Archive for the ‘Ingrediënten’ Category

Een voorgevoel?

Author: jeroenstamgast

Er zijn van die gebeurtenissen in je leven waarvan je eigenlijk niet weet wat je ervan moet denken.
Ons jaarlijkse optreden in Hollenstedt in Noord-Duitsland met de groep Haddock in 1991 begon als altijd op dezelfde manier.
Theo, André, Marleen en Jos gingen vrijdags zoals gewoonlijk vroeg in de middag al op pad en troffen na aankomst de voorbereidingen die nodig waren voor een succesvol optreden.
Peter en ik konden vanwege ons werk pas later in de middag vertrekken en waren dan  ‘s avonds na een vermoeiende rit net op tijd voor ons eerste optreden.
De Ierse avond, die plaats had in de zaal die bij hotel ‘Hollenstedter Hof’ hoorde, werd altijd verzorgd door drie groepen die om de beurt een setje ten gehore brachten.
Na afloop was er dan een afterparty waarbij artiesten, personeel en een aantal stamgasten tot in de kleine uurtjes genoten van muziek, drank en gezelligheid.
Tot zover niets bijzonders.
Zaterdag overdag brachten we altijd op ontspannen wijze door en ’s avonds verzorgde Haddock dan een speciaal akoestisch optreden tijdens een diner voor genodigden.
Wat ik normaal nooit had, had ik toen wél.
Op de een of andere manier had ik het gevoel dat ik dringend terug naar huis moest.
Waarom wist ik niet maar in de loop van de dag werd dat gevoel steeds sterker.
Een reden had kunnen zijn dat onze baby Amber pas geboren was maar die was bij haar moeder heus wel in goede handen dus daar zou ik me geen zorgen over hoeven maken.
Met mijn eigen moeder ging het niet zo goed maar niets wees op een komende levensbedreigende gebeurtenis.
Het moest dus iets anders zijn maar wat dan?
Het onrustige gevoel nam ernstige vormen aan en, na afloop van ons dineroptreden, meldde ik dat ik niet de volgende middag terug naar huis zou gaan maar per direct.
Iedereen raadde het me af.
Het had gesneeuwd, de wegen konden glad zijn en ’s nachts rijden na twee inspannende optredens in combinatie met drank en slaaptekort vonden mijn medebandleden onverantwoord.
Overdag en tijdens het optreden had ik voor alle zekerheid geen alcohol genuttigd omdat ik steeds meer die drang voelde om de auto te pakken en naar huis te gaan.
Uiteindelijk kwam ik, nadat iedereen flink op mee ingepraat had, tot de conclusie dat zondagochtend vroeg ook nog wel zou kunnen.
En zo startte ik, na een paar uur slaap, de volgende dag in alle vroegte de auto en reed zonder pauze in één keer door naar huis.
Ik begreep niets van mezelf maar was blij dat ik deze beslissing genomen had.
Na mijn thuiskomst was Anya, die net onze baby Amber de fles gaf, verbaasd dat ik er al zo vroeg weer was.
Mijn onrustige gevoel ebde weg en ik belde mijn moeder op om te zeggen dat ik weer veilig thuis was.
Tijdens het bellen hoorde ik achter me plotseling Anya gillen.
Ik keek achterom en zag haar volkomen in paniek de baby voor zich uit houden.
“Ze ademt niet meer!” riep ze.
Ik zei tegen mijn moeder dat ik terug zou bellen en gooide de hoorn op de haak.
Amber keek me indringend aan en vervolgens draaiden haar ogen naar achteren en keek ik naar twee witte plekken in haar oogkassen.
Eén ogenblik dacht ik dat we haar kwijt zouden zijn en dat alles verloren was.
Ik nam Amber van Anya over en had een slap lichaampje in mijn armen dat aanvoelde als een lappenpop.
“Ik ga de buurman halen!” schreeuwde Anya en weg was ze.
Instinctief draaide ik Amber met haar hoofdje naar beneden en sloeg voorzichtig, maar wel ferm, op haar ruggetje tussen de schouderbladen.
Daarna nam ik haar op schoot en blies in haar gezicht ter hoogte van haar mond zoals ik veearts James Herriot in de tv-serie ‘All creatures great and small’ had zien doen na de geboorte van een kalfje om het te laten ademen, naar ik aannam.
Wat je in je wanhoop al niet doet…
Tot mijn opluchting begon Amber weer te ademen en ze keek me monter aan.
Toen Anya met de buurman boven kwam, kon ik melden dat alles weer onder controle was.
De huisarts, die wij telefonisch raadpleegden, vertelde ons dat het wel eens voorkwam dat druppels babymelk in de luchtpijp terecht kwamen en dat dan het ademen van de baby spontaan kon stoppen.
Wat ik gedaan had- James Herriot en het kalfje had ik uit mijn beschrijving weggelaten- was een goede manier om de ademhaling weer op gang te brengen.
Het mocht dan een geruststellende gedachte zijn dat er niets abnormaals aan de hand was geweest, maar het heeft toch weken geduurd vóór we daar ook enigszins gerust op waren.
Regelmatig ging ’s nachts een van ons uit bed om te controleren of Amber nog wel ademde.
Blijft de vraag wat er gebeurd zou zijn als ik níet eerder naar huis was gegaan.
Had ik dit voorzien?
Is het mogelijk dat je onbewust in de toekomst kan kijken of is alles gewoon stom toeval?
Tot op de dag van vandaag kan ik daar geen sluitend antwoord op geven.
Normaal gesproken ben ik iemand die graag zijn verstand gebruikt maar in dit geval ben ik blij dat ik aan mijn onverklaarbare gevoel van onrust toegegeven heb.
En, om aan dit raar maar wáár gebeurde verhaal toch nog een afsluitende draai te geven, kom ik tot de vrijblijvende conclusie: gebruik je verstand en volg je gevoel.

 

 

 

