Archive for the ‘Een bizarre tocht door het Verloren Oord’ Category

Hoofdstuk 24

Author: jeroenstamgast

Waarin we afscheid nemen van Pandoeris die nog steeds niet weet wat de toekomst hem brengen zal, maar die wél het verleden definitief achter zich laat.

De volgende dag ontmoette Pandoeris inderdaad de vervoerdersvrouw.
Ze omhelsde hem zó stevig dat Pandoeris bijna stikte.
Huilend vertelde ze hem van de brand en de ellende daarna.
Ze raakten steeds meer klanten kwijt omdat ze geen fatsoenlijke bedrijfswoning meer hadden.
Alle hoop was op Pandoeris gevestigd geweest.
En nu hij er weer was, zou alles weer goed komen.
Ze zou het kistje meteen meenemen om geen tijd te verliezen en hij kon ervan overtuigd zijn dat hij zo spoedig mogelijk weer van hen zou horen.
Pandoeris probeerde er nog onderuit te komen maar moest voor de tweede maal een verstikkende omhelzing ondergaan.
Dit keer ten afscheid.
Pandoeris sprak met zijn tante af dat hij bij haar zou logeren tot de vervoerder terug zou zijn en hij maakte zich verdienstelijk door het huisje helemaal op te knappen.
Eleanora wist niet wat haar overkwam en begon steeds meer tegen haar vriendinnen en familie op te scheppen wat een flinke neef ze toch had.
Het zou de moeite waard zijn om hem om te praten, om alsnog zijn tovenaarsdiploma te halen.
Desnoods op de avondschool, dan kon hij overdag gewoon zijn werk doen.
Pandoeris lachte dan maar wat en genoot van het onverwachte aanzien dat hij bij familie en kennissen had gekregen.
Elke dag ging hij bij de slager langs om te vragen of er al nieuws van de vervoerder was.
Eindelijk, na twee lange weken van wachten, overhandigde de slager hem een brief die de vervoerder gestuurd had.
Pandoeris vond het vreemd dat de vervoerder zélf niet gekomen was maar maakte wél vlug de enveloppe open en las zo snel hij kon wat er in de brief stond.
En dat was niet zo snel want ook in lezen was hij nooit zo goed geweest op school.
Daar moest hij toch eens wat aan gaan doen in de toekomst.
”Wat een rotstreek,” bromde de slager, die over Pandoeris’ schouder meegelezen had en al klaar was toen Pardoes nog niet op de helft was.
Het brandde Pandoeris op de lippen om te vragen wat de slager bedoelde met die ’rotstreek’ maar hij wilde het liever zélf lezen en verliet
snel de slagerswinkel.

Hij klom over de puinhoop van het vervoerdershuis naar het gedeelte waar nog meubeltjes stonden en begon opnieuw te lezen.
’Beste Pandoeris’ stond er.
’Wij zijn je heel dankbaar voor alles wat je voor ons gedaan hebt en zullen dit nooit vergeten.
Het kistje dat je voor ons meegenomen hebt, is inmiddels geopend en de inhoud is eerlijk verdeeld tussen mij en mijn opdrachtgever.
Hij zal nog contact met je opnemen om je persoonlijk te bedanken voor je inzet.
Wij kunnen van het geld dat we nu hebben, gaan genieten van een zorgeloze oude dag.
Jij zou, volgens onze afspraak, mijn bedrijf krijgen met alles erop en eraan, als ik weg zou gaan.
Welnu, ik houd mij aan onze afspraak en schenk je mijn bedrijfswoning en de grond waar het op staat.
Ik heb al een vervoerder opdracht gegeven om je mijn paard en wagen te bezorgen want daar heb je ook recht op.
Pandoeris, nogmaals bedankt en veel succes met je eigen bedrijf.

Met vriendelijke groet,

Jan Baas’

Pandoeris las de brief twee keer om er zeker van te zijn dat hij het goed begrepen had en keek eens om zich heen.
Ja, hij had het goed begrepen: hij was de eigenaar geworden van een regelrechte puinhoop.
Dat moet ik vieren, dacht hij en kocht van zijn allerlaatste centen een doos sigaren en een fles champagne.
Hij vulde een koffiekopje dat op de grond lag met champagne en stak een sigaar op.
Op dat moment ging de bel die het nog steeds deed.
Pandoeris opende de deur en liet de slager binnen.
”Moet je luisteren,” sprak deze. ”Ik doe je een voorstel: ik koop de grond van je voor een leuk prijsje en je kan bij mij in de winkel komen helpen als slagersknecht. Wat vind je daarvan?”
Pandoeris bood de slager een sigaar aan en werkte hem de deur uit.
”Ik zal erover nadenken,” zei hij alleen maar.
Hij ging zitten en nam een klein slokje champagne.

Hij vond het bepaald niet lekker maar je was directeur van een bedrijf of je was het niet.
Een beetje show hoorde erbij.
Hij zou zich niet laten kennen!
De bel ging voor de tweede keer.
Als het wéér die slager is dan stuur ik hem weg, dacht Pandoeris.
Hij opende de deur en zag een deftig geklede heer die hem vanuit de hoogte aankeek.
Dat is de slager niet, dacht Pandoeris, maar wie dan wel?
”Ik ben de opdrachtgever van je vroegere baas,” sprak de heer op bekakte toon. ”En ik heb weinig tijd.”
Dat komt goed uit, dacht Pandoeris en nodigde hem niet uit om binnen te komen.
”Toch wil ik je persoonlijk bedanken voor alles wat je gedaan hebt om de opdracht tot een goed einde te brengen. Dankzij jou kan ik weer leven zoals ik gewend was om te doen.”
Als hij me een hand geeft als dank, mag ik mijn vingers wel natellen of ik ze allemaal nog heb, dacht Pandoeris schamper.
”Ziehier een kleine blijk van mijn dankbaarheid,” zei de heer en overhandigde hem een houten kistje.
Hij draaide zich om en liep, zonder verder iets te zeggen, naar de gereedstaande koets.
Als er sigaren inzitten, tover ik hem gauw de kleren nog even van het lijf, dacht Pardoes.
Maar de inhoud van het kistje viel hem alles mee.
Er zaten een aantal zilverstukken in, genoeg om een tijdje van te kunnen leven.
Dat gaat de goede kant op, dacht Pandoeris en stak de sigaar, die inmiddels uitgegaan was, opnieuw aan.
De champagne liet hij verder voor wat hij was en schopte de fles naar een hoek.
De bel ging zowaar voor de derde keer!
Het wordt nog druk hier, dacht Pandoeris. Niet gek, zoveel aanloop voor een bedrijf dat nauwelijks nog bestaat.
Hij opende de deur en stond oog in oog met een prachtige jongedame.
En wát voor ogen!
Er zat zoveel diepte in, dat hij erin zou verdwalen als hij te lang zou kijken.
”Ben jij Pandoeris de tovenaarsleerling?” vroeg ze met zwoele stem.
”Eh, dat zou kunnen,” zei Pandoeris, die dat niet meer wilde zijn maar in dit geval de mogelijkheid toch maar liever even open hield.
”Is dit hele gebouw van jou?” vroeg ze bewonderend en bekeek de imposante voorgevel.
”Inderdaad,” beaamde Pandoeris zo nonchalant mogelijk.
Ze moest eens weten wat voor troep het er achter is, dacht hij.
Hij moest er dus in ieder geval voor zorgen dat ze niet binnenkwam.
”Ik kom uit het Verloren Oord,” ging ze verder. ”En volgens mijn nicht, prinses Tengeltje, ben jij precies degene die ik nodig heb.
Ze heeft me zoveel over je verteld. En van mijn oom, heer IJzervreter, hoorde ik dat je een geweldig strijder bent.”
”Ach,” zei Pandoeris bescheiden, ”Ik doe wel eens iets aan zwaardvechten.”
Waar heb ik dat toverschriftje nou ook al weer gelaten, dacht Pandoeris. Dat kan me misschien toch nog wel eens van pas komen.
”Ja, je bent beroemd gewoorden bij ons in het Verloren Oord.”
Ze lachte naar hem en Pandoeris kreeg het gevoel dat er een zwerm vlinders in zijn buik tekeer ging.
Hij kon zijn ogen niet van haar afhouden.
”Luister,” vervolgde ze. ”Ik wil je niet langer ophouden. Je zult het wel druk hebben met zo’n groot bedrijf. Ik logeer in hotel ’de Brassende Leeuw’. Zouden we daar vanavond niet kunnen afspreken? Dan kan ik je op mijn gemak vertellen waarvoor ik gekomen ben.”
Ze keek Pandoeris weer aan met die prachtige ogen en hij moest zich écht inhouden om niet heel hard ’Ja natuurlijk!’ te roepen.
”Nou, vanavond zal niet gaan,” hoorde hij zichzelf zeggen.
”Maar morgenavond. Is dat ook goed?”

”Ja natuurlijk,” zei ze en glimlachte naar hem.
”Tot morgenavond dan.”
Ze knikte vriendelijk ten afscheid en Pandoeris kon zich niet herinneren dat hij ooit iemand zó mooi weg had zien lopen.
Maar toch was hij blij dat hij voor wat meer bedenktijd gezorgd had want het was plotseling tot hem doorgedrongen dat hij bijna weer in zijn oude fout was vervallen.
En het was een goed teken dat hij dat deze keer beseft had vóór het te laat was.
Hij wilde eerst de zaken goed op een rijtje zetten vóór hij zich weer in een of ander onduidelijk avontuur zou storten.
Want, of hij nu wel of niet op het verzoek van deze prachtige schoonheid zou ingaan, hij was niet meer de onbeholpen nietsnut die hij vroeger geweest was.
En of hij nu Pandoeris de tovenaarsleerling of Pandoeris de vervoerder was, of Pandoeris die het allemaal nog niet precies wist, hij wás in ieder geval iemand.
En dat gevoel is bijna het mooiste gevoel dat je kunt hebben…

Hoofdstuk 23

Author: jeroenstamgast

De glorieuze thuiskomst die alleen maar thuiskomst blijkt te zijn.

Dromen zijn bedrog. Dat bleek maar weer eens.
Niets geen glorieuze thuiskomst.
De mensen in het dorp keken hem vol afkeuring aan en er was zelfs een moeder die haar kinderen naar binnen haalde.
Pandoeris begreep dat hij eruit zag als een zwerver en probeerde zich er niet al te veel van aan te trekken.
Dat zou wel weer veranderen als hij zich goed gewassen en opgeknapt had en weer schone kleren zou dragen.
Hij wandelde zo snel mogelijk dóór naar het huis van de vervoerder.
Pandoeris raakte behoorlijk opgewonden toen hij het vertrouwde gebouw aan het pleintje vóór zich zag liggen.
Het viel hem alleen op dat de gevel veel donkerder was dan hij zich kon herinneren.
Maar daar schonk hij verder geen aandacht aan.
Hij trok aan de bel en verheugde zich al op de blij verraste gezichten van de vervoerder en zijn vrouw.
Toen er na een tijdje niet opengedaan werd, belde hij nóg maar eens.
Weer geen reactie.
Vreemd.
Hij besloot dan maar om achterom te gaan.
Hij ging de hoek om en wilde het steegje inwandelen.
Maar tot zijn ontzetting wás er geen steegje meer.
Sterker nog: er was helemaal geen vervoerdershuis meer!
Het enige dat nog overeind stond, was de voorgevel waar hij net gebeld had.
Het gebouw erachter lag bijna volledig in puin.
Nu begreep hij ook waarom de gevel er zo zwartgeblakerd uitzag.
Het gebouw was afgebrand.
Hij klom over de puinhoop en ontdekte dat een klein gedeelte bij de ingang nog enigszins in takt was.
Er stonden en lagen zelfs nog een paar meubeltjes maar het was niet meer bewoond.
Nou ja, dacht Pandoeris, met de opbrengst van de inhoud van mijn kistje kunnen we alles weer opknappen. En als er dan niet meer genoeg geld overblijft voor de vervoerder en zijn vrouw om stil van te kunnen leven, kan ik altijd nog voor ze blijven werken tot ze er vanzelf mee ophouden omdat ze te oud geworden zijn. Ik zal er dan alleen wel voor zorgen dat ik een fikse salarisverhoging krijg. Dát heb ik dan toch wel verdiend.
Hij wandelde, natuurlijk toch wel erg teleurgesteld, naar de slagerswinkel van de buurman.

Eens kijken of die wist waar de vervoerder tegenwoordig woonde.
”Tja,” zei de slager. ”Triest hoor. Het is ongeveer een maand geleden gebeurd. Het ging allemaal zó snel. Blussen hielp niet meer.
We hebben nog wel zijn paard en wagen kunnen redden en daarmee rijdt hij nog wel pakjes rond, een eind hier vandaan. Daar logeren ze zolang bij familie. Maar hij is een hoop klanten kwijtgeraakt. Je ziet er trouwens zelf ook niet zo florissant uit, als ik je zo bekijk. Alhoewel je het afgelopen half jaar wel flink gegroeid bent.”
”Half jaar?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Ja. Zo lang ben je zéker weggeweest. De vervoerdersvrouw komt elke zaterdag even langs om te vragen of je al teruggekomen bent. Wacht eens. Dat is morgen al weer. Weet je wat? Blijf vannacht maar bij ons slapen. Dan kun je haar morgen ontmoeten. Reken maar dat ze blij zal zijn met je komst!”
Pandoeris dacht even na.
”Het is heel vriendelijk aangeboden van u. Maar ik ga liever bij familie langs die hier in de buurt woont.”
”Zoals je wilt. Hier, neem wat brood mee en een flink stuk worst voor onderweg. Dat zal je goed doen.”
Pandoeris bedankte de man hartelijk en spoedde zich naar zijn tante Eleanora.
Hij hoopte maar dat die thuis zou zijn.
Dat bleek inderdaad het geval.
Ze was net bezig koffie te zetten toen hij aarzelend binnenkwam.
”Zo, rook je de koffie?” vroeg ze alleen maar.
Pandoeris wist niet goed wat hij zeggen moest.
”Tja, daar ben ik dan weer,” mompelde hij verlegen.
”Dat zie ik. Of dacht je soms dat ik stront in mijn ogen heb of zo.
Man, man, wat zie je eruit! Nou ja, naar school kan je tóch niet meer.
Die is maanden geleden al begonnen. Wat kom je hier eigenlijk doen?
Als je maar niet denkt dat je je oude leventje weer kunt oppakken, hoor. Daar heb ik geen zin meer in. Je moest zo nodig onder de gewone mensen leven! Nou, blijf daar dan ook maar!”
Eleanora schonk voor zichzelf een kop koffie in en ging zitten.
Pandoeris had zich niet al te veel voorgesteld van de ontmoeting met zijn tante maar dit was erger dan verwacht.
Vroeger zou hij dan het zielige jongetje zijn gaan uithangen om medelijden op te wekken.
Maar daar voelde hij zich nu toch te groot voor, na alles wat hij meegemaakt had.
”Goed. Als dat alles is wat u kunt zeggen dan ga ik wel weer,” zei hij en draaide zich abrupt om en liep naar de deur.
Vroeger zou hij dan net zolang gedraald hebben tot hij teruggeroepen werd maar nu liep hij in één keer door.
”Wacht!” riep Eleanora met verbazing in haar stem, toen hij al bij het gammele tuinhekje gekomen was. ”Je gaat er écht vandoor…”
”U heeft inderdaad geen stront in uw ogen,” sprak Pandoeris met rustige stem. ”Als ik zó onwelkom ben als u laat blijken, blijf ik geen minuut langer dan nodig is. Vaarwel!”
”Doe niet zo gek! Drink in ieder geval een kopje koffie met me en vertel me wat je meegemaakt hebt. Daar ben ik toch wel benieuwd naar.”


