Archive for the ‘Een bizarre tocht door het Verloren Oord’ Category

Hoofdstuk 14

Author: jeroenstamgast

Een dansend echtpaar wil een aap van een jongen uit de weg ruimen en staat tenslotte zelf voor aap.

Het was koud en donker en Pandoeris had vreselijke honger.
Het begon hem op te vallen dat hij de laatste tijd steeds ’s avonds en ’s nachts in de weer was.
Hij moest toch eens een manier zien te vinden om dat weer terug te draaien naar de dag.
En ook moest hij maar eens na gaan denken over een andere manier van reizen want dit was niets gedaan.
Terwijl hij zo denkend voortsukkelde, zag hij een kampvuur waaromheen mensen zaten en een aantal woonwagens stonden.
De mensen rond het kampvuur zagen er niet onvriendelijk uit zodat Pandoeris er naar toe durfde te gaan.
”Goedenavond samen. Heeft u er bezwaar tegen als ik er even bij kom zitten?”
”Dat hangt er vanaf,” sprak de oudste en nam Pandoeris aandachtig op.
”Waar hangt dat vanaf?” vroeg Pandoeris weer.
”Of we wat aan je hebben of niet. Wij zijn een rondreizend gezelschap en ieder van ons moet werken voor de kost. Wat kan je zoal?”
Dat was een lastige vraag waar Pandoeris diep over na moest denken.
Ja, wat kon hij eigenlijk?
Er wou hem zo gauw niets te binnen schieten.
Hij kon toch moeilijk zeggen dat hij kon toveren.
Dat was vragen om moeilijkheden.
”Kun je springen?” vroeg de oude.
Pandoeris sprong een aantal malen in de lucht om te laten zien dat dat wel lukte.
”En kun je ook op handen en voeten lopen?”
Pandoeris gaf een demonstratie.
”Kun je in die boom daar klimmen?”
Pandoeris liet zien dat hij dat kon hoewel hij het rare vragen vond, zelfs voor iemand van een rondreizend gezelschap.
”Kan je springen en tegelijkertijd hoge krijsgeluiden maken?”
Nu werd het Pandoeris toch een beetje te gortig.
”Zeg eens, ik ben geen aap!”
”Ja, dat ben je wél! Als je tenminste met ons mee wilt reizen. Onze aap is namelijk overleden en dat is het enige baantje dat we je kunnen aanbieden.”
Pandoeris keek de man ongelovig aan.
”Wij trekken van dorp naar dorp waar wij optredens verzorgen: zang, dans, clowns, acrobaten enz. Onze aap ging altijd met de pet rond tussen de optredens door. Als we je een beetje schminken, kan je nog uitgroeien tot een mooie aap.”


”En wat staat daar dan tegenover?” vroeg Pandoeris.
”Kost en inwoning.”
Pandoeris ging bij het vuur zitten.
”Nou, vooruit dan maar.”
Hij kreeg eerst wat te eten en moest toen, geschminkt en wel, zijn kunsten als aap vertonen.
Zijn nieuwe collega’s reageerden enthousiast.”
”Geweldig!” riep de oude uit.”Jij bent een natuurtalent! Alsof je altijd al een aap bent geweest. Zó goed doe je het!”
Dit was nou het soort compliment waarvan Pandoeris zich altijd afvroeg of hij daar nu blij mee moest zijn of niet.
Een half uurtje later ging iedereen naar bed en Pandoeris was benieuwd in welke woonwagen ze hem zouden stoppen.
De oude wees hem een getralied hok op wielen aan.
”Moet ik daar in?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Ja, of dacht je soms dat er iemand was die het leuk vindt om met een aap in bed te liggen!”
Mopperend kroop Pandoeris in het hok.
De oude deed de deur op slot en gaf Pandoeris de sleutel.
”Dan kun je er eventueel uit als het nodig is. Welterusten.”
Pandoeris bedekte zich met stro en viel in een diepe slaap.
De volgende dagen gingen snel voorbij.
Ze trokken voort van dorp naar dorp en Pandoeris groeide steeds meer in zijn rol als aap.
Was hij in het begin alleen maar degene die tussendoor het geld in ontvangst mocht nemen, op het laatst was het zo dat hij de show maakte en de anderen de pauzes mochten opvullen.
De oude baas van het gezelschap was tevreden maar de anderen werden jaloers.
Niemand wilde ’s avonds bij het kampvuur meer naast hem zitten en af en toe kreeg hij stiekem een klap of een schop als de oude even niet keek.
Pandoeris was het zat en besloot er vandoor te gaan.

Die nacht kroop hij zachtjes uit zijn hok en sloop weg.
De deur deed hij uit gewoonte netjes achter zich op slot.
Hij wilde net op pad gaan toen hij schimmen zag bewegen bij zijn hok op wielen.
Nieuwsgierig sloop hij dichterbij en zag hoe twee van zijn collega’s zachtjes de kar voorttrokken in de richting van het meertje naast het kamp.
Het waren de danser en de danseres van het gezelschap die tijdens de optredens niet zoveel succes hadden en steeds meer tijd aan Pandoeris moesten afstaan.
Ze duwden de kar het meertje in totdat deze helemaal onder water was verdwenen.
Daarna ging het macabere tweetal weer terug naar hun woonwagen.
Pandoeris kon zijn ogen niet geloven.
Ze hadden hem willen verdrinken!
Zijn hart bonsde in zijn keel en het duurde even voor hij weer gekalmeerd was.
Deze moordenaars verdienden een lesje dat hun lang zou heugen.
Hij sloop naar de wagen waar de schmink bewaard werd en smeerde zich in met lichtgevende zalf.
Ook zette hij een dodenmasker op, pakte een paar spullen waaronder een grote dolk en sloop naar de wagen van het dansende echtpaar.
Dit lag net in bed maar kon de slaap niet vatten.
Waarschijnlijk hadden ze toch een beetje last van een slecht geweten.
Pandoeris stak een kaars aan, opende voorzichtig de deur van de wagen en sprak met spookachtige grafstem: ”Ik ben de geest van de aap en ik wil mijn dode lichaam terug.”
Het echtpaar veerde omhoog en zag de lichtgevende gestalte van Pandoeris op zich af komen.
”Geen geluid of het is je laatste geluid. Geen beweging of het is je laatste beweging,” vervolgde Pandoeris op onheilspellende toon en zwaaide vervaarlijk met zijn dolk.
Het echtpaar bleef doodstil liggen en in hun ogen was de doodsangst af te lezen.
”Ik ben de geest van de aap en ik wil mijn dode lichaam terug,”
herhaalde Pandoeris met holle stem.”Kom, we gaan mijn dode lichaam halen.”
Hij bond de dansers met een touw aan elkaar vast en trok ze mee in de richting van het meertje.
Hij zette er flink de vaart in want hij kreeg wel in de gaten dat de twee begonnen te twijfelen aan de echtheid van de geest.
Bij het meertje aangekomen, durfde de danseres dit zelfs openlijk te laten blijken toen Pandoeris hen beval het getraliede wagentje uit het meer te halen.
”En als we dat nou niet doen, meneer de geest van de aap. Wat gebeurt er dan?”
”Dan zal meneer de geest van de aap jullie aan zijn mes rijgen!”
donderde Pandoeris en hield het afschrikwekkende wapen onder haar neus.
De danseres zag wel in dat er aan de echtheid van het mes niet getwijfeld hoefde te worden en begon haar man te helpen.
Niet lang daarna stond het hok op wielen na te druipen op de oever van het meertje.
Pandoeris opende het deurtje en dwong de twee- onder bedreiging van zijn mes, het hok in te gaan.
”Zo, stelletje moordenaars. Omdat jullie met je mooie danspassen in je mooie danskleding minder succes hadden dan een domme aap, besloten jullie hem maar uit de weg te ruimen.
Nou, ik zal jullie morgen de kans geven om succes te hebben!”
En zo gebeurde het, dat tijdens de voorstelling die gegeven werd in het volgende dorp dat het gezelschap aandeed, plotseling een getralied wagentje aan kwam zetten met daarin twee apen, gekleed in juten zakken.
”Dames en heren!” riep Pandoeris. ”Ik vraag graag uw aandacht en een hartelijk applaus voor het dansende apenechtpaar ’de Mortella’s!”
Het publiek begon te juichen en te joelen en de pas aangekondigde Mortella’s wisten niets beters te doen dan zich aan te stellen als een aap.
Het echtpaar dat normaal in prachtige kostuums onder begeleiding van mooie muziek statige danspasjes uitvoerde, sprong nu gillend en krijsend in een juten zak rond en probeerde met de moed der wanhoop om Pandoeris zijn kunstjes na te doen.

Pandoeris ging naar de oude directeur van het gezelschap.
”Ik scheid er mee uit maar ik heb mijn opvolgers alvast voor u meegebracht. Hoe vind u ze?”
”Het spreekt de mensen in ieder geval méér aan dan wat ze eerst deden. Ik denk dat ik het zo maar houd.”
Pandoeris gaf de directeur een hand ten afscheid en keek nog een keer naar zijn opvolgers.
Het publiek was enthousiast en Pandoeris moest toegeven dat ze beslist talent hadden.
Daar konden nog eens een paar mooie apen uitgroeien.

Hoofdstuk 13

Author: jeroenstamgast


Pandoeris wordt tegen zijn zin uitgenodigd voor een kopje thee en krijgt het met een bezem aan de stok.

Pandoeris bleef het bospad volgen en kwam zo langs een huisje waaruit een oud vrouwtje zo goed en zo kwaad als het ging, naar buiten kwam hollen.
”Ha!” kraste ze. ”Eindelijk iemand die me kan helpen!”
Nu was Pandoeris nog in een goede stemming omdat hij daarnet zelf zo goed geholpen was maar hij vond het desondanks onplezierig om te horen.
Het liefste was hij doorgelopen zonder er op in te gaan.
”Jou heb ik net nodig,” vervolgde het oudje dat er overigens niet erg sympathiek uitzag.
”Zou jij voor mij even die bezem uit de boom willen halen? Ik kan er namelijk niet bij.”
”Hoe komt zo’n bezem nou boven in die boom?” vroeg Pandoeris argwanend.
”O, ik schoot uit bij het vegen en toen glipte hij uit mijn vingers.”
Het vrouwtje keek zo onschuldig mogelijk uit haar valse oogjes en loenste intussen hoopvol naar Pandoeris.
Hij vond het maar een raar verhaal.
Maar ach, wat kon het hem verder schelen.
Lenig klom hij in de boom, pakte de bezem en gooide deze naar beneden.
De bezem had de grond nog niet bereikt of het vrouwtje pakte hem beet en begon er woest mee tegen de boom te slaan.
”Dat zal je leren om weg te vliegen! Wormstekig aanhangsel! Volgende keer als je dat doet, maak ik brandhout van je!” krijste het mens.
Pandoeris werd er akelig van.