Een sprookje

Author: jeroenstamgast

Er was eens een klein koninkrijk dat geregeerd werd door een oude koning die samen met zijn dochter in een oud paleis woonde.
Het paleis was niet meer dan een bouwval, de dochter niet minder dan oerlelijk en de oude koning voelde zijn einde naderen.
Tijd dus om zijn opvolging te regelen.
Door de stuitende lelijkheid van zijn dochter had hij tot nu toe geen geschikte prinsgemaal voor haar weten te strikken.
In betere tijden had hij met veel geld iemand nog wel zo gek kunnen krijgen maar dat geld was er niet meer en het koningschap had door de deplorabele toestand waarin het inmiddels verkeerde alle glans verloren dus dat was ook al geen lokkertje.
De oude koning wist dat zijn dochter het niet alléén zou redden want behalve spuuglelijk was ze ook nog eens oliedom.
“Wat moeten we nou doen?” vroeg de koning zich wanhopig af toen ze op een druilerige avond aan de maaltijd zouden beginnen.
“Nou. Gewoon. Eten, denk ik,” antwoordde de prinses en propte haar mond vol.
“Dat bedoel ik niet,” sprak de koning geërgerd. “Ik heb het over je huwelijk!”
“Ga ik trouwen dan?” vroeg de prinses verbaasd.
“Nee! En daar zit ‘m nou juist het probleem. Niemand wil met je trouwen.”
“Waarom niet?” vroeg de prinses en pulkte met haar mes een stukje vlees tussen haar tanden
vandaan.
“Denk eens na. Zou jij met jezelf willen trouwen?”
“Hoe kan ik nou met mezelf trouwen!” proestte de prinses het uit en stopte het per ongeluk uitgespuugde eten weer terug in haar mond. “Dat kan toch helemaal niet!”
De oude koning zuchtte diep.
Op dat moment werd er op de paleisdeur geklopt.
De lakei die ging kijken wie dat toch wel mocht zijn, kwam al snel terug.
“Het is een varken, sire. Hij wil u spreken.”
“Een sprekend varken?” vroeg de koning en keek even naar zijn dochter die voor de tweede maal haar bord vol schepte. “Nou ja, laat maar binnen.”
Het varken maakte na binnenkomst een buiging en stelde zich voor.
“Mijn naam is Philémon de derde en ik heb gehoord van uw probleem waar ik een oplossing voor meen te weten. Ik ben in deze walgelijke gedaante omgetoverd door een Boze Fee waardoor geen enkele prinses met me wil trouwen, terwijl ik eigenlijk een knappe jongeman ben. De betovering is alleen te verbreken als ik een huwelijkspartner weet te vinden van koninklijke bloede. Mij is ter ore gekomen dat u een huwelijkspartner zoekt voor uw onappetijtelijke dochter en ik ben bereid met haar te trouwen.”
De oude koning keek naar zijn eigen varkentje en dacht na.
“Als ik hierin toestem, wat zijn dan uw verdere plannen?”
“Ik zal, samen met u natuurlijk, het koninkrijk weer tot grote bloei brengen en na uw dood als een goede prinsgemaal, in naam van uw dochter, het land besturen. Uw dochter zal ik goed verzorgen dus daar hoeft u zich ook geen zorgen over te maken,” sprak het varken zelfverzekerd.
“Wat vind jij ervan?” vroeg de koning aan zijn dochter die voor de derde keer opschepte.
“Waarvan?” vroeg deze met volle mond.
De oude koning zuchtte diep.
“Het is goed,” besloot hij. “Ik ga akkoord.”
Niet lang daarna vond de huwelijksplechtigheid plaats en de voorspelling van het varken kwam uit.
Binnen een paar jaar was het koninkrijk door verstandig regeren weer veranderd in een welvarend land waar het prettig leven was en niemand iets tekort kwam.
De oude koning kon met een gerust hart doodgaan, wat hij dan ook deed.
Eén ding was het varken niet gelukt: hij had zijn gedaante van knappe jongeman niet terug gekregen en het gerucht deed de ronde dat hij helemaal niet was betoverd maar dat hij altijd een varken was geweest.
De oude koning had, toen hij nog leefde, daarmee kunnen leven maar zijn dochter niet.
Na haar vaders dood was ze een rijke koningin geworden die zich in de belangstelling van verscheidene edellieden mocht verheugen.
Door haar huwelijk met het varken kon ze daar niet veel mee dus besloot ze voor de eerste keer in haar leven na te denken om tot een plan te komen.
Dat kostte haar veel moeite maar feit was, dat het varken niet lang daarna onder verdachte omstandigheden de dood vond zodat ze in het huwelijk kon treden met een jonge prins zonder eigen fortuin.
Het hoofdbestanddeel van het bruiloftsmaal bestond uit varkensvlees dat de gasten zich goed lieten smaken.
Of het nieuwe bruidspaar hierna nog lang en gelukkig leefde, vermeldt het sprookje niet.

 

 

 

 

 

 

Een kind van de duif

Author: jeroenstamgast

Ik heb een slecht geheugen.
Als ik met vrienden herinneringen ophaal aan die ‘goede oude tijd’, blijkt dat hele delen van die tijd uit mijn geheugen zijn gewist.
Laatst vertelde een oud-collega een leuke anekdote waarin ik ook voorkwam maar ik kon me er met de beste wil van de wereld niets van herinneren.
Het vreemde is dan weer wel dat ik soms een herinnering heb die zo sterk is dat het is alsof ik het pas heb meegemaakt.
Zo weet ik nog haarscherp hoe ik op vierjarige leeftijd tijdens het ochtendgebed op de zeer katholieke kleuterschool, die door de toen in Heemskerk nog redelijk veel voorkomende nonnen bestierd werd, achter mijn tafeltje zat met mijn handjes gevouwen en mijn oogjes dicht.
Ik voelde me akelig en er zat me een boer dwars.
Toen ik probeerde mij daar heel zachtjes van te ontdoen, gooide ik mijn hele ontbijt eruit.
Het was streng verboden je ogen te openen tijdens het gebed maar ik kon het niet laten en bekeek de bruingele smurrie die het gehele tafelblad bleek te bedekken.
Niemand had iets gemerkt.
Om me heen had iedereen zijn oogjes stijf dicht en de juf ging zo in haar gebed op dat ze mijn onpasselijkheid niet geregistreerd had.
Ik weet nog dat ik het raar vond dat je in een grote groep ongemerkt kon overgeven.
Verder wenste ik dat het gebed eindeloos zou voortduren want ik wist niet hoe ik mijn onsmakelijke activiteit aan de juf moest melden.
Dat probleem loste zich vanzelf op toen er een gemeenschappelijk ‘amen’ klonk en de kinderen om me heen vol walging mijn productie in ogenschouw namen en daar vervolgens luidruchtig commentaar op leverden.
Juf kwam boos op me af.
“Bah, wat ben jij een vieze jongen!” bracht ze er niet erg pedagogisch uit.
Ze opende de klassendeur die toegang tot de speelplaats verschafte en ordonneerde dat ik mijn tafeltje naar de zandbak moest brengen om hem daar schoon te maken.
Vol schaamte tilde ik het tafeltje op en, terwijl het braaksel via mijn benen een weg naar beneden vond en daar een onsmakelijk spoor achter liet, wist ik met de tafel en de laatste resten overgeefsel de zandbak te bereiken.
Met een emmer en een dweil kon ik aan de slag maar eerst moest ik de vloer schoonmaken.
Mijn werkzaamheden en ik moeten een beroerd tafereel geboden hebben want nog tijdens het dweilen van de vloer vroeg juf of ik nog misselijk was.
Op mijn ja knikken besloot juf met een diepe zucht dat ik dan maar naar huis moest gaan.
Waarschijnlijk vreesde ze een nieuwe golf van ongerechtigheid in haar propere klaslokaal.
Pietje van Schie moest met me meelopen maar die had er al vrij snel geen zin meer in en het laatste stuk liep ik dan maar in mijn eentje naar huis.
Hoe mijn  moeder reageerde weet ik niet meer maar dit zal voor haar de druppel zijn geweest die de emmer deed overlopen.
Ik had haar al vaak verteld dat ik het niet leuk vond op school maar ook begon ik last van nachtmerries te krijgen, waar ik me overigens gelukkig niets van herinner.
Van mijn moeder weet ik dat ik haar na zo’n nachtmerrie steevast vertelde dat ik geen kind van de duif wilde zijn.
Mijn moeder probeerde mij ervan te overtuigen dat duiven aardige dieren zijn maar ze kon me toch niet geruststellen en- aardig of niet- ik wilde daar hoe dan ook geen kind van zijn.
Ook de opvoedkundige methodes van de nonnen waren mijn moeder al een tijd een doorn in het oog.
Een kind dat te veel praatte kreeg een pleister op zijn mond geplakt en een kleuter die niet goed luisterde moest op zijn knietjes een tijd in de hoek doorbrengen.
Tijdens het gesprek met de juf later op de dag kwam mijn moeder er achter waarom ik in mijn nachtmerries geen kind van de duif wilde zijn.
Een stout kind werd door de juf namelijk als ‘een kind van de duivel’ gebrandmerkt.
Mijn moeder besloot mij per direct van school te halen.
Toen de juf dat jammer vond omdat ik dan het sinterklaasfeest zou missen, schijnt mijn moeder gezegd te hebben (en ik hoor het haar zeggen!) dat ze me die extra bangmakerij die dat feest ongetwijfeld met zich mee zou brengen, graag wilde besparen.
En verder mocht de juf blij zijn dat ze nu in ieder geval een duiveltje minder in de klas zou hebben.
Het schooljaar daarop ging ik als vijfjarige naar de eerste klas van de lagere school.
In september zou ik zes worden dus dat mocht net.
Eigenlijk functioneerde ik qua ontwikkeling nog op kleuterniveau en was ik bepaald geen lagere schoolkind te noemen maar de tijd dat ik voor een kind van de duif doorging, lag in ieder geval ver achter me.

