Archive for the ‘Ingrediënten’ Category

Leven

Author: jeroenstamgast

Hij werd die ochtend een uur vóór de wekker wakker.
Nu gebeurde dat wel vaker maar deze keer had hij niet de daar bijbehorende gevoelens van onrust en vage angst.
Toen hij zich uitrekte voelde hij zich zelfs behaaglijk in zijn warme bed.
Meestal had hij een zenuwenmaag aan het begin van een nieuwe dag en was in bed blijven liggen na het ontwaken geen optie maar nu liet hij zich nog even lekker wegzakken.
Een kwartier later kwam hij overeind, scharrelde wat kleren bij elkaar en stommelde naar de WC.
Opgelucht en nog steeds verwonderd over zijn redelijk positieve gevoel, gaapte hij uitgebreid.
Meestal begon hij zich pas na het douchen prettiger te voelen.
Hij schraapte zijn keel terwijl hij de kraan van de douche opendraaide en voelde hoe het water de juiste temperatuur aannam.
Daar gaat ie dan, dacht hij en liet het water over zijn lichaam spoelen.
Het afdrogen duurde niet lang en hij trok zijn meegenomen kleren over zijn nog niet geheel droge lichaam aan.
Hij slofte naar de keuken, trok de gordijnen open en keek naar de parkeerplaats waar de eerste auto´s alweer verdwenen waren.
“Arbeid adelt,” mompelde hij. “Maar het blijven proletarische sukkelaars die naar hun werk gaan. Oh, die daar gaat naar de sportschool.”
Niet zonder interesse keek hij naar de mooie benedenbuurvrouw die naar haar sportautootje huppelde.
Hij mompelde iets onverstaanbaars en keek naar de kale boompjes die een paar jaar geleden geplant waren om de buurt wat minder ‘stenig’ te maken.
Het is winter, dacht hij. De buurt hier is net zo naargeestig als altijd. Als ik een boom was zou ik me afvragen wat ik hier te zoeken heb.
In de verte klonk het geluid van een politiesirene en daarna dat van een ambulance.
Het leven gaat weer z’n gangetje, concludeerde hij. Een geruststellende gedachte.
Hij opende de deur van de koelkast waarin zich niet veel meer bevond dan kaas, melk en boter die hij dan ook pakte.
Hij sloeg een handvol pillen uit verschillende potjes achterover en zette zich aan zijn broodje.
Al kauwende op de laatste resten zette hij het koffiezetapparaat in werking en luisterde naar het zacht pruttelende geluid.
Even later stond hij met een kop hete koffie in zijn hand door het keukenraam naar buiten te staren en zag de parkeerplaats steeds leger worden.
“Genoeg voor vandaag,” besloot hij en trof voorbereidingen voor zijn dagelijkse wandeling.
Hij stopte wat spulletjes in een oude boodschappentas, trok zijn jas aan en sloot de buitendeur achter zich.
Het waaide een beetje tussen de flatgebouwen maar het was niet koud.
Hij keek eens om zich heen en toen naar boven naar de plek waarachter zijn woning zich bevond.
“Wie had dat een jaar geleden gedacht?” mompelde hij in zichzelf. “Maar het is goed zo.”
Hij stak de parkeerplaats dwars over en volgde daarna de weg met de kale boompjes tot hij een paar straten verderop bij een park uitkwam.
Helemaal achter in het park was een lelijk bankje met uitzicht op een drukke verkeersweg.
Allemaal mensen in blik die van hot naar her rijden zonder te weten waarom, dacht hij. En ik zit hier zonder te weten waarom maar ik zit in ieder geval op m´n gemak.
Zijn aanwezigheid bleef niet onopgemerkt want allerlei vogels van verschillende pluimage begaven zich in zijn richting en scharrelden om hem heen.
“Ja ja, mijn gevederde vriendjes. Ik weet het wel. Jullie komen niet voor mij maar voor het voedsel.”
Hij opende zijn boodschappentas en haalde daar een paar zakken met brood uit.
“En voor mij is er koffie,” zei hij en schonk wat uit een thermoskan in een mok.
Hij gooide telkens een stukje brood naar een vogel die hij uitkoos met de bedoeling tot een zo eerlijk mogelijke verdeling te komen en gewoon omdat hij dat leuk vond.
Vooral zielige vogeltjes probeerde hij te bereiken, wat niet altijd lukte.
Af en toe nam hij een slokje koffie en ging door met voeren tot het brood op was.
De vogels verloren hun interesse en verspreidden zich over het park.
Hij bleef nog een tijdje zitten en dacht aan niets tot hij het koud begon te krijgen en opstond.
Weer thuisgekomen, liep hij naar de enige plant die er in zijn karig ingerichte woning te vinden was.
Het was een groot exemplaar, bijna net zo kaal als de bomen buiten.
Slechts een enkel blad hing lusteloos de plant uit te hangen.
“En toch denk ik dat je het gaat redden,” mompelde de man.
Hij zuchtte en ging languit op de bank liggen waar hij net oppaste en sloot de ogen.
Ik hoef lekker helemaal niets, dacht hij en viel al snel in slaap.
Een uur later at hij een appel en een paar plakken ontbijtkoek.
Hij trok zijn jas aan en liep opnieuw door de winderige straat met de kale boompjes.
Het park liet hij links liggen en hij wandelde in een rustig tempo door tot hij bij het station uitkwam en het hotel-restaurant vlak daarnaast.
De spits zal zo wel op gang komen, dacht hij. Iedereen lekker druk en gehaast.
Hij ging het hotel-restaurant binnen en wilde al naar zijn vaste tafeltje gaan met goed uitzicht op de reizende meute toen hij tot zijn schrik een bekende zag.
Snel omdraaien had geen zin meer want de bekende had hem ook gezien.
“Hé Ralph!” riep de bekende. “Dat is een tijd geleden. Hoe is het?”
Ze schudden elkaar de hand.
“Ach, het gaat zo z’n gangetje,” antwoordde Ralph zonder enthousiasme.
“Laten we even wat drinken. Ik heb net mijn trein gemist dus we hebben bijna nog een half uur,” sprak de ander enthousiast. “Wat mag het zijn?”
“Doe maar een cappuccino,” zei Ralph en koos een plaats zo ver mogelijk van zijn vaste tafeltje af.
“Geen whisky meer?” vroeg de bekende verbaasd. “Daar was je niet bepaald vies van kan ik me herinneren.”
“Ja, maar nu hoef ik niet meer zo nodig.”
“Zoals je wilt.”
Even later zaten ze wat onwennig tegenover elkaar met een cappuccino en een dubbele whisky tussen hen in.
Het gesprek wilde niet erg vlotten en uiteindelijk vroeg de bekende gewoon wat hij wilde weten.
“Van de ene op de andere dag was je verdwenen; met de noorderzon vertrokken. Niemand, zelfs ik niet- terwijl we toch een goed contact hadden- heeft ooit meer iets van je gehoord. En dan kom ik je 150 km verderop in deze lelijke stad tegen omdat ik hier stomtoevallig moest zijn. Wat doe je hier?”
“Niets.”
“Niets?”
“Ja, niets. Ik leef een beetje door niets te doen.”
“Maar je had een glanzende carrière, succes, rijkdom, macht, je reisde de hele wereld over en kwam op de mooiste plaatsen, je had… Ik bedoel, dat heb je toch niet allemaal achter je gelaten?” vroeg de bekende en keek Ralph vol ongeloof recht in de ogen.
“Ja,” grijnsde Ralph en keek bijna vrolijk terug. “Luister, ik zal je in het kort alles vertellen omdat we inderdaad vroeger wel met elkaar optrokken maar dan moet je me plechtig beloven om me daarna met rust te laten en aan niemand te vertellen dat ik tegenwoordig hier zit.”
“Afgesproken,” beloofde de bekende.
“Wat je net allemaal zei over dat succes en zo, klopt maar er was wel een belangrijke keerzijde. Ik werkte op de toppen van mijn kunnen, bang als ik was om allerlei doelstellingen niet te halen en ook begon ik allerlei lichamelijke klachten te ontwikkelen. Slapen ging ook steeds slechter en ik zag op het laatst overal als een berg tegenop. Mijn leven en het leven om me heen voelde als één grote leugen waar ik niet meer mee om kon gaan. Op een dag viel ik in slaap achter het stuur van mijn mooie dure sportwagen en als door een wonder belandde ik in een weiland en kwam ongedeerd met de schrik vrij. Toen besefte ik de waarde van het leven. Maar dan wél van het leven op zich. Niet het gemaakte namaakleven dat ik leidde. Ik heb mijn baan opgezegd, al mijn bezittingen verkocht en ik leef nu heel eenvoudig van het geld dat het heeft opgebracht. Ik heb berekend dat ik het op deze manier zeker tot mijn tachtigste kan uithouden. Ik ben volledig onafhankelijk en heb met niemand iets te maken. Geen enkele verplichting of drang meer om iets te presteren of te ondernemen. Eindelijk rust! Ik hou me bezig met leven. Dat is genoeg.”
“Maar wat doe je dan zo’n hele dag?”
“Niets. En als ik iets doe, dan doe ik dat omdat ik het leuk vind. Zo zorg ik nu bijvoorbeeld voor een plant.”
“Je zorgt voor een plant?”
“Ja. Iemand had een plant bij de vuilnisbak gezet die nog niet helemaal dood leek. Ik heb hem voor de lol mee naar huis genomen, nieuwe aarde gegeven en ik verzorg hem goed. Dat vind ik nou leuk.”
De bekende nam een flinke slok van zijn whisky en keek op zijn horloge.
“Sorry, het is tijd. Ik moet nu gaan anders mis ik nog mijn trein. Nou, het beste ermee en doe de groeten aan je plant.”
“Zal ik doen.”
De bekende stond op en haastte zich naar buiten.
Ralph keek hem grijnzend na, bestelde een whisky en ging aan zijn vaste tafeltje zitten.
Na anderhalf uur niets doen ging hij naar huis en bereidde daar een eenvoudige maaltijd.
Toen de afwas gedaan was bestudeerde hij de inhoud van zijn goed gevulde boekenkast en haalde daar het boekje ‘de uitvreter’ van Nescio uit.
“Dat lijkt me een mooi boek om vandaag weer eens te lezen,” vond hij.
Vóór het slapen gaan keek hij nog even aandachtig naar zijn plant.
“Ik denk dat je het gaat redden,” sprak hij bemoedigend.
Na het tandenpoetsen nestelde hij zich in zijn bed.
Wéér een dag geleefd, dacht Ralph en viel in een diepe slaap.