Het liefst was hij uit de boom geklommen en hard weggerend maar als hij dat nu deed, liep hij de kans om een mep te krijgen van de bezem die door het vrouwtje wild heen en weer gezwiept werd.
Eindelijk was ze uitgeraasd.
”Ga af!” gilde ze tegen de bezem die daarop uit zichzelf rechtop ging staan.
”Braaf,” zei de heks want dat was het natuurlijk en ze gaf hem een vriendelijk steelklopje.
”En nou naar de bezemkast!” gilde ze er plotseling achteraan.
De bezem vloog letterlijk weg, het huisje in en aan het gerommel was te horen dat hij zijn plek gevonden had.
”Het is een aardig bezempje hoor maar af en toe moet hij gewoon even weten wie de baas is,” sprak de heks tot Pandoeris.
”Heb je trek in een kopje thee?” probeerde ze vriendelijk te vragen.
”Nee, dank u. Aardig aangeboden maar ik moet echt verder,”
probeerde Pandoeris vriendelijk te antwoorden.
”Je gaat me toch niet vertellen dat je niet even tijd hebt voor zoiets gezelligs als een kopje thee, hè. Ik zie bijna nooit iemand hier.”
Ze deed zo haar best om zielig te kijken dat Pandoeris er bang van werd.
”Nou goed,” zei hij. ”Maar daarna moet ik echt gaan hoor.”
”Natuurlijk,” zei de heks en liet een kakelende lach horen.
”Daarna ga je gewoon weer weg. Ik hou je niet tegen hoor.”
Het kopje thee smaakte zowaar nog lekker ook en Pandoeris werd inderdaad niet tegengehouden toen hij afscheid nam.
Hij wandelde naar het bospad toe maar ontdekte tot zijn schrik dat dat steeds moeilijker ging.
Op het laatst bewoog hij zich voort als in een enge droom.
Hij deed vreselijk zijn best maar kwam nauwelijks meer vooruit.
Opeens wist hij het: de thee!

Daar had iets ingezeten waardoor hij nu als door een geheimzinnige kracht, tegengehouden werd.
Wanhopig probeerde hij te rennen maar hij kwam nu helemaal niet meer vooruit.
Sterker nog : hij werd langzaam als door een magneet naar het huisje teruggetrokken.
Op het laatst verzette hij zich niet meer zodat hij even later weer bij de heks aan tafel zat.
”Wat kom jij hier doen? Ik dacht dat je weg wilde. Of wou je nog zo’n lekker kopje thee soms? Ha ha ha!”
De heks lachte haar akelige lach.
”Tja, als je nog wat langer blijven wilt dan kan dat maar dan moet je wel wat doen voor de kost. Begin maar met de afwas.”
Ze wees met haar knokige wijsvinger naar een klein keukentje waar een afwas stond waar een niet al te groot weeshuis drie dagen voor nodig zou hebben om dat te verzamelen.
En vies dat het was!
Pandoeris moest bijna overgeven toen hij aan de slag ging.
De stank was niet te harden en het krioelde van de maden en ander onsmakelijk gedierte tussen de etensresten.
Toen hij klaar was en de brij afwaswater weg wilde spoelen, hield de heks hem tegen.
”Ho! Wacht eens even. We gooien hier niets weg. Ik bewaar de restjes altijd voor het keukenpersoneel. Daar kan ik, of liever gezegd jij, nog een lekker kopje soep van trekken. Gooi maar in die ketel daar en zet die maar op het vuur. Dat is voor jou als je vannacht klaar bent met werken..”
”Je denkt toch niet dat ik die troep opeet!” riep Pandoeris boos.
”Wacht maar tot je honger krijgt, verwende snotaap! Honger maakt rauwe bonen zoet.”
”Rauwe bonen misschien wel maar die afvaltroep van jou niet, lelijke toverkol!”
Pandoeris’ boosheid won het van zijn angst.
De heks vertrok haar gezicht tot een lelijke grimas.
”Bezem! Pak ze!” krijste ze plotseling.
Tot Pandoeris’ grote schrik vloog de bezem uit de bezemkast recht op hem af.
Hij rende om de tafel heen, op de hielen gezeten door de bezem die met zijn uiteinde rake klappen begon uit te delen.
Hij zou zeker buiten westen geslagen zijn als de heks niet genoeg had gekregen van dit spelletje.
”Bezem! Ga af!”
De bezem stond meteen rechtop en kreeg een paar steelklopjes.
”Braaf. Ga nu maar weer in de kast.”
Tot Pandoeris’ opluchting deed hij dit gelukkig.
De heks duwde Pandoeris een smoezelig papiertje onder zijn neus waar ze allerlei huishoudelijke klusjes opgeschreven had.
”Als je hier mee klaar bent, mag je je soep opeten. Eerder niet,” sprak de heks streng en ging in een schommelstoel zitten.
Pandoeris zei niets en ging als een geslagen hond aan het werk.
Zijn handen bewogen langzaam maar zijn hersens draaiden op volle toeren.
Hij moest eerst die ellendige bezem zien uit te schakelen.
Onopvallend werkte hij zich naar de bezemkast toe en deed deze ongezien op slot.
De sleutel stak hij in zijn zak.
Dat is voorlopig een zorg minder, dacht hij.
Had hij maar de kans om op zijn gemak zijn toverschriftje te raadplegen.
Misschien zou daar iets instaan om de heks te slim af te zijn.
Maar de heks hield hem goed in de gaten.
Ze wees zelfs even naar de ’soep’ en trok er een gezicht bij alsof ze zeggen wilde: dat wordt smullen straks!
Hij moest dus in ieder geval in actie komen vóór hij klaar was met zijn werklijstje.
Waar kon hij nou rustig in zijn schriftje bladeren?
In de boom misschien?
De bezem had daar tenslotte ook veilig gezeten totdat Pandoeris hem eruit haalde.
De beslissing was genomen.
Alles was beter dan die soep!
Plotseling opende hij de deur en rende naar de boom die hij vliegensvlug inklom.
De thee was nog niet uitgewerkt want doorrennen ging niet.
Hij haalde zijn schriftje tevoorschijn en begon snel te bladeren.
De heks kwam op haar dooie gemakje aanlopen.
Beneden aan de boom bleef ze staan.
”Wat ben jij nou aan het doen?” vroeg ze nieuwsgierig.
”Ik kijk in mijn schriftje of er nog een receptje in staat voor een lekker kopje soep,” antwoordde Pandoeris.”Want dat spul van jou hoef ik echt niet.”
De heks keek hem met een scheef hoofd aan.
”Ik geloof er geen snars van,” zei ze.”Volgens mij voer je iets in je schild.Ik zal mijn toverboek eens halen dan heb ik je zo weer naar beneden. Je denkt zeker dat je daar veilig zit omdat ik die bezem er niet uitkreeg, hè? Nou, vergeet het maar!”
Met kleine driftige pasjes ging ze terug naar huis om haar toverboek te halen.
Pandoeris meende intussen een spreuk gevonden te hebben.
Als dit lukt kan ze de eerste tijd haar huis niet meer uit, dacht Pandoeris. Haar deuren en ramen zijn dan een tijdje op slot getoverd en haar toverkunsten kunnen mij dan niet bereiken.
In die tijd is de thee waarschijnlijk wel uitgewerkt en kan ik ontsnappen…hoop ik, dacht hij er nog achteraan.
Hij schraapte zijn keel en sprak luid en duidelijk de spreuk uit.
Al vrij snel viel er een flinke partij bakstenen op en om het huis van de heks.
Pandoeris wachtte niet af, klom uit de boom en probeerde weg te komen.
Hij kon merken dat de thee uitgewerkt begon te raken maar het lukte hem nog niet om te ontsnappen.
We zullen geduld moeten hebben, dacht Pandoeris en ging er even bij zitten.
Hij keek naar het huis en zag tot zijn ontzetting hoe de heks zonder de geringste moeite de deur open deed en recht op hem afkwam met het toverboek onder haar arm.
”Ha ha!” lachte ze kakelend. ”Je dacht zeker te kunnen ontsnappen omdat ik niet meteen kwam, hè. Nou, ik heb alleen maar even die hagelbui van daarnet afgewacht. Je denkt toch zeker niet dat ik in dat hondenweer ga toveren, hè.”
Pandoeris sloot zijn ogen en wachtte angstig op de dingen die gebeuren gingen.
”Ik denk dat ik jou maar eens een tijdje zal laten rondkruipen als een schildpad. Dan komt er van dat weglopen ook niet veel meer.”
Ze wilde haar toverboek opendoen maar merkte dat dat niet lukte, doordat Pandoeris dit per ongeluk op slot getoverd had.
Hoe ze ook trok en scheurde aan het boek, het bleef gesloten.
Toen Pandoeris dit ontdekte, veerde hij overeind en pakte haar het boek af.
De heks kromp ineen.
”Je gaat een oud zwak vrouwtje toch geen kwaad doen, hè?” smeekte ze. ”Dat van die schildpad was maar een grapje, hoor.”
”Een grapje,” herhaalde Pandoeris dreigend.
”Ja, een grapje. Of kan je soms niet tegen grapjes?” vroeg de heks uitdagend.
”O, zeker wel,” antwoordde Pandoeris. ”Ik ben gek op grapjes. Kom maar eens mee dan zal ik je laten merken hoe grappig ik kan zijn.”
Pandoeris nam haar mee naar de ketel met ’soep’, gaf haar een soepbord en schepte dat tot de rand toe vol.
”Opeten,” zei hij alleen maar.
”Opeten?”
”Ja, opeten. Dat zal een arm zwak vrouwtje goed doen.”
De heks begon te huilen.
”Dat van die soep was echt een grapje,” jammerde ze. ”Kijk maar. Ik had de tafel al voor ons gedekt.”

