zwart geklede heren zien.
“Hou nou toch eens op met dat gezeur,” zei de ene heer, die hij niet kon zien, in het Duits.
“Ik weet ook wel dat dat ongelukje slecht uitkomt. Maar er is toch verder niets aan de hand. Die meid mankeert waarschijnlijk niets en heeft de politie heus niet verder kunnen helpen. Waar maak je je nou druk over?”
“Ja, maar als ze nou tóch een onderzoek gaan instellen?”
“Dan zijn ze te laat. Alles is al lang geregeld en voor je het weet zitten we weer veilig en wel thuis in ‘ het Arendsnest’.
“Ik help het je hopen! Ik ben in ieder geval blij dat dit het laatste vrachtje is en dan hoop ik maar dat ik Luxemburg voorlopig niet meer uit hoef.”
“Dat denk ik niet want…”
Johan wachtte het einde van het gesprek niet af.
Het gevoel van kinderlijke sensatie dat hij even voelde, maakte plotseling plaats voor angst.
Stel je voor dat ze hem zouden ontdekken!
Nu pas viel het hem op dat de parkeerplaats goed verlicht werd door het schijnsel van de maan en dat hij wel heel veel geluk had gehad dat niemand hem daar had zien rondsluipen.
Het leek hem verstandig om niet dezelfde weg terug te nemen en hij schoof zo voorzichtig mogelijk langs de muur in de richting van het schuurtje.
Daar aangekomen, was het maar een kleine afstand tot het bos, dat hij opgelucht in dook.
Hij kwam bij de weg, volgde deze een eindje, zag zijn ouwe trouwe MG en stapte vlug in.
Hij zuchtte diep en keek eens om zich heen.
Alles was goed afgelopen en een veilig, bijna knus gevoel, kwam over hem door het vertrouwde interieur van de auto en door het idee dat hij bij onraad direct weg kon scheuren.
Hij wilde nog niet zo ver gaan dat hij moest lachen om de angst van daarnet maar hij nam er wel duidelijk afstand van.
Dat een mens zich zo kan laten gaan, dacht hij.
Dat zou hem geen tweede keer gebeuren!
Even later draaide een bestelwagen vanuit de oprijlaan de weg op.
Johan kon het niet laten.
Hij startte de auto en zette de achtervolging in.
Het duurde niet lang voor ze de buitenwijken van de stad weer bereikt hadden.
Daar reden nog een paar auto’s, zodat het voor Johan makkelijker was om onopvallend te volgen.
Bij een oude kroeg in het centrum van de stad werd gestopt en Johan, die iets verder tot stilstand kwam, kon in zijn achteruitkijkspiegeltje zien hoe de bestuurder uitstapte.
Kwam het nu doordat het spiegeltje het beeld enigszins vertekende of was die vent die uitstapte werkelijk zo groot?
Johan draaide zich half om en zag dat het spiegeltje alles natuurgetrouw had weergegeven.
Een kolossale gestalte begaf zich met zware tred in de richting van de kroeg.
Hij moest zelfs bukken om door de deuropening te kunnen.
Johan vond iets verderop een parkeerplaatsje en stapte uit.
Het zou niet moeilijk zijn om die reus tussen de andere bezoekers van de kroeg te herkennen.
Deze enorme figuur deed hem toch wel heel sterk denken aan iemand die hij nog kende uit zijn jeugd.
Hij stapte nieuwsgierig de wereld van drankgeur, tabaksrook en geroezemoes binnen.
De grote, ouderwets ingerichte zaak was goed gevuld met mensen van allerlei leeftijden, rangen en standen.
Hij liep naar de bar, bestelde een alcoholvrij biertje en keek om zich heen.
Waar zat die kerel nou toch?
Als het inderdaad degene was die hij dacht dat het was, zou alles wat hij vanavond gezien en gehoord had, waarschijnlijk ook wel duidelijker worden.
Hij zag een ober achter de bar vandaan komen met een dienblad vol belegde broodjes, een halve kip en een paar pilsjes.
De ober verdween achter een paar gokautomaten en Johan begreep dat daarachter nog een vertrek moest zijn.