 

 

Een aanbeveling

Author: jeroenstamgast

Dankzij mijn oudste dochter Amber die momenteel weer bij mij inwoont, heb ik ook een inwonend hondje.
Het is een chihuahua die door zijn enigszins gedrongen postuur en beige vacht wel iets wegheeft van een speelgoed teddybeertje.
Het is een aandoenlijk beestje dat alleen maar aardig gevonden wil worden en binnenshuis het liefst bij je op schoot zit of in ieder geval in de buurt.
Buitenshuis, tijdens het uitlaten, heeft hij toch wel iets weg van een hond met zijn gesnuffel en hier en daar een plasje plegen maar echt serieus genomen wordt hij door de andere honden nou ook weer niet.
Dat uitlaten is geleidelijk aan mijn klusje geworden daar Amber een drukke baan met wisselende diensten heeft en er een sociaal leven op na houdt terwijl ik tegenwoordig zwem in een zee van tijd.
´s Ochtends, ´s middags en ´s avonds lopen we ons bescheiden rondje en ik moet zeggen dat ik dat helemaal niet erg vind.
Wat overigens niet wil zeggen dat ik het hondje erg zou missen als Amber weer op zichzelf gaat wonen en hem meeneemt want zó leuk is het nou ook weer niet.
Maar voorlopig ben ik voor Calum- zo heet ie- zijn baasje geworden want zo’n beest hecht zich het meest aan degene van wie hij eten en aandacht krijgt.
Tijdens het uitlaten heb ik altijd een paar boterhamzakjes bij me die ik gebruik om de poep van mijn kleine metgezel op te ruimen.
Ik doe dat altijd plichtsgetrouw en ik was dan ook verbaasd dat een man die in de tuin van zijn twee onder één kap woning een sigaartje rookte mij terechtwees met de woorden “Dat is niet netjes, hè,” toen Calum poepte op het trottoir vlak bij zijn tuin.
Ik hield daarop lachend mijn boterhamzakje omhoog met de woorden “Maar ik ruim alles netjes op hoor,” en dacht dat de zaak daarmee wel afgedaan zou zijn.
Dat bleek niet het geval.
“Toch is het niet netjes,” vond de man.
“Maar waarom dan niet?” vroeg ik. “Ik ruim het toch op.”
“U laat dat hondje van u op mijn oprit poepen en dat vind ik niet netjes.”
Ik keek naar Calum die net klaar was en zag dat zijn bescheiden productie inderdaad zo’n tien centimeter tuininwaarts lag.
Ik verklaarde nogmaals dat ik alle poep altijd netjes opruim en me daarom van geen kwaad bewust was en ruimde ondertussen alles extra grondig op.
“U had dat hondje ook ergens verderop kunnen laten poepen. Om dit hier te doen vind ik niet netjes,” herhaalde de man rustig.
Ik voelde me als een stout jongetje dat onterecht terechtgewezen wordt en daar kan ik slecht tegen.
“Jammer dat u het als een provocatie ziet,” besloot ik de discussie en verliet het plaats delict met een gezicht dat er geen misverstand over liet bestaan dat ik hem maar een kleinzielig naar mannetje vond. “Een fijne dag verder.”
Op weg naar huis overdacht ik nog eens goed wat er precies gebeurd was en tot mijn ergernis moest ik toegeven dat de man vanuit zijn standpunt gezien niet helemaal ongelijk had.
Sterker nog: hij had méér gelijk dan ik.
Zit je daar lekker in je tuin een sigaartje te roken en dan komt er een vent aanzetten die uitgerekend bij jouw tuin zijn hond laat poepen terwijl er verder een hele lege straat tot zijn beschikking staat.
En als je dan rustig zegt dat je dat niet netjes vindt, is meneer nog gepikeerd ook!
Het zat me niet lekker en de dagen erna moest ik er regelmatig aan terugdenken.
Door de manier van discussie voeren- de man rustig en correct en ik geprikkeld en neerbuigend- was de man, ongeacht wie er echt gelijk had, de morele winnaar.
De conclusie om op moreel gebied te falen kan in mijn gedachtewereld  een grote plaats opeisen en kafkaëske proporties aannemen.
Ik besloot dan ook om op de zaak terug te komen zodra ik de man weer zou zien en zo bracht ik mijn morele kompas weer in balans.
Een paar dagen later, toen ik weer mijn rondje met Calum liep, zag ik hem toevallig op de oprit zijn auto schoonspuiten en zonder dralen stapte ik op hem af om mijn voornemen ten uitvoer te brengen.
“Meneer, kan ik u even spreken?”
Hij keek me verbaasd aan en stopte met spuiten.
“Ik wil nog even terugkomen op dat akkefietje met dat poepen voor uw tuin laatst. Op het moment dat het gebeurde was ik me werkelijk van geen kwaad bewust omdat ik de poep altijd netjes opruim maar later heb ik alles nog eens goed overdacht en heb ik úw kant van de zaak bekeken en begrijp ik de opmerking dat u het niet netjes vond. Wat u met deze informatie doet moet u zelf weten maar ik vind het belangrijk dat u weet dat ik die opmerking nu begrijp en daarom wil ik u mijn welgemeende excuses aanbieden voor mijn geïrriteerde reactie.”
De man keek me blij verrast aan.
“Ik vind het heel bijzonder van u dat u daar op terugkomt en aanvaard buitengewoon graag uw excuses. Dank u wel.”
“En u ook bedankt. Ik ben blij dat de kou nu uit de lucht is.”
We groetten elkaar vriendelijk ten afscheid en ik vervolgde mijn uitlaatrondje in een opperbeste stemming.
Ongelooflijk eigenlijk wat een voldaan gevoel je kunt overhouden aan het maken van welgemeende excuses.
Ik kan het iedereen in deze gepolariseerde wereld van harte aanbevelen!

 

 

 

 

De tijd zal het leren

Author: jeroenstamgast

 

 