Ze wees naar een tafel met lekker eten en inderdaad twee bordjes erop.
”Ik had je die soep écht niet op laten eten.”
”En dat van die schildpad dan?”
Pandoeris liet zich niet zomaar ompraten.
”Dat zou ik maar voor een uurtje gedaan hebben. Daarna zou ik je weer teruggetoverd hebben. En na het eten hadden we gezellig kunnen kletsen. Ik heb eigenlijk nooit bezoek. Dat leek me zo leuk. Een beetje babbelen en zo.”
De heks leek het echt te menen en Pandoeris kreeg tot zijn ergernis nog medelijden ook.
”Nou, ik geef je een advies: als er nog eens iemand langskomt, doe dan de leuke dingen en laat al het andere achterwege. Zo jaag je de mensen alleen maar weg.”
De heks ging aan tafel zitten.
”Eet je nog een hapje mee? Er zit écht niets in het eten.”
Pandoeris weifelde.
De verleiding was groot.
Hij had honger, het werd donker buiten en de heks leek deze keer onschuldig.
Hij durfde het niet aan.
Dit was vragen om moeilijkheden.
”Ik ga,” zei hij. ”Hier is je boek. Over een tijdje zal het wel weer opengaan.”
”Waarom geef je het me terug?” vroeg de heks stomverbaasd.
”Om je te laten zien dat je meer bereikt als je aardig doet.”
De mond van de heks viel open van verbazing en was nog niet gesloten toen Pandoeris het huis al weer verlaten had.
Hij kon het gebied rond het huis tot zijn opluchting nu zonder problemen verlaten.
De thee was blijkbaar uitgewerkt.
Hij had er nog even over gedacht om het toverboek mee te nemen maar de belevenissen bij de familie Goedhals hadden hem doen besluiten om de heks een kans te geven.
Wie weet: misschien zou ze daardoor een beetje veranderen.
En als dat niet zo was, dan was hij in ieder geval ver weg.

Hoofdstuk 12

Author: jeroenstamgast

 

Pandoeris wordt door iemand geholpen en verbaast zich daarover.
De zon scheen al volop toen Pandoeris doodmoe het dichtstbijzijnde dorpje binnenstrompelde.
Er waren niet zoveel mensen op straat maar de mensen die er waren, keken hem nadrukkelijk aan en hij zag er ook een paar die duidelijk over hem aan het smoezen waren.
Op een gegeven moment kwamen er zelfs een paar naar hem toe.
”Ben jij niet de jonge held die het huwelijk tussen prins Ollie en prinses Tengeltje verhinderd heeft?” vroeg een van hen.
Pandoeris knikte vermoeid.
”Dan zou ik maar maken dat ik wegkwam,” zei een ander.
”De soldaten van koning Oliebol zijn vast al naar je op zoek.Twee dorpen verderop begint al weer het volgende koninkrijk. Als je een beetje doorloopt ben je er vanavond al.”
”Een beetje doorlopen?” schrok Pandoeris. ”Man, ik verlang nog maar één ding en dat is even lekker liggen.”
Hij had het nog niet gezegd of drie mensen duwden hem tegen de grond, gooiden een kleed over hem heen en gingen bovenop hem zitten.
”Zo letterlijk heb ik het nou ook weer niet bedoeld,” mopperde Pandoeris die door het gewicht van de drie zware lijven problemen met zijn ademhaling kreeg.
”Nee, hier is hij niet,” hoorde hij een van de drie zeggen. ”En we zitten hier al een hele tijd dus als hij hier geweest was, zouden we hem zeker gezien hebben.”
Waar heeft die het nou over? dacht Pandoeris en vroeg zich ondertussen af hoe lang een mens zonder zuurstof kan.
De drie kwamen overeind en keken of er nog leven onder het kleed was.
”Dat waren daarnet een paar soldaten,” sprak een van hen toen dit inderdaad het geval bleek te zijn. ”Ze vroegen of we jou gezien hadden.”
”Je moet hier echt weg,” zei een ander. ”Kom maar mee. Ik heb altijd al eens een held in huis willen hebben.”
Pandoeris volgde de man door de smalle straatjes tot ze bij een huisje kwamen dat een beetje achteraf lag.
”Hier ben je voorlopig veilig. Kom binnen.”
Pandoeris betrad een gezellig ingerichte kamer waar hij zich ogenblikkelijk thuis voelde.
”Heb je al gegeten?” vroeg de man.
Pandoeris zei dat hij wel wat lustte en even later zaten ze aan een feestelijk gedekte tafel waar de rest van de familie ook maar bij was gaan zitten.
Ze keken geïnteresseerd naar de hongerige Pandoeris die zich in een snel tempo door de aangeboden voorraad eten heen werkte.
”Wij zijn goede eters in dit deel van het land,” lachte de man. ”Maar jij kan er ook wat van met dat magere lichaampje van je! Ik zal me trouwens even voorstellen. Mijn naam is Jorus Goedhals en dit is mijn gezin.”
Hij noemde alle namen en Pandoeris schudde alle handen maar bij de laatste hand was hij al weer vergeten van wie de eerste was.
”Je ziet er moe uit. Wil je soms even slapen? Dat kan, hoor.”
Pandoeris verbaasde zich over zoveel vriendelijkheid.
Daar moest iets achter zitten.
Die mensen wilden vast iets van hem.
Afijn, daar zou hij na het slapen dan wel achter komen want deze kans om even uit te rusten liet hij zich natuurlijk niet ontglippen.
Uren later werd hij wakker gemaakt met een kopje koffie op bed.
”Je kan beter maar op pad gaan,” zei Jorus Goedhals vriendelijk.
”Anders ben je nooit voor de avond uit het land. Ik zal je even rijden met de koets dan is de kans dat de soldaten je zien niet zo groot.”
Tot Pandoeris’ verbazing babbelde de man de hele weg over koetjes en kalfjes zonder hem om een gunst te vragen.
In de buurt van de grens hielden ze halt.
Goedhals wees hem een weggetje waarover hij ongezien de grens kon passeren.
Hij gaf Pandoeris een hand, wenste hem veel geluk en wilde weer opstappen.
”Moet ik niet iets voor u doen?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Wat dan?” vroeg de man.
”Dat vraag ik aan u.”
”Ik zou niets weten.”
”Ik ook niet. Daar niet van. Maar ik heb bij u gegeten, geslapen en u  heeft me hierheen gereden. Dan moet ik toch iets terug doen?”
”Waarom?”
”Omdat…ja, eh…ja…nou ja. Dat hoort toch zo?”
”Wie zegt dat?”
”Dat doet iedereen toch.”
”Nee hoor. Ik zeg altijd maar zo: wie goed doet, wie goed ontmoet. En nou ga ik er vandoor. Mocht je nog eens in de buurt zijn: je komt maar aan hoor. Tot ziens!”
Goedhals zwaaide nog eens vriendelijk gedag en verdween.
In gedachten verzonken volgde Pandoeris het aangewezen paadje.
Van alles wat hij tot nu toe beleefd had, vond hij dit toch wel het vreemdst.
Iemand die gewoon aardig was zonder er iets voor terug te willen hebben.
Hoe meer Pandoeris er over nadacht, hoe vreemder hij het begon te vinden dat hij het vreemd vond.

Hoofdstuk 11

Author: jeroenstamgast

 

 

Wie niet sterk is, moet slim zijn.
En toch komt Pandoeris die geen van beide is, als winnaar uit de bus.
Ze waren nog niet eens zo ver buiten de poort gekomen toen er iets onder Pandoeris begon te bewegen.
Hij wachtte niet af wie of wat dat was maar maakte dat hij van de kar afkwam en rende de duisternis in.
Niet lang daarna zag hij dat er nóg een gestalte van de kar afsprong en in de struiken langs de weg dook.
Pandoeris werd nu toch wel erg nieuwsgierig wie dat was en sloop die richting uit.
Dichterbij gekomen, zag hij het van lepeldiefstal beschuldigde kokshulpje in elkaar gedoken in een bosje zitten.

 

Nou, daar hoefde hij geen gevaar van te duchten.
Integendeel: hij had zelfs een beetje met hem te doen, zoals hij daar zo klein en zo alleen tussen de struiken zat.
En het was eigenlijk de schuld van Pandoeris dat hij had moeten vluchten.
Als hij die lepels niet per ongeluk weggetoverd had, lag hij nu misschien wel lekker in zijn bedje.
Hij voelde zich schuldig en wilde het goed maken.
”Niet schrikken hoor,”sprak hij op geruststellende toon terwijl hij uit zijn sluiphouding overeind kwam.”Ik ben het: Pandoeris. Ik lag daarnet bovenop je in die kar met smurrie.”
”O, was jij dat? Je had ons bijna verraden, sufferd!”
Erg onder de indruk van Pandoeris’ plotselinge verschijning leek hij niet te zijn.
”Nou ja, ik wist niet dat jij er al lag dus ik schrok me dood.
Was je daar al lang?”
”Lang genoeg om werkelijk vergeven te zijn van de stank.”
”We zouden ons eigenlijk ergens moeten kunnen wassen,” opperde Pandoeris.
”Dat is een slimme opmerking van je. Ik kan merken dat jij een nadenkertje bent.”
Pandoeris vond de kleine wel een praatjesmaker maar hij had nog steeds het gevoel iets goed te moeten maken dus hij liet het maar even zo.
”Weet jij een sloot of zo waar we ons kunnen wassen?” vroeg hij dus maar.
”Kom maar mee. Tenslotte stink ik zelf ook een uur in de wind.”
De kleine stond op en wandelde weg zonder op Pandoeris te wachten, die er dan maar achteraan hobbelde.
Het ging allemaal wat anders dan hij had verwacht.
Hij kreeg steeds meer het gevoel dat de kleine niet veel behoefte had aan zijn beschermende hand.
Later bij het kampvuurtje dat ze gemaakt hadden om hun natgewassen kleren te drogen en zichzelf te verwarmen, werd het er niet beter op.
”Hoe heet je eigenlijk?” vroeg Pandoeris.
”Sjaak.”
”Werkte je al lang op het kasteel?”
”Natuurlijk niet. Hoe kun je nou ergens lang werken als je nog zo jong bent als ik.”
Pandoeris kreeg er genoeg van om zich door zo’n dreumes te laten afbekken.
”Ben jij altijd zo gezellig of is dat speciaal ter ere van mij?”
”Noem mij één reden om gezellig te zijn.”
”Nou, we zitten bijvoorbeeld in hetzelfde schuitje. We zijn allebei gevlucht en zijn dus lotgenoten zogezegd.”
”Er is één groot verschil,” zei Sjaak en keek Pandoeris strak aan.
”Ik kom uit het Verloren Oord en jij niet.”