Dat verklaarde natuurlijk waarom hij hem nog niet ontdekt had.
Hij bestelde nog een biertje en passeerde ter hoogte van de gokautomaten de ober die met een inmiddels leeg dienblad terugkwam.
Het vertrek dat Johan nu betrad was meer een afdeling met tafeltjes, waar je ook kon eten.
Aan een van die tafeltjes zat de bewuste figuur te schrokken van het eten dat de ober hem net gebracht had.
Eén bierglas was al leeg, de halve kip was nogmaals gehalveerd en, naar het tempo van eten te oordelen, zouden de broodjes het ook niet lang meer maken.
Deze man kende Johan uit zijn kindertijd.
In zijn herinnering zag hij weer die reusachtig sterke oom die als grapje zijn moeder met kruk en al op de piano zette omdat haar pianospel hem zogenaamd niet beviel.
En toen zijn vader lachend protesteerde, zette hij hem ernaast.
Het was diezelfde oom die hem wel eens meegenomen had de bossen in, op strooptocht.
In die tijd had hij ook een bootje waarmee hij uit vissen ging.
Johan mocht een keertje met hem mee het meer op, terwijl zijn vader dat niet wilde vanwege de slechte weersvooruitzichten.
Het bootje was absoluut niet bestand geweest tegen de opkomende storm en ze waren bijna verdronken.
Zijn ouders waren vreselijk ongerust geweest en zijn vader had zijn oom toen uitgemaakt voor alles wat maar lelijk was.
En toen deze zei dat hij zich niet zo moest aanstellen, verloor zijn vader alle zelfbeheersing en wilde met hem op de vuist.
Zijn oom was zonder verder iets te zeggen vertrokken en Johan had hem nooit meer teruggezien, tot nu dan.
Hij was niet eens zoveel veranderd.
Zijn kortgeknipte baard was nu iets woester en ook zijn hoofdhaar was langer en grijzer maar zijn gezicht had toch iets jongensachtig behouden.
Hij was alleen veel dikker geworden.
Om de enorme spierbundels zat nu een behoorlijke laag vet, die hem er nog kolossaler uit deed zien.
Een beetje verlegen drentelde Johan naar de tafel.
“Hallo ome Barend. Kent u me nog?”
Ome Barend keek op, terwijl zijn kaken doormaalden.
Hij slikte het gekauwde door, leegde in één teug zijn glas en glimlachte.
“Ik denk het wel,” zei hij. “Maar om te voorkomen dat ik een misser maak, mag je het me zelf vertellen.”
“Ik ben Johan,” zei Johan en schoof een stoel bij.
“Dat is lang geleden,” zei Barend en keek hem onderzoekend aan.
“U bent niet zoveel veranderd,” zei Johan om maar iets te zeggen.
Jij wél,” zei Barend en toen viel er een stilte.
“Nou ja, ik ben natuurlijk geen kind meer,” vervolgde Johan, in de hoop dat zijn oom iets toeschietelijker zou worden.
Deze begon een pijp te stoppen en keek hem nu toch iets vriendelijker aan.
“Ik vond je vroeger best een aardige knul. En wie weet, misschien ben je dat nog steeds. Wat wil je drinken?”
Johan zei dat hij best een pilsje lustte en Barend bestelde drie bier bij een juist langskomende ober.
Op Barends vraag wat hij zoal deed, vertelde Johan over zijn kantoorbaan met goede carrièremogelijkheden maar dat hij dat leven toch ook niet alles vond.
Barend ontdooide en zei dat dat misschien maar goed was ook.
Persoonlijk hield hij meer van barkrukken dan van kantoorkrukken.
Over zijn eigen werkzaamheden was hij niet erg mededeelzaam.
Hij kwam niet veel verder dan: “Ach, van alles en nog wat.”
Toch hadden ze geen onaardig gesprek en, na het volgende pilsje begon het bijna gezellig te worden.
Mede daarom vond Johan het vervelend om met zijn vraag te komen.
“U zult het misschien een beetje raar van me vinden maar ik ben u daarnet een tijdje gevolgd.”
Een voorzichtig begin kan geen kwaad, dacht Johan en ging verder.