Ronald zat in zijn ouderwetse rookstoel met een deken om zich heen.
De wind gierde om het huis en zwiepte de regen tegen de kleine raampjes van het oude dakkapelletje.
Het elektrische kacheltje verspreidde een behaaglijke warmte die niet sterk genoeg was om de hele zolderkamer te verwarmen maar daar had Ronald die deken dan weer voor.
Op het gasfornuisje stond het water in de fluitketel van zijn oma zaliger op het punt van koken en naast de asbak lag een verse bolknaksigaar uit de voorraad van zijn overleden opa klaar om gerookt te worden.
Normaal gesproken zou ik dit gezellig vinden, dacht Ronald. Maar nu weet ik het zo net nog niet. Zevenentwintig jaar ben ik, geen relatie en ik woon, terwijl ik wél een goede baan heb, nog steeds bij de hospita uit mijn studententijd op zolder. Het is zaterdagavond- uitgaansavond- en ik heb geen zin om de leegte van mijn leven op te vullen met de leegte van het uitgaanscircuit.
Hij stond mismoedig op uit zijn stoel, zette het vuur onder de ketel uit en schonk het gloeiend hete water in de oude theepot van zijn oma.
De damp sloeg ervan af en Ronald dacht met weemoed terug aan zijn kindertijd toen hij bij zijn oma logeerde en zij de dampende thee in haar breekbare kopjes schonk.
De thee interesseerde hem toen geen moer- gaf hém maar cola- maar dat gevoel van intense gezelligheid was niet te beschrijven en tegelijk onvergetelijk.
Hij zette zich weer in zijn stoel, sloeg de deken om zich heen  en stak de bolknaksigaar van opa op.
Zie mij nu, dacht Ronald schamper. Mijn volwassen leven is nog maar net begonnen- een jongeman in de kracht van zijn leven zogezegd- en ik drink thee als een oud besje en rook een sigaar van een model waar mijn leeftijdgenoten geen weet van hebben.
Hij hoorde hoe de kat van beneden aan de deur krabbelde om binnengelaten te worden.
“Welja, die oude theemuts kan er ook nog wel bij,” zuchtte Ronald.
Hij stond op en opende de deur om de kat binnen te laten.
Deze schuurde zich langs zijn benen, waggelde naar de stoel en wachtte tot Ronald weer zat.
Voorzichtig nam deze plaats met de sigaar in zijn mond en de kop thee in zijn hand.
De kat sprong op zijn schoot en begon, al spinnend, kopjes te geven.
Dat komt ervan als je je steeds maar met het verleden bezighoudt, mijmerde Ronald. In plaats van aan de toekomst te denken, klamp je je vast aan het verleden en verstar je in het heden.
Toch dacht Ronald soms wel degelijk aan de toekomst maar die vervulde hem met zo’n zorg dat hij daarna snel weer in het verleden dook.
Dat lag vast en daar hoefde je je tenminste geen zorgen over te maken.
Hij zou er heel wat voor over hebben om te weten wat de toekomst voor hem in petto had.
Een plotselinge heftige windvlaag deed de deur van de zolderkamer openwaaien.
Tot zijn stomme verbazing stapte een tijdloze figuur in vreemde kledij zijn kamertje binnen.
De kat sprong geschrokken van Ronalds schoot en verdween in een hoek van de zolderkamer.
Ronald voelde zijn hart in zijn keel bonzen en staarde naar de vreemde persoon.
“Mag ik binnenkomen?” vroeg deze en ging vervolgens zonder toestemming in de stoel tegenover Ronald zitten.
“Wie bent u?” wist Ronald er moeizaam uit brengen.
“Ik kom van Gene Zijde en ga over de tijd,” antwoordde hij. “Af en toe moeten we van De Grote Baas op inspectie in de tijd om het contact met de dagelijkse praktijk te onderhouden en om te kijken of alles goed gaat.”
Een gek, dacht Ronald. Ik zit hier opgescheept met een gek. Hij moet weg. Hier heb ik geen zin in.
“Nou, hier gaat alles goed hoor. U kunt er met een gerust hart weer vandoor gaan.”
De man van de tijd glimlachte.
“Maakt u zich niet ongerust. Ik ga er zo weer vandoor. Met uw opa en oma gaat het trouwens goed. U moet de groeten hebben. Laatst was ik nog in de jeugd van uw opa. Hij maakte zich toen altijd maar zorgen over zijn zwakke gezondheid en uiteindelijk is hij zesennegentig jaar geworden, zoals u weet. Al die zorgen voor niets. Ik bedoel maar…”
“Wat bedoelt u?” vroeg Ronald, compleet in verwarring.
De man van de tijd nam de tijd en gaf niet meteen antwoord.
Het geluid van de wind en de regen nam oorverdovende proporties aan.
“Ik bedoel dat iedereen wel wil weten hoe het hem in de toekomst zal vergaan. Voor je opa zou het een opluchting zijn geweest om te weten dat hij in goede gezondheid oud zou worden maar je oma heeft zich daar tot aan haar slopende ziekte nooit zorgen over gemaakt. Voor háár zou de wetenschap van haar akelige einde een schaduw over haar hele leven hebben geworpen. Ik zou zeggen: geniet zoveel mogelijk van de goede dingen in het heden en voor de rest zal de toekomst het leren.”
“Dus u weet hoe mijn toekomst eruit ziet?” vroeg Ronald gretig.
“Jazeker,” zei de tijdloze. “Ik ken zelfs de toekomst van de mensen die over bijvoorbeeld honderd jaar geboren zullen worden.”
“Zou u mij willen vertellen hoe mijn toekomst eruit ziet? Ik maak me daar namelijk zorgen over, ziet u.”
“Niet doen!”
“Maar dat doe ik juist wél! Ik zou er heel wat voor over hebben om te weten hoe het later met mij zal gaan. Kunt u niet een tipje van de sluier oplichten?” vroeg Ronald, die helemaal vergeten was dat hij niet lang daarvoor meende met een gek van doen te hebben.
“Ik mag van De Grote Baas op mijn inspectierondes in de tijd iemand die dat heel graag wil de toekomst voorspellen. Op één voorwaarde.”
“Wat is die voorwaarde?”
“Dat die persoon toestemming geeft om alles wat hij te horen krijgt zal onthouden. Ook als hij het slechte nieuws bij nader inzien liever niet wil onthouden. Denk eens aan je oma. Dat lieve mensje heeft heerlijk geleefd tot ze die slopende ziekte kreeg die haar een afschuwelijk einde zou bezorgen. Wat denk je, zou ze zo gezellig onbekommerd thee met jou hebben zitten drinken als ze dat vreselijke einde van tevoren had geweten?”
Ronald dacht na.
“Ik denk het eerlijk gezegd niet,” sprak hij aarzelend. “Maar voor mijn opa zou het een hele opluchting zijn geweest om te weten dat hij gezond oud zou worden.”
“Dat wel. Maar zou hij het ook fijn gevonden hebben om te weten dat zijn pas geboren dochtertje nog tijdens zijn leven aan kanker zou overlijden en zijn zoontje waar hij ook veel van hield twee jaar daarna om zou komen bij een auto-ongeluk? Bedenk dat geen enkel leven uit alleen maar goede gebeurtenissen bestaat. Nou: zeg het maar. Overigens, als je toestemming geeft, zou je de eerste zijn die dat doet.
Ronald staarde somber voor zich uit.
“Laat maar,” zuchtte hij.
“Heel verstandig jongen. Neem het leven zoals het komt, geniet van de goede dingen en maak er wat van. En nou ga ik weer want zelfs ik heb niet alle tijd. Het ga je goed!”
Een plotselinge heftige windvlaag deed de deur van de zolderkamer openwaaien.
De kat sprong geschrokken van Ronalds schoot en verdween in een hoek van de zolderkamer.
Afwezig stond Ronald op om de deur weer dicht te doen.
Toen hij ging zitten, meldde de kat zich weer.
Ronald nam hem op schoot, dronk van zijn thee en rookte zijn sigaar.
De wind gierde om het huis en zwiepte de regen tegen de kleine raampjes van het oude dakkapelletje.
Gezellig, vond Ronald.
In gedachten verzonken dwaalde hij af naar de tijd van zijn overzichtelijke kinderjaren maar via het warrige heden kwam hij toch weer uit bij de onvermijdelijke toekomst.
Hij zou er heel wat voor over hebben om te weten wat die toekomst voor hem in petto had.

De Tijd en zijn passanten

Author: jeroenstamgast

De Tijd en zijn passanten

Het is vandaag vrijdag 8 december 2017, iets na tienen in de avond.
Ik ben alleen thuis en kijk naar een sinterklaasgedichtje in klad dat ik gevonden heb tussen allerlei paperassen in de grote lade van mijn oude PTT-bureau.
Eigenlijk was ik van plan geweest om nog wat te lezen in het boek dat ik voor me heb liggen maar een zekere onrust had me daarvan weerhouden.
Ik lees het rijmpje dat ik in 2011 geschreven heb voor een meisje uit mijn klas waar ik het lootje van getrokken had en ga weer terug naar de tijd dat ik onderwijzer was.

Madrid, 5 december 2011

Lieve Iris

Wie stuitert daar lachend door de school
Wie verkoopt luidruchtig opgewonden apenkool
Wie hoor je boven alles uit
Wie vliegt er ergens gierend tegen een ruit
Wie valt er lachend op de grond
Wie strooit er voortdurend onzin in het rond
Dat is Iris, bron van onrust in groep 8
Maar ze is ook lief en haar karakter dat is zacht
Ze zorgt voor warmte en gezelligheid
Ze wil iets, daar kan ze al die eigenschappen kwijt
Later wil ze werken in café of restaurant
Al kletsend bedienen en alles fijn aan kant
Het wordt vast een goed lopende zaak die ze runt
Met Iris zelf natuurlijk als stralend middelpunt
Iris, en dat wil Sint nog even kwijt
Hij vindt je echt een leuke lieve meid!