”Hoe weet jij dat?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Omdat jij die dikke Ollie en zijn Tengeltje geholpen hebt. Dat zou alleen een held doen of iemand die niet op de hoogte is van de regels.
Nou, je ziet er bepaald niet uit als een held en iedereen kent de regels van koning Oliebol…”
”Je hebt inderdaad gelijk,”gaf Pandoeris toe. ”Ik ben niet van hier.”
Sjaak werd iets toeschietelijker.
”Vertel me eens. Hoe komt het toch dat zo’n simpele ziel als jij wél in en uit het Verloren Oord kan reizen en ik niet?”
”Dat weet ik niet.”
”Ach nee, natuurlijk niet. Je zou eens wel wat weten. Ik probeer al twee jaar van mijn korte leventje uit deze uithoek weg te komen en telkens verdwaal ik in de moerassen.”
”Waarom wil je dan zo graag weg?”
”Omdat ik op school hier uitgeleerd ben. Ik weet alles nou wel. Het wordt tijd dat ik me verder ontwikkel maar hier in het Verloren Oord is domheid troef. Wat dat betreft zouden we beter kunnen ruilen: jij hier en ik daar. Uit welke streek kom je eigenlijk?”
”Uit Bosoord,” antwoordde Pandoeris.
Om te bewijzen dat Sjaak echt veel wist, begon hij allerlei wetenswaardigheden over de streek van Pandoeris te vertellen.
Pandoeris begon zich steeds onbenulliger te voelen.
”Je weet zelfs meer over mijn geboortestreek dan ik,” sprak Pandoeris bewonderend.
”Nou ja, daar is niet veel voor nodig,” zei Sjaak bescheiden. ”Wat kom je hier eigenlijk doen? Waar moet je naar toe?”
Pandoeris haalde zijn landkaart tevoorschijn en wees het reisdoel aan.
”Heb je zin om mee te gaan?”
”Nee, dat is voor mij precies de verkeerde kant uit. En nou ga ik slapen.”
Sjaak draaide zich abrupt op zijn zij en voegde de daad bij het woord.
Pandoeris stopte teleurgesteld de kaart weer in zijn rugzak en besloot ook maar te gaan liggen.
Hij deed zijn ogen dicht maar van slapen kwam niet veel en dat was niet alleen omdat hij over zijn slaap heen was.
Op een gegeven moment draaide hij zich op zijn andere zij en ontdekte dat Sjaak verdwenen was en veel erger nog: zijn rugzak óók!
Geschrokken en woedend tegelijkertijd sprong hij overeind.
Welke kant was die kleine gifkikker opgegaan?
Zenuwachtig keek hij om zich heen en ontdekte zijn voetafdrukken in de zachte bodem.
Hij volgde het spoor en kwam aan een weg waar natuurlijk geen voetafdrukken meer te zien waren.
Hij rende enige ogenblikken door in de richting die je naar aanleiding van de voetstappen zou verwachten maar stond toen stil.
Hij dacht even na.


Die kleine blaaskaak was sluw en verwachtte natuurlijk dat dat precies was wat zo’n sufferd als Pandoeris zou doen.
Hij draaide zich om en rende in de tegenovergestelde richting.
Hij probeerde zijn krachten goed te verdelen en hield er zo een aardig tempo in.
Na een uurtje ploeteren zag hij tot zijn grote vreugde inderdaad de kleine gestalte van de dief.
Hij haalde hem zienderogen in omdat hij gewoon veel sneller was en sterker.
En dat laatste zou Pandoeris hem laten voelen ook.
Zijn handen jeukten en dat was niet met krabben te verhelpen.
Hij zou die diefachtige praatjesmaker eens even flink in elkaar slaan.
Sjaak besefte dat verder doorrennen geen zin meer had en wachtte angstig af.
Hij leek in niets meer op die zelfverzekerde betweter die Pandoeris telkens hooghartig afgebekt had.
Pandoeris pakte hem bij zijn jasje en deed zijn arm naar achteren om eens lekker uit te halen.
”Nee! Niet slaan!” riep Sjaak.
Pandoeris grijnsde vals.
”Noem mij één reden waarom ik niet zou slaan.”
”Omdat ik nog maar een kind ben!” jammerde Sjaak en begon te huilen.
Verdraaid, dacht Pandoeris. Zelfs nu is hij me nog te slim af.
Er was van Sjaak inderdaad niet veel meer over dan een angstig klein kind en kleine kinderen kan je toch zo maar niet in elkaar slaan?
Pandoeris liet met tegenzin los.
”Waarom heb je mijn rugzak gestolen?” vroeg hij toen maar.
”Ik hoopte dat er iets in zou zitten waarmee ik in Bosoord kan komen,” snotterde Sjakie. ”Maar ik zal het nooit meer doen.”
Direct krijg ik nog medelijden met hem ook, dacht Pandoeris.
Hij controleerde of alles nog in zijn rugzak zat.
”Nou, maak maar dat je wegkomt,” zei Pandoeris.
Sjakie deed dat maar draaide zich toch nog even om.
”Je bent slimmer dan ik dacht,” zei hij en verdween toen echt.
Pandoeris keek hem peinzend na.
Misschien heeft hij nog gelijk ook, dacht hij.

Hoofdstuk 10

Author: jeroenstamgast

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris organiseert zijn eigen bevrijding en ontsnapt met pratend vlees.

 

Als de nood het hoogst is, is de redding nabij, luidt een bekend spreekwoord.
Maar Pandoeris had daar geen boodschap aan.
Van wie in dit achterlijke koninkrijk kon hij nog hulp verwachten?
Voor die domme inwoners was hij de held die zich opgeofferd had en een held die zich opoffert, heeft geen hulp nodig.
Nee, hij moest het zélf doen.
Maar hoe?
Eerst had hij nog gezocht naar losse stenen in de muur die hij eruit zou kunnen trekken en toen hij die niet vinden kon en hij aan de tralies begon te trekken om te kijken of er daar soms een van loszat, verrekte hij nog een nekspier ook.
Vervolgens had hij allerlei plannetjes bedacht om de bewakers te overmeesteren als ze hem eten zouden komen brengen maar een blik op hun enorme  spierbundels deed hem daar toch maar weer vanaf zien.
Kon hij ze maar omkopen of zo.
Maar waarmee?
Tegen beter weten in, keek hij in zijn rugzak om te zien wat daar eventueel voor waardevols in zou zitten.
Het was trouwens nog een geluk dat ze hem die nagesmeten hadden, al was het dan bijna tegen zijn hoofd.
Immers, zonder die lepel en dat bord die erin zaten, zou hij nooit meer terug naar huis kunnen.
Natuurlijk, dat was het!
Die lepel en dat bord!
Hij dacht terug aan de veerman die die dingen zo graag had willen hebben.
Nou, die zou vast wel niet de enige zijn met belangstelling daarvoor.
Maar ja, die lepel en dat bord was hij natuurlijk liever niet kwijt.
Hij kon zich vaag nog herinneren dat hij op school eens een toverformule had moeten leren om kleine voorwerpen te vermenigvuldigen.
Die formule had hij, lui als hij was, natuurlijk niet geleerd maar hij had hem wel in zijn toverschriftje moeten opschrijven.
Zenuwachtig bladerde hij in zijn schriftje en warempel: hij vond hem nog ook.
Jammer alleen dat hij uit verveling dwars door de formule heen had zitten tekenen.
Nou ja, het was het proberen waard.
Eens kijken of hij van één lepel méér lepels kon toveren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dan zou hij daarna het bord proberen.
Hij legde het ding keurig in een hoek van de kerker, ging zelf zo dicht mogelijk tegen de muur staan om zich tegen vallende stenen te beschermen en begon de spreuk op te zeggen.
Behalve dat er inderdaad een paar stenen naar beneden kwamen, gebeurde er verder niets.
De lepel bleef keurig in de hoek liggen maar het bleef er één.
Mismoedig raapte hij hem op en besefte opeens dat hij eigenlijk niet eens wist wat hij met die lepel en dat bord moest doen om terug te komen.
Het laatste restje hoop zonk hem in de schoenen.
Wat was hij toch een vreselijke onbenul!
Iedereen die hem ooit een domme slapjanus had genoemd, had helemaal gelijk.
Het rinkelen van een sleutelbos deed hem uit zijn sombere overpeinzingen ontwaken.
De deur van de kerker zwaaide open en twee geschrokken bewakers stoven binnen.
”Wat is hier gebeurd?” vroeg de een.
”Waar komen die stenen vandaan?” vroeg de ander.
Pandoeris wees naar het plafond van de kerker.
”Van boven, denk ik.”
De twee keken automatisch omhoog en Pandoeris greep de onverwachte kans die hem zo geboden werd.
Hij greep zijn rugzak, nam een snoekduik tussen de bewakers door en voor ze goed en wel in de gaten hadden wat er gebeurde, rende Pandoeris de trap al op.
Sterk was hij dan misschien niet maar snel wél.


Hij zou zijn voorsprong op de bewakers dan ook zeker vergroot hebben, als hij boven aan de trap Ollie niet tegen het dikke lijf was gelopen.
”Ha, daar is mijn held!” riep Ollie ontroerd. ”Kom in mijn armen!”
Pandoeris werd bijna gesmoord in het vet en kon pas weer adem halen toen er bij Ollie iets begon te dagen en hij hem losliet.
”Jij hoort toch in de kerker?” vroeg hij achterdochtig.
Pandoeris antwoordde niet maar gaf Ollie onverwacht een zet zodat deze achterover de trap afrolde, de bewakers die net boven waren gekomen, met zich meesleurend.
En voort rende Pandoeris, de gang in.
Hij moest zich zo gauw mogelijk zien te vermommen.
Zo werd hij door iedereen herkend.
De deur van de paleiskeuken stond open en voorzichtig keek hij om het hoekje.
In de keuken heerste paniek.
”Waar zijn alle lepels gebleven?” donderde de chef-kok.
”Ik weet het echt niet,” zei de eerste assistent.
”Ik ook niet,” mompelde de tweede assistent.
”Wij weten nergens van,” zei de rest van het personeel in koor.
Iedereen keek tegelijk naar het jongste hulpje.
”Waar heb jij die lepels gelaten?!” bulderde de chef-kok.
Het jochie zei niets maar maakte dat hij wegkwam, gevolgd door het voltallige personeel dat blij was dat er iemand anders de schuld had gekregen.
Die toverspreuk moet ik toch nog eens doornemen, dacht Pandoeris die wel begreep dat die lepels door zijn getover verdwenen waren.
Snel pakte hij een kokspak van de kapstok en trok dat aan.
Onopvallend wist hij de feestzaal te bereiken maar daar bleef hij niet onopgemerkt.
”Kom jij eens hier,” beval de koning. ”Haal je baas, de chef-kok en vraag hem twee dingen.
Ten eerste: wat doet die baksteen in de soep en ten tweede: waarom hebben wij geen lepels? Of moeten wij die soep soms met mes en vork naar binnen werken? Zeg maar dat hij, als hij onderweg hierheen geen oplossing heeft gevonden, wij de soep overslaan en aan hém beginnen. En nou wegwezen!”
Dat liet Pandoeris zich geen twee keer zeggen en hij zette het op een lopen.
Buiten adem bereikte hij de binnenplaats waar een kar vol met etensafval klaarstond om door de zwaarbewaakte poort te vertrekken.
Pandoeris aarzelde niet, klom ongezien op de kar en bedekte zich zo goed en zo kwaad als het ging met de meurende etensresten.
In het donker zag hij niet zo goed wat hij deed en hij schrok dan ook hevig toen hij iets vlezigs over zich heen wilde leggen dat begon te praten.
”Blijf van me af,” siste het vlees hem zachtjes toe.
Pandoeris was verstijfd van schrik en dat was maar goed ook want anders hadden de poortwachters hem zeker zien bewegen toen de voerman het paard en de wagen door de poort loodste.