 

 

Mijn nirwana

Author: jeroenstamgast

Ik sta voor ons huis op de hoek van Heemskerk, zoals wij dat noemen.
Vóór me zie ik de vijver, het weiland en in de verte het Marquettebos en als ik naar rechts kijk zie ik de Neksloot, de weilanden en in de verte Castricum en wat meer naar rechts Uitgeest.
Alles ziet er vredig en stil uit, alsof ik naar een schilderij kijk.
Ik ga ons huis binnen en op het atelier van mijn vader leen ik een van de pijpen uit een verder lege tabakspot.
Mijn vader is gestopt met roken maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen die pijpen weg te gooien.
Op mijn kamer pak ik, achter uit de grote lade van mijn houten PTT bureau , een pakje pijptabak dat ik daar verstopt heb.
Eigenlijk rook ik stiekem shag maar voor speciale gelegenheden rook ik pijp.
En dat doe ik nóg stiekemer dan shag roken omdat pijproken voor een veertien jarige in de ogen van iedereen belachelijk is.
Maar voor mij is dat pijproken een symbool van gezelligheid.
Een vorm van gezelligheid die ik af en toe in eigen gezelschap koester.
Ik verlaat het huis, wandel naar de brug over de Neksloot en volg de Noordermaatweg die door de weilanden voert.
Na een paar honderd meter spring ik over een slootje en sta ik op het weiland.
De huizen van Heemskerk worden steeds kleiner als ik verder en verder de weilanden in trek.
Af en toe moet ik over een slootje springen tot ik me tenslotte in een soort niemandsland bevind, ver van de bewoonde wereld.
Ik nestel me aan de kant van een slootje, begin die pijp te stoppen en steek de brand erin.
Om me heen heerst een serene rust.
Af en toe hoor ik het geluid van een vogel en vaag is het zachte ruisen van de wind door het riet langs de sloot te horen maar verder is er niets.
De wereld lijkt stil te staan.
Lurkend aan mijn pijp ervaar ik een gevoel van tijdloosheid.
Ik denk aan alles en aan niets.
Stil staar ik voor me uit en heb het gevoel hier altijd te willen zijn.
Geen getob meer over verwachtingen waaraan ik moet voldoen en of ik dat wel waar kan maken.
Helemaal niets!
Het groen van het gras, het blauw van de lucht en de stilte om me heen vormen het nirwana waarin ik verdwenen ben.
Als mijn pijp op is, klop ik hem leeg op de hak van mijn schoen, ga op mijn rug liggen en sluit mijn ogen.
Zonder te slapen droom ik weg tot mijn maag aangeeft dat er gegeten dient te worden.
Ik kom overeind en besef dat het leven verder gaat.
Nog eenmaal kijk ik aandachtig om me heen en ga dan gauw naar huis.
Als ik een flink uur later met ons gezin aan de avondmaaltijd zit, ben ik blij weer onder de mensen te zijn en geniet ik van de gezelligheid die er heerst en het heerlijke eten.
Het nirwana is ook niet alles!

 

Wat geweest is, is geweest

Author: jeroenstamgast

“Het probleem met jou is dat je altijd tijd nodig hebt om te acclimatiseren,” zei mijn vader tegen mij, toen ik hem vertelde dat ik er niet veel aan vond in Monampteuil in Noord-Frankrijk. “Als je eenmaal een beetje gewend bent, zal je zien dat je het leuk gaat vinden. Je hebt gewoon wat meer tijd nodig dan een ander.”
Ik had daar nooit zo over nagedacht maar hij had gelijk.
Zo ging het altijd als ik een periode uit mijn vertrouwde omgeving gehaald werd.
In het begin kon ik mijn draai niet vinden, na een tijdje kreeg ik het inderdaad naar mijn zin en als de tijd er bijna op zat, wilde ik dat er nooit een einde aan zou komen.
Zo ook deze vakantie.
Nog één volledige dag in Frankrijk en dan zouden we terug naar huis gaan.
Er begon zich al een gevoel van heimwee te ontwikkelen naar iets wat voorbij was en nooit meer terug zou komen.
“Vind je het leuk om met mij mee te gaan en ergens wat te gaan tekenen?” vroeg mijn vader die ochtend.
“Wie gaan er nog meer mee?” vroeg ik.
“Niemand. Gewoon wij, met zijn tweetjes. We zoeken een oud kerkje op en dat gaan we dan op papier zetten.”
Ik haalde snel mijn schetsboek uit de stacaravan die we huurden en zette me naast mijn vader in de auto.
Eigenlijk had ik deze laatste volledige dag in Frankrijk door willen brengen met de Franse kinderen uit een paar van de andere stacaravans op het terrein, maar de kans om samen met mijn vader op pad te gaan wilde ik niet laten lopen.
Het gekke met mijn vader was dat we het nooit tegen elkaar zeiden maar dat we veel van elkaar hielden.
We reden door het Franse platteland, praatten over koetjes en kalfjes en ik voelde me gelukkig zonder precies te weten waarom.
We stopten bij een pittoresk kerkje in een stil dorpje en pakten onze tekenspullen.
Tijdens het tekenen op het oude kerkhof zeiden we niet veel maar dat was ook niet nodig.
Mijn vader, die tekenleraar was, schetste op professionele wijze naar de werkelijkheid en daar kon ik met mijn 16 jaar natuurlijk niet tegen op maar mijn resultaat mocht er wél wezen, vond mijn vader.
We waren net zo’n beetje klaar met tekenen toen we tot onze verrassing een bekende gestalte het kerkhof op zagen lopen.
“Nee maar! Henk! Hoe kom jij hier?” vroeg mijn vader verbaasd.
“Met de auto,” zei Henk lachend en gaf mijn vader en daarna mij een hand. “Toen we in Monampteuil hoorden dat je ergens aan het tekenen was geslagen, zijn we alle kerkjes uit de omgeving af gegaan want we dachten dat we je daar wel zouden vinden.”
Henk Beekman was ook tekenleraar- ik had zelfs les van hem op school- en bracht elk jaar de hele zomervakantie door in een huisje in Noircourt, een dorpje niet zo heel ver van Monampteuil.
We wandelden naar onze auto en zagen het bekende DAFje, met daarin zijn vrouw Inez en zoon Michel.
Michel was een grote, beetje zware jongen van mijn leeftijd, die op dezelfde school zat als ik, maar dan in een andere klas.
Meneer Beekman had afgesproken dat ze, net als twee jaar daarvoor, bij ons in Monampteuil langs zouden komen.
“We hebben dus geluk gehad dat jullie er nog zijn,” zei hij, toen we in onze stacaravan aan de koffie met lekkers zaten. “Ik had begrepen dat jullie later terug zouden gaan.”
“Nee, wij gaan morgen weer naar huis,” zei mijn vader.
“Ja, jammer,” moest ik even kwijt. “Wat mij betreft had ik nog wel langer willen blijven.”
Meneer Beekman keek even naar Michel, die onderuitgezakt over een stoeltje hing en toen naar mij.
“Als je wilt kun je bij ons logeren. Wij blijven tot het einde van de zomervakantie. Dat zou ook leuk zijn voor Michel want dan heeft die ook eens een leeftijdgenoot om mee te praten.”
Michel kwam een beetje overeind.
“Ik vind het best want ik verveel me zo langzamerhand te pletter daar,” zei deze.
“Nou Jeroen,” zei mijn vader. “Dit is je kans om langer in Frankrijk te blijven.”
Iedereen leek het plotseling een geweldig plan te vinden maar ik begon me zorgen te maken over het acclimatiseren waar ik moeite mee scheen te hebben.
Michel zat nu recht overeind op zijn stoeltje.
“Er is daar een mooi zwembad en ook een tennisbaan. Ik zou het leuk vinden als je met ons mee gaat,” zei hij wervend.
“Dat is dan afgesproken,” besliste meneer Beekman. “Jij gaat gezellig met ons mee!”
Behalve problemen met ‘acclimatiseren’ bleek ik nu ook problemen met ‘onverwachte wendingen in mijn bestaan’ te hebben maar ik durfde niet te zeggen dat ik bij nader inzien toch maar liever met mijn ouders mee terug naar huis ging.
En zo stapte ik een uur later met een tas kleren en een tandenborstel in het DAFje.
“Als ik thuis ben, zal ik je meteen een brief schrijven,” beloofde mijn moeder me bij het afscheid.
“Geef het even een kans en dan zal je zien hoe leuk het is,” zei mijn vader bemoedigend.
Waarschijnlijk hadden ze wel in de gaten dat ik zo mijn bedenkingen had over dit onverwachte buitenkansje.
En ik bleek gelijk te hebben!
Michel was, na vier weken intensief vervelen, niet vooruit te branden en was met moeite ergens toe aan te zetten.
Als ik niet dwingend voorstelde iets te gaan doen, gebeurde er gewoon niets.
Ondanks een bezoek aan het zwembad en een rondrit door de omgeving, kroop de eerste dag voorbij en was ik in gedachten constant bij het gezin waar ik deel van uitmaakte en dat nu, zonder mij, lekker naar huis ging.
Wat ik ook erg vond was, dat ik geen afscheid genomen had van de Fransen op de camping.
Wat moesten die wel niet van mij denken.
En dat allemaal door die stomme opmerking dat ik nog wel wat langer had willen blijven.
Ik voelde me doodongelukkig maar kon dat natuurlijk niet laten blijken.
De tweede dag bespeurde ik enige levendigheid bij Michel en hoefde ik wat minder aan hem te trekken om iets te gaan ondernemen.
’s Avonds zaten we onverwacht gezellig te kletsen bij het licht van een olielampje en rookte ik een pijp en hij een sigaar.
De dag daarop vroeg ik aan zijn ouders of het mogelijk was om een paar dagen eerder dan zij met de trein naar huis te gaan zodat ik de reparatie van mijn brommer af kon maken vóór ik weer naar school moest.
Waarschijnlijk hadden zij ook wel in de gaten dat er bij mij iets speelde dus ze vonden het
geen enkel probleem.
Toen er ook nog een brief van mijn moeder kwam waarin zij schreef dat mijn vader aan de Fransen uitgelegd had waarom ik geen afscheid genomen had, was ik helemaal gerustgesteld.
Wat volgden waren gezellige dagen waarin Michel zich ontpopte tot een leuke metgezel.
Overdag amuseerden we ons met van alles en nog wat en ’s avonds waren we vaak tot diep in de nacht, onder het genot van een pijp en een sigaar bij het schijnsel van een olielamp, aan het kletsen en filosoferen over zaken die belangrijk waren in ons toenmalige leven.
Toen we op het station op de trein wachtten die mij terug naar Nederland zou brengen, moest ik tot mijn ongenoegen constateren dat ik helemaal niet naar huis wilde.
Maar, eenmaal thuis in mijn vertrouwde omgeving, hoefde ik niet te acclimatiseren en kon het gevoel van een groot gemis over wat geweest was, beginnen.