Sinterklaas

Iris was inderdaad een van die kinderen waar ik een zwak voor had omdat ze zo lekker ‘kind’ was.
Ze rommelde maar wat aan en flapte alles eruit wat in haar opkwam.
In de klas kwam dat wel eens niet gelegen maar ik had daar geen problemen mee omdat ze nou eenmaal zo was en ze door haar vrolijke spontaniteit ook gezelligheid bracht.
Ik ben benieuwd wat er van haar geworden is en wat er verder nog van haar zal worden.
Want dat heb je als onderwijzer natuurlijk.
Je trekt een jaar intensief met elkaar op en daarna verlies je elkaar uit het oog.
Af en toe kom je nog wel eens een oud-leerling tegen en maak je een praatje met elkaar.
Vaak zie ik dan door het huidige uiterlijk heen het kind nog voor me dat het ooit was maar dat het nu natuurlijk niet meer is.
Sommige kinderen zijn zelfs onherkenbaar veranderd, getekend door het leven of juist opgeknapt.
Toch blijf je voor hen, als je ze tegenkomt , die onderwijzer van vroeger en zij zijn weer even het kind uit de klas van toen.
Dat had ik zelf ook als ik heel af en toe eens een leraar van vroeger tegenkwam .
Ik spreek nu in de verleden tijd omdat de kans dat ik nog een exemplaar tegen het lijf zal lopen, gezien mijn leeftijd, wel niet groot zal zijn.
Meestal blijft het bij een vrijblijvend praatje maar soms komt het tot een echt gesprek.
Jaren geleden kwam ik eens een knappe vrouw tegen die mij aansprak en die ik in eerste instantie niet herkende.
Het bleek een oud-leerling van mij te zijn.
Ze wilde me graag iets vertellen en vroeg of ze daarom bij me langs mocht komen.
Ik gaf haar mijn adres en een week later kwam ze inderdaad op bezoek.
Toen ze nog bij mij in de klas zat, had ze me op een dag in vertrouwen genomen en verteld dat haar vader een relatie met een andere vrouw dan haar moeder had.
Thuis was er vaak ruzie en ze voelde zich bang en machteloos.
Ik bood haar dat schooljaar regelmatig een luisterend oor en probeerde haar op te beuren, voor zover dat natuurlijk mogelijk was.
Professionele hulp van buitenaf wilde ze absoluut niet.
Ze had me pas in vertrouwen genomen nadat ik beloofd had dit aan niemand te vertellen, wat ik inderdaad ook niet gedaan heb.
Na het verlaten van de basisschool, heb ik haar niet meer gesproken.
Vanuit het voortgezet onderwijs hoorden we, bij het doorspreken van onze oud-leerlingen, dat zich geen problemen voordeden en ik hield me inmiddels bezig met de kinderen die ik toen weer in de klas had.
Om eerlijk te zijn dacht ik niet zo veel meer aan haar.
Na wat algemeenheden tijdens de koffie bij mij thuis vertelde ze me dat er wel méér aan de hand was geweest dan wat ze me indertijd verteld had maar dat het nu, na een moeilijke jeugd, goed met haar ging en dat ze het belangrijk vond dat ik dat wist.
Ik voelde me wat ongemakkelijk omdat ik door wat ze vertelde tot de conclusie was gekomen dat ik als onderwijzer niet doortastend genoeg was geweest.
Bovendien nam ik het mezelf kwalijk dat ik, na haar vertrek van de basisschool, geen contact met haar gehouden had.
Zij zag dat gelukkig anders.
In dat jaar dat we af en toe een gesprekje hadden, was de basis gelegd voor een houding om met de situatie om te kunnen gaan en dat wou ze me na al die jaren ook laten weten.
We praatten verder nog wat over koetjes en kalfjes en toen stapte ze weer op.
Sindsdien heb ik nooit meer iets van haar vernomen.
Zo gaan die dingen.
Op een bepaald moment kan iets belangrijk zijn, om daarna zijn urgentie te verliezen.
Zo zullen het sinterklaasfeest met de surprises en gedichten in 2011 op dat moment ongetwijfeld veel betekend hebben voor de kinderen maar daarna vervaagt de herinnering aan die gebeurtenis en de mensen die daar deel van uitmaakten.
Tenslotte zijn we niet méér dan passanten in de tijd.
Het is nu trouwens zaterdag 9 december en het loopt tegen enen.

Nietszeggende romantiek in uniform

Author: jeroenstamgast

Nog even en dan zou ik afzwaaien.
Een moment waar ik meer dan een jaar reikhalzend naar uitgekeken had maar dat nu onverwacht veel van zijn glans verloren leek te hebben.
Een speling van het lot die mij op de valreep nog even een rare poets bakte.
Nou mocht ik eindelijk de dienst uit en nou wilde ik niet.
Op de militaire administratie waar ik als dienstplichtig militair op de afdeling ‘overplaatsing onderofficieren’ werkte, liet men mij steeds meer met rust waardoor ik redelijk opgewekt kon doen wat er gedaan moest worden.
Maar dat was niet de reden van mijn verminderde enthousiasme over het naderend einde van mijn baantje als ‘toegevoegd schrijver’.
De werkelijke reden was de leuke vriendengroep die een paar weken daarvoor ontstaan was.
Die vriendengroep bestond uit een aantal dienstplichtige soldaten, aangevuld met leuke KVV’ers, oftewel Kort Verband Vrijwilligers.
Die KVV’ers waren meisjes die voor vijf jaar getekend hadden bij de marine, de luchtmacht of de landmacht en werkten op de militaire administratie in Den Haag.
Marva’s, luva’s en milva’s werden ze genoemd.
Marva’s van de marine, Luva’s van de luchtmacht en Milva’s van de landmacht.
Eigenlijk hadden de milva’s volgens mij Lama’s moeten heten maar dat klonk zeker te raar.
Overdag liepen ze in uniform rond maar ’s avonds als we de stad ingingen, zagen ze er in hun eigen kleding zeer aantrekkelijk uit.
Het was allemaal heel toevallig begonnen.
Collega Jaap werkte op een afdeling waar ook milva’s en marva’s werkten en zijn enthousiasme daarover werkte aanstekelijk.
Daarom hadden we een keer afgesproken in de kantine van de grote kantoorflat tijdens de pauze en we keken onze ogen uit naar al dat moois.
Later kwamen we elkaar vaker tegen tijdens de pauzes en leerden we elkaar een beetje kennen.
Dat smaakte naar méér.
De wintermaanden hadden we ’s avonds als jongens onder elkaar op de kazerne doorgebracht maar nu het lente was geworden, vond Jaap dat het hoog tijd werd om de stad in te gaan- met de meisjes natuurlijk.
In de bioscoop draaide de toenmalige tophit ‘Saturday Night Fever’ en die gebruikten we als lokkertje om de meiden mee te krijgen.
Normaal gesproken was dit niet mijn soort film maar daar moest ik me dan maar overheen zetten.
Na afloop gingen we ergens wat drinken en werd het nog gezellig op de koop toe.
We waren maar net op tijd terug bij de kazerne en namen ons bij het afscheid voor om vaker uit te gaan, wat we inderdaad ook deden.
Het ging er overigens allemaal heel onschuldig aan toe.
Echte grote vrijpartijen waren er niet maar we voelden ons wel tot elkaar aangetrokken en we tastten voorzichtig af- vooral figuurlijk- wie bij wie zou horen.
Karin vond ik veruit het aantrekkelijkst maar ze leek me zo onbereikbaar mooi, dat ik me op
Sonja concentreerde.
Behalve naar de film en het café gingen we ook een keer trimmen in het duingebied want die meiden waren sportief aangelegd en daar wilden wij als stoere kerels natuurlijk niet voor onder doen.
Karin moest vreselijk lachen om mijn kanariegele trainingspak dat mijn moeder een keer voor me in de uitverkoop gekocht had.
Zelf was ze gekleed in een charmante sportoutfit en ook Sonja droeg iets moois waardoor ik me voelde als een dikke kanarie die voor het eerst uit vliegen ging.
Tijdens het trimmen ging ik ook nog eens op een onhandige manier onderuit omdat ik een op de grond gevallen tak wilde ontwijken en daardoor het gat niet zag waar ik vervolgens mijn voet inzette, waardoor ik mijn evenwicht verloor en voorover in de bosjes vloog.
Karin lachte het hardst van allemaal.
Later in de kroeg beklaagde ik me daarover bij Sonja.
Sonja keek me op een vreemde manier aan.
“Heb je nou echt niets in de gaten?” vroeg ze.
“Wat bedoel je?”
Ze boog zich naar me toe.
“Ze is gek op je,” zei ze zachtjes. “Daarom doet ze zo.”
“Maar ze gaat toch met Jaap?”
“Welnee! Ze gaat niet met Jaap. Niemand gaat met iemand. We hebben thuis in de weekends allemaal ons eigen leven. Hier gaan we gewoon leuk met elkaar om. Wij twee hebben toch ook geen verkering. Of wel soms?”
“Nee! Nou ja, ik bedoel…” hakkelde ik.
“Wat ben jij ook een rare. Volgens mij heb jij al een tijd een oogje op Karin. Doe dan eens wat!”
Ze keek me vorsend aan en ik bloosde als een kleine jongen die zich betrapt voelde.
“Wát moet ik dan doen?”
“Jeminee! Van welke planeet kom jij? Moet ik je nou alles voorkauwen? Besteed om te beginnen eens wat aandacht aan haar.”
“Maar vind jij dat niet erg dan?”
Sonja zuchtte diep.
“Jeroen, ik vind je echt een leuke knul maar ik heb thuis al een vriendje. Karin niet en ze heeft mij verteld dat ze gek op je is. Dus…”
Ze keek me veelbetekenend aan.
Ik keek naar Karin die net naar mij keek.
Ze glimlachte.
Ik glimlachte terug en voelde een aangename gloed door mijn lijf gaan.
De laatste dagen tot mijn afzwaaien brachten we na ons werk op de administratie zoveel mogelijk samen door.
Zo kwam ik ook te weten waarom ze voor een baantje in dat- in mijn ogen- belachelijke uniform gekozen had.
Karin kwam uit Limburg waar ze na haar middelbare schooltijd geen baan had kunnen vinden.
Haar vader, die beroepsmilitair was, had haar geadviseerd om voor vijf jaar te tekenen en zo was ze in Den Haag terechtgekomen en combineerde ze werk met een opleiding.
Nu de tijd van mijn afzwaaien aangebroken was, werd het voor ons tijd om elkaar uit te zwaaien.
We beseften dat de vlammetjes van ons liefdesvuur niet groot genoeg waren om de afstand
tussen Limburg en Noord-Holland elk weekend te overbruggen maar we zouden elkaar in
ieder geval schrijven, wat in die tijd wel meer mensen deden.
We zijn tot twee brieven gekomen en die waren nog nietszeggend ook.
Blijkbaar was het gauw gedaan met de romantiek toen ik uit het geüniformeerde wereldje gestapt was.

