Archive for the ‘Tijl Uilenspiegel’ Category

Scène 8

Author: jeroenstamgast

Tijl en de geleerde ezel

 

 

VERTELLER: In de nu volgende scène ontmoet Tijl een leuk meisje, Nele genaamd.
In het verhaal van Charles de Koster komt zij in het begin al voor en is het zijn vaste vriendin.
De moeder van Nele is overigens gek geworden na de uitgebreid beschreven martelingen die zij moest ondergaan.
Bij ons is daar natuurlijk geen sprake van. Stel je voor!

 

 

Tijl, de waard en de professor (met zijn neus in de boeken) zitten aan tafel.

 

WAARD: Wat kijk je somber, Tijl. Is er iets?
TIJL: Ach, ik weet het niet…
WAARD: Wat weet je niet?
TIJL: Wist ik het maar.
PROFESSOR: Heren, als jullie geen gesprek op niveau kunnen houden, doe het dan niet.
TIJL: (fluisterend) Wie is dat?
WAARD: Dat is de professor. Die komt elk jaar een paar maanden college geven aan de universiteit. Hij is zeer geleerd.
PROFESSOR: Zelfs jullie gefluister stoort me! Ik ga wel verderop zitten.
TIJL: Hij is niet alleen geleerd maar nog slim ook! Als je wilt studeren moet je  niet in een herberg aan één tafel met klanten gaan zitten. Dat heeft hij toch maar goed door. Briljant!
WAARD: Heb je het niet meer naar je zin in onze stad?
TIJL: Ach, weet je, ik wilde hier een nieuwe start maken, een nieuw leven opbouwen. Maar in deze stad is iedereen net zo dom, vervelend of opschepperig als bij ons in Damme. Nou kan ik natuurlijk wel weer naar een andere stad gaan maar daar zal ik wéér  hetzelfde tegenkomen. Bovendien begin ik een beetje heimwee te krijgen. Ik zou er bijvoorbeeld veel voor over hebben als mijn moeder plotseling zou binnenstappen.
WAARD: Tja, dat gebeurt alleen in boeken of toneelstukken.

 

Dan stapt volkomen onverwacht de moeder van Tijl binnen, samen met een meisje.

 

TIJL: Nou, dan is dit zeker een boek of een toneelstuk! Moeder!!

 

Tijl springt op en omhelst zijn moeder.

 

TIJL: Wat ben ik blij om u te zien! (ziet dan het meisje dat hem lief aankijkt)  O, eh… hallo.
NELE: Hallo. (lacht)
MOEDER: Dit is Nele. Dat is een dochter van een vriendin van mij. Ze heeft vroeger als klein meisje wel eens bij ons gelogeerd. Misschien ken je haar nog wel. Ze is natuurlijk wel erg veranderd want ze is natuurlijk ouder geworden. Vroeger hebben jullie nog samen in de zandbak gespeeld en… Tijl! Luister je nog wel? Tijl en Nele kijken elkaar doordringend aan)
Tijl! (wappert met haar hand voor zijn ogen)
NELE: Je moeder zegt iets tegen je, Tijl.
TIJL: Ja, nee, natuurlijk. Dat vind ik ook hoor. Ahum, wat komen jullie eigenlijk hier doen?
MOEDER: Nele komt bij ons in Damme werken. Ze heeft daar een goede betrekking gevonden. Ze komt voorlopig bij mij in huis wonen tot ze iets voor zichzelf gevonden heeft.
NELE: Je moeder kwam mij ophalen en ze vertelde mij dat je tegenwoordig hier woont. En omdat we toch in de buurt waren, besloten we even langs te gaan.
TIJL: Wat een goed idee zeg! En weet je wat nou zo toevallig is? Dat ik net van plan was om terug naar Damme te gaan.
NELE: Leuk! Dan kan je met ons mee reizen. Gezellig!
PROFESSOR: Willen jullie nou eindelijk eens ophouden met die stompzinnige gesprekken! Ik kan me niet concentreren.
TIJL: En wat is er dan zo belangrijk dat wij stil moeten zijn?
PROFESSOR: Ik bestudeer de Nederlandse taal en onderwijs dat aan mijn studenten aan de universiteit.
TIJL: Nederlands? Dat spreekt toch iedereen. Niets aan!
PROFESSOR: Maar om dat goed aan de studenten over te brengen is moeilijk en vereist een doortimmerde pedagogiek.
TIJL: Niets aan! Ik kan zelfs een ezel het alfabet leren.
PROFESSOR: Een ezel?
TIJL: Ja, een ezel. Geef me een week de tijd en ik wed om duizend florijnen dat ik die ezel een deel van het alfabet geleerd heb. Voor het hele alfabet heb ik méér tijd nodig.
BURGEMEESTER: Ik heb wel een ezel voor je te leen. Dat wil ik wel eens zien. Deze keer overschat je jezelf, m’n beste Tijl!
BANKDIRECTEUR: En ik heb duizend florijnen voor je als het je lukt. Maar denk erom: als het je niet lukt, krijg ik duizend florijnen van jóu.
NELE: Doe het niet, Tijl. Je kunt een ezel toch geen letters leren.
MOEDER: Tijl, wees verstandig!
TIJL: Geef me die ezel maar te leen. Dan zal ik hem binnen een week een deel van het alfabet leren. Over precies een week om dezelfde tijd zal ik hier zijn om dat te bewijzen. Kom mee, moeder en Nele. Dan zal ik jullie gezellig de stad eens laten zien.

 

 

Ze gaan af, gevolgd door de anderen.

 

 

Een week later. Tijl zit klaar met een ezel, moeder en Nele. Alle inwoners van de stad druppelen binnen.

 

 

TIJL: Geachte aanwezigen! Iedereen van harte welkom! Zoals jullie weten heb ik deze ezel een deel van het alfabet geleerd. Omdat een week natuurlijk erg kort is, heb ik gekozen voor twee letters. De professor heeft een hele ingewikkelde studie achter de rug om met zijn studenten te kunnen werken. Ik heb met mijn student genoeg aan suikerklontjes. Let op!

(wijst op een dik boek waar de letters  I  en A  op staan)

EZEL: (balkt) i-a!
TIJL: Ziet u wel? Niets aan!

 

 

Het publiek lacht, behalve de professor en de bankdirecteur.