Waarachtige inspiratie

Author: jeroenstamgast

Onheilspellend donkere wolken dreven over het Noord-Franse dorpje toen een Nederlandse auto die middag stapvoets door de verlaten hoofdstraat reed.
De bestuurder keek van links naar rechts om het huisje te vinden dat hij van een vriend en collega-schrijver mocht gebruiken om in alle rust aan zijn boek te kunnen werken.
Aan het einde van de straat keerde hij om en probeerde het nog eens van rechts naar links.
Van die huisnummers klopt ook niet veel, dacht de man. Het huis moet aan de hoofdstraat liggen en die heb ik nu al twee keer gehad.
Toen viel zijn blik op een huisje aan het eind van de straat, enigszins afgezonderd van de andere huizen.
Dat zal ‘m zijn, dacht hij en parkeerde zijn auto in het hoge gras van wat eens een tuin moest zijn geweest.
Hij stapte uit, strekte zijn rug, bekeek de bouwval en wist even niet of hij moest lachen of huilen.
Zijn vriend had hem dan wel verteld dat hij het huisje voor een habbekrats had gekocht en dat er nog veel aan verbouwd moest worden maar onze tijdelijke bewoner begreep dat hij zijn verwachtingen naar beneden zou moeten bijstellen.
Nou ja, hij was in ieder geval ver verwijderd van de verlokkingen van de grote stad die hem telkens hadden belet om aan zijn nieuwe boek te beginnen.
Rust had hij nodig!
Op advies van zijn vriend had hij zelfs zijn mobiele telefoon en laptop thuis gelaten zodat hij afgesloten zou zijn van de buitenwereld om zo in contact te kunnen komen met zijn binnenwereld.
Door prikkels van buitenaf- denk aan feesten en literaire drankgelagen- had hij al maanden geen letter op papier gekregen en dat, terwijl hij de jaren daarvoor ook al niet productief was geweest.
Hier zou het dan moeten gebeuren.
Afgezonderd van alles en iedereen zou hij de draad van zijn schrijverschap weer oppakken.
En dat zou hij dan doen met zijn oude schrijfmachine waarop hij als jonge schrijver zijn succesvolle eerste boeken had getikt.
Als het nu niet wilde lukken, zou hij er een punt achter zetten en gaan teren op zijn in het verleden behaalde faam, of wat daar nog van over was.
“Nou Lodewijk,” bromde de man in zichzelf. “On-y-va!”
Met een vastberaden blik in de ogen stak Lodewijk de sleutel in het slot van de voordeur en opende deze.
Een muffe schimmelgeur kwam hem tegemoet.
Het lijkt wel of ik mezelf ruik, dacht hij grimmig en overzag een karig ingerichte woonkamer.
Beneden waren er verder een onooglijk keukentje en een kleine badkamer met WC, waar hij meteen gebruik van maakte.
Dat lucht op, dacht hij en was nóg opgeluchter toen hij doortrok en constateerde dat de spoelbak gewoon zijn werk deed.
Boven bevonden zich onder een aflopend dak twee kleine slaapkamertjes.
Hij probeerde de bedden uit en koos voor het exemplaar dat het minst doorzakte.
In een grote kast vond hij beddengoed dus dat viel dan ook weer mee.
Lodewijk ging weer naar beneden en inspecteerde het gasstelletje dat aangesloten was op een grote butagasfles waar voorlopig nog genoeg brandstof in zat.
Er was geen elektriciteit maar her en der bevonden zich olielampen dus hij hoefde ’s avonds niet in het donker te zitten.
Bij de open haard stond een oliekacheltje dus als het koud werd, en dat was te verwachten in deze tijd van het jaar, hoefde hij geen kou te lijden.
Hij zuchtte diep en dacht aan zijn vrienden die zich inmiddels wel in het café verzameld zouden hebben om, onder het genot van de nodige drank, de literaire wereld te bespreken.
Om zich tegen zichzelf te beschermen had hij slechts één fles whiskey meegenomen die bedoeld was om, na een lange dag van schrijven, een slaapmutsje te kunnen nemen.
Laat ik eerst mijn spullen maar eens uit de auto halen en me hier een beetje installeren, dacht hij en voegde de daad bij het woord.
De typemachine zette hij op een tafeltje bij het raam, wat hem wel een gezellig plekje leek om inspiratie op te doen.
Lodewijk keek door dat raam naar buiten en zag donkere wolken overdrijven, wat alles er niet vrolijker op maakte.
Hij scharrelde nog wat door het huisje en vulde de fluitketel met water om koffie te zetten.
Hij had voldoende proviand voor een aantal dagen meegenomen zodat hij er niet meteen op uit hoefde om boodschappen te doen.
Even later zat hij met een dampende kop koffie achter zijn typemachine naar buiten te staren.
Om wat te doen draaide hij een A-viertje in de machine en staarde vervolgens langdurig naar het witte papier.
Morgen ga ik beginnen, dacht hij. Laat ik het niet forceren door het nu al te proberen.
De stilte werd drukkend en hij begon zich steeds onbehaaglijker te voelen.
Misschien zal een wandelingetje door het dorp me goed doen, dacht hij. Even de omgeving verkennen en een frisse neus halen.
Buiten was het flink gaan waaien en daardoor was het inderdaad behoorlijk fris geworden.
Lodewijk trok zijn jas aan en liep de hoofdstraat in.
Geen levende ziel te bekennen.
Dit was echt de dood in de pot.
Je zou je leven toch moeten slijten in zo’n gat!
Aan het einde van de straat voelde hij de eerste druppels vallen en hij spoedde zich terug naar zijn huisje terwijl het nu echt begon te regenen.
De harde wind zwiepte de nattigheid tegen hem aan, die weer van hem af droop toen hij binnen was.
Hij ontstak het oliekacheltje en hing zijn jas ervoor te drogen over een stoel.
Laat ik alvast maar een olielamp aandoen, dacht hij. Het begint te schemeren.