Hoofdstuk 9

Author: jeroenstamgast

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bruid in de kerker krijgt Pandoeris zover dat hij de hoofdrol speelt in haar bevrijding en dan moet zijn hoofd rollen.

Na een overvloedig ontbijt en een roerend afscheid van Cornelis die op het eiland moest passen, gingen ze dan toch eindelijk op weg.
Pandoeris had nog even overwogen om tante Mollie onderweg gewoon ergens overboord te zetten maar kon dat toch niet over zijn hart verkrijgen.
Bovendien bleek het land van koning Oliebol op de route te liggen.
Bij de rederij van de veerman meldde hij nog even waar deze te vinden was, zodat ze hem op konden halen.
Tante Mollie kende deze veerman wel en had hem altijd al een onbehouwen vlegel gevonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nee, dan aan het hof van koning Oliebol!
Daar hadden ze smaak en goede manieren!
En smaak moest je dan wel letterlijk opvatten want uit de verhalen van tante Mollie begreep Pandoeris dat een groot deel van de dag met eten en drinken doorgebracht werd.
Ze verlieten het moeras en legden aan bij een prachtig versierde steiger.
Een dikke lakei hielp hen aan land en begeleidde hen naar een rijtuig met dikke paarden ervoor.
In het land van koning Oliebol krijgt dus echt iedereen goed te eten, dacht Pandoeris en keek naar een paar moddervette eenden en ganzen.
Of zouden de dieren vroeg of laat in de pan verdwijnen?
In het paleis van koning Oliebol was het een drukte van belang.
Lakeien liepen af en aan met eten en drinken en de overwegend dikke tot zeer dikke gasten lieten het zich goed smaken.
Midden in de feestelijk aangeklede zaal zat koning Oliebol op zijn enorme troon achter een tafel met eten, genoeg om een hongerig aangelegd gezin een week mee te kunnen voeden.
Tante omhelsde de koning.
Ze kenden elkaar blijkbaar goed.
”Hartelijk gefeliciteerd met het huwelijk van je zoon en aanstaande schoondochter. Waar zijn ze eigenlijk?”
”Mijn zoon is op zijn kamer en de bruid is in de kerker,” sprak de koning vermoeid.
Een heel dik meisje dat naast de koning zat en nog het meest weg had van een aangeklede suikerspin, begon plotseling hartverscheurend te huilen.
”Ach, toe nou, Truffeltje,” sprak koning Oliebol verstoord.
”Ga nou niet wéér huilen.”
Truffeltje liet zich niet van de wijs brengen en deed er nog een schepje bovenop.
”Nou, vooruit. Ga dan nog maar even naar Ollie toe. Maar denk erom: ik wil geen toestanden als ze gaan trouwen, hoor!”
Truffeltje stopte abrupt met het plengen van tranen, worstelde zich uit haar stoel en maakte zich waggelend uit de voeten.
Aan Pandoeris schonk verder niemand aandacht en, omdat hij toch wel nieuwsgierig begon te worden naar de bruid in de kerker, volgde hij het dikke wicht.
Hijgend beklom ze de trappen van het paleis tot ze bij een deur kwam waarachter werd geweend.
Ze klopte met bonzend hart aan.
”Ollie, ben je daar?”
De deur werd geopend door een wandelende vetklomp, waarna de twee kolossen elkaar snikkend in de armen vielen.
Pandoeris sloeg het tafereeltje gade en kuchte luid om te laten merken dat hij er was.

Geen van beiden reageerde.
Ze hadden alleen maar aandacht voor elkaar.
Pandoeris kuchte nog eens maar nu harder.
Weer geen reactie.
Na nog wat luidruchtig hoesten, gaf Pandoeris het op.
Dan maar recht op het doel af, dacht hij en richtte verlegen het woord tot hen.
”Goede middag. Weet u soms waar de trouwplechtigheid is?
Ik ben een beetje verdwaald, ziet u.”
De twee lieten elkaar los en keken hem verbaasd aan.
”Wie ben jij eigenlijk?” vroeg Ollie.
”Ik ben Pandoeris en ik ben hier min of meer per ongeluk terecht gekomen. Bent u het bruidspaar?”
”Was dat maar waar,” jammerde Truffeltje. ”Ollie is de bruidegom en ik had zo graag zijn lieve bruidje willen zijn.”
”Maar wie is het lieve bruidje dan?” vroeg Pandoeris.
”Dat skelet zit in de kerker,” antwoordde Ollie en trok een vies gezicht.
”Maar waarom zit ze in de kerker?”
”Omdat ze anders wegloopt natuurlijk.”
Ollie schudde zijn hoofd om zoveel onbenul.
”Wil ze dan niet met je trouwen?”
”Nee, natuurlijk niet. En ik niet met haar. Alleen ik loop niet weg omdat ik hier woon en nergens heen kan.”
”Maar waarom ga je dan trouwen met iemand waar je niet van houdt?”
”Omdat mijn vader vroeger met de vader van de bruid afgesproken heeft, dat wij zouden trouwen. En wil je ons nu alleen laten. Dan kunnen wij nog even aandacht aan elkaar schenken.”
Ollie nam vertederd het vette handje van Truffeltje in de zijne en na wat wrikken in de deuropening, verdwenen ze samen achter de dichte deur.
Pandoeris krabde zich eens achter de oren.
Als hij het dus goed begrepen had moest de bruid met geweld binnen de poorten gehouden worden en was de bruidegom een totale ineenstorting nabij, terwijl zijn geliefde er niet veel beter aan toe was.
Nou, die gingen dan een fijne toekomst tegemoet.
Hoofdschuddend ging hij de trappen af.
Beneden aangekomen, liep hij twee ruziemakende koks tegen het lijf.
”Ga jij maar,” zei de ene.
”Nee, het is jóuw beurt,” zei de andere.

”Wat vind jij daar nou van?” vroeg de ene kok onverwacht aan Pandoeris.
”Ja,” zei de andere. ”Geef jij je mening eens.”
”Waarover?” vroeg Pandoeris.
”Nou, elk uur moet de aanstaande bruid, prinses Tengeltje, haar eten krijgen volgens de voorschriften. Maar ze wil het niet. En het vervelende is dat ze elke keer het eten in ons gezicht smijt. En nou staat er gloeiend hete soep op het menu…”
Met dat soort dingen had Pandoeris geen moeite.
”Gewoon niet brengen. Ze eet het toch niet.”
”Dat kan niet. Een kok hoort zijn plicht te doen. Desnoods tot de dood erop volgt.”
”Laat de soep dan eerst afkoelen voor je hem brengt en over je heen krijgt,” verzon Pandoeris die niet voor één gat te vangen was.
”Of wacht. Weet je wat? Als ik jullie daar een plezier mee kan doen: ík zal de soep brengen.”
Dat was een mooie gelegenheid om die prinses Tengeltje eens te ontmoeten.
De koks maakten geen bezwaar en even later stond Pandoeris voor de tralies waarachter een prachtig aangeklede schoonheid gevangen zat.
”Ben jij nieuw hier?” vroeg de schoonheid. ”Of lijd jij aan een ernstige ziekte?”
”Hoezo?” vroeg Pandoeris.
”Omdat ik hier normaal gesproken alleen maar mensen zie die minstens honderd kilo wegen.”
Pandoeris legde uit dat hij hier min of meer per ongeluk terecht gekomen was en vroeg ’op de prinses af’ waarom ze niet wilde trouwen met Ollie.
”Wat heb jij voor smurrie in je ogen zitten? Heb jij die Ollie al eens goed bekeken? Daarbij vergeleken ben jij een knappe jongen.”
”Dank je,” zei Pandoeris gevleid.
”Het is krankzinnig allemaal! We moeten trouwen van onze ouders terwijl ze het zelf ook niet willen. En dat allemaal omdat het heel vroeger eens een keer afgesproken is.”
”Maar waarom maken ze dan geen andere afspraak?” vroeg Pandoeris die zelf bijna nooit een afspraak maakte en zich er in ieder geval niet aan hield, als het hem per vergissing eens overkomen was.
”Omdat het dan oorlog wordt tussen onze landen.
Zo’n belediging kan het andere land niet over zijn kant laten gaan.”
”Wat een onzin,” vond Pandoeris.
Prinses Tengeltje keek Pandoeris eens aan.
”Misschien zou jij me van die afschuwelijke vleesmassa kunnen redden.
Durf je dat?”
”Ik durf alles,” pochte Pandoeris die Tengeltje steeds leuker begon te vinden en graag een goede indruk wilde maken.
”Kom eens dichterbij,” wenkte Tengeltje hem.
Pandoeris zijn gezicht was nu vlakbij dat van haar en plotseling kreeg hij, tussen de tralies door, een zoen.