Eleanora zwaaide vervaarlijk met de koffiepot, als om te bewijzen dat ze meende wat ze zei.
Pandoeris kwam terug en ging zitten.
Eleanora schonk in en een ogenblik later zaten ze zwijgend tegenover elkaar.
”Je bent veranderd,” begon Eleanora en keek Pandoeris niet onwelwillend aan.
”Ik heb dan ook het nodige meegemaakt. En om je gerust te stellen: ik ben helemaal niet van plan om hier weer te gaan wonen. Ik kwam alleen maar langs omdat ik hier zolang gewoond héb.”
Er volgde weer een stilte maar deze keer was het Eleanora die zich met haar figuur geen raad wist.
”Vertel me eens: wat heb je zoal meegemaakt?”
Pandoeris vertelde in het kort zijn belevenissen zonder opschepperij of overdrijving.
”Morgen spreek ik de vervoerdersvrouw en als het een beetje meezit heb ik binnen afzienbare tijd mijn eigen bedrijf en anders in ieder geval een goed betaalde baan,” besloot hij zijn verhaal.
Eleanora zweeg en schonk voor allebei nog een kop koffie in.
”Je wilt dat écht hè, een gewoon baantje onder de gewone mensen?”
”Ik wil in ieder geval niet meer rondlummelen zoals vroeger,” zei Pandoeris resoluut. ”Dat nutteloze gedoe daar kan ik niet meer tegen.
Ik wil iets dóen met mijn leven.”
Hij verbaasde zich ondertussen over de zekerheid waarmee hij alles zei.
Maar hij meende het uit de grond van zijn hart.
”Nou ja,” zei Eleanora. ”Als je dat zo vindt dan moet je dat maar doen. Als je wilt, kun je vannacht hier blijven slapen op je oude kamertje.
Als jij je dan eens goed wast dan zal ik andere kleren voor je toveren en die rare schrammen op je gezicht en handen eens behandelen met mijn kruidenzalfjes. Dan ben je tenminste weer toonbaar als je onder de mensen komt.”

Pandoeris stemde ermee in en voelde zich een ander mens toen hij ’s avonds helemaal verschoond en opgeknapt in zijn eigen vertrouwde bed lag.
De weggewaaide dakpannen lagen er nog steeds niet op en ook het verdwenen raam was nog steeds niet vervangen.
Kortom: het was nog steeds dezelfde puinhoop als altijd.
En dat, terwijl Eleanora, als ze zich er even voor in zou zetten, het huisje zonder al te veel inspanningen in iets leuks zou kunnen omtoveren.
Pandoeris draaide zich op zijn zij en grinnikte in zichzelf.
Zou die lamlendige levenshouding soms in de familie zitten?

Hoofdstuk 22

Author: jeroenstamgast


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris laat het Verloren Oord achter zich en is blij als hij vloekend en tierend verwelkomd wordt.

Pandoeris had zich zo goed mogelijk gewassen en opgeknapt bij een rivier maar het bleef bij een schamel resultaat.
Echt schoon was hij niet geworden.
Op zijn gezicht en handen zaten schrammen die licht ontstoken waren en zijn kleren zaten vol vlekken en waren op een aantal plaatsen gescheurd.
Hij leek eerder op een landloper dan op een toekomstig eigenaar van een bedrijf.
Toch voelde hij zich dat laatste wél en hij liep dan ook trots, met opgeheven hoofd op de weg die hem langs een rivier voerde.
De weg werd steeds smaller, de rivier werd steeds breder en de omgeving werd steeds moerassiger.
Pandoeris voelde aan zijn water dat hij bij de grens van het Verloren Oord aanbeland moest zijn en keek uit naar een herberg, die hij even later inderdaad ook vond.
Hij ging naar binnen en groette de waard veelbetekenend.
Deze keek hem eerst verbaasd aan en even later met een zekere afkeuring.
Pandoeris was ondertussen aan een tafel gaan zitten, zette zijn bord erop en legde de lepel ernaast Verwachtingsvol bestelde hij een soep en keek samenzweerderig naar de waard alsof die wel zou begrijpen wat hij daarmee bedoelde.
Dat scheen echter niet het geval te zijn.
De waard ging breeduit voor hem staan en richtte argwanend het woord tot hem.
”Vóór ik die soep ga bereiden, wil ik éérst geld zien.”
Pandoeris legde daarop zijn laatste geldstukken op tafel.
De houding van de waard veranderde op slag.
”Neem me niet kwalijk maar ik zag uw kleren en dacht…”
”Niet altijd meteen op het uiterlijk afgaan,” onderbrak Pandoeris hem.
”Nogmaals mijn excuses. U kunt kiezen uit erwtensoep, tomatensoep, uiensoep en de specialiteit van het huis is champignonsoep. Ik mag wel zeggen dat ik daarmee veel succes heb bij de plaatselijke roeivereniging. Terwijl u uw keuze maakt, zal ik ondertussen even een schoon bord en een schone lepel halen.”
”Ik heb mijn eigen bord en mijn eigen lepel al meegenomen,” zei Pandoeris en knipoogde naar de waard.
Deze keek hem geïrriteerd aan.
”Wat wilt u toch van me?”
”Hoe bedoelt u?”
”U zit me steeds maar zo raar aan te kijken. En nou weer dat geknipoog. Net alsof u iets van me wilt. Daar ben ik niet van gediend, hoor!”
Pandoeris kreeg een hoofd als een boei.
”Ik …eh…ik doe dat in de hoop dat u begrijpt dat ik hier weg wil.”
De waard keek Pandoeris aan alsof hij het in Keulen hoorde donderen.
”Als u weg wilt dan gaat u toch gewoon. Dáár is het gat van de deur!”
sprak de waard geprikkeld.
”Ja maar u moet me daar bij helpen,” probeerde Pandoeris en keek de waard hoopvol aan.
”Dat kan,” zei de waard alleen maar en vóór Pandoeris goed en wel in de gaten had wat er gebeurde, werd hij opgepakt en naar buiten gegooid.



Het bord en de lepel werden hem nagesmeten.
”Is er verder nog iets van uw dienst?” vroeg de waard gemaakt vriendelijk.
”Mijn geld ligt nog op tafel,” sprak Pandoeris ijzig.
De waard verdween weer naar binnen en smeet het geld naar buiten.
”Een klein bedrag heb ik afgehouden voor de bediening. En nou wegwezen vóór ik echt boos word. Probeer je soep maar in die herberg verderop te krijgen. Daar komen wel meer van die gekken zoals jij!”
Pandoeris sloeg de aangegeven richting in en kwam inderdaad aan bij een herberg genaamd ’de Laatste Post’.
Dit moest dan de bewuste herberg zijn!
Dat kon niet missen.
Hij wilde de deur openen maar dat werd al voor hem gedaan.
De deur zwiepte open en iemand vloog met flinke vaart langs hem heen.
Een boos uitziende waard verscheen in de deuropening.
”Probeer je soep maar in die herberg verderop te krijgen. Daar komen wel meer van die bedriegers zoals jij!”
De ongelukkige krabbelde overeind en maakte dat hij wegkwam.
Een bord en lepel werden hem nog nagesmeten.
”En neem die namaaktroep ook mee!” brulde de waard hem na.
Pandoeris was ondertussen naar binnen geglipt en had zijn bord en lepel weer op tafel gelegd.
De waard zei niets maar vulde het bord met iets dat voor soep moest doorgaan.
”Goede reis,” zei hij alleen maar en verdween weer in de keuken.
Pandoeris haalde een paar maal diep adem en werkte zo snel als hij kon de soep naar binnen.
Weldra was hij gehuld in nevel en kwade dampen en de grond onder hem begon te bewegen.
Hij hield zijn bord en zijn lepel goed vast.
Na een tijdje kon hij weer zien waar hij was en het schudden van de grond was opgehouden.
Nieuwsgierig keek hij om zich heen of hij iets bekends zag.
Dat was niet het geval maar hij hóórde wel iets bekends.
Boven het geluid van een aankomende postkoets uit, hoorde hij het vloeken en tieren van een koetsier.
Het klonk hem als muziek in de oren.
Zo beroerd als hij op de heenreis in het moeras terecht was gekomen met een bedrieglijke veerman, zo gunstig stond hij er nu voor.
Hij hield de postkoets aan en liet zich glimlachend door de onbehouwen koetsier naar zijn plaats brullen.
Hij knikte vriendelijk naar een medereiziger die hem verstoord aankeek en zakte achterover in de kussens.
Hij hield de rugzak met daarin het kostbare kistje goed vast en sloot tevreden de ogen.
Hij was er bijna en droomde van een glorieuze thuiskomst.

Hoofdstuk 21

Author: jeroenstamgast

Een kleuter die gemolken wil worden, een meisje dat een ei probeert te leggen, een jongen die achter de kippen aan zit, terwijl zijn broertje zich in de
modder wentelt en ook met de vader en moeder is het niet in orde.
Twee dagen hadden ze zich heerlijk laten verwennen.
Het oude vrouwtje sloofde zich uit tot ze er bij neerviel.
Dat gebeurde overigens regelmatig maar daar trapten Pandoeris en de kunstenaar niet meer in.
Alleen de laatste keer leek het zó echt dat ze besloten dat ze nu wel genoeg gedaan had om het weer goed te maken.
Je moest tenslotte ook niet overdrijven.
De derde dag vertrokken ze vroeg, zonder dat ze uitgezwaaid werden.
Toen ze de laatste bergrug over waren, namen ze afscheid van elkaar en ging ieder een andere kant op.
Pandoeris had er lekker het tempo in en zag zichzelf in zijn fantasie al als directeur van een groot vervoerdersbedrijf.
Hij vroeg zich alleen af hoe hij die lepel en dat bord moest gebruiken om het Verloren Oord te kunnen verlaten.
Waarschijnlijk zou dat wel weer via een herberg gaan.
Maar ja, welke?
Hij telde zijn geld en besloot om in het eerstvolgende dorp een postkoets te nemen naar de grens.
Hij hoefde dat geld toch niet meer te gebruiken om eten te kopen want hij had bij het oude vrouwtje voldoende voedsel voor onderweg ingeslagen.
In de verte zag hij een man wandelen die zijn hond uitliet.
Die zou vast wel weten hoe ver het nog lopen was naar het volgende dorp en of daar ook een postkoets langskwam.
Hij versnelde zijn pas en haalde het tweetal in.



De hond had er zeker niet zoveel zin in want de man moest hem gewoon voorttrekken aan het touw en de hond verzette zich uit alle macht.
”Goede morgen,” groette Pandoeris. ”Mag ik u iets vragen?”
De man reageerde niet en begon nog harder aan het touw te trekken.
Zeker doof, dacht Pandoeris en ging voor hem staan en herhaalde zijn vraag.
De man gaf geen antwoord maar stak zijn tong uit en begon amechtig te hijgen.
”Het klinkt misschien gek,” sprak de hond plotseling. ”Maar je spreekt tegen de verkeerde. Ik ben de baas en waar jij tegen praat is mijn hond.”
Pandoeris had even tijd nodig om deze mededeling te verwerken.
Ondertussen begon de man hem aan alle kanten te besnuffelen en tenslotte likte hij hem zelfs in zijn gezicht.
”Aai hem nou maar even,” raadde de hond hem aan. ”Anders blijft hij doorgaan.”
Pandoeris volgde het advies op en aaide de man een paar maal over de bol.
Dat vond hij wel lekker en hij ging op zijn rug liggen.
Pandoeris gaf hem toen maar een paar vriendelijke klopjes op zijn buik en keek vragend naar de hond.
”Mijn naam is Kees en dat daar is Vlekkie. We zitten in elkaars lichaam.
Dat komt zo: ik ben tovenaar en mijn zoon wou een geintje uithalen.
Hij heeft de wisselspreuk uitgesproken en nu zit mijn hele gezin in een verkeerd lichaam.”
”Maar waarom tovert hij jullie niet gewoon terug dan?” vroeg Pandoeris die nog steeds aan het idee moest wennen.
”Omdat hij zichzelf per ongeluk in een haan omgetoverd heeft en nu zit zijn lichaam achter de kippen aan. Die beesten snappen er niets van en rennen alle kanten uit en dat lichaam van hem er achteraan.”
”Maar dan kan die haan, ik bedoel uw zoon, toch de spreuk opzeggen?”
vroeg Pandoeris die logisch probeerde te redeneren.
”Dat kan alleen iemand doen die de gedaante van een mens heeft, zoals jij bijvoorbeeld. Anders werkt de spreuk niet.”
Vlekkie (in de gedaante van de man) kreeg genoeg van het oponthoud en begon luid tegen een tak te blaffen die op de grond lag.
”Hij wil dat je hem weggooit,” verduidelijkte Kees.
Pandoeris raapte de tak op en gooide deze een eind heen.
Vlekkie liet het touw los en rende er als een bezetene achteraan.
”Doe me een lol,” zei Kees en haal die halsband van mijn nek en doe hem daarna om die van Vlekkie. Dan kunnen we tenminste naar mijn huis.”
Pandoeris wilde dat wel doen maar het duurde even voor Vlekkie dat ook wilde.
Eerst moest Pandoeris de tak nog een paar maal weggooien.
De wandeling naar het huis van Kees verliep ook niet echt vlot omdat Vlekkie om de zoveel meter, dwars door zijn broek heen, een plasje bij een boom wilde achterlaten.
Eindelijk kwamen ze dan toch bij het huis van Kees aan.
”Gelukkig! Eindelijk ben je daar dan weer,” sprak een kat die op het tuinhek zat.
Vlekkie begon meteen te blaffen en wilde de ’kat’ te lijf.
Pandoeris had de grootste moeite om hem in bedwang te houden en wist uiteindelijk het touw aan een van de spijlen van het hek vast te binden.
”Dit is Cornelia, mijn vrouw,” stelde Kees haar voor aan Pandoeris.
Cornelia gaf een kattenpootje aan Pandoeris, die ondertussen zijn ogen uitkeek.
Een vrouwenfiguur probeerde in een boom te klimmen om bij een vogelnestje te komen, in een kippenhok dacht een meisje een ei te leggen, een jongen wentelde zich knorrend van genot in de modder en een kleuter loeide om gemolken te worden.
Toen hij ook nog een jongen kraaiend achter de kippen aan zag rennen, was het gezin compleet.
”Nou, je ziet het,” zei Kees. ”De waanzin ten top! Doe me een lol en probeer iedereen in de huiskamer te verzamelen en spreek de antispreuk uit.”
Pandoeris slikte even en besloot dan toch maar om te helpen.
Kees en Cornelia gingen uit zichzelf wel naar binnen en Vlekkie lukte na enig sleurwerk ook, maar nu de anderen nog…
Eerst die loeiende kleuter maar naar binnen, die leek hem de makkelijkste.
De bijbehorende koe was in de speelkamer bezig om een toren van blokken te bouwen, wat natuurlijk niet lukte.
”Kom je mee naar de huiskamer?” vroeg Pandoeris vriendelijk.
”Nee!” schreeuwde de koekleuter en draaide zijn kont naar hem toe.
”Dan krijg je wat lekkers,” lokte Pandoeris.
”Ik wil geen lekkers!”
”Wat wil je dan?”
”Ik wil paardje rijden! Dat is leuk!”
”Dat kan niet!” zei Pandoeris geschrokken en keek naar het enorme koeienlichaam.
”Ik wíl het!” dreinde de koekleuter en kwam al op Pandoeris af.
”Ik kan je niet dragen.”
”Mijn papa kan het wél!”
”Dan zal ik je papa wel halen,” zei Pandoeris boos en kwam al snel daarna met Kees terug.
”Kijk eens wie ik hier bij me heb,” zei Pandoeris.
”Dat is Vlekkie.”
”Nee, dat is je papa.”
”Mijn papa heeft geen staart.”
”Als je nou niet als de sodemieter met me meegaat dan geef ik je een paar draaien om je grote oren die je je hele leven niet meer zal vergeten!”
dreigde Kees, die zijn geduld verloor.
De koekleuter begreep onmiddellijk dat dit wel degelijk zijn papa moest zijn en sjokte huilend achter hem aan de huiskamer in.
Pandoeris ging weer naar buiten en liep op de boom af, waar de poezenvrouw nog steeds probeerde bij het nest te komen.
”Poes, poes, poes,” lokte Pandoeris.
De poezenvrouw keek niet op of om.
Ze had alleen aandacht voor het nest.
Dan maar met grof geweld, dacht Pandoeris en klauterde ook de boom in.
Erg hoog zat ze niet want het klimmen ging haar niet zo best af.
Even aarzelde Pandoeris.
Hij moest zich er echt overheen zetten om aan een vrouwenlichaam te gaan sjorren.