Op vakantie

Author: jeroenstamgast

Het was half 10 op een zomerochtend die niet aanvoelde als een ochtend in de zomer.
Hij zat aan de keukentafel en keek door het raam naar de grijze wolken die langzaam overdreven.
Nou ja, het is droog, dacht hij en nam nog een slok van zijn koffie.
Naast hem stond de vertrouwde koffer die hij altijd gebruikte als hij eens per jaar een weekje op vakantie ging.
Zoals gewoonlijk had hij de koffer volgestouwd met de bekende spulletjes die hij dacht nodig te hebben.
Het waren altijd dezelfde dingen die hij meenam- van onderbroek tot leesboek- dus hij deed het inpakken routinematig vlak vóór het vertrek.
Verder viel er niet veel te regelen.
Eigenlijk had hij er, zoals gewoonlijk, niet eens zoveel zin in maar hij wist uit ervaring dat dat wel goed kwam als hij eenmaal onderweg was.
Hij leidde een regelmatig leven- een saai leven vonden zijn collega’s- en die paar dagen weg van huis had hij nodig om het verschil tussen de jaren nog te kunnen voelen.
Elk jaar koos hij een plekje in Europa, niet te ver van huis, waar hij nog niet geweest was en dit jaar zou het dan ‘het jaar van de Ardennen’ worden.
Een klein hotelletje, wat wandelen in de omgeving, wat drinken op een terrasje, wat eten in een restaurantje en ’s avonds wat lezen in een goed boek.
Dat was het eigenlijk wel.
Het enige avontuurlijke aan de hele onderneming was, dat hij van tevoren niet wist welk hotelletje het zou worden.
Hij zette het lege koffiekopje in de vaatwasser, pakte zijn koffer, riep: “Dag allemaal! Tot over een week!” tegen de lege woning, deed zorgvuldig de deur op slot en wandelde naar zijn auto die al vele jaren dienst deed.
Hij startte de wagen, mompelde: “Zet ’m op ouwe jongen,” reed rustig de parkeerplaats af en bevond zich al snel op de snelweg.
Er waren geen files en hij kon lekker doorrijden.
In het zuiden van het land aangekomen, tankte hij bij een benzinepompstation, sloeg- zoals altijd als hij op vakantie was- een voorraadje versnaperingen in, gooide die op de stoel naast zich en vervolgde zijn weg.
Opeens vroeg hij zich in een opwelling af waar hij zijn portemonnee gelaten had.
Hij voelde in zijn jaszakken, keek zo goed en zo kwaad als het ging tijdens het rijden naar de spullen op de stoel naast zich, graaide daar nog wat in en kwam tot de verschrikkelijke conclusie dat hij zijn portemonnee kwijt was.
Wat nu?
Misschien had hij hem tijdens het afrekenen bij de kassa laten liggen en zouden ze deze daar voor hem bewaard hebben.
Hij geloofde daar niet echt in maar hij stelde zichzelf graag gerust.
Zodra het kon verliet hij de snelweg, reed langs de lokale wegen een heel eind terug en pakte daarna de snelweg weer op om opnieuw bij het tankstation uit te komen.
Hij wachtte met bonzend hart netjes in de rij bij de kassa tot hij aan de beurt was.
Zijn portemonnee was daar natuurlijk niet.
Verdwaasd staarde hij het meisje achter de kassa aan.
“Het spijt me, meneer,” zei het meisje. “Maar als ik u was, zou ik nu meteen uw bank bellen om uw bankpas te blokkeren vóór ze die leegtrekken.”
“Ja, dat zal ik dan maar doen,” mompelde de man. “Dank u wel.”
Hij zocht een rustig plekje op om te bellen en voelde daarna een golf van paniek opkomen.
Ik moet rustig blijven, dacht hij. Geen paniek. Gewoon de zaken rustig op een rijtje zetten. Wat is de stand van zaken? Portemonnee met geld kwijt, bankpas, creditcard, rijbewijs enzovoort. Een hotelletje in de Ardennen kan ik dus wel vergeten, de hele vakantie dus. Jammer. Kom ik verder in de problemen? Nee, want alles is geblokkeerd en ik heb een volle tank dus ik kan thuiskomen. Een rijbewijs kan ik opnieuw aanvragen, net zoals mijn bankpas, creditcard, ANWB lidmaatschapskaart enzovoort. Nou, dat valt dan weer mee. Over anderhalve week ga ik gewoon weer naar mijn werk en is er niets aan de hand. Eigenlijk valt de schade dus erg mee. Mijn wereld stort niet in. Jammer alleen van de vakantie.
Hij voelde zich al weer opgelucht toen hij in zijn auto stapte.
Eenmaal in de auto, staarde hij geruime tijd voor zich uit en vroeg zich af wat hij zou doen.
Meteen naar huis terug gaan vond hij geen optie.
Hij was een gewoontemens die veel waarde hechtte aan orde en regelmaat- volgens zijn collega’s op het autistische af- en een weekje weg in de zomervakantie was een ritueel dat hij niet wilde overslaan.
Hij keek naar zijn voorraad koek en flesjes drinken en opende de asbak van de auto waar hij af en toe wat kleingeld instopte voor als de nood aan de man kwam.
Door zijn voorspelbare leventje was die nood nog nooit aan de man gekomen dus daar zat aardig wat in.
Niet genoeg voor een hotelletje natuurlijk maar hij kon daarmee wel een paar keer op een terrasje zitten.
Overdag zou hij kunnen doen wat hij altijd deed en in plaats van eten in een restaurant op het einde van de dag, kon hij wat lekkers op een bank in het park eten.
’s Avonds zou hij in zijn boek kunnen lezen tot het donker werd en dan zou hij gaan slapen in zijn auto.
Als hij dat twee dagen en nachten vol wist te houden, zou hij toch het gevoel hebben op vakantie te zijn geweest.
En daar ging het tenslotte om: het jaarlijkse op vakantie gaan was als het ware het baken in zijn leven.
Maar overnachten in zijn auto vond hij een onaangename gedachte en de twijfel sloeg toe.
Toch startte hij de auto met de bedoeling een leuk stadje te vinden, wat hij dan als zijn vakantieadres zou kunnen beschouwen.
Na een tijdje rijden door een mooie omgeving kwam hij bij een alleraardigst oud stadje.
Hij parkeerde de auto op een plek waar het gratis parkeren was en haalde diep adem.
Hier zou hij proberen te doen wat hij altijd deed op vakantie.
Hij stopte het geld uit de asbak in zijn jaszak en zette het op een wandelen.
Hij doorkruiste alle straatjes van het oude centrum, bekeek met interesse historische panden, las hier en daar een plaquette met informatie en ontdekte een aardig museumpje.
Maar nu eerst koffie, dacht hij en ging aan een leeg tafeltje op een gezellig terrasje zitten.
Normaal gesproken zou hij daar appelgebak met slagroom bij genomen hebben maar daar zag hij nu, gezien de financiën, vanaf.
En daar heb ik iets op gevonden, dacht hij ondeugend en graaide in zijn jaszak naar enige meegenomen koeken uit de auto.
Telkens als hij dacht dat niemand keek, haalde hij er stiekem eentje uit en at die schielijk op.
Na een tweede kop koffie was hij door zijn koeken heen en rekende hij af.
Tevreden over zijn eigen slimheid wandelde hij naar het museum maar bij de ingang realiseerde hij zich dat zijn museumjaarkaart zich in zijn verdwenen portemonnee bevond.
“Verdorie,” mompelde hij en vroeg zich af wat hij nu zou doen.
De kerk, dacht hij. Die is gratis en kan ik mooi bezichtigen.
Hij wandelde naar een prachtig oud kerkje dat geopend was voor toeristen en keek zijn ogen uit.
Normaal gesproken zou hij daarna naar zijn hotelletje gegaan zijn om wat te lezen voordat hij ging dineren, dus wandelde hij naar zijn auto en haalde een dik boek uit zijn koffer.
Tevreden opende hij het boek op de plek waar hij gebleven was en vertoefde even in een andere wereld.
Na een half uur was het tijd om in een restaurant te gaan eten.
Hij wandelde naar een snackbar, bestelde een patatje, een berenhap en een pilsje en ging op een bankje zitten dat hij eerder op de middag gezien had.
“Niet gek, zo’n selfservicerestaurant,” grinnikte hij in zichzelf en keek naar de eendjes en de zwanen in de vijver.
En dan nu nog een lekkere kop koffie om dit diner af te sluiten, dacht hij tevreden.
In het café vond hij een plaatsje bij het raam en, genietend van zijn koffie, kwam hij tot de conclusie dat het ondanks alles tóch een leuke vakantiedag geworden was.
Maar nu kwam het gedeelte waar hij tegenop zag: overnachten in zijn auto.
Eerst natuurlijk nog wat lezen maar daarna kwam onverbiddelijk de nacht.
Hij wist dat hij dit niet aan zou kunnen en toen het donker begon te worden en hij zijn boek weglegde, besloot hij om naar huis te gaan.
Thuis aangekomen, nam hij een verkwikkende douche, trok zijn pyjama aan en kroop tevreden in zijn veilige bed.
Morgen zou hij alles regelen zodat hij weer over de noodzakelijke bescheiden zou kunnen beschikken.
Naar de Ardennen zou hij niet meer gaan maar hij zou de week vakantie die hij zichzelf opgelegd had, doorbrengen met een bezoek aan telkens een ander leuk stadje waar hij kon wandelen, zitten op een terrasje, eten in een restaurantje, wat lezen in de auto en dan heerlijk in zijn eigen bed slapen.
Later op zijn werk, toen alle verhalen over vakanties in verre oorden ter sprake kwamen, vertelde hij zijn collega’s dat hij dit jaar een echte ‘thuisvakantie’ gehouden had en dat hem dat uitstekend was bevallen.