”Jij bent mijn held.”
”W- w- wat moet ik doen?” stamelde Pandoeris.
”Luister goed. Er is één mogelijkheid om mij te helpen. Op een gegeven ogenblik vraagt de ceremoniemeester officieel of er iemand bezwaar heeft tegen het huwelijk. Het klinkt belachelijk maar als jij dan zegt dat je er tegen bent, gaat het huwelijk niet door. Er staat namelijk in de wet dat iedereen die aanwezig is, het met het huwelijk eens moet zijn. Anders gaat het niet door. En omdat niemand het huwelijk eigenlijk wil, is iedereen je nog dankbaar ook. En ik natuurlijk het meest.”
Tengeltje keek Pandoeris op zo’n manier aan, dat hij het er warm van kreeg.
”Maar waarom doet niemand dat dan, als het zo eenvoudig is?”
Pandoeris vond het maar raar. Daar stak beslist méér achter.
Hij kreeg echter geen gelegenheid om verder te vragen want de prinses werd door enige hofdames en soldaten opgehaald.
”Doe je het?” vroeg prinses Tengeltje nog, toen ze meegesleurd werd.
”Ik zal je redden!” riep Pandoeris haar stoer na.
Maar toen de plechtigheid in de Grote Zaal begon, voelde hij zich heel wat minder flink en hij werd hoe langer hoe zenuwachtiger.
Op een gegeven moment kwam de langverwachte vraag van de ceremoniemeester.
”Als er iemand tegen het huwelijk is, moet hij dit nu kenbaar maken!”
Het was muisstil in de Grote Zaal.
Je kon een speld horen vallen.
Alle aanwezigen keken somber voor zich uit.
Alleen prinses Tengeltje keek Pandoeris smekend aan met haar mooie grote ogen.
”Ik ben tegen!” schreeuwde Pandoeris plotseling met overslaande stem.
Een oorverdovend gejuich brak los.
Mensen vielen elkaar huilend en lachend van geluk in de armen en de beide koningen kwamen Pandoeris zelfs persoonlijk bedanken, gevolgd door Ollie, Truffeltje en Tengeltje.
”Eén hoeraatje voor onze held!” riep koning Oliebol.
De andere koning speldde Pandoeris zelfs een medaille op wegens bijzondere verdiensten voor zijn land.
”En laten we dan nu verder gaan met het feest!” riep koning Oliebol.
Pandoeris wilde al aan de feestelijk gedekte tafel naast Tengeltje gaan zitten maar werd tegengehouden door een woest uitziende schildwacht.

”Meegaan jij!” baste de schildwacht en greep Pandoeris stevig vast.
”Iemand die de huwelijksplechtigheid verstoort, wordt de volgende dag bij zonsopgang onthoofd. Zo staat het in de wet!”
Pandoeris werd onder luide toejuichingen van de feestgangers meegesleurd en koning Oliebol riep hem troostend na dat zijn hoofd een mooie plaats zou krijgen in de eregalerij van het paleis.
Pandoeris kon zich wel voor zijn hoofd slaan dat hij zo stom was geweest om er in te tuinen.
Maar hij besefte dat het nu te laat was en dat hij zelfs dát binnenkort niet meer kon doen…

Hoofdstuk 8

Author: jeroenstamgast

Het is leuk om vertroeteld te worden maar ook voor Pandoeris zijn er grenzen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het kostte Pandoeris de nodige moeite om de vaargeul te volgen. Hij was al een paar keer in de modderige bodem blijven steken en was er slechts met de grootste moeite weer uitgekomen.
Hij moest er niet aan denken dat hij hier vast zou komen te zitten.
Hij kon zich van de toverschool trouwens niet herinneren dat je het Verloren Oord via een moeras binnen kwam.
Maar ja, wat kon hij zich eigenlijk nog wel herinneren van de school?
Hij had nooit goed opgelet en de leraren hadden de moed, wat hem betreft, opgegeven.
Op het laatst had hij er gewoon voor spek en bonen bijgezeten.
Het kan toch raar gaan in het leven, dacht Pandoeris.
Nou heb ik besloten om geen tovenaar te worden en een gewoon baantje te nemen en dan sturen ze me hier heen.
Nou ja, als dit avontuur achter de rug is, ben ik eigen baas en kan ik doen en laten wat ik wil.
Maar zover was het nog lang niet.
Hij passeerde een eilandje dat zowaar bewoond was.
Midden op het eiland stond een bont gekleurd huisje, omgeven door een tuin met allerlei soorten bloemen.
Er was ook een steigertje om een boot aan te leggen en op dat steigertje stond een dikke dame te zwaaien.
”Joehoe! Veerman! Joehoe!”
Ik hoor niets, dacht Pandoeris. Dat kost allemaal tijd. Ik wil weg uit dit moeras.
”Joehoe! Veerman! Joehoe!”
Je ’joehoet’ maar, dacht Pandoeris. Ik heb even last van een spontane doofheid.
De dame gaf het niet op.
”Ben je doof of zo, veerman?!”
Voor jou wel en ik ben ook geen veerman, dacht Pandoeris en roeide onverstoorbaar verder.
De dame werd boos.
”Als je niet gauw hierheen komt, stuur ik Cornelis op je af!”
Dan moet Cornelis verdraaid snel kunnen zwemmen als hij me wil inhalen, dacht Pandoeris en zag in gedachten al een oude harkerige tuinman in het water springen.
Hij hoorde een enorme plons achter zich, dus er sprong inderdaad iemand in het water.
Hoeveel kilo moest die tuinman wel niet wegen om zo’n gigantische plons te veroorzaken?


Pandoeris moest zich echt bedwingen om niet achterom te kijken, maar tot zijn grote schrik dook Cornelis plotseling vóór de boot op.
Een krokodilachtig beest van grote afmetingen opende een flinke muil met stevige tanden en blies een hoeveelheid bedorven adem in Pandoeris zijn gezicht, genoeg om een boeket bloemen te doen verwelken.
”Rustig maar, Cornelis,” bracht Pandoeris er bibberend uit.
”Rustig maar, brave…” Ja, wat was het eigenlijk?
Cornelis duwde tegen de boot, zodat de neus in de richting van het eiland kwam te liggen.
Pandoeris wist niets beters te doen, dan er maar naar toe te roeien, gevolgd door Cornelis, die een vervaarlijk oogje in het zeil hield.
”Zo, ben je daar?” vroeg de dikke dame verstoord. ”Hoorde je me niet roepen?”
”Wat zegt u?” vroeg Pandoeris. ”Ik ben een beetje doof ziet u.”
”O , is dat het. Ach, wat erg. Zo’n lief knulletje. En dan doof…”
De dame stak een mollige arm naar hem uit.
”Kom maar hier hoor, lieverd. Daar kan je tenslotte ook niets aan doen.”
Ze trok Pandoeris uit de boot en gaf hem een stevige knuffel.
”Ben jij niet een beetje te jong om veerman te zijn?”
”Wat zegt U?” vroeg Pandoeris, die blij was dat ze hem even los liet.
”Of je niet te jong bent om veerman te zijn!” schreeuwde de dame uit volle borst in zijn oor.
Dat moet ze niet teveel doen, dacht Pandoeris, anders word ik nog écht doof.
”O, ja, nee, nu versta ik u. U hoeft niet zo te schreeuwen, hoor. Als u maar in de richting van mijn oor praat. Dan gaat het wel.”
Ik geef mooi geen antwoord op die vraag, dacht Pandoeris.
Wat denkt ze wel. Ik ben geen kind meer.
”Onverantwoordelijk, hoor, om een kind zulk gevaarlijk en vermoeiend werk te laten doen. Wat vind jij er nou van, Cornelis?”
Cornelis loenste likkebaardend naar Pandoeris en gromde hongerig.
Die moet ik in de gaten houden, dacht Pandoeris.
”Kom, geef tante Mollie maar een handje, dan gaan we eerst een lekker kopje thee drinken met een gebakje erbij.”
Pandoeris wilde zich losrukken maar bedacht zich, toen Cornelis zich bij hem meldde.
Stel je voor dat dat monster op het onzalige idee zou komen om hem een handje te geven, in plaats van tante Mollie.
Hij liep dus maar dicht tegen tante Mollie aan, die hem daarop vertederd een aai over zijn bol gaf.
Op de bank, in de weelderig ingerichte woonkamer, had tante zich zo neergezet, dat Pandoeris bijna bekneld raakte tussen haar en de leuning, terwijl Cornelis ook niet bij hem weg te slaan was.
”En dan ga je na de thee lekker in bad, dan zal ik je vieze kleren wassen,” kondigde tante aan.
”O, dat hoeft niet, hoor mevrouw,” zei Pandoeris geschrokken.
”Zeg maar tante, hoor, lieverd en dat hoeft wél.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cornelis gromde instemmend en even later zat Pandoeris met een chagrijnig gezicht in een schuimbad dat rook naar lavendel.
Cornelis paste gelukkig niet in de badkamer maar Pandoeris hoorde aan zijn smakgeluidjes dat hij nog wel achter de deur zat.
Even later kwam tante aanzetten met een witte pyjama, versierd met rode brandweermannetjes die laddertjes opklommen.
”Moeten we niet weg met de boot? Anders wordt het te laat, hoor,”
probeerde Pandoeris.
”Geen sprake van.Tante Mollie gaat jou even verwennen met een goede maaltijd.”
”Maar ik zit nog vol van het gebak,” protesteerde Pandoeris.
”Onzin. Kinderen die in de groei zijn, moeten goed eten,” besliste tante. ”Of wou je altijd zo klein blijven?”
”Ik ben helemaal niet klein,” zei Pandoeris boos. ”En wanneer gaan we dan op weg?”
”Morgen is er weer een dag. We gaan direct eerst gezellig ’ganzeborden’ en ’mens erger je nieten’ en daarna ga ik een feestmaal voor je klaarmaken.”
Dat ’mens erger je nieten’ zal wel lukken, dacht Pandoeris gelaten.
”Ik heb nog allerlei lekkere hapjes voor tijdens de spelletjes en sta bekend om mijn heerlijke limonade.”
Berucht zal je bedoelen, dacht Pandoeris.
Tante bleek onverbiddelijk.
Ze overvoerde hem liefdevol met hapjes en won ondertussen het ene spelletje na het andere.
’s Avonds, tijdens de maaltijd, bleef tante zijn bord maar volscheppen en Pandoeris begon Cornelis, die hij stiekem een groot deel van zijn eten gaf, steeds meer te waarderen.
Toen het donker werd, mocht Pandoeris eindelijk naar bed.
Tante gaf hem een zoen op zijn voorhoofd en dekte hem zorgvuldig toe.
”Slaap maar goed, lieve jongen. Want morgen wordt het een hele reis.
We gaan naar het feest van koning Oliebol.”
Die naam voorspelt weinig goeds, dacht Pandoeris en voelde een stevige misselijkheid in zich opkomen.

Hoofdstuk 7

Author: jeroenstamgast

Over een veerman die niet alleen overzet, maar ook afzet en over Pandoeris, die zijn steentje bijdraagt.