”Kom hier, vervelende kat!” riep hij zichzelf moed in en pakte een vrouwenbeen.
Helaas had hij niet aan het andere been gedacht dat hem een enorme trap tegen zijn schouder verkocht.
Pandoeris gaf een schreeuw van pijn en duvelde bijna uit de boom.
Hij wist nog net de jurk vast te pakken die spontaan in tweeën scheurde en voorkwam zo dat hij naar beneden viel.
De poezenvrouw draaide zich half om en begon met haar lange nagels zijn gezicht open te krabben.
”Vuile kattenkop!” schreeuwde Pandoeris en wist een ’klauw’ te pakken te krijgen.
Het gevolg hiervan was weer dat ze allebei uit de boom vielen.
Pandoeris op de grond en de poezenvrouw op Pandoeris.
Even had Pandoeris geen lucht meer en de poezenvrouw probeerde zich uit de poten te maken.
Nu werd Pandoeris écht boos.
Ondanks de pijn haalde hij haar snel in en wist haar vechtend en sleurend de huiskamer in te krijgen.
De poezenvrouw kwam er met wat kleerscheuren vanaf maar Pandoeris zat onder de schrammen en blauwe plekken.
Cornelia keek geschokt naar de gescheurde kleren.
”Wat heb je met me gedaan?” vroeg ze achterdochtig.
Pandoeris hapte naar adem van verontwaardiging.
Kees zag het en suste de zaak.
”Kijk, mijn andere zoon is er ook al,” zei hij gemaakt vrolijk en wees naar een varken dat hem vriendelijk aankeek.
Pandoeris mompelde wat in zichzelf, keek Cornelia vuil aan en daarna de poezenvrouw ook nog maar eens, omdat hij even niet meer wist wie wie was.
Strompelend ging hij naar het kippenhok en legde het meisje dat een ei probeerde te leggen, uit wat de bedoeling was.
Eén van de kippen gaf antwoord.
O ja, dacht Pandoeris. Dat is waar ook. De kip is het meisje en het meisje is de kip. Als dit nog lang gaat duren word ik gek, geloof ik.
Het kippenmeisje was zo slim om tegen het meisjeslichaam dat dacht dat ze een kip was, te tokken en haar zo mee te lokken de huiskamer in.
Dat valt dan weer mee, dacht Pandoeris. Even kijken.
Wie hebben we nog?
De hanenjongen en de varkensknul. Dat ga ik niet alleen doen, hoor!
Die hanenjongen rent mij veel te snel en lijkt mij veel te sterk. Kees moet mij maar helpen.
En zo joeg Kees zijn hanenzoon naar binnen en hield Pandoeris een moddergevecht om de varkensknul naar binnen te krijgen.
Als laatste trippelde de veroorzaker van dit alles naar binnen.
”Sorry, pa,” sprak deze met gebogen hanenkop.
”Ik zal het nooit meer doen.”
Dat verhaaltje ken ik, dacht Pandoeris en begon steeds meer te begrijpen waarom zijn tante Eleanora hem af en toe wel schíeten kon.
Kees nam Pandoeris even apart en wees met zijn kop naar een boek.
”Kijk, daarin staat de spreuk. Ik weet niet helemaal zeker of het toveren lukt als het door een gewone sterveling wordt gedaan maar het is in ieder geval het proberen waard. Zolang ik in dierengedaante ben, lukt het zéker niet.”
”Ik ben een tovenaarsleerling,” stelde Pandoeris hem gerust.
”Dat verandert de zaak!” lachte Kees opgelucht.
”Wij zijn bij jou dus in goede handen!”
Reken daar nou maar niet teveel op, dacht Pandoeris en richtte zich tot alle aanwezigen.
”Even luisteren vóór ik ga beginnen. Iedereen zorgt ervoor dat hij onder een tafel of een stoel zit of in een kast, weet ik veel, maar zorg er in ieder geval voor dat je beschermd bent tegen bakstenen die van boven komen.”
Het deel van de aanwezigen dat hem kon verstaan keek hem vreemd aan maar deed toch maar wat er gezegd werd.
Pandoeris zelf verschool zich in een grote staande klok en sprak vervolgens de spreuk uit.
Halverwege de spreuk raakte de klok van slag en begon spontaan twaalf uur te slaan.
Pandoeris moest schreeuwen om er nog bovenuit te komen.
De klok was pas bij de negende slag toen de eerste stenen al vielen.
Het vervelende was, dat de dierenlichamen wél veilig waren voor de vallende stenen, omdat ze zich verstopt hadden, maar de mensenlichamen die niets van Pandoeris’ waarschuwing begrepen hadden, kregen de volle laag.
Toen de steenlawine eindelijk gestopt was, bleven bijna alle mensen dan ook bewusteloos liggen.
Alleen de kleuter was toevallig niet geraakt.
”Gaat het weer een beetje, jochie?” vroeg Pandoeris en knielde vóór hem op de grond.
”En jij beweert dat je een tovenaarsleerling bent?!” viel de kleuter uit tegen Pandoeris. ”Kijk eens om je heen naar de rotzooi die je hebt gemaakt! Ongelooflijk, wat een gestuntel!”
Al had dat jochie misschien gelijk, Pandoeris was niet van plan om zich de les te laten lezen door een kleuter.
”En wie denk jij wel dat je bent om zo tegen me te keer te gaan, kleine draak!”
”Kees,” zei de kleuter. ”Je hebt alles door elkaar gehaspeld. Nu zitten we nóg in het verkeerde lichaam. Maar gelukkig ben ik nu in mensengedaante dus ik kan het nu zélf rechtzetten.”
Pandoeris klauterde over de stenen naar de buitendeur, gevolgd door de dieren die zich in de huiskamer niet echt op hun gemak voelden.
Hij wou zonder iets te zeggen weggaan maar Kees hield hem tegen.
”Sorry dat ik zo tegen je uitviel daarnet. Je hebt ons tenslotte belangeloos willen helpen. Bedankt. Maar doe jezelf en vooral je omgeving een plezier en stop met je toveropleiding en ga een gewoon baantje zoeken.”
”Dat hád ik al,” bromde Pandoeris. ”En toen moesten ze me zo nodig naar dit gekkenoord sturen. Als het aan mij ligt, kom ik hier nooit meer. En dan nog wat: doe jezelf en vooral je omgeving een plezier en zorg ervoor dat dat leuke zoontje van je een gewoon baantje zoekt.
Dan heeft hij tenminste geen tijd voor al die flauwe grappen. Vaarwel!”
Met opgeheven hoofd verliet hij de woning en zag daardoor het rondscharrelende varken niet.
Hij struikelde erover en viel languit in de modder.
Zie je wel, dacht Pandoeris boos. Het is weer eens stank voor dank!

Hoofdstuk 20

Author: jeroenstamgast

Een schilder wordt uit zijn schilderij gered, dat hangt in het huis van een zielig oud vrouwtje dat het mooi voor elkaar heeft.

Het landschap was er in de drie dagen dat Pandoeris nu al weer onderweg was, niet gezelliger op geworden.
Hij volgde een kronkelig pad dat hem door een kaal bergachtig gebied voerde.
Zijn voorraad eten en drinken begon al aardig op te raken en hij was blij dat hij de laatste bergrug bereikt had.
Als hij die over was, zou hij weer in de bewoonde wereld zijn.
Misschien was het beter geweest als hij dezelfde weg als de heenreis genomen had maar hij liep liever niet de kans om die struikrovers weer te ontmoeten en ook koning Oliebol zou nog wel een appeltje met hem te schillen hebben.

Afijn, dit ongastvrij gedeelte van de reis zat er nu in elk geval bijna op.
In gedachten verzonken wandelde hij voort tot hij iets op het pad zag liggen.
Het leek wel het lichaam van een mens!
Hij versnelde zijn pas en zag hoe een oud vrouwtje moeizaam overeind probeerde te komen.
Het ’lichaam’ leefde in ieder geval dus nog wel.
Hij hielp het vrouwtje op haar dunne beentjes.
”Gaat het een beetje?” vroeg hij vriendelijk.
”Nee,” antwoordde het vrouwtje met zwakke stem.
”Heeft u zich pijn gedaan?” informeerde Pandoeris verder.
”Alles doet pijn,” klaagde ze zachtjes.
”Hoe komt u hier eigenlijk terecht?”
”Weet ik niet.”
”Waar komt u vandaan?”
Dat wist ze blijkbaar nog wel want meteen wees ze omhoog naar een huisje op een overhangende rotspunt.
”Zal ik u thuisbrengen?” vroeg Pandoeris behulpzaam.
”Ja,” zei het vrouwtje met beverige stem.
Pandoeris gaf haar een arm en begeleidde het moeizaam schuifelende vrouwtje naar boven.
Hij was blij dat ze bij het huisje aangekomen waren want het vrouwtje hing wel érg zwaar aan zijn arm.
De woning zag er overigens prima verzorgd uit.
Er stonden zelfs bakken met vrolijke bloemetjes voor de deur.

Het vrouwtje probeerde de sleutel van de deur in het sleutelgat te steken, wat even duurde omdat haar hand zo erg beefde.
Toen ze binnen waren, hielp Pandoeris haar naar een leunstoel in een prachtig ingerichte kamer.
”Zo,” zei hij gemaakt vrolijk. ”Nu bent u weer veilig thuis. Wanneer komen de anderen?”
”Weet ik niet,” jammerde het vrouwtje en er biggelde een traan over haar wang.
”U weet toch wel wanneer er iemand komt of woont u hier soms alleen?”
”Weet ik niet.”
Het vrouwtje sloot haar ogen en ademde zwaar.
Pandoeris schrok.
Ze zou toch niet doodgaan?
”Zal ik een kopje thee voor u zetten?” vroeg hij haastig op goed geluk.

Ze opende meteen haar ogen en wist een klaaglijk ”Ja-a-a” uit haar mond te krijgen.
Pandoeris liep naar een keurig opgeruimd keukentje en zette een ketel met water op het fornuis dat nog warm was.
Hij vond het maar vreemd.
Zou ze haar geheugen soms verloren hebben?
Hij wist dat dat wel eens voorkwam bij mensen die bijvoorbeeld heel hard op hun hoofd gevallen waren of zo.
Ze woonde hier vast niet alleen, anders zou alles er niet zo keurig verzorgd uit hebben gezien.
Hij keek vanuit zijn ooghoeken nog eens naar het wrakkige vrouwenlichaampje.
Nee, dat huis kon ze nooit helemaal alleen onderhouden.
Wat moest hij nou doen?
Zomaar weggaan, wat hij het liefste deed, vond hij toch wel érg harteloos.
Hij besloot te blijven tot er een van haar huisgenoten zou verschijnen en daarna zou hij zijn reis dan wel vervolgen.
Even later zaten ze naast elkaar op de bank aan een kopje thee met een koekje.
Pandoeris had er voor zichzelf als troost drie genomen.
Hij moest het vrouwtje helpen haar kopje met thee naar de mond te brengen anders ging alles er overheen.
Na de thee wist ze er met klaaglijke stem uit te brengen dat ze honger had.
Pandoeris zei dat hij wel een broodje voor haar zou smeren maar daar nam ze geen genoegen mee.
Huilend maakte ze hem duidelijk dat ze een warme maaltijd wilde hebben en Pandoeris wist niets beters te doen dan maar weer naar het keukentje te gaan om daar aan haar wensen te voldoen.

Hij kon niet tegen huilende oude vrouwtjes die, op sterven na, dood waren.
Het eten ging haar beter af dan het theedrinken want haar bevende hand en hoofd beletten haar niet om haar bordje in minder dan geen tijd leeg te lepelen.
Alleen het inmiddels lege bord opscheppen ging niet zo goed.
Dat moest Pandoeris voor haar doen.
Na het eten en de afwas meende Pandoeris even tijd voor zichzelf te hebben maar dat had hij verkeerd ingeschat.
Ze had nog allerlei huishoudelijke karweitjes voor hem in petto en tussendoor vroeg ze telkens weer aandacht voor haar zwakke gezondheid.
”Wordt het niet eens tijd dat u lekker gaat slapen?” vroeg Pandoeris, niet zonder eigen belang.
Dan had hij tenminste ook even rust.
”Ik kan niet slapen zonder mijn drankje,” jammerde ze.
”En waar staat dat drankje?”
”In de grote kast in de keuken. Ik doe altijd drie kleine theelepeltjes in een beker met warme melk. Maar eerst moet je me nog even naar bed brengen. Dat kan ik niet alleen. Dat weet je.”
”Ja, dat weet ik zo langzamerhand wel,” gromde Pandoeris in zichzelf en hielp haar naar bed.
Vervolgens deed hij drie grote dessertlepels met slaapdrank in een beker met warme melk en hield die haar voor.
”Hier,” zei hij. ”Dat zal u goed doen.”
En mij ook, dacht hij bij zichzelf.
Ze viel inderdaad als een blok in slaap.
Alleen haar gesnurk zorgde ervoor dat hij haar niet vergeten zou.
Hij vond haar echt wel zielig maar kreeg desondanks een grondige hekel aan haar.
Er was iets aan de hele situatie wat niet klopte.
Hij ijsbeerde door de kamer en hield halt voor een groot schilderij waar een prachtig landschap op te zien was.
Plotseling hoorde hij heel uit de verte een stemmetje dat riep: ”Hé! Jij daar!”
Dat moet voor mij bestemd zijn , dacht Pandoeris. Maar waar komt dat geluid vandaan?
Verbaasd keek hij om zich heen.
Het snurken van het vrouwtje ging gewoon door.
”Hé! Hallo!” klonk het opnieuw. ”Ik zit hier! In het schilderij!”
In het schilderij?
Pandoeris keek ongelovig naar het geschilderde landschap.
”Ja, nu kijk je in de goede richting,” klonk het. ”Luister, ik heb nu geen tijd om alles uit te leggen maar ik zit in mijn eigen schilderij en ik heb je hulp nodig om eruit te komen. Wil je me helpen?”