Jut en Jul naar het museum

Author: jeroenstamgast

Die dag zouden Jan en ik naar de Hermitage in Amsterdam gaan en, als er nog tijd over was, ook nog naar het Allard Pierson Museum.
Om klokslag 10.00 uur meldde ik me bij de kleine woning van Jan.
Keurig op tijd maar doordat ik het hondje van mijn dochter Amber, die op vakantie was, nog had moeten uitlaten en ik daar meer tijd voor nodig bleek te hebben dan gepland, had ik geen mogelijkheid meer gehad om op internet te kijken naar een geschikte parkeergarage die een beetje op loopafstand tussen beide musea lag.
Jan, die sinds een tijdje eenbenig was, werd door mij in een rolstoel voortgeduwd en dan is het wel handig als je dat over niet al te grote afstand hoeft te doen.
Mijn tekortkoming in de voorbereiding hoefde geen probleem te zijn want ik kon de Tom Tom van mijn broer Marc gebruiken als Jan het adres van de Hermitage opgezocht had.
Bij binnenkomst bleek Jan tot mijn verrassing gereed te zijn voor de reis, wat in het verleden wel eens anders was geweest.
Ik kan me nog een keer herinneren dat we naar Noord-Frankrijk zouden gaan en ik hem schoffelend in zijn tuin aantrof toen ik hem op de afgesproken tijd kwam ophalen.
Daarna had hij nog een half uur naar zijn geld en paspoort moeten zoeken die hij uiteindelijk vond in het borstzakje van zijn overhemd in de wasmand.
Tevreden wielde Jan in zijn rolstoel naar me toe terwijl zijn broek en overhemd onder de koffievlekken kwamen te zitten door een lekkende thermoskan in een tas die hij op schoot hield.
Jammer van de koffie en de vlekken maar we besloten meteen op pad te gaan.
Jan wist zich, via een speciale plank, van zijn rolstoel naar de zitting van mijn auto te werken, een kunstje waar hij steeds handiger in werd.
Het inklappen van de rolstoel ging moeizaam maar in ieder geval niet zo klungelig meer als de eerste keren en, als ik de Tom Tom ingesteld had, konden we gaan.
Waar ik bang voor was geweest, gebeurde: ik kreeg het navigatiesysteem niet aan de praat.
Het programma startte wel op, maar daarna blokkeerde de hele handel.
Mijn reputatie van iemand die niet met moderne apparaten kan omgaan werd weer eens waargemaakt en ik voelde de gebruikelijke woede al weer opkomen.
In het begin wist ik nog rustig te blijven maar al snel verloor ik mijn geduld en smeet ik het onding rücktsichtloos naar achteren in mijn auto.
Boos om mijn niet aflatende onvermogen om met mijn tijd mee te kunnen gaan, reden we weg.
Jan probeerde me te kalmeren door onverstoorbaar gezellig te kletsen en ik probeerde daarin mee te gaan, wat me op een gegeven moment ook min of meer lukte.
Toen het echt gezellig begon te worden, kwam ik er achter dat ik op de automatische piloot had gereden en dat we richting Utrecht gingen i.p.v. Amsterdam.
Dat had ik dan weer mooi voor elkaar!
We verlieten de snelweg en via allerlei omweggetjes kwamen we op een weg die ik kende en die richting Amsterdam ging.
In Amsterdam was het uitzonderlijk druk en we reden in een soort file van verkeerslicht naar verkeerslicht zonder dat ik precies wist waar ik heen moest gaan.
We stonden meer stil dan dat we reden en mijn oude Lada waar ik zo blij mee was, begon rooksignalen vanonder de motorkap af te geven.
Al vrij snel ontwikkelde zich een grote rookpluim en iemand klopte op mijn raampje om me er attent op te maken dat er zich een grote plas vloeistof onder mijn auto begon te vormen.
Ik bedankte hem voor de waarschuwing en was blij dat ik de Keizersgracht op kon draaien en daar zowaar een plaatsje vond waar ik de auto kon neerzetten zonder het doorgaande verkeer te belemmeren.
Ik opende de motorkap en zag tot mijn opluchting dat de rook uit stoom van kokend water bleek te bestaan en dat het niet de motor was die in brand stond.
Een passerende stadsgids met een tiental volgelingen wees naar een paar mooie gevels waar niemand naar keek.
De rokende Oost-Europese auto van een model dat je niet veel meer zag rijden en nu helemaal niet meer reed, mocht zich in een grotere belangstelling verheugen.
Geforceerd vriendelijk knikte ik de belangstellenden toe.
Drie aardige jonge agentes op dienstfietsen, informeerden of alles in orde was en moesten lachen toen Jan, vanuit zijn autoraampje, voor alle zekerheid olijk met zijn invalidenpas zwaaide.
De agentes gaven me het voor de hand liggende advies om de ANWB te bellen.
Ik bedankte ze voor de belangstelling en de goede tip en belde inderdaad de ANWB, die beloofde dat er binnen een uur iemand zou komen .
Meer kon ik niet doen en ik ging weer naast Jan in de auto zitten.
Gek genoeg was ik niet boos over de autopech maar opgelucht dat me dit nu overkwam en niet een paar weken geleden toen ik nog over de stille wegen van het Noord-Franse platteland had gereden.
Jan en ik raakten zoals gewoonlijk weer gezellig aan de praat over van alles en nog wat, tot het moment kwam dat Jan op luidruchtige wijze zijn voorraad eten en drinken begon te verorberen.
Ik had geen trek, stapte uit en bekeek, lui leunend tegen de auto, het drukke Amsterdamse stadsleven.
Nadat ik een paar toeristen de weg naar het Anne Frank Huis had gewezen, draaide dan toch de ANWB auto de Keizersgracht op.
Ik vertelde wat er gebeurd was en de monteur wist meteen hoe de vork in de steel zat.
Door het filerijden werd de motor warm en doordat de fan niet was gaan draaien door een storing in de elektriciteitsvoorziening, werd het koelwater tot het kookpunt opgewarmd.
Hij kon het probleem tijdelijk oplossen door de fan direct met de accu te verbinden zodat deze constant bleef draaien en wij in ieder geval naar huis konden.
Uiteraard zorgde hij eerst voor een nieuwe voorraad koelvloeistof.
We bedankten de monteur, zagen af van ons museumbezoek en gingen ervandoor.
Jan zette ik bij hem thuis af en daarna reed ik door naar mijn eigen huis.
Daar zette ik de motor af, opende de motorkap en verbrak, zoals uitgelegd, de stroomvoorziening vanuit de accu zodat de fan stopte met draaien.
Inmiddels was het half vier en ik zette een kopje koffie om in alle rust dit dagje cultuursnuiven dat in rook was opgegaan, te overdenken.
Ik vind museumbezoek helemaal niet saai, zoals sommige mensen beweren, maar zo avontuurlijk als deze dag hoeft voor mij nou ook weer niet.