Het is wel even schrikken als je ’s ochtends wakker wordt en je ontdekt dat je bijna in de armen van een geraamte ligt.
Het duurde dan ook even voordat Pandoeris van de schrik bekomen was en weer normaal kon ademen.
Hij groef, zo goed en zo kwaad als het ging, met een plank een kuil en stopte daar de overblijfselen van de vorige eilandbewoner in.
Daarna waste hij zijn handen met het bepaald niet schone moeraswater.
En nou maar hopen dat ze mij ook zo netjes begraven als ze mij per ongeluk hier vinden, dacht Pandoeris.
De moed zonk hem in de schoenen en hij begon hartverscheurend te huilen.
Er was toch niemand die je hoorde en zei dat je een flinke vent moest zijn.
Hij had erg veel medelijden met zichzelf en ging zo op in zijn verdriet, dat hij niet in de gaten had dat er een roeibootje aan kwam varen.
De roeier stopte met roeien en liet het bootje uitvaren tot vlak bij Pandoeris, die nog steeds met zijn hoofd in de handen bij de waterkant zat.
”Willen de passagiers bij de boothalte zich gereedmaken om in te stappen!” kraakte plotseling de stem van de roeier.
Pandoeris viel van schrik bijna voorover in het water.
Hij kon van de weeromstuit even geen woord uitbrengen en de roeier maakte van de stilte gebruik om een en ander toe te lichten.
”Ik ben de veerman in dit gedeelte van het moeras. Ik breng u overal waar u maar wilt, voor een bord en een lepel. Heeft u die bij zich?”
”Ik zal ze even halen!” riep Pandoeris opgelucht en rende naar de hut.
Hij had dat bord en die lepel dan wel nodig om in de gewone wereld terug te kunnen komen, maar dat was van later zorg.
Als hij eerst maar van dit ellendige eilandje af was.
Trouwens, als hij het een beetje slim aanpakte, hoefde hij niet eens te betalen als hij op de plaats van bestemming aankwam en dan bijvoorbeeld hard wegrende.
Hij wilde met zijn rugzak naar het bootje toe waden, maar deinsde achteruit toen hij bijna een tik van een roeispaan tegen zijn hoofd kreeg.
”Eerst betalen!” kraakte de stem van de veerman.
”Wie zegt me dat u niet hard weg roeit als u dat bord en die lepel eenmaal heeft?” vroeg Pandoeris argwanend.
”Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Eerst betalen, dan pas meevaren.”
Dat was een lelijke tegenvaller.
Je kunt vandaag de dag niemand meer vertrouwen, dacht Pandoeris boos.
”En als ik u alvast de lepel geef en het bord bij aankomst,” probeerde hij nog.
”Nee, allebei tegelijk en anders niet.”
Pandoeris besloot te bluffen.
”Als je me niet ogenblikkelijk op je schuit toe laat, tover ik je om in een stinkdier,” dreigde Pandoeris, ”Ik ben namelijk een tovenaarsleerling.”
”Mij maak je niet bang. Ik heb een tovervrij vest aan. Je kunt me niets maken met je getover. Bovendien: als ik jou zo zie, kan je volgens mij nog geen deuk in een pakje roomboter toveren.”
Een akelige lach echode krakend over het moeras.
”O ja? Durf je dan hier te blijven als ik mijn toverschrift pak?” daagde Pandoeris hem uit en voegde de daad bij het woord.
De veerman ging er eens lekker voor zitten.
”Ga je gang. Ik ben een en al aandacht.”
Zenuwachtig bladerde Pandoeris in zijn schriftje.
Sommige dingen had hij zo slordig opgeschreven, dat hij ze niet eens kon lezen.
En wat hij kon lezen, leek zo onbenullig, dat het de veerman hooguit op de lachspieren zou werken.
Maar ja, hij moest wel iets doen; hij kon toch ook niet blijven bladeren.
”Ha! Hier heb ik iets verschrikkelijks!” loog Pandoeris en hield zijn vinger op een lege bladzijde. ”Ik geef je nog één kans…”
”Al gaf je me er twee of drie. Ik wil dat toverkunstje van jou wel eens zien.”
”Dat weet je heel zeker?”
”Dat weet ik heel zeker.”

Wat nu? dacht Pandoeris. Het zou toch wel prettig zijn als me iets heel briljants te binnen schiet.
Misschien kan ik iets op hem laten vallen en hem zo uitschakelen, zonder de boot te vernielen natuurlijk. Ach dat is het! Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb! De stenen! Als ik tover, regent het bakstenen.
En het maakt niet uit welke toverspreuk ik gebruik, als het maar stenen regent.
Pandoeris zegde de spreuk op waar hij, vlak voor hij deze reis begonnen was, ook al succes mee had gehad en rende naar de hoger gelegen hut om daar te schuilen.
De veerman keek geamuseerd toe en schaterde het uit, toen hij zag hoe het ene na het andere kledingstuk van Pandoeris zijn lijf viel, terwijl hij als een gek zigzagde om de vallende stenen te ontwijken.
Het hoogtepunt was voor hem toch wel het moment waarop een inmiddels geheel blote Pandoeris moest toezien hoe zijn schuilplaats bedolven werd onder een hoeveelheid bakstenen en in elkaar stortte.
De truc met de stenen was dan wel gelukt, maar ze waren op deverkeerde plek gevallen.
De veerman gierde het uit en sloeg zich huilend van het lachen op de knieën.
Iets te hard waarschijnlijk want hij verloor zijn evenwicht en viel met een plons voorover uit de boot.
Zwemmen kon hij blijkbaar niet want hij had de grootste moeite om zijn hoofd boven water te houden.
Pandoeris zag het en rende zo hard hij kon terug naar de boot om er eerder te zijn dan de veerman.
Helaas: de veerman had de boot te pakken en hees zich er in, nog vóór Pandoeris iets had kunnen ondernemen.
”Te laat, mannetje,” rochelde de veerman, terwijl het water uit alle plaatsen van zijn lichaam liep waar een gat in zat.
In een vlaag van woede pakte Pandoeris een van de stenen die verspreid op de grond lagen en gooide die naar zijn tegenstander.
Tot zijn verbazing gooide hij raak en de veerman zakte in elkaar.
Pandoeris aarzelde niet, sprong in het water en sleepte de boot, met veerman en al, naar de kant.
Snel trok hij de natte kleren van de veerman aan, die hij bewusteloos op de kant had gelegd.
Hij pakte zijn rugzak, stapte in de boot en roeide harkerig, omdat hij dat niet gewend was, een eindje weg.
De veerman krabbelde intussen overeind en begon te vloeken en te tieren.
Pandoeris wachtte tot hij uitgeraasd was.
”Als je me vertelt waar ik hulp kan halen voor je, zal ik dat doen,” sprak hij edelmoedig.
De veerman wilde verder gaan met schelden maar bedacht zich.
”Vaar een paar uur in noordelijke richting, dan kom je bij een groter eiland. Daar vind je ook onze rederij.”
Pandoeris stuntelde in de aangegeven richting.
”Je stuurt toch wel iemand, hè?” vroeg de veerman nederig.
”Natuurlijk,” zei Pandoeris. ”Ik weet alleen niet of je een bord en een lepel nodig hebt. Maar dat zoek je zelf maar uit.”
Het duurde even voor Pandoeris de juiste ’roeislag’ te pakken had, maar toen ging hij er toch redelijk snel vandoor.

Hoofdstuk 6

Author: jeroenstamgast

Met een bord en een lepel in de hand komt men door het ganse land, maar Pandoeris raakt al snel het spoor bijster.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het afscheid van de vervoerder en zijn vrouw had niet zo lang geduurd. De vervoerder had alles nog eens kort met hem doorgesproken en zijn vrouw had allerlei lekkers voor onderweg in een rugzak gedaan.
Pandoeris had er op gestáán om de reis alleen te maken.
Hij wilde het geheim van de toegang tot het Verloren Oord niet verraden en de vervoerder had daarvoor wel begrip getoond.
De reis was overigens voorspoedig verlopen.
Na twee dagen was hij bijna waar hij wezen moest.
De weg waarover de postkoets reed werd steeds slechter en de passagiers, die hem gezelschap hielden, waren op zijn zachtst gezegd, vreemd te noemen.
Naast hem zat een man die alleen maar uit een bochel en benen leek te bestaan en tegenover hem zaten twee oude vrouwtjes te fluisteren en te stinken.
De koetsier hoorde je, boven de geluiden van de postkoets uit, vloeken en tieren om de paarden op snelheid te houden.
Plotseling hield hij halt.
De vrouwtjes stopten met fluisteren, ze stonken alleen nog maar, en de gebochelde man reutelde wat.
Pandoeris voelde zich niet op zijn gemak en nam zijn rugzak op schoot.
Het portier van de koets zwaaide open en de koetsier brulde, alsof hij het tegen de paarden had, dat ze twee minuten de tijd kregen om op te rotten.
Pandoeris wilde eerst nog vragen waar naar toe, maar een vervaarlijk heen en weer zwaaiende zweep, weerhield hem daarvan.
Gedwee volgde hij de anderen.
De koetsier klom weer op de bok, gebruikte de zweep voor de paarden en de koets verdween in de richting vanwaar ze gekomen waren.
Pandoeris keek de koets na, tot deze in een stofwolk verdwenen was.
Toen hij weer naar zijn medepassagiers keek, bleken de oude vrouwtjes ook verdwenen te zijn.
De gebochelde zat op zijn koffer, die veel te groot en te zwaar voor hem was en Pandoeris vroeg zich al af, hoe hij deze zou vervoeren.
Het antwoord hierop kwam snel.
”Jij tillen”, sprak de bochel met een hese stem en twee priemende oogjes keken hem aan.
Pandoeris had hier niet zoveel zin in maar besloot het toch maar te doen.

Je wist tenslotte nooit waar dat nog eens goed voor was en bovendien wist hij toch niet welke richting hij uit moest gaan.
Zwijgend volgde Pandoeris de stevig voortdribbelende bochel en na een uurtje zweten en puffen, kwamen ze bij herberg ’De Laatste Post’.
De bochel klopte aan en een zware eikehouten deur werd door een ongunstig uitziende herbergier geopend.
Hij liet Bochel binnen, trok de koffer uit Pandoeris zijn hand en wilde de deur voor zijn neus dicht smijten.
”Hij mee!” klonk een hese stem.
De deur ging weer open en Pandoeris glipte snel naar binnen.
De herbergier wees hen een plaats, aan een van de tafels.
De weinige gasten zaten zwijgend achter een tinnen soepbord en hielden een houten lepel vast.
Ook Pandoeris kreeg een bord en een lepel.