 

 

BANKDIRECTEUR: Iedereen kan een ezel i-a laten zeggen. Daar geef ik geen duizend florijnen voor!
TIJL: O ja? Probeer het dan eens.
BANKDIRECTEUR: Zeg i-a stomme ezel! (ezel doet niets) I-a! I-a! Kom op: zeg i-a!
TIJL: U moet dat niet zeggen, maar de ezel! Let op! (geeft de ezel suikerklontjes)
EZEL: I-a!
TIJL: Ziet u wel? Hiermee is het bewijs geleverd. Dat kost u duizend florijnen, directeur. En van die duizend florijnen bied ik iedereen een gratis drankje aan, waarmee ik mijn afscheid van deze stad aankondig. Ik ga met mijn moeder en mijn vriendin Nele terug naar Damme.

 

 

Alle aanwezigen, behalve de bankdirecteur, juichen en applaudisseren.

 

 

De verteller komt op en sluit af.

 

 

VERTELLER: En hiermee is ons toneelstuk afgelopen. Misschien is het leuk om nog iets over de begrafenis van Tijl te vertellen. Hij bakt dan zijn laatste poets. In zijn testament maakt hij een deel van zijn bezit over aan zijn vrienden, een deel aan de raadsheren van de stad en een deel aan de pastoor. Alles had hij in een kist gestopt, die pas na zijn begrafenis opengemaakt mocht worden. Toen na de begrafenis eindelijk de kist opengemaakt werd, bleken er alleen maar stenen in te zitten. Alle erfgenamen verdachten elkaar ervan dat zij de oorspronkelijke rijkdommen eruit gehaald hadden en de stenen daarvoor in de plaats hadden gestopt. Ze kregen een hevige ruzie die duurde tot het aanbreken van de nieuwe dag. En zo had Tijl, de minst dwaze van allemaal, zelfs na zijn dood de mensen nog voor de gek gehouden…

En dan is nu de tijd gekomen om weer over te gaan tot de dwaasheid van alle dag.

 

Scène 7

Author: jeroenstamgast

De smid houdt Tijl voor de gek en Tijl houdt de smid voor de gek.

 

 

VERTELLER: De mensen in de stad krijgen een beetje genoeg van de grappen van onze held. In het serieuze boek trekt hij telkens verder naar streken waar ze hem nog niet kennen. Vaak wordt hij daarbij vergezeld door een letterlijk zeer dikke vriend, Lamme  Goedzak geheten, die zijn vrouw zoekt die verdwenen is. Samen beleven ze leuke maar ook gruwelijke avonturen. Regelmatig straffen zij handlangers van het officiële gezag af en moeten dan weer maken dat ze wegkomen. In ons stuk gaat alles veel gemoedelijker.

 

 

 

 

Een aantal gasten zitten in de herberg rond een tafel.

 

 

BURGEMEESTER: Die Tijl Uilenspiegel begint het nu écht te bont te maken. De hele stad heeft last van zijn vervelende grappen en grollen. Zelfs ík, de burgemeester, moet er af en toe aan geloven.
BANKDIRECTEUR: Is daar nou niets aan te doen, burgemeester?
BAKKER: Ja, kunnen we niet zorgen dat hij ophoudt of gewoon verdwijnt?
DOKTER: Het is toch te gek voor woorden dat die Uilenspiegel maar ongestraft zijn gang kan gaan!
BURGEMEESTER: Zolang hij niet iets strafbaars doet, kunnen we hem niets maken. We zullen iets anders moeten verzinnen. Wie weet er iets?
WAARD: Wat zouden jullie zeggen van een biertje?
DOKTER: Hm, ja, Eén nog dan.
BANKDIRECTEUR: Wacht eens! 

 

Op dat moment komt de smid binnen

 

WAARD: Wou u geen biertje meer?
BANKDIRECTEUR: Ja, natuurlijk wel. Nee, ik bedoel: ik weet iets. Hé smid!
SMID: Hé bankdirecteur!
BANKDIRECTEUR: Smid, luister eens. We willen die vervelende Tijl Uilenspiegel eens een toontje lager laten zingen. Nou ben jij zelf een beetje een grappenmaker. Weet jij niet iets waar we hem mee kunnen pakken?
BAKKER: Een koekje van eigen deeg, als het ware.
DOKTER: Natuurlijk! Dat is het! We moeten de vijand met zijn eigen wapenen bestrijden.
BURGEMEESTER: We moeten hem eens goed in de maling nemen. Dat zal hem leren!
SMID: Tja, dat valt niet mee, hoor. Die Uilenspiegel is sluw.
WAARD: Hier. Neem een biertje. Misschien helpt dat.
SMID: Nou, misschien weet ik iets. Kunnen jullie morgen om kwart voor 12 bij mij thuis zijn?
ALLEN: Ja.
BURGEMEESTER: Wat ben je van plan?
SMID: Dat zult u wel merken.

 

Op dat moment komt Tijl binnen.

 

SMID: Kijk nou eens: als je het over de duvel hebt…Gaan jullie even weg.

 

 

 Tijl ziet iedereen van tafel gaan, kijkt ze na en gaat bij de smid zitten.

 

 

 TIJL: Hm, Iedereen gaat weg. Vinden ze me niet aardig meer?
SMID: Nou, dat zal wel meevallen, Tijl. Ik heb in ieder geval geen hekel aan je. Ik hou zelf ook wel van een grapje. Ik ben eigenlijk wel benieuwd naar al die grappen die je uitgehaald hebt. Weet je wat! Wil je morgen om twaalf uur bij me eten? Als je kúnt natuurlijk.
TIJL: Ja, natuurlijk wel. Als je dat leuk vindt.
SMID: Ik denk dat het erg leuk wordt. Tot morgen dan! (verlaat het podium)
TIJL: Iedereen gaat weg. Ook gezellig! Nou, dan ga ik ook maar.(gaat ook af)

 

 

 

De volgende dag belt Tijl aan bij de deur van het huis van de smid.

 

 

 

TIJL: Hm, zeker niet gehoord. Nog maar eens bellen.