Lodewijk keek op zijn horloge.
“Dat wordt een lange avond,” bromde hij. “Wat moet ik al die tijd in vredesnaam doen?”
Er was geen elektriciteit dus de televisie of de radio kon hij wel vergeten en verder had hij niets bij zich.
Zelfs geen boek want dat zou hij gaan schrijven.
Hij moest zich zien te vermaken met zichzelf en hij vond dat geen geschikt gezelschap.
Zuchtend zette Lodewijk zich achter zijn schrijfmachine om dan toch alvast maar wat te gaan doen.
“Laat ik eerst maar eens de bekende thema’s van mijn boeken op papier zetten,” mompelde hij. “Zinloosheid van het bestaan, vergankelijkheid enz. De hele rataplan. Verrek. Ik begin in mezelf te praten. Dat is geen goed teken.”
Lodewijk begon te tikken maar de schrijfmachine werkte niet mee.
De mechanieken hadden hun souplesse, na vele jaren stilstand, verloren en hij besefte dat hij dat eerst zou moeten verhelpen.
“Dat doe ik morgen dan wel,” zuchtte hij.
Uit zijn tas pakte hij een kladblok en een pen en noteerde zijn sleets geworden thema’s.
De wind en de regen belaagden het huisje en veroorzaakten geluiden die hij niet allemaal thuis kon brengen.
Buiten was het donker geworden en een eenzame lantaarnpaal verspreidde een onrustig licht.
Hij voelde zichzelf ook onrustig worden, stond op en drentelde nerveus door het huisje.
Allerlei onverwerkte trauma’s uit het verleden spookten door zijn hoofd en maakten hem angstig.
Voor het eerst in vele jaren was hij op zichzelf teruggeworpen en het leek wel of hij geen controle meer had over zijn weggedrukte angsten.
Een golf van paniek welde nu in hem op.
“Waar ben ik dan bang voor?!” riep hij in de leegte. “Dat kan zo niet langer. Ik moet iets doen!”
Snel ging hij aan het tafeltje zitten en begon als een bezetene alles op te schrijven wat hem te binnen schoot, in een poging zijn demonen te bezweren.
Na een uurtje zwoegen las hij, veel rustiger nu, aandachtig wat hij van zich afgeschreven had.
“Verdomd! Hier zit een goed boek in! Iemand die door omstandigheden geconfronteerd wordt met de harde werkelijkheid van zijn bestaan en ontdekt dat hij zichzelf jarenlang voor de gek heeft gehouden. Ha! Ik kan niet wachten om te beginnen!”
Lodewijk keek enthousiast om zich heen.
Maar niet hier, dacht hij. Dit is een geschikte plek geweest om die beerput open te trekken maar om te schrijven moet ik toch echt thuis zijn.
Hij keek op zijn horloge en laadde zijn spullen weer in de auto.
Als ik opschiet, ben ik iets na middernacht thuis.
Tijdens de terugreis zag hij het boek al helemaal voor zich.
Eindelijk had hij weer eens iets te melden.
Eenmaal thuisgekomen, nam hij snel een verkwikkende douche, zette koffie, pakte zijn laptop en begon, geïnspireerd als in zijn jonge jaren, aan zijn magnum opus:

Onheilspellend donkere wolken dreven over het Noord-Franse dorpje toen een Nederlandse auto die middag stapvoets door de verlaten hoofdstraat reed.

Vele regels zouden volgen.

Communicatie

Author: jeroenstamgast

Toen mijn moeder overleden was en wij voor haar spulletjes een zo goed mogelijke bestemming probeerden te vinden, ontdekte ik een envelop met briefjes uit de tijd dat wij nog een gezin met elkaar vormden, die zij in de loop der jaren om de een of andere reden bewaard had.
Die briefjes, geschreven op de meest uiteenlopende soorten stukjes papier, waren onze manier van communiceren in de ochtenduren.
Iedereen stond doordeweeks namelijk op een andere tijd op om naar school of naar het werk te gaan en op deze manier konden wij toch nog even iets kwijt als ons dat nodig leek.
Meestal waren dat mededelingen waarvan ik er hieronder een aantal in willekeurige volgorde zal tonen.
Mijn moeder stond overigens als laatste op.
De avond ervoor had ze voor iedereen broodjes gesmeerd voor later op de dag en als wij thuis kwamen was er tijd voor een kopje koffie of thee en werd er niet geschreven maar gepraat.
´s Avonds tijdens de avondmaaltijd was het hele gezin bij elkaar en werd er heel wat afgekletst.
En nu dan een aantal van die briefjes, zoals gezegd in willekeurige volgorde, maar ook nog eens uit verschillende momenten in de tijd.

—————————————————————————————————————–

Marc, hier staat een kop koffie voor je om wakker te worden. Veel plezier – Matthijs

Vader, moeder Jeroen heeft gebeld!! Hij moet morgen weer naar de herkeuring. Of we allemaal willen duimen en de groeten. Mam, er is wat water over de hes van tante Annemarie gevallen toen er een hele zooi troep van de piano afviel. Het is alleen maar water dus er is niets aan de hand – Matthijs

Papa – mama, Ik ben naar José. Oma komt om 12.03 uur voor als jullie het vergeten waren – Cécile

Ik blijf vanmiddag over op school. Hoe laat ik precies thuis kom weet ik niet daar ik een gesprek met een van de ouders heb – Jeroen
Ik ga ook naar school toe maar ik ben het tweede uur vrij. Is er dan iemand op? – Matthijs

Jeroen, wil je mij morgen om 7 uur wekken – Marc

ma/ pa is er wel iemand als die vent van de Eppo komt om dat boek aan te pakken? – Matthijs

Matthijs, Wil je je er rekenschap van geven dat je dierb’re konijnen hongeren – pa

Mama, Ik heb mijn brood al gemaakt en slaap vannacht bij Froukje. Welterusten – Marc

Goedemorgen allemaal! Ik werk op het ogenblik bij Jan Twisk. Ik weet niet wanneer ik weer thuis ben. Het zal wel niet zo lang duren, maar hou er voor alle zekerheid rekening mee met het eten. Tot ziens – Jeroen