Tijdelijk geluk

Author: jeroenstamgast

“Ik lijk wel gek om hier af te spreken in deze tijd van het jaar,” mompelde de al wat oudere man op het bushaltebankje en kroop nog dieper in zijn winterjas.
De bushalte bood weinig beschutting tegen de kille zeewind die door de lege straten van de badplaats blies.
De man keek op zijn horloge en zag dat het middernacht geweest was.
“Ik geef haar nog tien minuten en dan ga ik naar huis.”
Ik had beter in de auto kunnen blijven zitten, dacht hij vijf minuten later en keek naar de parkeerplaats verderop.
Daar kwam net een auto aanrijden.
Zou dat haar zijn?
De lichten van de auto doofden, de motor werd afgezet en hij hoorde het openen en dichtslaan van een autoportier.
“Ja dus,” bromde de man. “Ik ben benieuwd wat ze van me wil.”
Een flamboyant geklede dame kwam aarzelend op hem afgelopen.
Ben benieuwd met wie ik te maken zal krijgen, dacht de man schamper. Anastasia, de wereldberoemde zangeres of Annie, het meisje uit mijn jeugd.
Anastasia of Annie kwam met uitgestrekte armen op hem af en wisselde met hem de drie bekende zoenen in de lucht uit.
“Fijn dat je op mijn uitnodiging inging en wilde komen,” zei ze vriendelijk.
“Dat was niet zo’n moeite hoor,” sprak de man. “Maar waarom in ’s hemelsnaam hier in die bushalte in de kou en dan ook nog zo laat?”
De vrouw glimlachte.
“Omdat we elkaar hier langgeleden voor het laatst gesproken hebben en dat leek me een symbolisch mooie plek om elkaar weer eens te ontmoeten. En dat moet dan wel ’s avonds laat want anders zouden de mensen me herkennen en dan is het gedaan met de rust en de mogelijkheid om tot een gesprek te komen.”
“Dus je bent vanavond gewoon Annie?”
“Ja, gewoon Annie. Annie, die wil weten hoe het met haar eerste en enige grote liefde is gegaan in al die jaren.”
Ze keek vertederd naar de man die haar wantrouwig aankeek.
“Is dat niet een beetje laat, nadat je me vijftig jaar links hebt laten liggen?”
“Daar heb ik spijt van,” reageerde Annie snel. “Hoe ouder ik word, hoe meer ik tot het besef kom dat er andere zaken belangrijker zijn dan geld en succes. Je kent de uitdrukking toch wel: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.”
“Die ken ik, ja. Maar dit noem ik niet meer ten halve keren hoor. We zitten zo’n beetje op het end van de rit. Bovendien, wat valt er nog te keren? Jij hebt jouw leven geleid en ik het mijne. Er valt niets meer te keren!”
“Nou word je toch wel heel cynisch, Karel,” pruilde Annie. Ik had natuurlijk wel verwacht dat je zo je bedenkingen zou hebben om me weer te zien. Ik had zelfs verwacht dat je niet zou willen komen. Maar nu je er dan tóch bent, kunnen we toch praten. Over hoe het gaat en zo.”
“Over hoe het gaat en zo,” herhaalde Karel zuchtend. “Nou, het gaat wel. Mijn vrouw is een jaar geleden overleden maar ik vind veel steun bij mijn kinderen en kleinkinderen. En dan zijn
er nog de jongens van de biljartclub en de voetbal. Het is natuurlijk niet te vergelijken met
jouw heftige en afwisselende leven in allerlei plaatsen op de wereld die er toe doen maar ik heb er vrede mee.”
Karel keek naar een man die, voorovergebogen leunend tegen de wind, zijn hond uitliet.
Een dikke kat dook schichtig onder een kale heg door.
In de verte klonk vanuit zee het geluid van een scheepshoorn.
“Zeg, zullen we even wat gaan lopen,” stelde Karel voor. “Ik krijg het koud van dat stilzitten.”
Ze stonden op en wandelden naar de strandopgang.
“De laatste keer dat we elkaar hier zagen was het hoogzomer,” mijmerde Annie.
“Nadat je het uitgemaakt had begon voor mij een lange winter. Het ergste vond ik nog dat je steeds meer succes kreeg en de ene relatie na de andere aanging. Allemaal met beroemde mannen natuurlijk. Ik ben nog wel eens naar een optreden van je geweest met de bedoeling je in de kleedkamer op te zoeken maar ze lieten me niet toe. Daarna heb ik je opgegeven en ben ik verder gegaan met leven.”
“Ben je gelukkig geweest in je leven?”
“Niet altijd natuurlijk maar over het algemeen mag ik niet mopperen. Voor mij zit het geluk hem in de kleine dingen. En mijn hele leven heeft bestaan uit kleine dingen,” grijnsde Karel. “Voor de grote dingen moet je meer bij jou zijn, geloof ik.”
Annie glimlachte treurig.
“Zullen we terugwandelen? Het waait hier nu wel erg hard, zo dicht bij het strand.”
Ze draaiden zich om en voelden de wind nu in de rug.
“Toen je stopte met optreden was het overal groot in het nieuws maar de laatste jaren is het stil rond jouw persoon. Laat ik het nou dan maar eens aan jou vragen. Hoe gaat het met je?”
“Ik heb geen relatie meer als je dat soms bedoelt.”
“Nee, dat bedoel ik niet. Ik bedoel gewoon: hoe gaat het met je?”
“Ik barst van het geld en verveel me te pletter. Dat is kort gezegd hoe het met me gaat.”
“Dat is inderdaad kort gezegd,” beaamde Karel en wist niet wat hij met deze informatie aan moest.
Het gesprek viel stil, wat opgevuld werd door de geluiden van het waaien van de wind, het blaffen van een hond en het blazen van een kat.
Zonder erbij na te denken kwamen ze weer bij de bushalte aan, waar ze dan maar weer gingen zitten.
“Heb je van je vrouw gehouden?” vroeg Annie plotseling.
“Het was een goede vrouw,” ontweek Karel de vraag. “We hadden een aardige band met elkaar en konden af en toe genieten van de kleine dingen die het leven ons bood.”
“Waarom heb je het toch steeds over die kleine dingen?” vroeg Annie geïrriteerd. “Is dat soms omdat ik altijd van de grote dingen heb gehouden? Wil je me daarmee soms op mijn nummer zetten? Wil je me daarmee soms inpeperen dat ik de verkeerde keuze heb gemaakt? Had ik voor jou moeten kiezen? Ik kreeg een kans in mijn leven om groot te worden en die kans heb ik gepakt!”
Karel keek haar verbouwereerd aan.
“Dat wil ik helemaal niet zeggen! Jij stelt mij een vraag en ik probeer daar een eerlijk antwoord op te geven. Trouwens, jíj bent degene die na al die jaren een afspraak wilde maken. Niet ik! En als ik eerlijk ben vraag ik me af wat je eigenlijk van me wilt.”
Annie dacht even na.
“Ik zal eerlijk tegen je zijn en dat vind ik moeilijk. Omdat ik mezelf bloot geef, bedoel ik. De roddelpers heeft me voorzichtig gemaakt. Ik ben altijd bang dat misbruik gemaakt wordt van openhartigheid. Vóór je het weet worden er de smerigste conclusies getrokken en leugens verteld. Ik ben echt niet die mannenverslindster waar ik voor doorga. Alle mannen die ik tegenkom zien mij als de grote vedette Anastasia. Jij bent de enige man in mijn leven die me kent als Annie. Ik wil na al die jaren glitter en glamour gewoon weer Annie zijn. Snap je een beetje wat ik bedoel?”
Ze keek hem hoopvol aan.
Karel voelde zich ongemakkelijk en kreeg het er, ondanks de koude wind die tegen de bushalte aanblies, warm van.
“Bedoel je,” opperde Karel voorzichtig, “dat je opnieuw een relatie met me wilt?”
“Ja,” bracht Annie er kleintjes uit. “Ik heb mijn villa in the States verkocht en leef momenteel in een hotel. De bedoeling is dat ik me ergens in Holland ga settelen om te genieten van de kleine dingen, zoals jij dat noemt. En hoe kan dat beter dan met de enige man waar ik écht van gehouden heb.”
Ze schoof wat dichter tegen hem aan.
“We kunnen de draad weer oppakken. En misschien vind je het wel leuk om eens naar Parijs te gaan of zo, of Rome. New York is trouwens ook heel leuk. Tussen het gewone leven door, bedoel ik. We kunnen…”
“En mijn kinderen en kleinkinderen dan?” onderbrak Karel haar.
“Die horen bij het gewone leven. Die hoeven niets tekort te komen. Ik ben dan gewoon tante Annie voor ze en voor je kleinkinderen oma of zo.”
Karel keek haar ongelovig aan.
“Dus jij denkt dat je, nadat je veruit het grootste deel van je leven ‘Anastasia’ bent geweest, zomaar even kunt omschakelen naar ‘tante Annie’. Zelfs als jíj dat zou kunnen, dan zou de wereld om je heen dat niet kunnen. Als ik me met jou ergens zou vertonen dan zouden wij niet Karel en Annie zijn maar Anastasia met haar nieuwe vriend. ‘Anastasia’ is wat het leven van je gemaakt heeft of misschien moet ik zeggen wat jij van het leven gemaakt hebt. We zijn niet meer Karel en Annie van vroeger. Zelfs ík ben veranderd door wat ik met mijn leven gedaan heb of wat het leven met mij gedaan heeft. Je kunt niet zeggen: we gaan verder waar we vijftig jaar geleden gestopt zijn. Wij zijn niet meer de Karel en Annie van toen. We zijn de Karel en Anastasia van nu. Het verleden is geweest. Klaar! Voorbij! Finito! De tijd van toen komt nooit meer terug!”
Na deze tirade stond de tijd een tijdje stil.
Alleen de dikke kat kwam onder de kale heg vandaan en keek speurend om zich heen.
Vanuit de zee klonk het geluid van een scheepshoorn.
“Dan kan ik maar beter gaan,” klonk het toonloos.
“Sorry Annie, maar méér kan ik er niet van maken,” verontschuldigde de ander zich.
“Als je maar weet, Karel, dat ik écht van je gehouden hebt.”
“Ik weet het, Annie. Heel lang geleden in een andere tijd. Het ga je goed, Anastasia. Leef je leven.”
Een vluchtige zoen en Anastasia schreed naar haar auto zonder eenmaal om te kijken.
Karel keek haar na en zijn gedachten dwaalden af naar de tijd dat hij en zijn vrouw en kinderen een gezin vormden.
Jammer toch dat je pas beseft hoe gelukkig je bent geweest als die tijd voorbij is, dacht hij bitter.

 

 

 

Een voorgevoel?