TIJL: Zijn ze soms doof? Ik hoor anders wel veel lawaai achter die deur. Eens door het raam kijken. (doet dit) Zo, ik ben niet alleen uitgenodigd. Die smid heeft een tafel vol met gasten. En veel lekker eten trouwens. Ik zal eens op het raam kloppen. (doet dit) Horen ze nou niets of hoe zit dat! Hé, dove kwartels! Ik heb ook honger! Nou ja! Ze kijken naar me en lachen alleen maar. Wat is dat nou voor een onzin! O, de smid staat op en gaat naar de deur. Zou hij dan tóch open doen?
SMID: Ha die Tijl! Wat kom jij doen?
TIJL: Je had me uitgenodigd om te eten, weet je nog?
SMID: Ik had gezegd: kom bij me eten als je kúnt. Nou, je kunt niet want ik laat je er niet in! Ha ha ha! (doet de deur voor Tijls neus dicht)
TIJL: Nou, sta ik mooi even voor aap. Ik denk dat ik maar eens een rondje om ga.

 

 

 

De  gasten verlaten nét het huis als Tijl weer langs komt.

 

 

 

BURGEMEESTER: Ha die Tijl! Lekker gegeten, kerel!
BANKDIRECTEUR: Je hebt een heerlijke gratis maaltijd gemist, lolbroek!
BAKKER: Een koekje van eigen deeg! Smaakt dat ook?
DOKTER: Ja, hoe voelt het om nou zélf eens in de maling genomen te worden?
WAARD: Sorry, Tijl. Maar als je altijd iedereen altijd in de maling neemt, kun je er op wachten dat ze het een keer terug doen.
TIJL: Hoi, smid! Gefeliciteerd man! Het is je gelukt. Je hebt me er echt in laten lopen.
SMID: Je bent niet boos op me?
TIJL: Welnee,man! Ik kan wel tegen een grapje, hoor. En, eerlijk is eerlijk: het is knap van je dat het je gelukt is. Dat kunnen niet veel mensen zeggen.
SMID: Weet je wat! Ik wil het weer goed maken. Kom vanavond om acht uur bij me eten.
TIJL: Bedankt voor het aanbod maar ik eet niet zo lekker als er zoveel mensen bij zijn.
SMID: Als dat zo is, dan beloof ik je dat je vanavond alléén aan tafel zult zitten.
TIJL: Nou, als ik alleen kan zitten dan kom ik graag.
SMID: Vrouw! Tijl eet vanavond mee!
VROUW SMID: Goed hoor!
SMID: Tot vanavond dan, Tijl! Ik ga nu naar de smederij want ik heb een hoop te doen.

 

 

 

Tijl wacht tot de smid weg is en belt dan aan.

 

 

 

VROUW SMID: Wat ben jij vroeg, Tijl. Je zou toch pas vanavond komen?
TIJL: Dat weet ik maar je man vraagt of je direct even wil komen. Het is heel belangrijk.
VROUW SMID: Vreemd. Wat is het dan?
TIJL: Dat weet ik niet. Hij ging meteen dóór naar de smederij. Het had wél haast, zei hij nog.
VROUW SMID: Nou ja, dan ga ik maar. Ach, vergeet ik de deur dicht te doen.
TIJL: O, die doe ik wel even dicht. (wacht tot ze uit het zicht is)  Zo, en nou ga ik voor mezelf een heerlijke maaltijd bereiden. (gaat het huis in en sluit de deur achter zich)

 

 

 

De smid en zijn vrouw komen gehaast terug.

 

 

 

 

SMID: Volgens mij voert die Tijl Uilenspiegel iets in zijn schild. Ik had helemaal niets tegen hem gezegd. Je had niet naar hem moeten luisteren.
VROUW SMID: Dat weet ik toch ook niet. Als jij iemand uitgenodigd hebt, denk ik natuurlijk dat het wel in orde is.
SMID: Ik vrees het ergste.
VROUW SMID: De deur is inderdaad dicht.
SMID: (kijkt door het raam) Moet je nou eens kijken! Hij zit daar binnen te schransen van ons lekkerste eten dat we zouden bewaren voor als er eens iets heel speciaals was. Hé! Doe open!
VROUW SMID: Hij eet gewoon door.
SMID: Doe open of ik sla het raam in!
VROUW SMID: Als je dat maar laat! Het is óns raam.
SMID: Moet ik dan staan toekijken hoe hij onze kostbare voedselvoorraad er doorheen jaagt! Moet je kijken: hij maakt net een hele dure fles wijn open!
VROUW SMID: Nou wordt ie helemaal mooi! Hij proost naar ons!
SMID: Ik trap die deur in!
VROUW SMID: Ben je gek! Dat is ónze deur!
SMID: Dan zit er niets anders op dan te wachten.
VROUW SMID: Laten we maar even naar de herberg gaan. Dat kan nog wel even duren…

 

 

 

 

Gaan af en komen even later terug.

 

 

 

SMID: Ik ben benieuwd of hij nou open doet. (belt aan, waarna Tijl inderdaad de deur opent)
TIJL: Ha die smid! Dag mevrouw. Ik heb heerlijk gegeten.
SMID: Ik denk dat ik jou maar eens even in elkaar ga timmeren!
TIJL: Ho ho! Waarom? Je had beloofd dat ik alléén aan tafel mocht eten. Nou, dat heb ik gedaan.
SMID: Ja, nou, ik…
VROUW SMID: Heb je dat tegen hem gezegd?
SMID: Ja, maar…
VROUW SMID: Dan heeft hij je gewoon teruggepakt.
TIJL: Ja, je kunt toch wel tegen een grapje, net als ik.
SMID: Je zou om acht uur komen.
TIJL: Als ik alleen eet maakt het toch niet uit hoe laat ik dat doe. Nou, bedankt voor de maaltijd. Wat mij betreft heb je het weer helemaal goed gemaakt. Tot ziens!

 

 

 

Tijl wandelt tevreden weg en de smid en zijn vrouw gaan beteuterd naar binnen.

 

 

 

Scène 6

Author: jeroenstamgast

Tijl probeert te vliegen.

 

 

Tijl kijkt met een ernstig gezicht naar de daken van de huizen.

 

 

KOK: Zo Tijl. Kijk je soms of er honden- en kattenbroden naar beneden komen vallen?
TIJL: …
KOK: Hé, ik vraag je wat!
TIJL: Hm.
KOK: Wat is daar toch te zien?

 

Boer 1 en boer 2 komen aanlopen.