Beste Jeroen, Ik wou je vragen of ik jouw schetsboek kan kopen, want mijn schetsboek is vol. Als je weer inspiratie krijgt om strips te gaan tekenen koop ik een nieuw schetsboek voor je – Matthijs

Jeroen!! Kun je mij om kwart voor zeven wekken? – Matthijsje
Ik om 7 uur svp – Marc
Goedemorgen, Ik blijf waarschijnlijk over vanmiddag. Na school heb ik waarschijnlijk nog een vergadering – Jeroen
Ik ga naar school toe. Duim maar voor me. Dag – Matthijs

Mam, Ik kom vanavond niet thuis eten want ik ga met Nico ratatouille maken. Ik kom misschien wel zo’n pakje soep ophalen. Dag – Cécile

Marc, Vergeet niet om ook het vlees en de spinazie uit de ijskast te halen! De tas staat in de keuken. Vr. Gr. Mama
Ik ben een stuk gaan fietsen. Met het eten ben ik wel thuis – Matthijs

Van harte gefeliciteerd met je verjaardag. Ik hoop dat je wat aan het cadeautje hebt. Verder een fijne dag gewenst. (ik zag al een enorme afwas) Tussen de middag kom ik niet thuis vanwege verdere voorbereidingen van deel 2 van het sinterklaasfeest op school. Het wordt dus later op de dag dat ik je persoonlijk kan feliciteren. Tot dan en nogmaals gefeliciteerd – Jeroen

Hallo allemaal, Ik ben dit weekend naar Nienke Jelgersma in Enschede. Ik ben maandag terug en bel nog wel. Ik heb f 35 van jeroen geleend voor de reis. Wil je dat teruggeven, dan betaal ik het wel aan jullie terug. En blijf uit m’n kamer, Cécile. Dag allemaal – Marc
Tot ziens en prettig weekend – Froukje

In die krentenbollen zitten allemaal kleine kiezelsteentjes waarmee je zowat je tanden mee stuk bijt. Ik hoef geen krentenbollen meer – Matthijs

——————————————————————————————————————

Tussen al die bewaarde briefjes waren er ook een paar die niet tot de mededelingen gerekend kunnen worden maar meer van beschouwende aard zijn.
Ik heb er drie uitgezocht.
De eerste twee zijn van het type ´even je hart luchten´. De laatste, waarin jongste broer Matthijs het begin van zijn dag beschrijft, vind ik een mooi staaltje van puberliteratuur en laat meteen ook zien dat er ´s ochtends toch nog wel contact was buiten de briefjes om.

——————————————————————————————————————-

Ik heet Jeroen Stam en ik woon in een plaats die Heemskerk heet. Ik ben 15 jaar oud en woon in een familie van zes mensen. Twee ouders en vier kinderen, waarvan ik de oudste ben. Het heeft lang niet altijd voordelen om de oudste te zijn. Nee, het heeft eerder nadelen. Jij bent namelijk altijd degene die het altijd gedaan heeft. Jij en je broer, die de twee oudste zijn, zijn de grote lummels, terwijl je zus van elf en je broertje de kleintjes zijn en daar enorm veel voordeel van hebben. Dat mijn broertje een kleintje wordt genoemd vind ik niet erg maar dat een zus van elf jaar oud die voordelen ook heeft, kan ik niet hebben. Toen ik elf was, was ik al een grote lummel en nu die kattige griet elf is, is ze nog steeds het kleintje. Bah!

Heemskerk 18 april
Ik ga vandaag weer naar die stomme rotschool toe omdat ik aan het werken ben voor mijn toekomst, want ik wil geen vuilnisman worden of puttenschepper. Want als je niet naar school gaat dan ben je dom want dan weet je niet hoe je automobilist moet schrijven en dan kan je nooit een goeie baan krijgen. Je moet later zoveel mogelijk verdienen want dan kan je veel kopen en als je veel kan kopen dan ben je gelukkig
Gehersenspoeld persoon in 1977

Het was een koude morgen toen ik met slaperige ogen en nou niet bepaald netjes haar, bonkend de trap af stommelde. Ik was het eerst beneden, dat kon je zo zien en voelen. Het was een troep en het was koud. Ik had er een hekel aan om vroeg op te staan maar wist na verloop van tijd al zo wakker te worden om naar de keuken te hobbelen en met nogal slome en onhandige bewegingen een boterham uit de boterhammenzak te halen, deze te smeren en zelfs op te eten. Toen ik daarmee klaar was, kwam ook mijn broer beneden. Na een nogal zinloos onsamenhangend gesprek gevoerd te hebben, besloot ik naar de W.C. te gaan en daar het nodige te doen. Het was half acht, pa zou nu wel eens naar beneden moeten komen en deed dat ook, vroeg of ik al wat gegeten had en toen ik ‘ja’ antwoordde vertrok deze ook naar de keuken. Even later begon hij met mijn broer nogal luidruchtig te converseren over de juiste manier van studeren en nog een paar van die onderwerpen werden aangesneden in de keuken. Toen vader en zoon binnen kwamen, was het voor mij haast tijd om te vertrekken. Het was nu toch ook al te laat om een paar wiskundesommen te vragen die ik niet snapte. Ik vertrok nu naar school, zei iedereen gedag, bond mijn tas op de fiets en ging weg. Op weg naar school ontweek ik allerlei dingen van jongens tot glas aan toe. Ik kwam zonder kleerscheuren aan op school en liep in de richting van het lokaal waar ik wezen moest.

——————————————————————————————————————

Ter afsluiting nog even een van de eerste geschreven teksten uit de Nederlandstalige literatuur, afkomstig van een Vlaamse monnik rond het jaar 1100. Hij schreef het achter in het boek waaraan hij bezig was om zijn pas aangescherpte ganzenveren pen te testen.

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?

——————————————————————————————————————

Tegenwoordig schrijft men geen briefjes meer maar communiceert men digitaal.
Vaak tijdens de gesprekken of wat daar voor door moet gaan.
De nieuwe tijd, net wat u zegt!

The streets of London

Author: jeroenstamgast

Het was stil in het cafeetje op de hoek.
Een oude man zat aan een tafeltje bij het raam en staarde naar buiten terwijl een kastelein de glazen spoelde en de voorraad drank inspecteerde.
Een kwartier later begon de kastelein de stilte als drukkend te ervaren en zette hij de radio aan.
Tijdens het weerbericht, dat weinig goeds voorspelde, kwam een oude vrouw binnen geschuifeld die aan het andere tafeltje bij het raam ging zitten, met haar rug naar de man toe gekeerd.
Het wordt hier nog gezellig, dacht de kastelein en nam de bestelling op.
Toen hij een bessenjenever op het tafeltje zette, keek hij voor alle zekerheid nog even naar het bijna lege glas op het andere tafeltje en daarna naar de oude man.
Deze kende de schamele inhoud van zijn portemonnee en gaf geen sjoege.
Waarom gooi ik die tent gewoon niet later op de dag open, dacht de kastelein. De vaste klanten ze je om deze tijd toch nooit.
Mismoedig begon hij het koperwerk van de bar te poetsen.
Een half uur later- de radio meldde net een terroristische aanslag die aan 38 mensen het leven had gekost- kwam de eerste bekende binnen, niet veel later gevolgd door verscheidene andere stamgasten.
De radio werd uitgezet en de gebruikelijke borrelpraat nam een aanvang.
De twee oudjes bivakkeerden bij het raam in een cocon van stilte.
De vrouw zag een bekende buiten, zwaaide, betaalde haar consumptie en verliet het pand.
De oude man keek haar peinzend na tot ze met haar bekende uit het zicht verdwenen was en vestigde toen zijn aandacht op zijn inmiddels lege glas.
Een kwartier later- een dikke man met een rood hoofd was net begonnen aan een mop over twee negers en een jood- meldde hij zich bij de tap en bestelde een jenever.
“Kom er gezellig bijzitten,” stelde de kastelein voor in een poging om de man uit zijn isolement te halen.
“Nee, dank u,” zei de man afwezig en sjokte met zijn glaasje terug naar het tafeltje bij het raam.
Het gezelschap aan de bar keek toe hoe de man weer plaats nam en even bleef het stil.
“Nou, die jood zei dus tegen die twee negers…” vervolgde de man met het rode hoofd en de gezelligheid nam opnieuw een aanvang.
Het was al weer uren later toen de laatste stamgast het café verlaten had en de kastelein en de oude man over bleven.
De klok gaf aan dat het nog geen sluitingstijd was maar de kastelein begon alvast met de schoonmaakwerkzaamheden en zette de radio aan om de stilte te verdrijven.
Een kwartiertje later kwam de oude man overeind, betaalde zijn rekening en sjokte naar de buitendeur.
“Een fijne avond nog!” riep de kastelein hem na.
Op de radio was het nummer ‘The Streets Of London’ van Ralph Mc Tell te horen.
Blij dat ik niet in Londen woon, dacht de kastelein en zette de radio uit.