”Dat wil ik wel,” zei Pandoeris. ”Maar hoe?”
”Je stapt gewoon in het schilderij en…”
”Ik stap gewoon in het schilderij? Ik ben niet achterlijk,hoor,” onderbrak Pandoeris hem.
”Nee, het kan écht. Het schilderij is betoverend mooi geschilderd dus dat kan. Nou, je stapt dus in het schilderij en je neemt het palet met verf mee en een paar kwasten die je in de grote keukenkast kan vinden.
Ik zal je verder wel zeggen hoe je bij me kunt komen. Ik weet de weg want ik heb alles tenslotte zelf geschilderd. Wil je dat voor me doen?” Pandoeris aarzelde.
Nou was er wéér iemand die zijn hulp nodig had.
Waarom lieten ze hem nou niet gewoon eens met rust?
”Je laat me toch niet in de steek, hè,” smeekte de stem.
Zie je wel, dacht Pandoeris. Ik ben er weer ingetrapt.
”Ja, ja, ik kom eraan,” mopperde hij.
Hij zette het schilderij op de grond en pakte alles bij elkaar wat hij nodig had.
Vervolgens haalde hij diep adem alsof hij een duik in troebel water ging nemen en trad het schilderij binnen.
Even werd alles donker om hem heen en leek het of hij bewusteloos zou raken.
Het was een heel akelig gevoel dat gelukkig niet lang duurde.
Al vrij snel werd het weer licht en bevond hij zich in een lenteweide waar konijntjes huppelden en allerlei bloemetjes bloeiden.
”Ha, daar ben je dan,” zei de stem. ”Zie je die berg in de verte? Daar moet je naar toe.”
Pandoeris zag de berg maar ook het dichtbegroeide bos ervóór waar hij doorheen moest om er te kunnen komen.
”Het kost me een alleen al een dag om door dat bos heen te komen,” mopperde Pandoeris. ”Zoveel tijd heb ik niet, hoor. Er is er hier nog een die mijn hulp nodig heeft.”
”Daarom heb ik je die verf ook mee laten nemen,” sprak de stem.
”Je gaat gewoon een leuk bospaadje schilderen.”
”Een leuk bospaadje schilderen?”
Pandoeris dacht even dat hij het niet goed gehoord had.
”Ja, dat kan. Je kiest een mooie kleur uit, je zorgt ervoor dat je een beetje vaste hand hebt en hup: schilderen maar!”
Pandoeris deed wat hem gezegd werd en trok een rechte lijn dwars door het bos heen.
Tot zijn verbazing lukte het ook nog.
”He! Wat doe je nou?! Ik had het over een leuk bospaadje! Dit lijkt wel op een dubbele hoofdweg. Dat is toch geen schilderen meer!”
”Ja, hoor eens, dan had je je maar moeten laten helpen door een echte kunstenaar.Ik kan het niet beter. Bovendien heb ik haast.”
Pandoeris liep in een snel tempo over zijn zelf geschilderde weg.
Een half uurtje later was hij het bos door en stond hij voor een brede rivier die met flinke snelheid door een dal stroomde.
”Probeer nu een leuke brug te schilderen,” zei de stem. ”Persoonlijk zou ik kiezen voor een leuk boogbruggetje. Misschien kun je…”
Pandoeris luisterde niet eens en trok een brede streep dwars door de rivier heen.
”O nee!” riep de stem ontzet. ”Dat is een dam! Zo hou je de rivier tegen! Alles zal overstromen!”
Inderdaad zocht de rivier een nieuwe weg en het water stroomde om de door Pandoeris per ongeluk geschilderde dam heen, zó het dal in.
Pandoeris schilderde snel de dam langer en hoger en rende eroverheen.
”Hoe moet ik nou lopen?” vroeg hij zenuwachtig terwijl hij al natte voeten begon te krijgen.
”Je moet het dal door,” zei de stem droog.
”Maar dat stroomt nu net vol met water. Wacht, ik zal de dam een beetje langer maken.”
En nog vóór de stem heel hard ’nee’ had kunnen roepen, trok hij met de grootste kwast die hij bij zich had een dikke streep dwars door het dal heen tot aan de berg op de achtergrond.
”Wat heb je nou weer gedaan?!” gilde de stem ontzet.
”Ik heb een dijk geschilderd zodat het water voorlopig tegengehouden wordt,” antwoordde Pandoeris.
”Je hebt zo mijn hele schilderij verpest,” mopperde de stem.
”Dat weet ik nou wel, dat ik niet kan schilderen,” mopperde Pandoeris op zijn beurt.”Dus nu moet ik het dal door?”
”Blijf maar daar. Ik kom wel naar jou toe over die dijk van je.
Die eindigt toevallig vlak bij de rotspunt waar ik eerst niet vanaf kon komen maar nu wél.”
En maar klagen over mijn schilderkunst, dacht Pandoeris.

De dankbaarheid is weer eens ver te zoeken.
Heel in de verte zag hij inderdaad een stipje over de dijk dichterbij komen.
Een uurtje later stond hij oog in oog met de kunstenaar die hem vriendelijk de hand schudde.
”Neem me niet kwalijk dat ik daarnet zo ondankbaar was. Je hebt me gered en dat is het belangrijkste. Kom, laten we maar gauw teruggaan over die mooie hoofdweg van je.”
Pandoeris keek voor het eerst eens achter zich en zag in de verte een grote rechthoek met uitzicht op de kamer waar hij vandaan kwam.
Hij kon het vrouwtje zelfs in haar bed zien liggen.
Samen liepen ze er in een snel tempo naar toe.
”Hoe ben je toch in vredesnaam in je eigen schilderij terechtgekomen?” vroeg Pandoeris.
”Dat is een heel verhaal maar ik zal proberen je het in het kort uit te leggen. Ik kom uit een tovenaarsfamilie maar ik heb gekozen voor de kunst. Mijn schilderijen zijn van zulk een betoverende schoonheid dat je er als het ware ’in kunt treden’. Dat doe ik meestal niet want het kan heel gevaarlijk zijn als je niet oppast. Deze keer had ik het gedaan om even van dat vreselijke mens verlost te zijn.”
”Welk vreselijk mens?” vroeg Pandoeris die wel vermoedde om wie het ging.
”Dat mens dat jij daarnet óók geholpen hebt,” antwoordde de kunstenaar. ”Dat kreng weet iedereen die toevallig langskomt voor haar aan het werk te krijgen. En ze doet dat op een heel gemene manier: ze wekt je medelijden op zodat je je verplicht voelt om haar te helpen.
Vóór je het weet ben je dan haar huissloofje. Op een gegeven moment komt er dan wel weer iemand langs die er ook intrapt en die het uit medelijden met haar van je overneemt. Zo ben ik daar ook terechtgekomen. Ik ben alleen zo stom geweest om haar de waarheid te vertellen en te zeggen dat ik de mensen voor haar zou waarschuwen.
En toen ze begon te gillen en te krijsen, heb ik me in mijn schilderij teruggetrokken om even rust en stilte om me heen te hebben. Daarvan heeft zij gebruik gemaakt om een paar rotsen weg te schilderen zodat ik er niet meer vanaf kon.”
”Zou ze je daar hebben laten zitten, denk je?”
”Ik kan het me eerlijk gezegd niet voorstellen. Het is een sluw misbaksel maar geen moordenares. Ze zou me wel omgepraat hebben om het niet door te vertellen en daarna zou ze me wel hebben laten gaan, denk ik. Weet je trouwens dat ze heel gezond is en loopt als een kievit? Dat heb ik gezien toen ik in mijn schilderij zat en zij nog niet wist dát ik er zat.”
”Wat zullen we met haar doen?” vroeg Pandoeris toen ze uit het schilderij getreden waren.
Ze stonden inmiddels bij het bed en keken naar het onrustig slapende wijvie.
Ze murmelde met haar tandenloze bekkie in haar slaap en je kon aan alles zien dat ze een enge droom had.
”Als je haar zo ziet, zou je bijna wéér medelijden met haar krijgen, hè,” peinsde de kunstenaar.
”Tja,” filosofeerde Pandoeris. ”Sommige mensen stralen het uit, hè. Ik zou zo toch niet willen leven, hoor.”
”Ik ook niet,” beaamde de kunstenaar. ”Zullen we haar maar met rust laten? Wat schieten we er eigenlijk mee op als we haar straffen? Trouwens, wat voor straf zouden we haar moeten geven?”
”Je hebt gelijk,” zei Pandoeris. ”We doen het tegenovergestelde: we geven haar de kans om het góed te maken.”
”Hoe dan?” vroeg de kunstenaar nieuwsgierig.
”Ik heb gezien dat er boven een paar logeerbedden staan. Wat zou je ervan zeggen als we van een goede nachtrust gaan genieten en een briefje voor haar klaarleggen waarop staat wat we morgen als ontbijt  willen hebben. Wacht eens. Dan kan ze gelijk onze kleren en zo even wassen.”
”O,” zei de kunstenaar. ”Dan weet ik ook nog wel wat. Ze kan dan ook alvast het water verwarmen voor een lekker bad.”
”Ja, dat is een goed idee. Er schiet me nóg iets te binnen wat ze kan doen.”
Ze gingen er eens lekker voor zitten met potlood en papier.
Ze waren blij voor het vrouwtje dat ze haar zo een kans konden biedenom het weer een beetje goed te maken.
Voorlopig waren ze nog niet klaar met hun lijst van werkzaamheden.

Hoofdstuk 19

Author: jeroenstamgast

Het legioen der Driehoekvrijstaat zoekt soldaten maar Pandoeris voelt zich niet geroepen.

Pandoeris wilde geen misbruik maken van de gastvrijheid van de familie Goedhals en had die nacht stiekem in de hooiberg van een boer geslapen.
Hij wilde zo snel mogelijk in Rotsberg zijn en ging er met een postkoets naar toe.
De reis verliep voorspoedig en ’s middags was hij al in het stadje boven op een berg aangekomen.
Het plaatsje, dat toch de hoofdstad was van een streek, was niet zo groot en de smederij was snel gevonden.
De smid had, bij navraag, inderdaad een klant met een kistje gehad maar hij had hem niet kunnen helpen.
Als Pandoeris geluk had, kon hij hem nog ontmoeten want hij had gezegd dat hij nog een paar dagen in Rotsberg zou blijven.
Pandoeris haastte zich naar de plaatselijke herberg want hij dacht dat hij hem daar wel zou vinden.
Het geluk was met hem.
Jerry zat verveeld en met een ontevreden gezicht aan een tafeltje.
Pandoeris schoof een stoel bij zonder iets te zeggen en was benieuwd naar zijn reactie.
Jerry leek niet eens geschrokken.
”Ben je daar eindelijk?” zei hij berustend.
”Had je me verwacht dan?” vroeg Pandoeris verbaasd.
”Ja natuurlijk. Mij lukt nooit iets. Nou, hier heb je je rugzak weer.
Alles zit er nog in, behalve een schriftje. Dat heeft mijn kleine zus.
Als die iets wil kan je haar beter maar haar zin geven want anders is het huis te klein.”
”Dat heb ik gemerkt,” zei Pandoeris. ”Maar ik heb het al terug.”
Hij controleerde zijn rugzak op de inhoud en tot zijn voldoening zat alles er nog in.
Ook het kistje en het bord en de lepel.
”Waarom heb je het gestolen?” vroeg hij want daar was hij toch wel nieuwsgierig naar.
Jerry zuchtte.
”Ik raakte zo onder de indruk van al je verhalen dat ik dacht: dat wil ik ook wel. Reizen en op avontuur gaan en zo. Maar dan wel met voldoende geld op zak. Dat kistje was een unieke mogelijkheid om aan geld te komen maar niemand kan het open krijgen. Nou ja, ik zal de rest van mijn leven wel slijten in dat saaie stadje van ons.”
”Het is maar wat je er zelf van maakt,” vond Pandoeris.
Jerry ging er niet op in en keek verveeld voor zich uit.
Pandoeris kreeg schoon genoeg van zijn gezelschap en verliet zonder verder iets te zeggen de herberg.
Buiten scheen de zon en Pandoeris hervatte in jubelstemming de terugreis.
Deze keer zou hij zich niet meer in de verleiding laten brengen.
Hij had zijn lesje wel geleerd!
Hij had voldoende voedsel ingekocht voor onderweg en daalde zingend de berg af.
Zijn stemming bleef vrolijk en opgeruimd hoewel het landschap waar hij door liep er steeds naargeestiger uit begon te zien.
Bomen en struiken maakten plaats voor kale rotspartijen met hier en daar wat lage begroeiing.

Hij overnachtte in een grot en hervatte daarna de tocht heel wat minder vrolijk en opgeruimd.
Met de nachtelijke kou, was ook zijn stemming tot beneden het vriespunt gedaald.
Een paar uur later scheen de zon weer en ook Pandoeris’ humeur klaarde op.
Tegen de middag werd hij staande gehouden door een soort soldaat in een roze uniform met daarop een vierkant geborduurd.
Hij stond midden op de weg bij een gammel houten wachthuisje.
”Dit is de grens van de Driehoekvrijstaat!” sprak de soldaat met luide stem. ”Heeft u toestemming om de grens te passeren?”
”Nee,” zei Pandoeris. ”Maar die Driehoekvrijstaat staat ook helemaal niet op mijn kaart aangegeven en die is vrij nieuw, kan ik u verzekeren.”
”Onze Driehoekvrijstaat óók. Vorige maand is hij uitgeroepen onder de bezielende leiding van Grote Jul, onze fiere leider.”
De soldaat stampte drie maal met beide voeten op de grond, salueerde en riep: ”Leve Grote Jul, onze fiere leider!”
Bij de tweede stamp op de grond raakte een plank van het wachthuisje een beetje los en tot Pandoeris’ plezier kletterde die bij de derde stamp op de grond.
”Moet je daar om lachen?” vroeg de soldaat boos.
”Waarom?”
”Om die plank.”
”Nee,” zei Pandoeris geschrokken.
Op dat moment liet een tweede plank los die ook met het nodige kabaal op de rotsachtige bodem viel.
Pandoeris wist zijn lachen maar net in te houden.
”Denk erom,” dreigde de soldaat. ”Wij van het Driehoekvrijstaatlegioen laten niet met ons spotten. Wij hebben niet voor niets het teken van standvastigheid op ons uniform staan.”

”U bedoelt dat vierkant?”
”Die driehoek, ja!”
”Dat is toch een vierkant?”
”Dat is een driehoek!” schreeuwde de soldaat en stampvoette woedend op de grond.
Dat was teveel voor het wachthuisje.
De ene na de andere plank liet los, tot tenslotte het hele wachthuisje luidruchtig in elkaar stortte.
En dat was weer teveel voor Pandoeris.
Hij moest lachen of hij wilde of niet.
De soldaat richtte het geweer op Pandoeris en zei: ”Jij bent onze gevangene!”
”Waarom? Wat heb ik gedaan?” vroeg Pandoeris die meteen uitgelachen was.
”Dat zal ik je vertellen,” sprak de soldaat. ”Ten eerste: een poging om illegaal de grens te passeren. Ten tweede: het ontkennen van het bestaan van onze staat. Ten derde: het beledigen van Grote Jul, onze fiere leider en ten vierde: het vernielen van een staatseigendom.”

”Dat laatste heb je zélf gedaan, uitslover! Ik heb niets aangeraakt!”
”En ten vijfde: het beledigen van een ambtenaar in functie. Kom jij maar eens mee naar het hoofdkwartier.”
Pandoeris achtte het raadzamer om verder zijn mond maar te houden en ging mee in de richting die de soldaat aangaf door middel van prikken in zijn rug met het geweer.
Ze waren er met een kwartiertje.
Driehoekvrijstaat bleek niet zo groot te zijn.
Het hoofdkwartier was een klein bouwvallig kasteeltje met daaromheen een paar grote bouwketen, die op hun beurt weer omgeven waren door een muur van rotsblokjes.

Ze passeerden een paar soldaten in roze uniform, allen gewapend met een geweer waardoor Pandoeris geen lust tot ontsnappen had.
Hij werd binnengeleid in een ruime zaal, waar op een grote troon een oude man onderuitgezakt lag te slapen.
”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider!” riep de soldaat ter begroeting.
Hij stampte drie maal met beide voeten op de grond en salueerde er ook nog bij, maar Grote Jul sliep rustig door.
”Probeer het nog maar eens,” sprak de soldaat die naast Jul stond.
Onze fiere leider is in diepe gedachten verzonken. Hij heeft je vast niet gehoord.”
De soldaat waagde een tweede poging.
”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider!” schreeuwde hij zo hard hij kon.
De fiere leider bewoog onrustig in zijn slaap.
”Nog maar een keertje,” zei de soldaat. ”Driemaal recht is scheepsrecht, net als onze driehoek.”
Hij ging wat dichter bij een oor van Jul staan, haalde diep adem en schreeuwde met overslaande stem: ”Gegroet, o Grote Lul, onze fiere jeider!”
Jul werd inderdaad wakker en kwam zuchtend en steunend overeind op zijn troon.

Hij keek vermoeid naar de soldaat en toen naar Pandoeris.
”Schuldig,” mompelde hij alleen maar en deed zijn ogen weer dicht.
”Je hoort het,” zei de soldaat tegen Pandoeris. ”Dat betekent dat je wordt ingelijfd bij ons Driehoekvrijstaatlegioen.”
Pandoeris werd naar een van de bouwketen afgevoerd.
De soldaat opende een gammele deur en zei plechtig: ”Welkom bij ons legioen.”
Daarna duwde hij hem naar binnen en deed de deur heel voorzichtig achter hem dicht om de bouwvallige bouwkeet niet te beschadigen.
De mensen die binnen waren, zagen er allemaal ziek, zwak of misselijk uit.
Ook de roze uniformen met het geborduurde vierkant daarop, droegen niet bij tot een beeld van heldhaftigheid.
Waarschijnlijk was er maar één maat beschikbaar want niemand had een uniform dat paste.
Een oude dikke man in een veel te krap uniform slofte naar Pandoeris toe.
”Ik ben helaas soldaat der eerste klasse dus ik moet je een plaatsje geven. Dat bed daar is vrij en dat apenpakkie dat erop ligt moet je aantrekken.”
Pandoeris keek de soldaat der eerste klasse aan en vroeg wat dit toch allemaal te betekenen had.
De soldaat der eerste klasse legde uit dat ze eigenlijk allemaal arme boeren waren die zich door Jul in de luren hadden laten leggen.
Jul had van hun ontevredenheid gebruik gemaakt om leider te worden in dit vergeten stukje land.
Hij wilde een opstand organiseren maar dan moesten ze zich éérst aanmelden bij het legioen.
Als ze genoeg geoefend waren als soldaat, zouden ze de hoofdplaats Rotsberg aanvallen en de macht overnemen.