Author: jeroenstamgast

Er zijn van die gebeurtenissen in je leven waarvan je eigenlijk niet weet wat je ervan moet denken.
Ons jaarlijkse optreden in Hollenstedt in Noord-Duitsland met de groep Haddock in 1991 begon als altijd op dezelfde manier.
Theo, André, Marleen en Jos gingen vrijdags zoals gewoonlijk vroeg in de middag al op pad en troffen na aankomst de voorbereidingen die nodig waren voor een succesvol optreden.
Peter en ik konden vanwege ons werk pas later in de middag vertrekken en waren dan  ‘s avonds na een vermoeiende rit net op tijd voor ons eerste optreden.
De Ierse avond, die plaats had in de zaal die bij hotel ‘Hollenstedter Hof’ hoorde, werd altijd verzorgd door drie groepen die om de beurt een setje ten gehore brachten.
Na afloop was er dan een afterparty waarbij artiesten, personeel en een aantal stamgasten tot in de kleine uurtjes genoten van muziek, drank en gezelligheid.
Tot zover niets bijzonders.
Zaterdag overdag brachten we altijd op ontspannen wijze door en ’s avonds verzorgde Haddock dan een speciaal akoestisch optreden tijdens een diner voor genodigden.
Wat ik normaal nooit had, had ik toen wél.
Op de een of andere manier had ik het gevoel dat ik dringend terug naar huis moest.
Waarom wist ik niet maar in de loop van de dag werd dat gevoel steeds sterker.
Een reden had kunnen zijn dat onze baby Amber pas geboren was maar die was bij haar moeder heus wel in goede handen dus daar zou ik me geen zorgen over hoeven maken.
Met mijn eigen moeder ging het niet zo goed maar niets wees op een komende levensbedreigende gebeurtenis.
Het moest dus iets anders zijn maar wat dan?
Het onrustige gevoel nam ernstige vormen aan en, na afloop van ons dineroptreden, meldde ik dat ik niet de volgende middag terug naar huis zou gaan maar per direct.
Iedereen raadde het me af.
Het had gesneeuwd, de wegen konden glad zijn en ’s nachts rijden na twee inspannende optredens in combinatie met drank en slaaptekort vonden mijn medebandleden onverantwoord.
Overdag en tijdens het optreden had ik voor alle zekerheid geen alcohol genuttigd omdat ik steeds meer die drang voelde om de auto te pakken en naar huis te gaan.
Uiteindelijk kwam ik, nadat iedereen flink op me ingepraat had, tot de conclusie dat zondagochtend vroeg ook nog wel zou kunnen.
En zo startte ik, na een paar uur slaap, de volgende dag in alle vroegte de auto en reed zonder pauze in één keer door naar huis.
Ik begreep niets van mezelf maar was blij dat ik deze beslissing genomen had.
Na mijn thuiskomst was Anya, die net onze baby Amber de fles gaf, verbaasd dat ik er al zo vroeg weer was.
Mijn onrustige gevoel ebde weg en ik belde mijn moeder op om te zeggen dat ik weer veilig thuis was.
Tijdens het bellen hoorde ik achter me plotseling Anya gillen.
Ik keek achterom en zag haar volkomen in paniek de baby voor zich uit houden.
“Ze ademt niet meer!” riep ze.
Ik zei tegen mijn moeder dat ik terug zou bellen en gooide de hoorn op de haak.
Amber keek me indringend aan en vervolgens draaiden haar ogen naar achteren en keek ik naar twee witte plekken in haar oogkassen.
Eén ogenblik dacht ik dat we haar kwijt zouden zijn en dat alles verloren was.
Ik nam Amber van Anya over en had een slap lichaampje in mijn armen dat aanvoelde als een lappenpop.
“Ik ga de buurman halen!” schreeuwde Anya en weg was ze.
Instinctief draaide ik Amber met haar hoofdje naar beneden en sloeg voorzichtig, maar wel ferm, op haar ruggetje tussen de schouderbladen.
Daarna nam ik haar op schoot en blies in haar gezicht ter hoogte van haar mond zoals ik veearts James Herriot in de tv-serie ‘All creatures great and small’ had zien doen na de geboorte van een kalfje om het te laten ademen, naar ik aannam.
Wat je in je wanhoop al niet doet…
Tot mijn opluchting begon Amber weer te ademen en ze keek me monter aan.
Toen Anya met de buurman boven kwam, kon ik melden dat alles weer onder controle was.
De huisarts, die wij telefonisch raadpleegden, vertelde ons dat het wel eens voorkwam dat druppels babymelk in de luchtpijp terecht kwamen en dat dan het ademen van de baby spontaan kon stoppen.
Wat ik gedaan had- James Herriot en het kalfje had ik uit mijn beschrijving weggelaten- was een goede manier om de ademhaling weer op gang te brengen.
Het mocht dan een geruststellende gedachte zijn dat er niets abnormaals aan de hand was geweest, maar het heeft toch weken geduurd vóór we daar ook enigszins gerust op waren.
Regelmatig ging ’s nachts een van ons uit bed om te controleren of Amber nog wel ademde.
Blijft de vraag wat er gebeurd zou zijn als ik níet eerder naar huis was gegaan.
Had ik dit voorzien?
Is het mogelijk dat je onbewust in de toekomst kan kijken of is alles gewoon stom toeval?
Tot op de dag van vandaag kan ik daar geen sluitend antwoord op geven.
Normaal gesproken ben ik iemand die graag zijn verstand gebruikt maar in dit geval ben ik blij dat ik aan mijn onverklaarbare gevoel van onrust toegegeven heb.
En, om aan dit raar maar wáár gebeurde verhaal toch nog een afsluitende draai te geven, kom ik tot de vrijblijvende conclusie: gebruik je verstand en volg je gevoel.

 

 

 

Een sprookje

Author: jeroenstamgast

Er was eens een klein koninkrijk dat geregeerd werd door een oude koning die samen met zijn dochter in een oud paleis woonde.
Het paleis was niet meer dan een bouwval, de dochter niet minder dan oerlelijk en de oude koning voelde zijn einde naderen.
Tijd dus om zijn opvolging te regelen.
Door de stuitende lelijkheid van zijn dochter had hij tot nu toe geen geschikte prinsgemaal voor haar weten te strikken.
In betere tijden had hij met veel geld iemand nog wel zo gek kunnen krijgen maar dat geld was er niet meer en het koningschap had door de deplorabele toestand waarin het inmiddels verkeerde alle glans verloren dus dat was ook al geen lokkertje.
De oude koning wist dat zijn dochter het niet alléén zou redden want behalve spuuglelijk was ze ook nog eens oliedom.
“Wat moeten we nou doen?” vroeg de koning zich wanhopig af toen ze op een druilerige avond aan de maaltijd zouden beginnen.
“Nou. Gewoon. Eten, denk ik,” antwoordde de prinses en propte haar mond vol.
“Dat bedoel ik niet,” sprak de koning geërgerd. “Ik heb het over je huwelijk!”
“Ga ik trouwen dan?” vroeg de prinses verbaasd.
“Nee! En daar zit ‘m nou juist het probleem. Niemand wil met je trouwen.”
“Waarom niet?” vroeg de prinses en pulkte met haar mes een stukje vlees tussen haar tanden
vandaan.
“Denk eens na. Zou jij met jezelf willen trouwen?”
“Hoe kan ik nou met mezelf trouwen!” proestte de prinses het uit en stopte het per ongeluk uitgespuugde eten weer terug in haar mond. “Dat kan toch helemaal niet!”
De oude koning zuchtte diep.
Op dat moment werd er op de paleisdeur geklopt.
De lakei die ging kijken wie dat toch wel mocht zijn, kwam al snel terug.
“Het is een varken, sire. Hij wil u spreken.”
“Een sprekend varken?” vroeg de koning en keek even naar zijn dochter die voor de tweede maal haar bord vol schepte. “Nou ja, laat maar binnen.”
Het varken maakte na binnenkomst een buiging en stelde zich voor.
“Mijn naam is Philémon de derde en ik heb gehoord van uw probleem waar ik een oplossing voor meen te weten. Ik ben in deze walgelijke gedaante omgetoverd door een Boze Fee waardoor geen enkele prinses met me wil trouwen, terwijl ik eigenlijk een knappe jongeman ben. De betovering is alleen te verbreken als ik een huwelijkspartner weet te vinden van koninklijke bloede. Mij is ter ore gekomen dat u een huwelijkspartner zoekt voor uw onappetijtelijke dochter en ik ben bereid met haar te trouwen.”
De oude koning keek naar zijn eigen varkentje en dacht na.
“Als ik hierin toestem, wat zijn dan uw verdere plannen?”
“Ik zal, samen met u natuurlijk, het koninkrijk weer tot grote bloei brengen en na uw dood als een goede prinsgemaal, in naam van uw dochter, het land besturen. Uw dochter zal ik goed verzorgen dus daar hoeft u zich ook geen zorgen over te maken,” sprak het varken zelfverzekerd.
“Wat vind jij ervan?” vroeg de koning aan zijn dochter die voor de derde keer opschepte.
“Waarvan?” vroeg deze met volle mond.
De oude koning zuchtte diep.
“Het is goed,” besloot hij. “Ik ga akkoord.”
Niet lang daarna vond de huwelijksplechtigheid plaats en de voorspelling van het varken kwam uit.
Binnen een paar jaar was het koninkrijk door verstandig regeren weer veranderd in een welvarend land waar het prettig leven was en niemand iets tekort kwam.
De oude koning kon met een gerust hart doodgaan, wat hij dan ook deed.
Eén ding was het varken niet gelukt: hij had zijn gedaante van knappe jongeman niet terug gekregen en het gerucht deed de ronde dat hij helemaal niet was betoverd maar dat hij altijd een varken was geweest.
De oude koning had, toen hij nog leefde, daarmee kunnen leven maar zijn dochter niet.
Na haar vaders dood was ze een rijke koningin geworden die zich in de belangstelling van verscheidene edellieden mocht verheugen.
Door haar huwelijk met het varken kon ze daar niet veel mee dus besloot ze voor de eerste keer in haar leven na te denken om tot een plan te komen.
Dat kostte haar veel moeite maar feit was, dat het varken niet lang daarna onder verdachte omstandigheden de dood vond zodat ze in het huwelijk kon treden met een jonge prins zonder eigen fortuin.
Het hoofdbestanddeel van het bruiloftsmaal bestond uit varkensvlees dat de gasten zich goed lieten smaken.
Of het nieuwe bruidspaar hierna nog lang en gelukkig leefde, vermeldt het sprookje niet.