Neem een hond

Author: jeroenstamgast

Moeizaam kwam hij overeind en zette zijn voeten op de grond naast het bed.
Wéér een dag, dacht hij. Hoe moet ik die nu weer doorkomen.
Hij had zich zijn pensionering wel anders voorgesteld.
Samen met zijn vrouw zouden ze er op uit trekken en eindelijk eens tijd maken voor elkaar.
Maar na een kort ziekbed was zijn vrouw overleden en de enige reis die hij gemaakt had, was die naar het crematorium.
Hij kwam alleen nog buiten de deur als hij boodschappen moest doen.
Hele dagen zat hij voor zich uit te staren of keek naar de televisie zonder te kijken.
Goed bedoeld bezoek van vrienden en kennissen werkte hij zo snel mogelijk de deur uit.
Alleen voor zijn kinderen maakte hij een uitzondering en probeerde hij aanspreekbaar te zijn.
Het waren lieve kinderen maar ze leidden hun eigen leven en hadden steeds meer moeite om tegen die muur van verdriet op te boksen.
Zijn kleinkinderen kwamen liever helemaal niet meer, dat merkte hij wel.
Op een gegeven moment was zijn oudste zoon het zat.
Het werd tijd voor een andere aanpak.
“Dit kan toch zo niet doorgaan! Ga eens wat doen met je leven. Je zei altijd dat je nooit tijd had voor je hobby’s. Nu heb je verdorie tijd zat en je doet helemaal niets.”
“Ik heb niemand om het samen mee te doen,” sprak de man mat.
“Doe het dan alleen of zorg ervoor dat je iemand vindt om het samen mee te doen.”
“Ik mis je moeder, jongen. En ik wil geen andere vrouw. Er is niemand om voor te zorgen.”
“Neem dan voor mijn part een hond. Die heeft zorg nodig en moet uitgelaten worden. Dan heb je tenminste een reden om naar buiten te gaan en kom je weer eens onder de mensen.”
“Een hond!” reageerde de man verontwaardigd. “Het is geen hond die overleden is hoor! We hebben het over mijn vrouw!”
“Dat weet ik ook wel,” sprak de zoon geïrriteerd. “Maar een hond dwingt je in ieder geval om in actie te komen zodat je kunt ontsnappen aan dat lamlendige gevoel van zelfmedelijden.”
De man keek verbijsterd naar zijn zoon.
“Ik begrijp heus wel dat je reden hebt tot zelfmedelijden,” sprak deze sussend. “Maar je moet echt iets gaan doen, pa. Anders zit je direct nog in een echte depressie.”
“Ik snap het,” spotte de man. “Als je vrouw is overleden, neem je gewoon een hond en alles komt goed. Dat ik daar zelf niet op gekomen ben. Dom van me.”
Wat volgde was een gesprek dat niet erg wilde vlotten en de zoon verliet mismoedig het huis.
“Ik zie je binnenkort wel weer,” zei hij nog bij het weggaan.
“Ja, als ik tenminste niet met mijn hond op pad ben!’’ riep de man hem na.
Gezeten op de rand van het bed, overdacht hij het gesprek met zijn zoon.
En dat was niet de eerste keer.
Eigenlijk had hij er de laatste dagen veel aan gedacht.
Misschien had zijn zoon gelijk en was dit inderdaad een manier om te ontsnappen aan die vicieuze cirkel van overweldigend verdriet en volslagen nietsdoen.
En zo kwam het dat hij de eigenaar werd van een hond uit het asiel.
Het was een ouder exemplaar maar dat vond hij fijn want als het experiment mislukte, hoefde hij in er ieder geval niet lang voor te zorgen.
Verder had hij gevraagd om een hond die veel zorg nodig had, zodat hij gedwongen werd om bezig te zijn.
Ze hadden een dikke, astmatisch aangelegde en vermoeid ogende, middelgrote hond van onbestemd ras voor hem uitgezocht en gevraagd of hij het wel zeker wist omdat het dier al veel teleurstellingen in zijn lange leven had moeten meemaken.
Hij keek de schlemiel in de ogen, herkende de meelijwekkende triestheid en wist het zeker.
Hij richtte een mooie bench voor hem in, die alleen maar ’s nachts gebruikt werd omdat de hond overdag het liefst met zijn dikke lijf bij hem op schoot zat.
Het gevolg was dat de man zijn luie stoel verruilde voor de bank, zodat de hond naast hem kon liggen en hij slechts die grote kop op zijn schoot hoefde te dulden.
Hij liet hem drie keer per dag uit maar het werden geen lange wandelingen zoals hij zich voorgesteld had omdat de hond er al na een paar honderd meter hijgend de brui aan gaf.
Ook het gooien met een tennisbal was geen succes omdat het dier al na één keer ophalen uitputtingsverschijnselen vertoonde.
Meestal zat hij daarom maar op het bankje bij het uitlaatveld, met die dikke dweil half op zijn schoot, te kijken naar al die honden die wél aan het rennen en spelen waren.
Toch kon je aan alles merken dat de hond blij was met zijn nieuwe baas en, of die nieuwe baas nu wel of niet blij was met zijn nieuwe aanwinst, hij had in ieder geval een doel in zijn leven.
De hond moest verzorgd worden.
Wat hij ook wel fijn vond was dat er hondeneigenaars op het uitlaatveld waren die met elkaar praatten.
Al vrij snel werd hij ook bij de gesprekken betrokken en leerde hij de mensen kennen.
Hij begon zich wat beter te voelen en vond dat hij een goede beslissing genomen had.
Maar op een avond, hij was vroeg naar bed gegaan omdat hij zich zo akelig voelde, stortte hij in.
Wanhopig vocht hij tegen zijn depressieve gedachten tot hij het opgaf en hartverscheurend begon te huilen.
Eindelijk gaf hij zich gewonnen en liet hij zich helemaal gaan.
Vaag hoorde hij het gepiep van zijn hond achter de slaapkamerdeur.
Hoe was die nou boven gekomen?
Verward stopte hij met huilen en tot zijn stomme verbazing zag hij hoe zijn hond de slaapkamer binnen kwam strompelen.
Het dier had met een voor hem onmogelijk gehouden inspanning de deurklink naar beneden weten te krijgen en zo de deur geopend.
Hij wist met veel moeite op het bed te klimmen en begon de tranen van zijn baas weg te likken.
Aan zijn piepende ademhaling was te horen hoeveel moeite het hem gekost moest hebben om zijn baas te redden uit het diepe dal.
Ondanks zichzelf moest de man glimlachen.
Wie zorgde nou voor wie?
Dit werd het definitieve omslagpunt.
Vanaf nu ging het langzaam maar zeker beter.
Hij kreeg zelfs kennis aan een gescheiden vrouw met een chihuahua.
Ze waren al een paar maal bij elkaar op de koffie geweest en hij had veel over zijn overleden vrouw verteld.
“Misschien wordt het langzamerhand eens tijd voor een nieuwe vrouw,” zei ze, toen ze op het bekende bankje bij het uitlaatveld zaten met die oude lobbes tussen hen in.
“Ja, misschien wel,” mijmerde de man. “Maar voorlopig heeft die hond me nog nodig.”
“Nou, als ik hem zo bekijk heeft die zijn langste tijd wel gehad. Wat ga je bijvoorbeeld doen als hij dood is?”
“Dan neem ik een nieuwe hond,” sprak de man resoluut.