Omdat ze zich erg achtergesteld voelden bij de Rotsbergers, leek het ze eerst wel wat.
Nu hadden ze pas door dat die Jul een seniele oude man was die een groot deel van de dag slapend doorbracht.
Ze hadden allang met die onzin willen stoppen maar de handlangers van Jul hadden geweren en genoten van hun nieuwe macht die ze niet wilden opgeven.
”Maar jullie hebben als soldaat toch ook geweren?” vroeg Pandoeris.
”Ja. Van hout,” zuchtte de soldaat der eerste klasse. ”Net als onze zwaarden. En de pijlen van onze bogen hebben rubberen ploppertjes in plaats van ijzeren punten. Zelfs onze paarden zijn van hout.”
”Paarden van hout?” vroeg Pandoeris ongelovig.
”Ja. Daar staan ze.”
Pandoeris keek in de aangegeven richting en zag een paar stokken tegen de muur staan met een lappen paardenhoofd eraan bevestigd.
Pandoeris barstte in lachen uit.
”Ja, lach nog maar eens flink. Dat doe je over een paar dagen ook niet meer,” smaalde de soldaat der eerste klasse.
”En wie heeft die belachelijke kleur roze voor dat uniform uitgezocht?”
vroeg Pandoeris die er nog steeds de humor van inzag.
”Jul,” sprak de soldaat der eerste klasse met een grafstem.
”Hij is kleurenblind en dacht dat het bruin was.”
Pandoeris gierde het uit.
”En waarom zegt iedereen ’driehoek’ tegen een vierkant?”
”Omdat het opstandig gebied Driehoekvrijstaat heet en Jul het verschil niet weet tussen een driehoek en een vierkant.”
Pandoeris dacht even dat hij er in blééf!
Buiten klonk het geluid van een gescheurde trompet en de meute kwam in beweging, gewapend met bord en bestek.
Zelfs de soldaat der eerste klasse vertoonde enige levendigheid.
”Etenstijd,” sprak hij gejaagd.
Pandoeris trok snel zijn roze uniform aan, pakte bord en bestek en sloot achter in de rij aan.
Het eten zag er niet slecht uit en Pandoeris wilde al aan een van de lange eettafels plaatsnemen.
”Even wachten,” zei de soldaat der eerste klasse. ”We krijgen eerst de etensgroet.”
Het legioen stond zwijgend opgesteld achter de lange tafels.
De trompetter probeerde een toonladdertje uit zijn instrument te halen maar stopte na de derde poging.
De soldaten stampten driemaal met beide voeten op de grond, salueerden en riepen in koor: ”Gegroet, o eten van Grote Jul, onze fiere leider!”
De trompetter haalde adem voor wéér een toonladder en na een langgerekte piep ging iedereen zitten en toog aan het eten.
Na de maaltijd herhaalde de ceremonie zich en daarna trokken de soldaten zich terug in de ’kazerne’.
”Direct gaan we oefenen,” zei de soldaat der eerste klasse.
”Ons peloton vormt de cavalerie dus wij moeten onze houten paarden meenemen. O ja. Voor ik het vergeet: als de officier zegt ’links’ dan ga je rechts en als hij zegt ’rechts’ dan ga je…Nou ja, je begrijpt het wel, hè.”
Pandoeris’ mond viel open.
”En als hij ’halt’ zegt, moeten we zeker aanvallen?”
”Pak je paard nou maar, grapjas,” mopperde de soldaat der eerste klasse.
Even later stonden alle pelotons opgesteld op het oefenterrein.
Grote Jul hadden ze wakker gekregen en hij mompelde, gezeten op een echt paard dat door vier mensen vastgehouden werd, een korte toespraak.
De cavalerie kreeg de opdracht om als eerste de denkbeeldige vijand aan te vallen.
”Cavalerie! Ten aanval!” brulde een officier.
De cavaleristen namen het stokpaardje tussen de benen, trokken hun houten zwaard en galoppeerden er op los.
Pandoeris hinnikte er nog wat bij om het echter te laten lijken.
Al na een paar meter vielen de eerste cavaleristen af.
De een struikelde over zijn stokpaard, een ander verzwikte zijn enkel, een derde en een vierde botsten tegen elkaar aan, een vijfde vloog uit de bocht en ramde een bouwkeet die daarop half instortte en een zesde zakte gewoon van pure lamlendigheid in elkaar.
De eerste hindernis waar ze overheen moesten springen kostte een groter aantal uitvallers en tenslotte was Pandoeris de enige die de overkant van het terrein haalde.
De oefeningen van de andere pelotons verliepen niet veel beter en Pandoeris kon zich niet voorstellen dat dit leger ooit een bedreiging voor wie dan ook zou kunnen vormen.
Jul was ondertussen weer in slaap gevallen en werd met zachte hand weggeleid door handlangers die er voor zorgden dat het niet al te veel opviel.

Na de oefeningen was er weer een goede maaltijd en Pandoeris dacht wel dat dat een van de redenen was dat er nog geen muiterij onder de namaaksoldaten uitgebroken was.
Een andere reden was dan wel die strakke discipline met die overdreven rare gewoontes, zoals het groeten bijvoorbeeld.
Hoe dan ook: Pandoeris was van plan om zo snel mogelijk deze domme namaakwereld te verlaten.
Diezelfde nacht nog, toen het kamp in diepe rust verzonken was, wandelde hij alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, regelrecht naar de wachtpost toe.
Hij stampte driemaal zachtjes met beide voeten op de grond, salueerde en sprak op gedempte toon: ”Gegroet o Grote Jul, onze fiere leider.”
De wachtpost deed hetzelfde en vroeg wat hij kwam doen.
Pandoeris legde uit dat hij met een buitengewoon geheime opdracht op pad werd gestuurd en toonde als bewijs een door hemzelf geschreven brief in geheimtaal met daaronder een vierkant als handtekening.
De wachtpost deed alsof hij de brief las en knikte begrijpend.
”Je begrijpt het: mondje dicht, hè,” fluisterde Pandoeris samenzweerderig.
”Komt in orde,” beloofde de wachtpost.
Beiden stampten zachtjes driemaal op de grond, salueerden en fluisterden: ”Gegroet, o Grote Jul, onze fiere leider.”
Pandoeris liep opgelucht de heldere nacht in.
Het zou wel weer een nachtje zonder slaap worden maar dat had hij er graag voor over.
Hij keek naar de ontelbare sterren die aan de heldere hemel stonden.
De onafzienbare uitgestrektheid van het heelal deed hem goed na de enge bekrompenheid van het legioen der Driehoekvrijstaat.

Hoofdstuk 18

Author: jeroenstamgast

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pandoeris vervalt in zijn oude fout en alles lijkt verloren.
De dagen die op dit avontuur volgden, bracht Pandoeris door in het gezelschap van P. Draaijer die een mooi huis in een deftig stadje bleek te hebben.
Overdag deed de dokter zijn werk als huisarts en Pandoeris rustte uit van alles wat hij de afgelopen tijd had meegemaakt.
Hij vond dat hij wel een rustperiode verdiend had en dit rustige leventje beviel hem zó goed dat de dagen uitgroeiden tot weken.
P. Draaijer en hij konden het goed met elkaar vinden en werden vrienden.
Op een dag mocht hij hem zelfs ’Piet’ noemen.
’s Avonds moest Piet Draaijer nogal eens naar een feestje want hij was een belangrijk man in het stadje en men had hem graag als gast.
Pandoeris, die op zijn beurt de gast van Piet was, ging dan mee en was daardoor voor de mensen ook belangrijk.
In het begin vond Pandoeris zo’n feest maar een aanstellerig gedoe.
Iedereen deed zijn best om bij iedereen op te vallen.
Maar al vrij snel begon hij te genieten van alle aandacht die hij kreeg.
Het verhaal dat ze vertelden over het avontuur dat ze beleefd hadden, werd steeds mooier en fantastischer en beide genoten van de extra aandacht die ze daardoor kregen.
Pandoeris had overigens, op kosten van Piet, nieuwe kleren gekocht en zag eruit als een opgedirkte modepop.
Aangemoedigd door de heldenverering die zo langzamerhand ontstond, begon Pandoeris steeds meer over zichzelf te vertellen, waarbij hij er voor zorgde dat al zijn zwakke kanten niet aan bod kwamen.
Omdat hij daardoor niet zoveel gesprekstof meer overhield, fantaseerde hij er lustig op los.
En had hij nou alleen maar gefantaseerd…
Helaas vertelde hij tijdens een van zijn optredens, want zo kon je het inmiddels wel noemen, dat hij van buiten het Verloren Oord kwam om hier rijk te worden en dat dat inmiddels gelukt was.
Het was dan ook niet verwonderlijk dat Pandoeris, toen hij die avond thuiskwam, tot zijn grote schrik ontdekte dat zijn rugzak gestolen was.
Wanhopig doorzocht hij tegen beter weten in, het hele huis.
Zelfs de kamer van Piet moest eraan geloven.
Deze vond dat erg vervelend en ondankbaar want vrienden moeten elkaar kunnen vertrouwen.
Pandoeris ging naar bed en huilde dikke tranen.
Wat was hij toch weer een ongelooflijke ezel geweest!
Nou had hij zich tijdens de afgelopen avonturen zo slim en heldhaftig gedragen dat je zou verwachten dat hij een ander mens geworden was.
Maar nee!Zodra hij even niets bijzonders aan zijn hoofd had, verviel hij weer in zijn oude fout en was hij weer die luie leugenachtige nietsnut die hij zijn leven lang geweest was.
Als hij na een of twee dagen rust gewoon op pad gegaan was, was hij nu bijna thuis geweest en was hij waarschijnlijk de trotse eigenaar van een eigen bedrijf geworden.
Maar nu?
Nu was hij letterlijk en figuurlijk ver van huis.
Het kistje met geld en juwelen waar alles om begonnen was, was gestolen.
Zijn lepel en bord die hij nodig had om uit het Verloren Oord te komen, waren verdwenen.
En zijn toverschriftje dat hem misschien nog zou kunnen helpen, had hij ook niet meer.
Kortom: hij was berooid en voelde zich moederziel alleen.
Hij was nog één keer mee geweest naar een feestje maar had toen stil en verdrietig in een hoekje gezeten.
De feestgangers verloren al snel hun interesse in hem en ook Piet vond dat het tijd werd dat hij weer eens opstapte.
Hij gaf hem nog wel wat geld voor de reis, wenste hem veel geluk en als hij later nog eens in de buurt mocht zijn, moest hij zéker langskomen.
Maar dan wél met een goed humeur want zo was er ook niets aan.
Pandoeris slenterde moedeloos door de straten en wist niet wat te doen.
Het begon nog te regenen ook.
Hij ging schuilen onder een afdakje van een smederij en zijn ogen werden net zo vochtig als de straten van het stadje.
Hij had nu echt alle moed laten varen.
De grote held van de feesten was afgetakeld tot een zielig hoopje mens.
Hij keek niet eens op toen de deur van de smederij openging en een meisje van een jaar of vijf vóór hem ging staan.
”Huil je?” vroeg het kleine ding.
Pandoeris zei niets maar liet zijn tranen de vrije loop.
”Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze bezorgd.
Pandoeris keek op en zag het kind, dat hem met grote ogen aankeek.


Hij begon zich nu toch een beetje te schamen om als grote knul een potje te grienen in het bijzijn van een klein kind en deed zijn best om daar mee op te houden.
”Mama zegt dat huilen gezond is,” troostte ze.
Dan heb je een verstandige moeder, dacht Pandoeris maar veegde ondertussen wel de tranen uit zijn ogen.
”Het is al over,” zei hij en stond op om de regen weer in te gaan.
Op dat moment ging de deur van de smederij opnieuw open en een boom van een vent keek Pandoeris verbaasd aan.
”Ben jij niet die beroemde vriend van dokter Draaijer waar de hele stad het over heeft?” vroeg de boom.
”Dat was ik vroeger,” mompelde Pandoeris. ”Nu ben ik gewoon weer een mislukkeling.”
”Nou, dan heb ik voor jou nog wel een nieuwtje. Maar kom eerst even binnen. Goedhals is de naam overigens. Klaas Goedhals.”
”Bent u soms familie van Jorus Goedhals?” vroeg Pandoeris verrast.
”Jazeker,” zei Klaas. ”En kom nou eens even binnen, dan kunnen we verder praten.”
Even later zaten ze in een gezellige huiskamer aan een kopje koffie.
Pandoeris vertelde alles wat hij beleefd had en deze keer écht zoals het gegaan was.
Klaas zei dat hij zich heel goed kon voorstellen dat Pandoeris er geen gat meer inzag.
Bovendien vond hij: je doel bereiken is moeilijk maar als je het bereikt hebt, om het dan vast te houden, dát is pas echt zwaar.
Maar hij had goed nieuws voor hem.
Kortgeleden was er iemand bij hem geweest met een kistje dat hij met geen mogelijkheid open had kunnen krijgen.
Hij had zijn zwaarste materiaal erop los gelaten maar het lukte hem gewoonweg niet.

Het kon niet anders of de bezitter van dat kistje moest de dief van Pandoeris’ bezittingen zijn en hij wist waar hij woonde.
Het was de zoon van de burgemeester die bekend stond als een onverbeterlijke nietsnut.
Het zou een broertje van me kunnen zijn, dacht Pandoeris.
Hij herinnerde zich nu dat hij hem op het feest vóór de diefstal gesproken had.
Ze hadden samen nog zo gelachen om al die brave mensjes die zo hard werkten om iets te bereiken in het leven terwijl de rijkdom voor het oprapen lag als je maar een beetje handig was.
Pandoeris schaamde zich, nu hij bedacht dat hij geholpen werd juist door zo’n iemand waar hij toen de spot mee gedreven had.
Hij bedankte Klaas Goedhals voor de informatie en wilde gaan maar deze stond erop dat hij ’s avonds zou mee-eten.
Uit beleefdheid en omdat hij gierde van de honger, ging hij graag op de uitnodiging in.
Vol goede moed en met volle maag wandelde hij ’s avonds naar het huis van de burgemeester.
Hij belde aan en de deur werd opengedaan door een statige butler.
”Ik kom voor Jerry,” zei Pandoeris. ”Is die thuis?”
”Jongeheer Jerry is eergisteren vrij plotseling vertrokken,” sprak de butler met toonloze stem.
”Weet u misschien wanneer hij terugkomt?”
”Dat weten we met jongeheer Jerry nooit.”
Even dreigde Pandoeris wéér de moed te verliezen maar hij vond dat hij nu wel genoeg gejankt had.
Je moest ook nog wat tranen overhouden voor later.
Huilen was tenslotte gezond dus een beetje zuinigheid kon geen kwaad.
”Mag ik even de kamer van Jerry zien? Het kan zijn dat mijn rugzak er nog staat,” vroeg hij.
De butler dacht even na en vond het goed.
Hij zag er blijkbaar geen kwaad in.