De soep werd zwijgend opgediend en opgegeten.
De paddestoelensoep, of wat daar voor door moest gaan, smaakte niet lekker maar Pandoeris begreep dat het opeten daarvan, nodig was om de Heksenkring te passeren.
Hij slurpte dapper door en toen hij opkeek van zijn bord, zag hij alleen nog maar nevel en kwade dampen.
De grond onder hem begon te bewegen en Pandoeris raakte in paniek.
Hij wilde opstaan en wegrennen maar een hese stem riep: ”Zitten!
Bord en lepel vast!”
Dat moest die bochel zijn.
Pandoeris kalmeerde enigszins en vroeg: ”Waar bent u en waar ben ik?”
Er kwam geen antwoord.
Pandoeris hoorde alleen een zacht gereutel dat langzaam wegstierf.
Het zweet brak hem uit maar hij hield zich goed.
Het leek wel een eeuwigheid te duren voor hij weer iets kon zien maar wat hij toen zag, stelde hem bepaald niet gerust.
Hij was op een klein eilandje terecht gekomen in een moerassig gebied.
Zijn bord en zijn lepel hield hij nog steeds vast.
Wat was daar ook al weer mee?
O ja, hij moest die bewaren om terug te kunnen komen.
Hij borg ze op in zijn rugzak en de aanblik van al dat lekkers dat daar in zat, stelde hem een beetje gerust.
Het zag er gezellig uit en het had iets vertrouwds.
Verhongeren zou hij voorlopig in ieder geval niet.
Hij bestudeerde de plattegrond die hij had meegekregen en zag dat hij nog ver van zijn reisdoel verwijderd was.
Hij besloot eerst het eilandje maar eens te verkennen.
Nou, dat was zo gebeurd.
In nog geen tien minuten tijd was hij weer bij het startpunt van zijn ontdekkingstocht gekomen en had hij het eilandje rondgelopen.
Vervolgens stak hij het eiland dwars over en midden op het eiland vond hij een half in elkaar gezakte hut.
Er was dus wel eens eerder iemand geweest.
Het begon donker te worden en dat was niet alleen omdat het laat werd, want al snel vielen de eerste regendruppels uit de inktzwarte lucht.
Hij vond een kaars in de hut en stak die aan.
De hut was niet zo best meer, maar het dak was nog in orde en dat was prettig want de regen viel met bakken uit de lucht.
Het had altijd iets gezelligs als het hard regende en je lekker droog zat, vond Pandoeris.
Hij opende zijn rugzak en begon genoeglijk te eten van het lekkers dat de vervoerdersvrouw meegegeven had.
Ach, alles zou wel weer op zijn pootjes terecht komen; je kon je overal wel druk om maken.
Hij maakte een bed van stro, dat er ook nog lag en viel tevreden in slaap met een glimlach op zijn gezicht.
Naast hem lag, verborgen in het donker, een geraamte met een grijns in zijn schedel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 5

Author: jeroenstamgast

Hoe de lievelingsmaaltijd van Pandoeris verstoord wordt door een opdracht die hem zwaar op de maag ligt.

Bij zijn thuiskomst werd Pandoeris heel hartelijk ontvangen.
Zó hartelijk zelfs, dat hij het eigenlijk maar een beetje vreemd vond.
Nou deed de vervoerder altijd wel aardig tegen hem maar nu was hij gewoonweg griezelig vriendelijk.
Pandoeris kon alvast aan tafel gaan zitten voor het eten, dan zou de vervoerder het paard en de wagen wel in de stal zetten.
Zijn vrouw vroeg bij het binnenkomen meteen of hij iets te drinken wilde hebben en vertelde dat ze zijn lievelingsmaaltijd aan het koken was.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris snoof inderdaad de lucht op van gebraden gehaktballen en gebakken aardappeltjes, zodat het met de doperwtjes en de sla ook wel goed zou zitten.
Toch zat hij niet lekker daar aan tafel.
Hij voelde gewoon dat er iets vervelends komen ging.
Op leuke wijze ingekleed misschien maar vervelend zou het zijn.
De vervoerder kwam gezellig bij hem zitten met een asbak en een doos goede sigaren.
”Wou je ook een sigaartje?” vroeg hij op zo’n vriendelijke toon dat je bijna geen ’nee’ durfde zeggen.
Pandoeris rookte niet maar nam een exemplaar uit de toegestoken doos.
Als ik direct dan toch de sigaar ben dan neem ik er ook maar één, dacht hij.
De vervoerder stak de brand in beide sigaren en de eetkamer vulde zich al snel met rook.
Vooral de bijdrage van Pandoeris, die niet gewend was om te roken en uit onwennigheid als een gek aan zijn sigaar zat te hijsen, zorgde ervoor dat de vervoerdersvrouw bijna moeite had om in de rook de tafel nog te vinden en te dekken.
”Hoe lang werk je nu al weer hier?” vroeg de vervoerder.
”Drie weken,” kuchte Pandoeris.
”Zou je nog terug willen naar je tante?”
De tranen sprongen Pandoeris in de ogen.
”Nou, je hoeft niet te gaan huilen,” sprak de vervoerder geschrokken.
”Nee het is de rook die…”
De vervoerder zette een raampje open zodat er wat frisse lucht binnen kwam.
Het eten werd opgediend en Pandoeris vond dat een goed excuus om die dure stinksigaar op de rand van de asbak te leggen.
Of het nu door het roken kwam of door het gesprek dat volgde, Pandoeris had weinig trek meer in zijn lievelingsmaal.
”Dus het bevalt je hier wel?” vroeg de vervoerder.
”Zeker,” sprak Pandoeris en probeerde dankbaar te kijken.
”Je weet nog dat ik gezegd heb dat ik af en toe een aparte klus heb waar ik veel geld mee kan verdienen?”
Nou komt de aap uit de mouw, dacht Pandoeris. Direct gaat hij zeggen dat hij mij erbij nodig heeft.
”Wel, het is zover en daarbij heb ik jouw hulp nodig.”
”Schep nog eens op, Pandoeris,” bood de vervoerdersvrouw aan.
”Je lust vast nog wel wat.”
Pandoeris was een beetje misselijk maar vulde uit beleefdheid dapper zijn bord. Stel je voor dat de vrouw beledigd was dat hij zo weinig at, dan zou ze zijn lievelingsmaal misschien wel nooit meer koken.
Je moest voorzichtig zijn met dat soort dingen.
”Die vreemde klant die je daarnet weggebracht hebt, komt elk jaar om deze tijd vragen iets voor hem te vervoeren,” vervolgde de vervoerder.
”Ik heb het wel eens geprobeerd maar het is me nog nooit gelukt.
Volgens mij moet het jou wél lukken.”
”En waarom dan wel?” vroeg Pandoeris die zich steeds onbehaaglijker begon te voelen.
”Omdat jij een tovenaarsleerling bent.”
”Een tovenaarsleerling wás, bedoelt u.”
”Nou ja, dat doet er niet toe. Jij weet waarschijnlijk wel hoe je in ’het Verloren Oord’ moet komen. Ik heb het geprobeerd maar ik verdwaal steeds.”
Er begon Pandoeris iets te dagen.
Het Verloren Oord lag voorbij de Heksenkring en daar kon je inderdaad niet zo maar komen.
” Waarom gaat die klant van u dan niet naar een tovenaar of een heks?”
”Omdat hij die niet vertrouwt. En nou wil ik een eerlijk antwoord van je: kun jij daar komen of niet?”
De vervoerder keek hem doordringend aan.
Pandoeris overwoog nog even om te liegen maar besloot de waarheid te vertellen.
”Ik denk het wel.”
”Fantastisch!” brulde de vervoerder. ”Man, als dit lukt, verdien ik zoveel geld dat ik niet meer hoef te werken!”
Enthousiast keek hij naar het beteuterde gezicht van Pandoeris en begreep dat hij hem met deze mededeling niet enthousiast zou krijgen.
”Luister,” vervolgde hij daarom snel. ”Als ik stop met werken, doe ik mijn zaak aan jou over. Je mag alles hebben. Je bent dan eigen baas en je kunt doen en laten wat je wilt. Lijkt je dat wat?”
Pandoeris moest toegeven, dat dat inderdaad niet gek zou zijn.
”Als je je eten niet meer lust, mag je het laten staan, hoor,” zei de vervoerdersvrouw goedig toen ze zag dat Pandoeris een beetje groene kleur op zijn gezicht begon te krijgen.
”Hier, neem een glaasje cognac. Dat is goed voor de spijsvertering.”
De vervoerder schonk scheutig een glas in.
”Vertrouwt u die vent dan wél?” vroeg Pandoeris en nam een slokje.
”Deze sleutel hier,” de vervoerder toonde hem een ouderwetse sleutel, ”past op een kistje met juwelen en goudstukken dat verborgen ligt in het Verloren Oord. Mijn klant heeft de andere sleutel die nodig is om het kistje open te maken. Hij weet het kistje te vinden maar kan er niet komen. Jij wel. Als jij dat bewuste kistje hier mee naar toe neemt, ben ik erbij als we de opbrengst delen. Er kan niets fout gaan.”
Pandoeris wou iets zeggen maar de cognac brandde in zijn keel en belette hem het spreken.
”Ja, daar ben je sprakeloos van, hè,” ging de vervoerder verder. ”Ik heb al tegen mijn klant gezegd dat het lukken gaat dit jaar.”
”Nou, erg vrolijk vond ik hem anders niet,” zei Pandoeris die zijn spraakvermogen teruggekregen had.
”Het is een verbitterd man. Een of andere heks heeft na een ruzie al zijn geld en juwelen weggetoverd en nu bezit hij bijna niets meer terwijl hij vroeger rijk en machtig was. Hij schaamt zich zó erg voor zijn armoede, dat hij zich op zo’n manier aankleedt dat niemand hem herkent.”
Pandoeris kreeg een beetje spijt van zijn toverkunstje, eerder op die dag.
Nou ja, dan had hij ook maar niet zo neerbuigend en onvriendelijk moeten doen.
Pandoeris begon zich letterlijk en figuurlijk steeds beroerder te voelen.
”Wanneer kun je gaan?” vroeg de vervoerder. ”Morgen?”
Die heeft haast, dacht Pandoeris.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

”Dan moet hij eerst een nacht goed slapen zodat hij morgen lekker uitgerust is,” antwoordde de vervoerdersvrouw.
”Ja, doe dat maar want je ziet eruit als een dweil,” sprak de vervoerder.
Dat komt van die vieze sigaar en die afschuwelijke cognac van je, dacht Pandoeris.
”Je zult zien, als je morgen lekker uitgerust bent, dan heb je gewoon zín om te vertrekken.”
Pandoeris zei niets en strompelde naar zijn kamer.
Hij voelde zich zo akelig dat van lekker slapen ook niet veel kwam.
Maar zin om te gaan zou hij ook niet gekregen hebben na een goede nachtrust.