 

KOK: Zien jullie wat daarboven?
BOER 1: Ja, daken van huizen.
KOK: Dat bedoel ik niet. Zie je iets bijzonders?
BOER 1: Nee, waarom vraag je dat?
KOK: Omdat die Uilenspiegel steeds maar naar boven kijkt, maar hij zegt niet waarom. Hij lijkt wel in trance. Wat vind jij daar nou van?
BOER 2: Het is best.
VROUW: O, ben je hier? Ik zocht je al. O nee! Je gaat toch niet wéér dwepen met die Uilenspiegel, hè!
BOER 1: Zie jij iets daarboven?
VROUW: Nee. En jij?
BOER 1: Ik ook niet.
VROUW: Wat een onzin. Wat vind jij daar nou van?
BOER 2: Het is best.
KRINGSPIER: Hé Tijl, dat brood heeft mooi niet geholpen hoor. Ik heb nog steeds buikpijn.
TIJL: …
KRINGSPIER: Hé! Ik zeg iets tegen je!
TIJL: Hm.
KRINGSPIER: Waar zit hij naar te staren?
KOK: Ik weet het niet maar het is vast iets bijzonders want hij houdt zijn ogen er niet vanaf.
KNARS: Wat is daar te zien?
VROUW: Helemaal niets, volgens mij. Dat is vast weer een streek van die zogenaamde grapjas.
KNARS: Maar iedereen kijkt wél. Dus er moet toch íets zijn. Trouwens, als ik zo naar boven kijk, heb ik minder last van mijn hoofdpijn.
TOETER: Hé, wat is daar te zien?
BLIND: Hoe weet ik dat nou! Ik zie toch niets.
TOETER: Wat zeg je?
BLIND: Ik zie niets.
TOETER: Praat eens wat harder. Ik hoor niets.
BLIND: Ik zie niets!
TOETER: Ik hoor niets!
KRINGSPIER: Stop eens met dat geschreeuw! Ik kan me niet concentreren.
BLIND: Waarop concentreer je je dan?
KRINGSPIER: Daarboven schijnt iets te zijn maar ik weet niet wát.
BLIND: Ik zie tóch niets of ik me nou concentreer of niet.
VAN PUFFELEN: Wat is daar te zien?
BOER 1: Iets heel bijzonders, maar ik moet nog uitzoeken wát.
VAN PUFFELEN: Moet je dáár eens kijken.
VAN BREUKELEN: Waar?
VAN PUFFELEN: Iedereen kijkt naar boven. Waar zou het zijn, denk je?
VAN BREUKELEN: Boven?
VAN PUFFELEN: Heel goed.
VAN BREUKELEN: Nou ja, het zál wel.
DOKTER: Wat is daar te zien?
KRINGSPIER: Ha dokter! Goed dat ik u zie. Kan ik weer eens op spreekuur komen? Die buikpijn gaat maar niet over.
DOKTER: Eh, ja. Kom morgen dan maar weer.
KNARS: O, dan willen wij ook wel. Nietwaar, vrienden?

 

Alle patiënten reageren enthousiast.

 

DOKTER: (zucht) Kom morgen allemaal maar. Dan is mijn ziekenhuis tenminste weer helemaal vol.

 

De lakei, de waard, de bankdirecteur en de bakker komen ook naar boven kijken. Tenslotte komt de burgemeester.

 

BURGEMEESTER: Tijl Uilenspiegel! Wat is hier aan de hand? Eerst zie ik vanuit het stadhuis alleen jou naar boven kijken en de een na de ander komt erbij staan en begint ook te kijken, Wat is dat voor grappenmakerij? Wat is daar te zien?
TIJL: Niets, burgemeester.
BURGEMEESTER: Ja ja. Er is dus niets te zien. Waarom kijk  je dan naar boven?
TIJL: Nou, ik vraag me af of het zou lukken om van daaraf naar beneden te vliegen.
BURGEMEESTER: Ja ja. Volgens mij zíe jij ze vliegen!
TIJL: Nee, écht! Ik wil dat wel eens proberen. Alleen ik heb wat geld nodig voor de voorbereidingen.
DIRECTEUR: Van mij kan je tien florijnen krijgen. Ik wil jou wel eens op je snufferd zien stuiteren. Mijn achterwerk doet nog steeds zeer van dat halve loon van je.
BAKKER: Ik geef ook tien florijnen!
LAKEI: Ik geef één florijn
WAARD: Ik geef twintig florijnen. Tenslotte ben je een goede klant van me, dus dat geld komt wel weer terug. 
TIJL: Burgemeester, zou u, als betrouwbaar persoon, voor mij dat geld willen inzamelen?

 

 

De burgemeester doet dit.

 

 

TIJL: Ja, dit is wel voldoende, denk ik. Ik ga nu proberen te vliegen.

 

 

Tijl gaat naar boven op een ladder, zwaait een tijdje met zijn armen en komt dan weer naar beneden.

 

 

TIJL: Ik heb het geprobeerd, burgemeester. Maar het lukt niet.
BURGEMEESTER: Zeg eens, Tijl. Je bedriegt ons nu want je had gezegd dat je zou vliegen.
TIJL: Nee burgemeester. Ik heb gezegd dat ik zou probéren te vliegen. Welnu, ik heb het geprobeerd en kom tot de conclusie dat het niet lukt.
BURGEMEESTER: En al dat geld dan dat je nodig had voor de voorbereiding? Waar had je dat dan voor nodig?
TIJL: Ze zeggen wel eens: met geld krijg je álles gedaan. Nou, ik heb nu dus bewezen dat dat niet waar is.
BOER !: Ik wil mijn geld terug!
VROUW: Schei uit. Jij bent de enige die niets gegeven heeft.

 

 

Alle anderen roepen nu ook dat ze hun geld terug willen.

 

 

TIJL: Ho! Ho! Burgemeester, u staat als burgervader boven de partijen. Ik wil graag uw mening weten. Heb ik gezegd dat ik zóu vliegen of dat ik zou probéren te vliegen?
BURGEMEESTER: Hm…probéren te vliegen.
TIJL: En hebben al deze mensen het geld vrijwillig gegeven of niet?
BURGEMEESTER: Hm, ze hebben het geld inderdaad vrijwillig gegeven.
TIJL: Dan ben ik dus niemand iets schuldig en wens ik iedereen verder een plezierige dag toe. Tot ziens!