”Volgt u mij maar.”
Jerry bezat een grote kamer die volgestouwd was met troep.
Aan een groot bureau zat een klein meisje te tekenen.
”Dat is jongedame Alida,” legde de butler uit.
”Ben jij het kleine zusje van Jerry?” vroeg Pandoeris vriendelijk.
”Rot op!” snerpte het kleine zusje.
”Jongedame Alida reageert altijd ietwat spontaan,” verontschuldigde de butler haar.
”Wat doe je lelijk tegen me. Ik heb je toch niets gedaan”, probeerde Pandoeris nog eens.
”Ik zei: rot op! Je stoort.”
Het kleine mormel keek niet eens op van haar tekening.
Maar Pandoeris zag iets anders.
Die tekening werd gemaakt in zijn toverschriftje!
”Jongedame Alida, u weet dat jongeheer Jerry niet wil dat u in zijn kamer speelt,” zei de butler voorzichtig.
”En rot jij ook op, stijve hark!” snauwde het loedertje.
”En ik wil niet dat jij in mijn schriftje tekent,” sprak Pandoeris dreigend.
Ze keek hem voor het eerst aan.
”Is dit prul van jou?”
”Ja en ik wil het terug,” zei Pandoeris ijzig.
Ze zei niets en ging weer verder met haar tekening.
Pandoeris griste het schriftje onverwachts onder haar handen vandaan.
Meteen daarop vloog ze als een valse kat overeind en zette haar melkgebitje in Pandoeris zijn hand.
Deze liet los met een schreeuw van pijn en het kleine kreng vloog er vandoor.
”Opzij, lange lummel!” schreeuwde ze tegen de butler die nog in de deuropening stond.
Deze reageerde niet zodat ze niet kon doorrennen en Pandoeris de tijd had om haar te grijpen.
”Ik zal even kijken of meneer of mevrouw thuis is,” sprak de butler onverstoorbaar. ”Dan kunnen zij eventueel ingrijpen.”
”Ze zijn niet thuis, onnozele hals!” schreeuwde het kleine loeder en spartelde tegen om aan de greep van Pandoeris te ontsnappen.
”Ik zal tóch even kijken, jongedame Alida. En anders waarschuw ik de politie wel. Al neemt dat natuurlijk wel de nodige tijd in beslag,”
voegde hij eraan toe, terwijl hij Pandoeris veelbetekenend aankeek.
Ondertussen had het kleine bijtertje haar tandjes weer in een hand van Pandoeris gezet.
En nou was hij het zat!
Hij pakte haar beet, legde haar over de knie en gaf haar een paar flinke petsen op haar billen.
Ze was meteen stil.

”Dat heeft nog nooit iemand bij me gedaan,” zei ze onthutst.
”Dat is te merken ook! En denk erom: één verkeerde beweging en ik geef je een dubbel pak slaag!”
Ze bewoog inderdaad niet meer, maar haar mondje hield ze geen ogenblik stil.
Pandoeris kreeg de ene verwensing na de andere naar zijn hoofd geslingerd maar dat deerde hem niet.
Hij doorzocht de hele kamer maar kon niets van zijn bezittingen vinden.
”Wat zoek je eigenlijk?” vroeg ze plotseling.
”Een rugzak met mijn spulletjes die je broer van mij gestolen heeft,” antwoordde Pandoeris.
”Stop maar met zoeken. Hij heeft alles meegenomen.”
”Hoe kom jij dan aan mijn schriftje?” vroeg Pandoeris argwanend.
”Dat heb ik gekregen als ik mijn mond zou houden.”
”Weet je ook waar hij naar toe is?”
”Ja. Naar een smederij in Rotsberg om je kistje open te laten maken. En ik hoop dat je hem óók een pak slaag geeft als je hem gevonden hebt.”
Pandoeris keek haar onderzoekend aan.
”Heb je dan zo’n hekel aan hem?” vroeg hij.
”Ja. Het is een rotbroer. Hij pest altijd.”
”En wat zeggen papa en mama daar dan van?”
”Die zijn er nooit en die stomme butler of de dienstbode durven er niets van te zeggen.”
”Heb je dan geen vriendinnetjes of zo?”
”Niemand wil met me spelen.”
”Dan moet je eens wat aardiger zijn. Dan willen ze heus wel.”
”Ik hoef niet aardig te zijn want ik ben de dochter van de burgemeester.”
”O…ja…dan weet ik het ook niet,” sloot Pandoeris het gesprek af.

”In ieder geval bedankt dat je gezegd hebt waar ik je broer kan vinden.”
”Ga je hem in elkaar slaan?” vroeg ze, toen Pandoeris al bij de deur stond.
”Dat wil je toch?” zei Pandoeris en keek haar onderzoekend aan.
”Ja,” sprak ze met een verbeten trek om haar mond.
Pandoeris zei niets en deed de deur open.
”Pandoeris?” vroeg ze toch nog.
“Ja.”
“Sla je niet te hard? Hij kan er niet zo goed tegen, zie je.”
“Dat beloof ik,” zuchtte Pandoeris en was blij dat hij even later in de
frisse buitenlucht stond.

Hoofdstuk 17

Author: jeroenstamgast

 
 
 
 
 
 
     
 
 
 
 
 
 
  
 

Pandoeris en een antrifasogisch geneesheer worden hardhandig te hulp geroepen om een roverhoofdman te genezen.

Eigenlijk was het maar een vreemd idee, vond Pandoeris.
Hier sjokte hij dan met dat kistje vol geld en juwelen in zijn rugzak, hij was dus schatrijk, maar tegelijkertijd had hij geen geld om zich door een rijtuig te laten vervoeren omdat het kistje betoverd was.
Je kon het met nog geen honderd breekijzers open krijgen.
Het weinige geld dat hij bezat, kon hij beter aan eten besteden en misschien af en toe een overnachting in een herberg.
Wat hij trouwens ook vervelend vond, was het idee dat iemand het kistje zou kunnen stelen.
Als je niets bezit hoef je ook niet bang te zijn om het kwijt te raken.
Wie wil er nou ’niets’ roven?
Maar nu had Pandoeris bij iedereen die hij tegenkwam het gevoel dat die dwars door zijn rugzak heen kon kijken, loerend naar geld en juwelen.
Nee, het leven van een ’arme’ rijke was geen pretje.
Het geluid van paardenhoeven achter hem deed hem uit zijn overpeinzingen opschrikken.
Hij werd ingehaald door een klein rijtuigje, bestuurd door een in het zwart geklede heer.
Tot Pandoeris’ schrik liet deze heer het rijtuigje langs de kant van de weg stilhouden.
Daar had je het nou!
Normaal gesproken zou Pandoeris gedacht hebben aan de mogelijkheid van een lift terwijl nu meteen het idee van een roofmoord in hem opkwam.
De in het zwart geklede heer stapte uit het rijtuigje, nam met een sierlijke zwaai de hoed van het hoofd en richtte het woord tot Pandoeris.
”Goedenmiddag. Heeft u soms last van blaren, likdoorns of overdadige eeltvorming?”
”Nee,” antwoordde Pandoeris verbaasd.
”Dat zegt u nu wel maar onderzoeken hebben uitgewezen dat mensen die veel lopen daar vaak last van hebben.”
”Nou, ik niet hoor.”
”Diezelfde en andere onderzoeken hebben uitgewezen dat mensen die daar last van hebben, zich daar vaak niet bewust van zijn totdat het te laat is.”
”Als het zover komt, ga ik wel naar een dokter hoor,” stelde Pandoeris hem gerust.
”Dat komt goed uit. Hier is mijn kaartje.”
De man overhandigde Pandoeris een mooi stukje papier waarop met sierlijke letters geschreven stond: ’P. Draaijer, gediplomeerd antrifasogisch geneesheer’.
”Ziet u? En nu even terug naar uw voeten. Waar voelt u de pijn waar u zich nu nog niet bewust van bent, het meest?”
”Ik heb helemaal geen pijn!” sprak Pandoeris lichtelijk geïrriteerd.
”Dat komt nu omdat u zich daar nog niet van bewust bent. Ik zag u daarnet echt een beetje sloffen. Daarom stopte ik ook. Een gezond iemand kan ik toch niet behandelen, nietwaar? Eerlijk zeggen: het is uw linkerbeen hè, waar u onbewust last van heeft?”
Pandoeris wou iets lelijks gaan zeggen maar bedacht zich plotseling dat hij inderdaad een lichte pijn voelde, nu hij er over nadacht.

Dat zou ook niet verwonderlijk zijn, na al dat lopen van de laatste tijd.
En inderdaad: de pijn zat het meest links, bij nader inzien.
”Mag ik, geheel vrijblijvend natuurlijk, uw voetzolen eens bekijken?” ging P. Draaijer verder.
Pandoeris weifelde maar had het misschien toch gedaan, als daar niet plotseling vanuit de struiken een aantal onguur uitziende types tevoorschijn waren gekomen.
P. Draaijer liet zich daardoor niet van de wijs brengen.
”Goedenmiddag heren. Heeft u soms last van inwendige verkramptheid?”
”Nee, wél van druiloren!” baste een van hen en gaf daarop P. Draaijer een klap tegen het hoofd die zó hard aankwam dat deze languit tegen de vlakte ging.

Ook Pandoeris werd niet gespaard.
Hij kreeg dan wel niet zo’n harde klap als P. Draaijer maar hij was zo verstandig om te doen alsof dat wel het geval was.
Met een dramatische schreeuw liet hij zich boven op zijn rugzak vallen en hield zich overtuigend bewusteloos.
Nou gaat het gebeuren, dacht Pandoeris. Ze roven mijn rugzak leeg en dan is alles voor niets geweest en kom ik misschien wel nooit meer thuis.
De schurken bonden P. Draaijer vast, deden hem een blinddoek om en legden hem in zijn rijtuig.
”Nou, die dokter hebben we dus,” sprak een van de schurken.”Maar wat doen we met deze larve? Daar heeft de baas ons niets over gezegd.”
”Misschien houdt hij er tegenwoordig een assistent op na,” zei een ander. ”Laten we hem maar meenemen. Dan kunnen we hem later altijd nog uit de weg ruimen.”
Ook Pandoeris werd gekneveld, geblinddoekt en in het rijtuig gelegd.
Voorlopig viel de ’overval’ dus nog even mee maar hij hield zijn hart vast voor wat er hierna zou komen.
Een uurtje of twee later stopte het rijtuig en werden P. Draaijer en Pandoeris van hun boeien en blinddoek bevrijd.
Ze stonden op een open plek midden in het bos waar een aantal tenten opgezet waren.
”Meekomen jullie,” bromde een gorilla-achtig type en duwde hen in de richting van een grote tent.
Daarbinnen lag op een veldbed een woest uitziende zieke onrustig te slapen en te zweten.
”Is de baas nog bij kennis gekomen?” vroeg de gorilla aan iemand die bij het bed zat te waken.
”Nee,” antwoordde de ander. ”Die dokter moet hem maar gauw onderzoeken.”

”Nou, je hoort het dokter: aan de slag!”
P. Draaijer keek naar de dreigende gezichten om hem heen en besloot te doen wat er van hem gevraagd werd.
Hij luisterde met zijn stethoscoop naar hart, longen en wat onduidelijke organen en klopte met een hamertje op knieën, voetzolen en wat hij zoal op zijn weg tegenkwam.
Ook opende hij ogen en mond van de patiënt en wierp er een blik op en in.
Tenslotte trok hij een geleerd gezicht.
De gorilla wilde wat vragen maar dokter Draaijer legde een vinger op de mond ten teken dat hij stil moest zijn om hem de gelegenheid te geven een goede diagnose te stellen.
Na een paar spannende minuten richtte dokter het woord tot de gorilla.
”Ik kan u gerust stellen: de patiënt is nog niet overleden. Sterker nog: hij leeft. Alles wijst erop dat de dood nog niet is ingetreden.”
Deze mededeling sloeg in als een bom.
”Is dat alles wat je te zeggen hebt?!” brulde de gorilla woedend.
”U onderschat het belang van deze diagnose,” stelde P. Draaijer onverstoorbaar vast. ”Immers: als de patient overleden zou zijn, dan kon ik hem niet meer behandelen.”
”Goed. Je hebt nu dus ontdekt wat wij allemaal al wisten: hij leeft. En wat ga je nu doen om hem in leven te hóuden?” vroeg de gorilla.
”Ik zal mij even met mijn assistent moeten terugtrekken om in alle rust een behandelingsplan op te kunnen stellen.”
De gorilla zei niets maar pakte de dokter en zijn assistent stevig beet en smeet ze in een lege tent.
”Hier kunnen jullie nadenken over je behandelingsplan. Maar zorg ervoor dat je met iets goeds komt want anders zal ik jullie eens even behandelen!”
Hij verliet de tent en liet het geneeskundig team alleen.
”Kunt u hem beter maken?” vroeg Pandoeris angstig.
”Normaal gesproken zou dit geen punt zijn,” sprak P. Draaijer zelfverzekerd.
”Maar ik heb mijn medicijnenvoorraad thuis en niet hier dus dat maakt het moeilijk. Heb jij toevallig niet een receptje bij de hand?”
Pandoeris bladerde in zijn toverschriftje.
Hij herinnerde zich dat hij ooit wel eens iets opgeschreven had over een middel dat diende om bijna uitgewerkte toverkruiden weer te laten groeien.
Maar ja. Of dát nu het middel was om die schurk te genezen was maar zeer de vraag.
”Ik heb misschien wel iets,” sprak hij aarzelend. ”Maar ik weet niet of…”
”Alles is beter dan niets,” onderbrak P. Draaijer hem. ”Wat heb je nodig?”
Pandoeris schreef de benodigdheden op een papiertje en P. Draaijer bekeek het lijstje.
”Hm, er staan wel een paar eigenaardige ingrediënten op, moet ik zeggen. Een aantal van die kruiden en zo gebruik ik zelf ook wel in mijn drankjes en zalfjes maar konijnenkeutels en koeienvla komen op mijn lijstje toch nooit voor, hoor.”
”Ik zei toch al dat ik niet wist of…”
”Weet je wat?” onderbrak P. Draaijer hem. ”We doen er ook nog een paar kruiden bij die ik vaak gebruik. Des te meer kans hebben we dat die ellendeling er beter van wordt. Maar we moeten er wel voor zorgen dat die schurken niet zien wat we in ons medicijn stoppen anders vrees ik dat we het zélf zullen moeten slikken.”
Zo gezegd, zo gedaan.


P. Draaijer eiste absolute geheimhouding van hun eeuwenoude familierecept.
Er mocht wel een bewaker mee als hij de benodigdheden ging zoeken maar die moest op een afstandje blijven zodat hij ongezien alles kon verzamelen.
Pandoeris zorgde er ondertussen voor dat er een ketel met water op een vuurtje stond te pruttelen waar de ingrediënten één voor één ingedaan werden.
”Zo,” sprak P. Draaijer toen alles in de ketel zat. ”Nu moet de geheime drank een nachtje goed doortrekken en kunnen wij dus wel even van een welverdiende nachtrust genieten.”
”Dus je weet zeker dat dat drankje van jullie werkt?” vroeg de gorilla.
”Anders zou ik toch niet lekker kunnen gaan slapen,” sprak dokter zelfverzekerd.
”Dat is waar,” gaf de gorilla toe en leidde ze naar een zwaarbewaakte tent. ”Want je weet het: als hij niet beter wordt, gaan jullie er in ieder geval óók aan.”
Die nacht deden Pandoeris en P. Draaijer geen oog dicht.
De volgende morgen werden ze al vroeg naar de zieke bendeleider gebracht met een flinke beker van hun smerige medicijn.
P. Draaijer ondersteunde voorzichtig het hoofd van de zieke en zorgde er ondertussen voor om zijn neus zo ver mogelijk van de drank af te houden omdat de stank die er vanaf kwam nu echt ondraaglijk begon te worden.
Ook Pandoeris had moeite om niet te kokhalzen en bij de gorilla sloeg de scherpe stank al op de keel.
Een aantal bendeleden begon te kuchen en een enkeling veegde de tranen uit de ogen.
P. Draaijer wist wat van de drank in het lichaam van de zieke te krijgen en wachtte gespannen hoestend af.