Beroepseer

Author: jeroenstamgast

Tijd om naar bed te gaan, vond de doodgraver.
Hij rekte zich eens lekker uit en stond op van zijn stoel om de deur op slot te doen.
Waar heb ik de sleutels ook alweer gelaten, dacht hij en keek om zich heen. O ja, in mijn dienstjas natuurlijk.
Het was een drukke dag geweest.
Vele doden waren geborgen en het was nogal laat geworden, zodat hij geen zin had gehad om zich na het werk om te kleden.
Hij graaide in de zak van zijn dienstjas en haalde daar een sleutelbos uit.
Op dat moment werd er op de deur geklopt.
Wie kan dat nou zijn op dit late uur, dacht de doodgraver en keek voor alle zekerheid door het kijkgaatje in de voordeur.
Er was niets te zien in het donker.
Hij vertrouwde het niet.
“Wie is daar?” riep hij op goed geluk naar de andere kant van de deur.
“Hein!” klonk het van de andere kant.
Hein, dacht de doodgraver. Ik ken geen Hein.
“Komt u morgen maar terug!” riep hij en hoopte dat die Hein vanzelf zou afdruipen als de deur gesloten bleef.
Gespannen luisterde hij naar de dodelijke stilte die volgde.
Zo verliepen er een paar minuten, die uren leken te duren en waarin niets gebeurde.
Nou kan ik twee dingen doen, dacht de doodgraver. Ik kan de deur gewoon op slot doen en naar bed gaan, of ik kan eerst toch nog even voor alle zekerheid kijken of hij écht weg is.
Hij koos voor de tweede optie, opende heel voorzichtig de deur en keek door een kier in de duisternis.
Niets te zien, constateerde hij tevreden.
Opgelucht sloot hij de deur, rekte zich nog eens lekker uit en gaapte hartstochtelijk.
Daarna draaide hij zich om en even dacht hij dat hij ter plekke dood zou neervallen.
Hij stond oog in oog met een lange magere gestalte, gekleed in een zwarte mantel die tot op de grond reikte.
Oog in oog kon je eigenlijk niet zeggen omdat de kap om zijn hoofd zijn gezicht en dus ook zijn ogen onzichtbaar maakte.
In zijn ene hand hield hij een zeis en in zijn andere een zandloper.
“D-d-d-dat is…U-u bent M-Magere Hein,” stamelde de doodgraver.
“Ah! U kent mij dus wel! Daarnet bij de voordeur dacht ik even dat dat niet het geval was. En dat zou vreemd zijn voor iemand met een beroep als dat van u.”
“Hoe bent u binnengekomen?” vroeg de doodgraver.
“Door de achterdeur natuurlijk. Zo kom ik wel vaker bij de mensen binnen. Erg populair ben ik bij de meeste klanten niet en dan word je vindingrijk om ze toch van dienst te kunnen zijn.”
“Van dienst te kunnen zijn, klanten…” herhaalde de doodgraver geïrriteerd. “Het gaat niet over klanten hoor, maar over doden!”
“Uw klanten zijn toch ook dood en u levert ze een dienst, nietwaar…”
“Nee, ik lever mijn diensten aan de familie en vrienden van de dode. De levenden dus!”
“Wel, als ik mijn diensten aan de klant aanbied leven ze ook nog.”
“Maar daarna zijn ze dood!”
“Inderdaad. En dan stopt u ze onder de grond. Op deze manier leveren we allebei een bijdrage aan de dienstensector. Maar kom, het wordt uw tijd,” besloot Hein.
“Maar ik heb morgen drie begrafenissen te doen,” sputterde de doodgraver tegen. “Ik heb geen tijd hoor.”
“Vanaf nu heeft u alle tijd,” stelde De Dood hem gerust en stond op het punt om de zandloper om te draaien.
“Wacht!” riep de doodgraver, die probeerde tijd te rekken. “Is er- omdat we eigenlijk collega’s zijn- niet een andere oplossing te bedenken?”
“Nou, collega’s…” mompelde De Dood. “Ik zie u toch meer als een amateurtje hoor. Maar goed, wat wilt u dan nog?”
“Leven!” riep de doodgraver. “Ik wil blijven leven!”
“Tsja,” filosofeerde De Dood. “U kunt uw klanten beloven dat ze dood blijven maar ik kan mijn klanten niet beloven dat ze in leven blijven. Dáár zit een wezenlijk verschil.”
“Kunt u niet iemand anders meenemen?” probeerde de doodgraver nog.
“Nee, ik heb u als klant op gekregen. De Grote Baas is daar heel duidelijk in geweest.”
“Maar hiernaast woont iemand die ligt te creperen en wél graag dood wil. Waarom neemt u die niet mee?”
“Omdat De Grote Baas vindt dat zijn tijd nog niet gekomen is.”
“En de tijd van dat kleutertje verderop dan! Waarom moest die dan dood?”
“Omdat zijn tijd gekomen was.”
“Wie bepaalt dat dan?”
“De Grote Baas.”
“Maar dat is toch oneerlijk!” riep de doodgraver uit. “Waarom doet die Grote Baas van jou zo oneerlijk?”
“Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk,” stelde De Dood nuchter vast. “Ik doe alleen maar wat me opgedragen wordt.”
De doodgraver besefte dat verder tegensputteren geen zin meer had.
“Dan heb ik nog één wens,” zei hij.
“Daar was ik al bang voor,” zuchtte De Dood. “Nou, voor de draad ermee!”
“Ik weet niet hóe ik dood moet maar ik wil graag een móóie dode zijn. Tenslotte zorg ik er zelf bij al mijn doden ook voor dat ze er mooi uit zien. Ik zou graag in die stoel daar willen zitten met een goed boek in mijn handen. Kan dat?”
“De Grote Baas had voor u een hartaanval in gedachten, dus: vooruit dan maar.”
De doodgraver zorgde ervoor dat hij er onberispelijk uit zag, pakte een boek met de verzamelde werken van Shakespeare uit de boekenkast en ging kaarsrecht in zijn stoel zitten met het boek opengeslagen op zijn schoot.
“Leest u Shakespeare?” vroeg De Dood ongelovig.
“Nee, maar op deze manier wil ik laten zien dat ik niet van de straat ben. Ik wil niet alleen een mooie, maar ook een interessante dode zijn. Zie het maar als beroepseer.”
De Dood schudde zijn hoofd, tikte met zijn zeis tegen de nek van de doodgraver en draaide de zandloper om.
Die is dood, dacht hij. Maar zo ziet hij er niet uit.
Hij keek misprijzend naar het lijk dat kaarsrecht overeind zat met een hand op het opengeslagen boek.
Dat kan zo écht niet, besloot hij.
Hij trok aan de benen van het lijk zodat het onderuitgezakt kwam te liggen, liet het boek op de grond vallen en legde de hand op het hart dat niet meer klopte.
Zo, nou laat ik tenminste een dode achter die er als een dode uit ziet, dacht hij tevreden.
“Ik heb tenslotte ook mijn beroepseer,” mompelde hij en verliet het huis door de voordeur.