 

 

Tijl wandelt weg terwijl de boze mensen door de burgemeester tegengehouden worden.

 

 

BURGEMEESTER: Halt! Hoe vervelend het ook is, die Uilenspiegel heeft gelijk. We kunnen hem niets maken. Ik moet u helaas dan ook dringend verzoeken om hem met rust te laten.

 

 

Iedereen gaat mopperend af.  

 

 

Scène 5

Author: jeroenstamgast

Tijl bakt honden en katten

 

 

 

Een bakker is bezig met brood bakken.

 

 

 

TIJL: Goedemorgen bakker.

BAKKER: Jij bent toch Tijl Uilenspiegel, niet?

TIJL: Inderdaad en ik wou vragen of u voor mij een baantje heeft als bakkersknecht.

BAKKER: Ik dacht dat jij wonderdokter was.

TIJL: Nou, het wonderlijke met mij is, dat ik van alle markten thuis ben. Ik wil me niet in één beroep vastleggen, ziet u.

BAKKER: Nee, dat zie ik niet zo goed.

TIJL: Als ik te lang met één ding bezig ben, gaat het me vervelen. Maar ja, het geld is op en er moet brood op de plank dus een baantje als bakkersknecht lijkt me wel wat.

BAKKER: Tja, mijn vorige knecht is net vertrokken dus ik heb inderdaad een baantje maar ik weet niet of jij daar nu wel de meest geschikte kandidaat voor bent.

TIJL: Ach, het is maar voor een tijdje. Als u een nieuwe knecht gevonden hebt, of gewoon genoeg van mij heeft, dan verdwijn ik weer.

BAKKER: Vooruit dan maar. Laten we het maar eens proberen. Ik zal je uitleggen hoe het brood bakken gaat. Dan kan je vannacht gelijk aan de gang.

TIJL: Vannacht?!

BAKKER: Ja, brood wordt ’s nachts gebakken zodat de mensen het ’s morgens vroeg vers kunnen kopen. Wist je dat niet?

TIJL: Misschien wou ik dat wel niet weten. Nou ja, laten we maar beginnen met de broodbak lessen. Eerst deze krentenbol maar eens. (Tijl neemt een hap)

BAKKER: Wat doe jij  nou?!

TIJL: Ik leer mezelf iets over de smaak van een krentenbol. U ziet dat ik mijn studie heel serieus neem.

BAKKER: (pakt Tijl bij de nek)  Ja ja. Kom eerst maar eens mee naar de bakkerij. Als ik alles uitgelegd heb, kun jij brood bakken en kan ik eindelijk weer eens ’s nachts slapen.

TIJL: Maar wat moet ik dan bakken?

BAKKER: Wat moet ik dan bakken?! Wat een vraag voor een bakkersknecht! Bak maar honden en katten! Nou goed! (gaan samen af)

 

 

Na enige tijd komt Thijs weer op en legt brood in de vorm van honden en katten op de toonbank. Hij rekt zich eens lekker uit, gaapt en gaat daarna weer af.

 

 

BAKKER: (komt op) Heerlijk! Eindelijk weer eens een nacht geslapen. (gaapt en ziet de broodjes)  Wat is dat nou? Ik droom zeker nog! TIJL!

TIJL: Ja baas.

BAKKER: Wat moet dat voorstellen?

TIJL: Honden en katten. Dat ziet u toch wel, hoop ik. Ik heb ze zo écht mogelijk gemaakt.

BAKKER: Maar waarom heb je geen gewoon brood gebakken?

TIJL: U zei toch dat ik honden en katten moest bakken.

BAKKER: Bij wijze van spreken natuurlijk! Dit kan ik niet verkopen. Dit wil niemand hebben.

TIJL: Tja, wat doen we nou?

BAKKER: Wat doen we nou?! Om te beginnen gooi ik jou mijn zaak uit. Weg! Of ik stop je in de oven! Dan kan je daar een poets bakken!

 

De bakker pakt Tijl bij zijn kladden en gooit hem de zaak uit. De broodjes gooit hij er achteraan.

 

BAKKER: En neem die honden- en kattentroep ook mee!

(gaat mopperend af)

 

 

Tijl loopt met een broodmand op straat. Er is al wat volk op straat.

 

TIJL: Wie maakt me los! Beestachtig kruidenbrood! 25 cent per stuk!

VAN BREUKELEN:  (op krukken) Beestachtig kruidenbrood. Wat is dat?

TIJL: Dat is geneeskrachtig brood. Goed voor de botten.

VAN BREUKELEN: O ja. Ik zie het al: de wonderdokter.
TIJL: De wonderbakker, bedoel je. 25 cent. Het helpt écht.

VAN BREUKELEN: Nou ja, ik krijg honger van dat lopen met die krukken. Geef maar zo’n hond.

VAN PUFFELEN: (veel gehoest en gerochel)  Ik zie dat jij geneeskrachtig brood verkoopt.

TIJL: Dat klopt. Voor de longen heb ik kattenbrood. 25 cent per stuk.

VAN PUFFELEN: Geef er maar één.

TIJL: Alsjeblieft. Twee maal daags een stukje en je bent zó uitgehoest.

VAN PUFFELEN: Ja ja. Ik zal eerst die 25 cent maar eens ophoesten.

BLIND: Zie jij die wonderbakker waar ze het over hebben in de stad?

TOETER: Wat zeg je?

BLIND: Of je die bakker ziet!

TOETER: Wat?

BLIND: Die bakker!

TOETER: Ik versta je niet hoor. Hé, daar is die bakker waar ze het in de stad over hebben.

BLIND: Waar?

TOETER: Wat zeg je?

TIJL: Hallo mensen. Beestachtig kruidenbrood te koop. 25 cent.

BLIND: Geef ons allebei maar een hondenbrood.

TOETER: (geeft geld) Alsjeblieft.

KRINGSPIER: Ik wil graag een kruidenbrood voor mijn maag.

TIJL: Dat kan. 25 cent alsjeblieft.

KNARS: Hé, ben jij ook hier?

KRINGSPIER: Dat zie je goed.

KNARS: Is dit ook goed voor je hoofd? Ik heb zo’n hoofdpijn, zie je.