“Eigenlijk is het toeval dat ik u op het spoor kwam want ik volgde eerst iemand anders.”
“Ik wist niet dat jij zo’n volgzaam type bent,” vulde Barend de stilte op, die ontstond omdat Johan naar de juiste toonzetting voor zijn gesprek zocht.
“De lui die ik achtervolgde vond ik nogal verdacht en dat gesprek dat ik afluisterde bevestigde dat nog eens. En toen zag ik tot mijn verbazing u daar wegrijden.”
“Zo. En nu vind je mij dus ook verdacht?”
Johan vertelde in het kort wat er daarvóór gebeurd was.
“Nou, ik kan je geruststellen: ik heb met die lui niets te maken.”
“Maar wat deed u daar dan?”
“Ik leverde een bestelling af.”
“Een bestelling?”
“Ja. Een bestelling.”
“Wat voor een bestelling?”
“Jij vindt me echt verdacht, he?”
“Welnee. Ik wil alleen maar weten wat u met die lui te maken heeft.”
“Dat zeg ik je toch: een bestelling afleveren. Ik heb een soort ‘doe het zelf zaak’ alleen ik zelf ben meestal degene die het doet. Ik doe loodgieterswerk, timmerwerk, een beetje rommelen met elektriciteit en je kunt bij mij natuurlijk ook gewoon materialen bestellen. Over bestellen gesproken: wil je nog een pilsje?”
“Nee, dank u. Ik moet nog rijden,” zei Johan, die er wel steeds meer behoefte aan begon te krijgen. Hij wist niet wat hij ervan moest denken.
“Waarom vertelt u me nou niet gewoon wat voor bestelling u afgeleverd heeft?”
Even leek het of Barend boos zou worden maar al snel verscheen er een glimlach op zijn gezicht.
“Omdat je me met dat doordrammerige gevraag aan vroeger deed denken. Toen ging je ook altijd maar door. Daarom wou ik je even laten zweten, snap je?”
“Dat snap ik. Maar ik heb nog steeds geen antwoord op mijn vraag gekregen.”
“Zie je: dat bedoel ik nou! Gewoon doordrammen! Nou ja, als ik je er een plezier mee kan doen: doodskisten.”
“Doodskisten?”
“Ja, doodskisten! Ga je nou net zo doorzeuren over die doodskisten als over die bestelling van daarnet?”
“Wat moeten die lui nou met doodskisten?”
“Weet ik veel! Vraag jij je bij elk papiertje dat je op kantoor invult af wat ze daarmee moeten of doe je gewoon je werk?” “Maar waarom laten ze die doodskisten speciaal bij u maken? Die kan je toch overal gewoon kant en klaar kopen?”
“Ja, maar niet met dubbele bodem.”
“Dubbele bodem?”
“Ja, dubbele bodem!”
Barend klopte geïrriteerd zijn pijp uit op de rand van de asbak.
“Dat kan toch geen zuivere koffie zijn! Ze gebruiken die kisten van u vast om iets uit het land te smokkelen.”
“Daar heb ik dan niets mee te maken.”
“Als u dat weet, bent u medeplichtig.”
“En wat moet ik dan volgens jou doen?”
“De politie waarschuwen.”
“Dat mag jij dan doen. Maar wacht even tot morgenmiddag. Ik heb alleen nog maar een voorschot gehad. De rest van het geld krijg ik morgenochtend.”
“Dat valt me lelijk van u tegen.”
“Jammer. Ik hoop dat ik er vannacht nog maar van slapen kan.”
Johan voelde een flinke boosheid in zich opkomen en was teleurgesteld dat het weerzien met zijn oom op deze manier gelopen was.
“Weet u wat ik ga doen? Ik ga nu weg en ik denk er hard over om even langs de politie te gaan om ze te waarschuwen. En als ik dat gedaan heb, is de kans dat u morgen uw geld nog krijgt, heel klein. Misschien is dát dan iets waar u vannacht wel wakker van ligt. Welterusten!”
Johan stond resoluut op, liep zonder om te kijken naar de uitgang, stapte in zijn auto en reed rechtstreeks door naar huis.