De zieke sperde plotseling zijn ogen wijd open en kwam met een schok overeind.
Hij opende zijn mond om iets te zeggen maar kreeg daartoe de kans niet omdat zijn geneesheer van de gelegenheid gebruik maakte om hem in één keer de rest van de drank door de strot te gieten.
Even leek het of de schurk temidden van zijn hoestende en proestende collega’s zou exploderen.
Hij sloeg wild met zijn armen en benen om zich heen, rolde vervaarlijk met zijn ogen en kwam tenslotte, even plotseling als hij begonnen was, weer tot bedaren.
”Goedenmorgen,” sprak P. Draaijer moeizaam met schorre stem.”Mijn assistent en ik heten u welkom in het land der levenden.
Dankzij ons levenselixer bent u weer genezen. Wij zouden het op prijs stellen als u ons nu weer laat gaan want de plicht roept. Vele doden en gewonden wachten op onze hulp.”
De roverhoofdman stond op.
”Eerst naar buiten allemaal. Als ik hier nog langer blijf, ga ik nog over mijn nek van die stank.”
Iedereen haalde opgelucht adem in de frisse buitenlucht, al duurde het nog even voor ieders ademhaling weer normaal was.
De gorilla legde in het kort aan zijn baas uit wat er gebeurd was en nam hem daarna even apart zodat Pandoeris en P. Draaijer niet meer konden horen wat er gezegd werd.
”We moeten hier weg,” fluisterde Pandoeris. ”De manier waarop ze met elkaar praten bevalt me helemaal niet. Ik heb een idee.”
Hij liep op het schurkachtige tweetal af en kuchte beleefd om aandacht.
”Ahum. Vindt u het goed als wij alvast wat van onze levensdrank nemen. Anders is alles op vóór we zelf aan de beurt zijn geweest.”
”Hoezo op?” vroeg de hoofdman achterdochtig.
”Nou ja. Dat lijkt me nogal logisch. Iedereen heeft zelf kunnen zien wat de uitwerking van onze levensdrank is. En laten we eerlijk wezen.
Wie wil er nou niet een paar jaar langer leven? Als iedereen direct gedronken heeft, blijft er voor ons misschien niets meer over.”
”Een paar jaar langer leven?” vroeg de hoofdman gretig.
”Ja. Als je nagaat dat ik de zestig al gepasseerd ben. Dat zou je niet zeggen, hè?”
De hoofdman en de gorilla keken elkaar aan en toen naar de ketel die walmend zijn ondraaglijke stank verspreidde.
Ook de andere schurken kregen meer dan gewone belangstelling voor het smerige brouwsel.
Er volgde een stilte die verbroken werd door een schreeuw van de gorilla.
”Eerst!” brulde hij en rende naar de ketel, gevolgd door de anderen die het ook een prettig idee vonden om langer mee te gaan dan verwacht.
Het werd nu echt dringen bij de ketel en toen ook de hoofdman nog een slokje smurrie wilde, lette niemand meer op P. Draaijer en Pandoeris die maakten dat ze wegkwamen.
Ze renden letterlijk voor hun leven.

Helaas bleef hun vlucht niet onopgemerkt en weldra werden ze door een groot deel van de bende achterna gezeten.
Ze holden op een gegeven moment door dicht struikgewas en P. Draaijer, die uitgeput begon te raken, meende een mooie schuilplaats gevonden te hebben.
Hij lette niet op wat Pandoeris zou doen en nam een snoekduik in een weelderige verzameling brandnetels en distels.
Je kan me wat, dacht Pandoeris en holde verder.
Na een tijdje zo doorgerend te hebben, werd het rustig achter hem.
Hij stopte en kwam hijgend tot bedaren.
In de verte klonken luide kreten om hulp en hij meende tot zijn verbazing het lachen van P. Draaijer te horen.
Eigenlijk moest hij nou geen risico nemen en verder gaan maar hij werd toch wel nieuwsgierig.
Hij wandelde behoedzaam terug naar het tentenkamp.
Hij hoorde nu, behalve het vloeken, tieren en hulpgeroep van de rovers, heel duidelijk het lachen van P. Draaijer.
Hij wandelde verder en zag even later de schurken verspreid staan in een beetje vreemde houding met hun armen in de lucht.
Daartussendoor liep een lachende dokter die alle gewichtigdoenerij had laten varen en alleen maar plezier leek te beleven aan het links en rechts uitdelen van een trap tegen een boevenachterwerk.
”Ha! Ben je daar?” vroeg hij lachend aan Pandoeris toen hij hem zag.
”Moet je kijken! Ze hebben wortel geschoten!”
En inderdaad: vanuit hun voeten verdwenen wortels in de grond.
Hun vingers waren vervormd tot takjes en hun haar was veranderd in bladerbedekking.
Pandoeris moest ook even lachen maar werd snel weer serieus.
”Kom. We moeten weg voordat de drank is uitgewerkt.”
Ze liepen naar het rijtuigje van P. Draaijer en keken nog even naar de hoofdman die woedend zijn takken en bladeren liet ritselen.


Hij had natuurlijk eerder dan de anderen gedronken en was daarom zelfs niet meer van de ketel weggekomen.
”Nou moet je me toch eens vertellen waar je drankje eigenlijk voor dient,” zei P. Draaijer toen ze veilig en wel in het rijtuigje zaten.
”Het is bedoeld als een soort mest om kruiden beter te laten groeien,” zei Pandoeris die zich nog steeds verbaasde over de uitwerking van het goedje. ”Maar laten we nu maar weggaan want als het uitgewerkt is, komen die schurken weer in beweging.”
”Ja,” lachte P. Draaijer. ”Je hebt gelijk. Onkruid vergaat niet.”
Het rijtuigje zette zich in beweging en verdween in de verte, nagewuifd door een bosje struikrovers.

Hoofdstuk 16

Author: jeroenstamgast

Pandoeris helpt een tijdgeest die de tijd doodt met puzzelen en krijgt daarna waarvoor hij komt.

De volgende ochtend was Pandoeris, na een goede nachtrust, iets vroeger dan de andere gasten opgestaan om de bakstenen van de vorige avond onder zijn bed te verstoppen.
Voorlopig lagen ze daar mooi uit het zicht want veel schoongemaakt werd er niet onder de bedden.
Dat had Pandoeris de vorige avond wel gemerkt toen hij daaronder gescholen had.
Er zaten nu nog stofresten in zijn neus.
Tijdens het gezamenlijk ontbijt werd er niet veel gezegd.
Af en toe keek er eens iemand steels naar Pandoeris maar die deed net of hij het niet merkte.

Ook in de postkoets werd er even later tijdens de reis niet veel gesproken.
Je kon merken dat de reizigers zich niet op hun gemak voelden in het bijzijn van Pandoeris en dat ze hem bekeken met een mengeling van bewondering en afkeer.
Pandoeris was dan ook blij dat hij een paar uur later uit moest stappen omdat de koets in een voor hem verkeerde richting verder ging.
Opgelucht haalde hij de landkaart tevoorschijn en vervolgde wandelend de reis.
Af en toe haalde hij wat lekkers uit de rugzak dat de vervoerdersvrouw er nog ingestopt had.
Hoe zou het met haar en de vervoerder gaan?
Die zouden zich vast wel afvragen hoe het met hem ging.
Al was het alleen maar omdat ze bij een goede afloop van het avontuur het vooruitzicht hadden om rijk te worden.
Nou nee, dacht Pandoeris. Ze zouden zich vast ook nog wel een beetje zorgen maken om hem zelf.
Het was alles bij elkaar toch nog een flinke reis geweest maar nu was hij dan bijna op de plaats van bestemming.
Hij zag de eeuwenoude eik al die op de kaart als herkenningspunt stond aangegeven.
Van daaruit moest hij tweehonderd passen in oostelijke richting gaan.
Een beetje zenuwachtig zette hij zich in beweging en telde de stappen.
Bij stap 194 stuitte hij op de verborgen ingang van een grot.
Pandoeris bedacht zich niet, bukte en ging de grot in.
Het was er aardedonker.
Alleen in de verte was een lichtje te bespeuren.
Zou het daar soms zijn?
Voorzichtig, in het duister tastend, begaf hij zich in de richting van het lichtje.
Hij was de tweehonderd passen al ruim gepasseerd toen hij een schaars verlichte ruimte betrad.
Midden in die ruimte stond op een verhoginkje een groot bed met daarin iemand die bezig was een kruiswoordpuzzel op te lossen.
”Weet jij een ander woord voor ’chachelbrick’ ?” vroeg de puzzelaar onverwacht aan Pandoeris zonder van zijn boekje op te kijken.
”Eh… nee. Dat wil me zo gauw niet te binnen schieten,” zei Pandoeris verrast.
”Hm, dan heb ik hier een andere: ’ockelzup’. Zegt dat je iets?”
”Het woord heeft wel iets bekends maar ik zou het even niet weten,” loog Pandoeris.
De eigenaardige man boog zich weer over zijn puzzelboekje.
Hij zag er vreemd uit.
Zijn leeftijd was moeilijk te schatten.
Als je zou zeggen 40, zou je het geloven maar veel ouder of jonger kon ook.
Pandoeris stond er een beetje verloren bij.

”Pockelziep. Weet je daar een ander woord voor misschien?”
Pandoeris deed net of hij nadacht.
”Tja, het ligt me vóór op de tong. Maar voor ik verder denk, wil ik u eigenlijk iets vragen. Ik zoek namelijk…”
” Een kistje,” onderbrak de ander hem. ”Dat staat al klaar aan het einde van de tijdgang. Weet jij een ander woord voor ’ichelbral’?”
”Nee,” zei Pandoeris. ”Maar hoe weet u dat ik voor een kistje kom?”
”Ik ben de tijdgeest. Ik weet alles.”
Behalve puzzelwoorden dan, dacht Pandoeris.
Hij had zijn tante Eleanora wel eens iets horen zeggen over de tijdgeest die haar niet beviel maar daar had hij zoals gewoonlijk niet naar geluisterd zodat hij daar nu ook niet veel verder mee kwam.
”Arzechromie dan. Weet je daar misschien een ander woord voor?”
”Nee, echt niet,” zei Pandoeris. ”Het spijt me.”
”Aan jou heb ik ook niets,” mopperde de tijdgeest. Zo krijg ik die puzzel nooit af. En ik mag dan wel de tijd hebben maar honderd jaar over hetzelfde puzzeltje doen, wordt toch echt een beetje eentonig.”
”Honderd jaar?” vroeg Pandoeris ongelovig.
”Dat heb jij goed gehoord, ja. Ik zeg toch dat ik de tijd heb. Ik ben de tijdgeest, kleine lummel. Knoop dat nou maar eens in die oortjes van je. En ga dat kistje nou maar halen. Hoe eerder je weet dat dat niet lukt, hoe eerder ik me weer op mijn puzzel kan concentreren. ’Porlefliep’. Ander woord, zes letters. Weet je zeker ook niet, hè?”
”Kaztor,” blufte Pandoeris.
”Nou, hij past inderdaad,” mompelde de tijdgeest.
Logisch. Hij heeft zes letters, dacht Pandoeris.
”Dus ik kan gewoon de gang ingaan?” vroeg hij nog maar eens voor alle zekerheid.
”Ja. Maar ga niet te ver want als je eenmaal overleden bent, kun je niet meer terug.”
”Overleden?” vroeg Pandoeris.
”Ja. Je gaat nu de tijdgang in. Als je te ver gaat, ga je dood want je hebt nu eenmaal niet het eeuwige leven. Orckapury. Acht letters.”
”Pokrette,” zei Pandoeris na enig nadenken.
”Klopt!” riep de tijdgeest verrast uit.
Pandoeris wandelde met een onbehaaglijk gevoel de gang in.
Hij was er niet gerust op.
Zijn lichaam deed ook zo vreemd.
Het was net of hij niet goed meer in zijn kleren paste.
En wat hing zijn haar raar voor zijn ogen.
Hij streek met zijn hand het haar uit zijn ogen maar haalde met zijn nagels zijn gezicht open.
Onwillekeurig keek hij naar zijn hand en hij schrok toen zó, dat zijn adem in zijn keel stokte.
Aan zijn hand zaten hele lange nagels en de mouwen van zijn jas waren veel te kort geworden.
Hij streek voorzichtig over zijn kin en voelde een baard.
Hij keek naar zijn benen en zijn buik en ontdekte dat hij het lichaam van een volwassene had gekregen.
Pandoeris rende in paniek terug naar de tijdgeest.
”Tirockapi. Zeven letters. Begint met een K,” sprak deze toen hij hem in het oog kreeg.
”Krijg het heen en weer met je tiro- weet ik veel!” donderde Pandoeris.”Wat gebeurt daar allemaal in die gang?”
”Dat heb ik je duidelijk proberen te maken, ezelsoor. Dat is een tijdgang. Elke meter die je aflegt kost je een jaar van je leven. Als je teruggaat, krijg je de leeftijd die je nu hebt, weer terug. Alle mensen die op een snelle en makkelijke manier rijk willen worden, zullen hier ontdekken dat rijkdom ook niet alles is. Wees liever blij dat je gezond bent van lijf en leden en ga werken voor de kost.”
”Ik wil helemaal niet snel en gemakkelijk rijk worden,” protesteerde Pandoeris.
”Nee, natuurlijk niet. Jij wilt dat kistje met geld en juwelen alleen maar hebben om hard te kunnen werken,” spotte de tijdgeest.”Maar nou even wat anders. Je hebt me net een beetje op weg geholpen met die puzzel. Eerlijk is eerlijk. Kijk, hier moet het woord komen te staan. Zeven letters. Begint met een K.”
Hij hield het puzzelblad voor Pandoeris zijn neus en keek hem verwachtingsvol aan.
Pandoeris zag dat de tijdgeest alleen de woorden ingevuld had die Pandoeris gezegd had.
”Je bent in die honderd jaar ook niet opgeschoten, zeg!” spotte Pandoeris op zijn beurt.
”Ach, ik kan eigenlijk helemaal niet puzzelen. Maar ik heb vorige eeuw een weddenschap met een collega afgesloten dat ik hem tóch afkrijg.”
Pandoeris keek naar de puzzel.
Als die vorige woorden goed zijn, kan dus eigenlijk alles, dacht hij.
Als het aantal letters maar klopt.
”Kaptsal,” zei Pandoeris beslist.
”Geweldig! Die past ook al!” riep de tijdgeest uit. ”Weet je wat? Als je mij met die puzzel helpt, zal ik jou met die tocht door de tijdgang helpen.”
”Goed,” zei Pandoeris en verzon een paar vreemde woorden die precies goed in de vakjes pasten.
”En nou ga ik eerst het kistje halen,” zei Pandoeris toen de puzzel bijna af was.
Hij voegde de daad bij het woord en verdween weer in de gang.
De tijdgeest zweefde hem met bed en al achterna.
Pandoeris beet zijn nagels telkens af als ze te lang werden en legde af en toe een knoop in zijn haren.
Het lopen ging steeds moeilijker omdat Pandoeris elke meter ouder en strammer werd.
Hijgend van uitputting ging hij even zitten en keek naar het kistje dat nog zeker twintig meter van hem verwijderd was.
De tijdgeest landde met bed en al naast hem.
”Je bent het verst gekomen van iedereen die tot nu toe in de tijdgang is geweest. Rappylocka, acht letters, tweede letter een L.”
Pandoeris keek hem boos aan.
”Ik dacht dat je me zou helpen.”
”Dat doe ik toch. Ik zeg je dat je een kans maakt omdat je aan het begin van de gang nog zo jong was.”
Pandoeris stond moeizaam op.
”Ik geef je de laatste woorden pas als ik het kistje heb.”
De tijdgeest dacht na.