TIJL: Dit helpt vooral als je niet goed bij je hoofd bent.

KNARS: (geeft geld)  Alsjeblieft. Ik ben benieuwd.

WAARD: Zo Tijl, een nieuw beroep gevonden?

TIJL: Niet gevónden maar geléérd! Ook een kattenbroodje? 25 cent per stuk.

WAARD: Lijkt me wel grappig. Doe mij maar een kat en een hond.

BOER 1: Kijk eens wie we daar hebben!

VROUW: liever niet.

BOER 1: Hallo Tijl. Zit je nou in de dierenhandel?   

TIJL: Dit is heerlijk brood. Moet je eens proberen. 25 cent per stuk.

VROUW: Laat je niets aansmeren door die mooiprater, hoor!

BOER 1: Nou, iets anders dan anders lijkt me wel eens lekker. Geef er maar twee.

BOER 2 (komt aanlopen) 

TIJL: Hé boertje! Wil jij een kattenbrood voor 25 cent?

BOER 2: Dat is best.

KOK: Verkoop jij tegenwoordig brood?
TIJL: Ik heb er nog één. Wou je hem kopen? 10 cent, omdat het de laatste is.

KOK: Nou, vooruit dan maar.

 

 

Als iedereen weg is, komt de bakker aanzetten.

 

 

TIJL: Zo, dat is snel verdiend.

BAKKER: Wat hoor ik nou? Verkoop je mijn brood?

TIJL: Nee, ik verkoop die honden- en kattentroep die u me nagesmeten heeft. Maar het is al op.

BAKKER: Ongelooflijk!

TIJL: Als ik u was, zou ik me specialiseren in honden- en kattenbrood. Verkoopt goed hoor.

BAKKER: Zou jij die niet willen bakken? Ik bedoel dus dat je nog een tijdje bij mij in dienst blijft.

TIJL: Dat lijkt mij geen goed idee. Ik heb eigenlijk al weer behoefte aan iets anders. Je moet nooit te lang hetzelfde doen. Dag bakker!

 

 

Tijl stapt op, gevolgd door de bakker.

 

 

 

 

 

Scène 4

Author: jeroenstamgast

 

 

 

 

Tijl geneest een luie vrouw en vraagt een eigenaardig loon.

 

 

 

 

Tijl stapt de herberg binnen en loopt rechtstreeks op een deftig geklede heer af.

 

 

TIJL: Dag directeur. Ik zocht u al. Ik wou nog eens even terugkomen op die lening die ik bij uw bank afgesloten heb.

DIRECTEUR: Geen sprake van, Tijl. Betaal eerst maar eens een gedeelte terug. Zo’n beste naam heb je niet opgebouwd in onze stad. Je doet je voor als wonderdokter maar veel van jouw genezen patiënten in dat ziekenhuis laatst, zijn al weer terug.

TIJL: Maar het ziekenhuis zit niet zo vol als eerst.

DIRECTEUR: Dat mag dan wel zo zijn maar dat is nog geen reden om je meer geld te lenen. Zoek eerst maar eens een baantje waarmee je weer eens geld verdient. En betaal me van je eerste loon alvast maar eens de helft. Dan spreken we wel weer verder. (directeur stapt op en gaat weg)

TIJL: De helft van mijn loon…Nou ja! Waard, mag ik nog een biertje?

WAARD: Dat is goed, Tijl. Maar dat is wel de laatste. Ik wil nu eerst wel weer eens geld zien.

 

 

Twee boeren komen binnen en gaan bij Tijl aan tafel zitten.

 

 

BOER 1: Het is wat met mijn vrouw, hoor! Ze doet nou helemáál niets meer. Ze is zó ziek dat ze alleen nog maar in de stoel kan zitten.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: En ik snap het niet want ze heeft een flinke eetlust. En dat eten moet ik nota bene zélf nog klaarmaken ook!

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: Nee, dat kan je wel zeggen! Hele dagen werk ik op het land en dan kan ik daarna thuis nog eens aan de gang.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: Als je haar zo ziet, zou je zeggen dat ze kerngezond is maar ze zegt dat ze te ziek is om uit haar stoel te komen.

BOER 2: Dat is niet best.

BOER 1: De ziekte begon eigenlijk vlak na ons huwelijk. Eerst was ze alleen maar moe of had een beetje hoofdpijn. Maar nu zit ze dus alleen nog maar in die stoel.

BOER 2: Dat is niet best.

TIJL: Mag ik even onderbreken? Ik ben Tijl Uilenspiegel, de beroemde wonderdokter. Ik denk dat ik uw vrouw kan genezen. En het kost u geen geld. Ik laat mij in natura uitbetalen.

BOER 1: Dat klinkt interessant.

BOER 2: Dat klinkt best.

TIJL: Breng me naar uw vrouw en laat me met haar alleen. Ik geef u de garantie dat ze snel genezen is.

BOER !: Nou, kom maar mee dan.

 

 

 

De boeren en Tijl verlaten het toneel. Even later staan ze voor een huiskamer waar een vrouw met een nors gezicht in een stoel zit.

 

 

BOER !:  Nou Tijl. Daar zit ze dan. Veel succes. (boer gaat af)

Tijl: Goedendag. Mijn naam is Tijl Uilenspiegel.

VROUW: Het interesseert me geen fluit hoe je heet.

TIJL: Maar ik weet wel iets anders dat u zal interesseren.

VROUW: Ik betwijfel het.

TIJL: Er gaan namelijk geruchten dat uw man stinkend rijk is.

VROUW: Die geruchten had ik ook gehoord vóór ik ging trouwen. Nou, ik kan je vertellen dat die rijkdom me lelijk tegengevallen is. Zíek ben ik er van geworden.

TIJL: Uw man is een beetje gierig, hè.

VROUW: Een beetje gierig? Een regelrechte kniert is het!

TIJL: Ik weet waar hij zijn geld verstopt heeft. Vannacht om twaalf uur als het goed donker is, moet je buiten komen bij het muurtje. Daar zal ik je vertellen waar de schat is. Maar denk erom: precies om twaalf uur,hè.

 

 

Tijl verlaat de kamer en niet lang daarna komt de boer binnen.

 

 

 

BOER: Hé, is het bezoek al weg?

VROUW: Nee, dat hangt op mijn rug.

BOER 1: Gaat het al een beetje?

VROUW: Nee, het gaat niet! Ik kan niet lopen, dus ook niet werken. Ik zou maar eens naar de keuken gaan als ik jou was. Ik neem tenminste aan dat je wilt eten vanavond.

 

De boer sloft mismoedig weg, de vrouw wacht. Na een tijdje kijkt ze op de klok.

 

VROUW: Zo, het is twaalf uur, die kerel van me is naar bed dus de kust is vrij. Nou, ik ben benieuwd…

 

De vrouw sluipt naar buiten.

 

VROUW: Hier moet het toch ergens zijn. Waar blijft die Uilenspiegel nou?

TIJL:  Hier ben ik.

VROUW: Waar is de schat?

TIJL: Dat weet ik niet maar ik weet wél waar die schat van een man van je is. Die is hier!

BOER 1: Ha, lief vrouwtje van me! Ik zie dat je weer kunt lopen dus je kunt ook weer werken. Ik spreek jou zó binnen nog wél!

 

De vrouw gaat huilend af.

 

BOER1 : En jij, Tijl. Je wou in natura betaald worden zei je. Wat wil je hebben?

TIJL: Ik wou graag tien stokslagen.

BOER1: Tien stokslagen?

TIJL: Ja en een beetje flink hard ook.

BOER1: Meen je dat echt?
TIJL: Ja écht. Doe nou maar.

 

De boer schudt niet begrijpend zijn hoofd maar geeft Tijl zijn slagen tot hij bij de vijfde slag ”Ho!” roept.

 

TIJL: Ho! Stop! De andere helft is voor de bankdirecteur waar ik geld geleend heb. Hij wou de helft van mijn loon vóór hij verder met me wil praten. Ik zal hem hierheen sturen en reken erop dat jij hem de andere helft van mijn loon geeft, zoals afgesproken.

BOER1: Het stuit me een beetje tegen de borst maar eerlijk is eerlijk: het is de helft van je loon. Ik zal de stok klaar houden voor als hij komt.

TIJL: Bedankt, ik reken op je.

 

Tijl en de boer schudden elkaar de hand en gaan af. 

 

 

Scène 3

Author: jeroenstamgast

Verteller:  In het boek van Charles de Coster trekt Tijl door het ganse land. Hij is zelfs nog een periode soldaat in het leger van de prins van Oranje en maakt spannende en gruwelijke dingen mee. Wij laten, voor de gezelligheid natuurlijk, alles in dezelfde stad afspelen. De scènes die wij spelen komen eigenlijk terloops in het oorspronkelijke verhaal voor. In de meeste boeken, en ook in ons stuk, vormen ze echter de hoofdmoot. Nou, laten we maar verder gaan met het toneel.

 

 

 

Tijl als wonderdokter.

 

 

De waard is in de herberg bezig met het omspoelen van glazen. Allerlei patiënten van het ziekenhuis zitten gezellig aan tafeltjes.

Tijl komt binnen.

 

 

TIJL: Waard, mag ik van u een biertje?

WAARD: Natuurlijk, meneer.

TIJL: (kijkt met verbazing naar de zieken) Dank u. (krijgt biertje) Zeg eens, u heeft wel veel zieke mensen in uw zaak. Dat komt toch niet van uw bier, hoop ik?

WAARD: Nee hoor. Maar het ziekenhuis hiernaast is helemaal vol dus nu heb ik er ook een paar patiënten bij gekregen tot er weer plaats is daar.

TIJL: Zijn die doktoren hier dan zo slecht dat er zoveel zieken zijn?

WAARD: Nee hoor. Zal ik u eens wat zeggen? De verzorging is zó goed dat ze volgens mij gewoon niet weg willen. Ze hoeven niet te werken zolang ze ziek zijn en ze krijgen goed te eten en te drinken. Daarom proberen ze hun verblijf zo lang mogelijk te rekken. Het is hier net luilekkerland voor ze. O kijk, daar komt toevallig net de dokter aan.

DOKTER: En hoe gaat het met uw been meneer van Breukelen?

VAN BREUKELEN:  Slecht, dokter. Slecht. Mijn been doet zo’n pijn!

DOKTER: Maar de breuk is prachtig genezen zo te zien. Ik zal…

VAN BREUKELEN: Au! Niet aankomen! Au! U zei toch zelf het been met rust moet genezen?

DOKTER: Probeert u eens te staan op dat been.

VAN BREUKELEN: Au! Vreselijk!  Ik kan het écht niet, dokter. Heb medelijden!

DOKTER: Nou ja, morgen zal ik u wel verder onderzoeken.

VAN  BREUKELEN: Dank u, dokter.

DOKTER: En hoe gaat het met uw longen, meneer van Puffelen? Is dat hoesten nu eindelijk eens over?

VAN PUFFELEN: (veel gerochel en gehoest)

DOKTER: Hm, nog niet helemaal, geloof ik. U neemt uw hoestdrankje nog steeds trouw in?

VAN PUFFELEN: (veel gehoest, gerochel en ook ‘ja’ geknik)

DOKTER: Hm, morgen kijken we verder. En u, meneer Blind. Laat uw ogen eens zien. Nou, de zweren zijn helemaal weg.

BLIND: Maar ik zie nog zo slecht, dokter.

DOKTER: Hoeveel vingers steek ik op?

BLIND: Dat weet ik niet want ik kan uw hand niet zien. Waar is die?

DOKTER: Hier, Vlak voor u.

BLIND: O ja. Eh, ik zie zeven vingers. Klopt dat?

DOKTER: Nee. Blijf goed insmeren met die zalf die ik u gegeven heb.

BLIND: Ja dokter.

DOKTER: Wel meneer Toeter. Hoe gaat het met uw oren?

TOETER: …

DOKTER: Uw oren! Hoort u al wat?!

TOETER: …

DOKTER: Hé! Ik praat- wat zeg ik- ik schreeuw tegen u!

TOETER: O, dag dokter. Wilt u nog eens naar mijn oren kijken? Ik hoor zo slecht, ziet u.

DOKTER: Morgen bent u de eerste. En hoe is het met uw buik, meneer Kringspier?

KNARS: Dat gaat wel goed.

DOKTER: Wát zegt u?

KNARS: Het gaat wel goed met mijn buik.

DOKTER: Dus u kunt naar huis?