Hij wilde die weddenschap graag winnen.
”Hier heb je een stok. Leun daar op.”
Pandoeris deed dat maar voelde zich elke meter zwakker worden.
Op een gegeven moment kon hij werkelijk niet meer en zakte als een half vergane marionet in elkaar.
Alles deed pijn en hij was zo verzwakt dat hij bleef liggen zoals hij gevallen was.
”Zou je maar niet beter teruggaan nu het nog kan?” vroeg de tijdgeest.
”Je bent nu ruim honderd en je moet nog tien meter, dus tien jaar. Dat red je nooit.”
Pandoeris spuugde een loszittende tand uit en keek om zich heen.
Hij zag niets meer.
”Dat komt omdat je blind bent geworden,” legde de tijdgeest uit.
”Ouderdom komt met gebreken. Stop nou eens met die drang om snel rijk te worden en wees tevreden met wat je hebt, als je weer teruggaat.”
”Wat zeg je?” bracht Pandoeris moeizaam uit.
”Je bent nog doof aan het worden ook, stumperd. Wees nou verstandig en ga terug!”
Dit laatste schreeuwde de tijdgeest omdat Pandoeris het anders niet meer zou horen.
”Laat mij maar doodgaan,” fluisterde Pandoeris en werkte er met zijn tong nog een losse tand uit.
Voor spugen had hij de kracht niet meer.
De tijdgeest keek naar Pandoeris en toen naar de kruiswoordpuzzel die bijna af was.
Hij keek schichtig om zich heen.
Plotseling nam hij een besluit.
Hij zweefde met zijn bed naar het kistje, bond er een touw omheen en gaf het andere uiteinde aan Pandoeris.
”Hier, valsspeler. Als je nog kunt, trek dan het kistje naar je toe. Dit moet je echt zélf doen want ik mag je het kistje niet geven. Dan raak ik mijn baantje kwijt en dat is die weddenschap me nou ook weer niet waard.”
Pandoeris probeerde het maar kreeg zijn hand zelfs niet meer van de grond.
De tijdgeest bond een ander touw om de enkel van Pandoeris en sleepte hem zo een eindje terug de gang in.
”Nou, je bent weer 90 dus je moet het nu weer helemaal zelf doen, hoor.”
Pandoeris voelde zich inderdaad weer iets fitter en krachtiger worden en trok het kistje naar zich toe.
Op handen en voeten kroop hij over de grond terug naar zijn jeugd.
Toen hij ongeveer 80 was, kwam hij overeind.
Hij voelde met zijn tong aan zijn gebit en merkte opgelucht dat zijn tanden er weer in zaten.
Op 50-jarige leeftijd ging het lopen weer soepel en hij trok zelfs een sprintje toen hij 30 was.
Eenmaal bij de ingang van de grot aangekomen, duwde de tijdgeest hem de puzzel onder zijn neus.
Pandoeris verzon een paar rare woorden en de puzzel was af.
”Wat heb je nu gewonnen?” vroeg hij aan de tijdgeest.
”Niets. We deden het gewoon om de eer. Eens in de honderd jaar hebben wij een bijeenkomst van alle tijdgeesten en nu kan ik laten zien dat ik méér kan dan mijn collega’s denken. En jij? Wat ga jij met dat kistje doen?”
”Naar mijn baas brengen,” zei Pandoeris. ”Dan hoop ik te bewijzen dat ik met hard werken een eigen bedrijf kan opbouwen.”
”Ach ja,” zei de tijdgeest. ”De tijd zal het leren. Wees in ieder geval tevreden met wat je hebt.”
”Dat zal ik zeker doen,” zei Pandoeris en keek tevreden naar het kistje dat hij in zijn rugzak stopte.

Hoofdstuk 15

Author: jeroenstamgast

Een zwaard en een zwaardvechter binden met elkaar de strijd aan terwijl Pandoeris daar tegen wil en dank aan deelneemt.

Die avond had Pandoeris zichzelf maar eens getrakteerd op een overnachting in een herberg, van het geld dat hij bij het rondreizend gezelschap verdiend had.
Hij had net redelijk lekker gegeten en bestudeerde de landkaart.
Tot zijn voldoening zag hij dat hij flink was opgeschoten en hij verheugde zich al op een goede nachtrust.
Dat had hij wel verdiend, na alles wat hij in korte tijd had meegemaakt.
Hij verbaasde zich erover dat hij zich er zo kranig doorheen had geslagen.
Echt leuk vond hij het nu allemaal ook weer niet maar aan de andere kant groeide hierdoor wel zijn zelfvertrouwen.
Voor het eerst in zijn leven was hij echt tevreden over zichzelf.
Dit was een gemoedstoestand die hij nog niet eerder meegemaakt had en hij voelde zich er ronduit gelukkig bij.
Plotseling zwaaide de deur van de herberg open en een verlate gast stapte luidruchtig binnen.
”Goedenavond allemaal!” riep hij uit als een toneelspeler die zich tot de zaal richt.
Alle aanwezigen stopten met hun bezigheden en riepen, bijna in koor: ”Goedenavond heer IJzervreter!”

Heer IJzervreter keek de gasten een voor een aan tot zijn blik op Pandoeris bleef rusten die nog in gelukzalige toestand met zichzelf verkeerde en geen  aandacht aan hem schonk.
Dat beviel heer IJzervreter klaarblijkelijk niet want hij kwam dreigend op de nietsvermoedende Pandoeris af.
De andere gasten keken verschrikt naar Pandoeris en eentje siste hem zelfs toe: ”Groet dan toch, sufferd.”
Het woordje ’sufferd’ deed Pandoeris uit zijn dagdroom ontwaken.
Had iemand het soms tegen hem?
”Ik zei iets tegen je,” sprak heer IJzervreter dreigend tegen Pandoeris.
”Dat merk ik,” zei Pandoeris verstoord. ”Maar hoe weet u dat ik een sufferd ben?…Eh…ik bedoel: u hoeft me toch niet zomaar ’sufferd’ te noemen. Dat slaat toch nergens op.”
”Wat?!” brulde heer IJzervreter woedend, ”Eerst ben je zo onbeleefd om me niet te groeten en nu durf je me nog vals te beschuldigen ook?!”
Pandoeris schrok zich een hoedje.”
”Zei u dat niet dan?”
”Nee!” donderde heer IJzervreter. ”En nu is het te laat: je hebt me beledigd. Ik ben een man van eer en ik daag je uit tot een duel!”
Hij trok zijn zwaard.
”Verdedig je!”
Pandoeris wist niet hoe hij het had.
”Ik heb niets om me mee te verdedigen,” piepte hij.
”Dat is waar,” sprak heer IJzervreter. ”Ik zal een zwaard voor je halen.
Ik ben tenslotte een man van eer.”
Hij draaide zich om en wandelde naar buiten, waar hij zeker nog een paar zwaarden in voorraad hield.
De herbergier snelde naar Pandoeris toe.
”Wilt u alvast even betalen? Dan is dat maar geregeld, ziet u.
O ja, als u nog een begrafenisondernemer nodig heeft: ik ken een hele goede. Een neef van mij die…”

”Wie is die heer IJzervreter?” onderbrak Pandoeris hem.
”Heer IJzervreter is een afstammeling van een beroemde ridderfamilie en hij is rijk en machtig. En hij kan er absoluut niet tegen als iemand onbeleefd tegen hem is.”
”Hier is je zwaard!” bulderde heer IJzervreter die inmiddels weer terug was en Pandoeris een enorm zwaard toewierp.
Pandoeris probeerde het gevaarte op te vangen maar greep mis en het wapen viel kletterend op de grond.
Dat begint al goed, dacht Pandoeris.
Hij had natuurlijk geen schijn van kans tegen deze vechtjas.
Ondertussen werden tafels en stoelen aan de kant geschoven zodat de strijd zich in het midden van de herberg kon afspelen.
De gasten gingen in een kring zitten en leken er wel zin in te hebben.
Pandoeris had het zwaard opgeraapt en had alleen al moeite om het in de lucht te houden, zo zwaar woog het.
”Mag ik iets vragen?” vroeg Pandoeris beleefd want hij had inmiddels wel begrepen dat heer IJzervreter daar bijzonder op gesteld was.
”Natuurlijk, ik ben een man van eer. Ik geef mijn tegenstanders altijd graag de gelegenheid daartoe.”
”U bent natuurlijk een groot strijder die te allen tijde in staat is om het zwaard ter hand te nemen,” sprak Pandoeris zalvend.”Maar ik heb altijd wat tijd nodig om me voor te bereiden. Misschien dat Uwe Hoogheid mij daartoe ook de gelegenheid wil geven?”
”Ik ben een man van eer,” sprak zijne hoogheid.”Hoeveel tijd denk je nodig te hebben?”
”Ik zou me graag tien minuten op mijn logeerkamertje willen terugtrekken als het kan.”
Dat moet toch lang genoeg zijn om via het raam te ontsnappen en het donkere bos in te vluchten, dacht Pandoeris.
”Ik ben een man van eer. Je krijgt van mij de gelegenheid om je voor te bereiden. Dan zal ik de mensen hier ondertussen nog eens laten zien wat ik allemaal met een zwaard kan doen.”
Pandoeris ging de trap op en sleepte het zwaard lusteloos achter zich aan terwijl heer IJzervreter onder luid applaus in één slag vier kaarsen van hun lont ontdeed.
Zenuwachtig opende Pandoeris het raam van zijn kamertje en stak zijn hoofd naar buiten.
Zijn zenuwachtigheid sloeg direct om in angst toen hij zag dat naar beneden springen op deze hoogte gelijk stond met het plegen van zelfmoord en naar beneden klauteren ging ook niet omdat hij geen enkel houvast kon vinden.
Wanhopig ging hij op de rand van zijn bed zitten en bladerde in zijn toverschriftje.
Misschien dat hij daar nog iets in kon vinden dat hem helpen kon.
En inderdaad: hij vond een spreuk waarmee hij wapens onoverwinnelijk kon maken. Voor een kwartiertje dan.
Pandoeris kreeg weer een sprankje hoop, kroop onder het bed en zegde de spreuk op.
Zoals gewoonlijk vielen er weer de nodige bakstenen op de grond maar met het zwaard gebeurde ook iets.
Het leek even licht te geven en kwam tot Pandoeris’ grote verbazing iets van de grond.
Zou het hem dan tóch gelukt zijn?
Hij kon het bijna niet geloven.
Hij kroop onder het bed vandaan en pakte het zwaard bij het handvat.
Het voelde heel licht aan en het leek wel of het een eigen leven ging leiden.

Sterker nog: het zwaard begon gewoon zijn eigen gang te gaan en zweefde de kamer uit, Pandoeris met zich meetrekkend.
Deze wou van schrik het zwaard loslaten maar ontdekte dat dat niet meer ging.
Zijn hand leek wel vastgelijmd.
Het zwaard zweefde de trap af en Pandoeris struikelde er onhandig achteraan.
Beneden was het stil.
”Wat was dat boven voor lawaai daarnet?” vroeg heer IJzervreter argwanend. ”We schrokken ons een ongeluk.”
”Eh… Ik maak altijd een beetje lawaai als ik me voorbereid op een zwaardgevecht,” verzon Pandoeris en keek naar zijn hand die willoos het zwaard volgde dat zich gereed maakte voor de strijd.
”Ben je klaar om te beginnen?” vroeg heer IJzervreter.
Nou, dat kan je beter aan het zwaard vragen, dacht Pandoeris en keek toe hoe het wapen met zijn arm eraan omhoog ging.
Heer IJzervreter wilde in stijl beginnen maar Pandoeris, of beter gezegd zijn zwaard, was hem voor.
Het begon links en rechts op heer IJzervreter in te hakken en deze had de grootste moeite om het zwaard van zich af te houden.
Het publiek wist niet wat het zag.
De onoverwinnelijk geachte heer IJzervreter bleek geen partij te zijn voor deze onbekende kleine grootheid.
Steeds verder werd hij teruggedrongen tot hij tenslotte met zijn rug tegen de grote staande klok stond en op het punt gekomen was om zich over te geven.
Maar het betoverde zwaard kende geen genade en stak meedogenloos toe.
Heer IJzervreter dook nog maar net op tijd opzij, beukte met zijn hoofd tegen een tafel en bleef bewusteloos op de grond liggen.
Als het zwaard hem nu maar niet doodmaakt, dacht Pandoeris angstig.
Maar dat had inmiddels al een nieuwe vijand gevonden.
Als een razende begon het op het slingeruurwerk in te hakken tot de slinger tenslotte met een sierlijke zwaai tegen de grote olielamp, die in het midden van de zaak hing, vloog.
Door de klap bewoog de lamp heen en weer en het zwaard meende opnieuw een vijand gevonden te hebben.
De arme Pandoeris keek eerst toe hoe het zwaard, met zijn arm eraan, de lamp in stukken en brokken sloeg en keek toen naar het publiek dat hem doodstil en met stomheid geslagen, aanstaarde.
Eindelijk had de lamp, naar de mening van het zwaard, de strijd opgegeven en viel de arm van Pandoeris stil.
Pandoeris ademde zwaar en begreep dat hij een uitleg moest geven omdat men hem anders misschien van tovenarij zou verdenken en dat was iets wat door de gewone mensen niet op prijs werd gesteld.
En zeker niet door heer IJzervreter.
”U vraagt zich natuurlijk af waarom ik na mijn overwinning nog even doorging,” sprak hij tot het publiek. ”Nou, dat komt omdat ik mij tijdens de strijd altijd zó concentreer dat ik daarna nog even een paar slagen extra moet geven om me af te reageren.”
Pandoeris, die wel doorhad dat het niet erg overtuigend klonk, wiste zich het zweet van het voorhoofd.
Het zwaard ontdekte die beweging en voelde zich meteen aangevallen.
Even leek het erop of Pandoeris’ rechterhand met het zwaard, de linker te lijf wilde gaan.
Gelukkig kwam net het hondje van de herbergier met een stuk vlees in zijn bek uit de keuken stappen.
Het zwaard had het hondje waargenomen en vloog erop af, Pandoeris met zich meesleurend.
”En aan honden heb ik een vreselijke hekel!” schreeuwde hij tegen het verbaasde publiek. ”Haal hem weg of ik doe hem wat!”
Het hondje rende keffend terug de keuken in, gevolgd door een agressief zwaaiend zwaard en Pandoeris.
Ze mochten dan weldra uit het gezicht verdwenen zijn, te horen waren ze nog wél.
Uit de keuken was een oorverdovend lawaai te beluisteren van een keffende hond, het gekletter van een zwiepend zwaard en het gerinkel van vallende potten en pannen.
Daarna volgde een stilte die nog angstaanjagender was dan de herrie van daarvóór.
Na een poosje verscheen Pandoeris weer in de deuropening, zonder zwaard dit keer.
”Zo,” sprak hij opgelucht. ”Ik ben weer helemaal mijzelf. Wat mij betreft is het nu: zand erover!”
De herbergier keek verschrikt op en Pandoeris zag het.
”Niet over uw hondje hoor. Die is door een openstaand raampje ontsnapt. Als u hem nou gewoon uit mijn buurt houdt, is er niets aan de hand.”
Pandoeris liep naar de bar waar iedereen angstig plaats voor hem maakte.
”Ik wil nog een beker warme melk en dan ga ik maar eens lekker onder de wol,” zei hij zo normaal mogelijk.
”Die krijgt u gratis van mij,” zei de herbergier vlug. ”En laat de rest van de rekening ook maar zitten. Eh, u gaat morgen weer eens verderop, neem ik aan?”
”Ja,” geeuwde Pandoeris. ”Ik verveel me hier een beetje.”
”Ik kan het me voorstellen,” beaamde de herbergier. ”Het is hier erg saai. Er gebeurt bijna nooit wat.”
Even leek er toch nog wat gaan te gebeuren toen heer IJzervreter zich met een enorme bult op zijn hoofd bij Pandoeris meldde.
Deze deed zijn best om hem zo nonchalant mogelijk aan te kijken.
”Ik moet zeggen,” sprak heer IJzervreter bewonderend,” dat u een voortreffelijk zwaardvechter bent. Als een man van eer is het mijn plicht u dat eerlijk mede te delen.”
Hij gaf Pandoeris een stevige hand en wandelde met opgeheven hoofd naar de deur.
Daar draaide hij zich om en nam met een breed armgebaar afscheid van de gasten in de herberg.
”Goedenavond allemaal!” sprak hij op zijn bekende luide toon alsof er niets gebeurd was.
”Goedenavond heer IJzervreter!” riepen de gasten in koor.
Deze keer zorgde Pandoeris ervoor dat hij bij het groetende koortje hoorde.