KNARS: Nee, want het is mijn hoofd dat zo’n pijn doet. Ik ben meneer Knars. Dát daar is meneer Kringspier. Ik heb zo’n enorme pijn in mijn hoofd. Ondraaglijk gewoon!

DOKTER: Ik zal zorgen dat u nieuwe hoofdpijntabletten krijgt, meneer Knars.

KRINGSPIER: Dokter, mijn buik die…

DOKTER: Hou maar op. Ik weet genoeg. Uw buik is nog niet in orde. Morgen zal ik u verder onderzoeken.

 

De dokter gaat moedeloos bij Tijl en de waard zitten terwijl de patiënten elkaar veelbetekenend aankijken.

 

DOKTER: Waard, geef mij maar een dubbele dosis van mijn eigen medicijn. Daar ben ik wel aan toe momenteel.

TIJL: Het gaat niet zo goed met uw patiënten, hè?

DOKTER: Wie bent u eigenlijk?

TIJL: Ik ben Tijl Uilenspiegel, de wonderdokter.

DOKTER: Nou, wij kunnen hier wel een paar wondertjes gebruiken.

TIJL: Hoeveel is het u waard als ik er voor zorg dat uw ziekenhuis en deze dependance binnen een uur leeg is?

DOKTER: Dat lukt u toch niet.

TIJL: Ik zeg u dat het me wél lukt! Ik ben niet voor niets wonderdokter.

DOKTER: Als het u lukt krijgt u van mij honderd florijnen.

TIJL: Voor honderdvijftig florijnen doe ik het.

DOKTER: Ach, wat maakt het uit. Honderdvijftig florijnen is ook goed. Het lukt u toch niet.

TIJL: Dan ga ik nu eerst even naar het ziekenhuis hiernaast. Daarna doe ik deze dependance wel.

 

Tijl gaat weg. De dokter drinkt mismoedig van zijn drankje. De  “zieken” hebben het naar hun zin, behalve als de dokter af en toe even hun richting uit kijkt. Dan trekken ze meteen een smartelijk gezicht. Even later komt Tijl weer binnen.

 

TIJL: Zo, het is voor elkaar hoor. Alle zieken zijn genezen en naar huis. Gaat u maar kijken en neemt u gelijk die honderdvijftig florijnen mee. Dan zal ik het intussen hier even voor u leeg maken.

DOKTER: U maakt een grapje.

TIJL: Nee hoor. Gaat u maar kijken.

 

De dokter staat op en als hij verdwenen is, loopt Tijl een paar maal dreigend om de zieken heen.

 

 

TIJL: Zo, geachte patiënten. En nu wij even. Luister goed. Ik ben de wereldberoemde wonderdokter Tijl Uilenspiegel en ik kan u allemaal genezen. Ik ga direct dat toverdrankje maken waarmee ik dat zal doen. Maar daarvoor heb ik wél de hulp van één van u nodig. De allerziekste zal ik gebruiken om mijn drankje te brouwen. Het is misschien niet leuk maar deze zieke, die waarschijnlijk tóch niet meer te redden is, zal ik verbranden en met zijn of haar as kan ik mijn drankje bereiden dat u zal genezen. Dus diegenen die grotendeels beter zijn, gaan direct weg en uit de overblijvers  zal ik de allerziekste kiezen die zich opoffert voor de anderen. Een beetje solidariteit is nodig in het leven!

Hebt u het ook begrepen meneer Toeter?

TOETER: Ja dokter. Helemaal.

 

De dokter komt binnen stuiven.

 

DOKTER: Ongelooflijk! Er is geen zieke meer in het ziekenhuis te bekennen!

TIJL: Ziet u wel. Welnu: Iedereen die beter is, kan nú weggaan en die wil ik voorlopig niet meer terug zien!

 

Alle zieken springen overeind en rennen weg, de dokter en de waard omver duwend.

 

DOKTER: Ongelooflijk! Dit is een wonder!

TIJL: Ik zei u toch dat ik een wónderdokter ben.

DOKTER: Hier is uw geld. Wilt u niet in dienst van het ziekenhuis blijven?

TIJL: Nee dokter. Dat is niet goed voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik moet écht weer gaan. Het ga u goed!

DOKTER: Wacht, ik zal u uitlaten.

 

De dokter en Tijl verlaten de herberg. De waard kijkt peinzend voor zich uit.

 

WAARD: Daar gaan mijn klanten! Ik zou eigenlijk zo’n middeltje moeten hebben om klanten binnen te halen.

 

De waard gaat sloffend af.

 

 

 

 

Scène 2

Author: jeroenstamgast

VERTELLER:  Zo, daar ben ik al weer. Terwijl de acteurs bezig zijn zich op te stellen voor scène 2, kan ik u mooi iets vertellen over de vader van Tijl, die overigens Klaas heet. Er wordt in het stuk wel verteld dát hij overleden is maar niet hóe. Hij is in de serieuze versie op de brandstapel gestorven wegens ketterij. De toenmalige koning van Spanje, Philips II, die ook over de Nederlanden regeerde, strafte op deze manier de hervormden, die tegen de misstanden in de katholieke kerk waren. Als zijn vader verbrand is, schraapt Tijl wat as van het verkoolde lijk en doet dit in een zijden zakje dat hij op zijn borst zal dragen. Elke keer als er hem iets ergs gebeurt, voelt Tijl de as van zijn vader op zijn borst kloppen. Tijl en zijn moeder zijn overigens ook gemarteld maar niet veroordeeld. Nou ja, laten we maar weer verder gaan met de gezelligheid.

 

 

 

SCÈNE  2

 

 

Een graaf en een gravin houden een picknick, een soldaat bewaakt en een lakei zet thee.

 

 

GRAAF:  Wat is het hier toch heerlijk, lieve.

GRAVIN:  Nou, zalig hoor. Die rust en die stilte, die prachtige natuur.

GRAAF:  Het is maar goed dat ik overal borden heb laten neerzetten dat er op mijn grafelijk domein geen gewoon volk mag komen. Vóór je het weet heb je het gewone plebs over de vloer.

GRAVIN:  Zo is dat. En wij willen alleen maar mensen van onze eigen stand, nietwaar. James, schenk jij nog eens een kopje thee in.

JAMES:  Tot uw dienst mevrouw.

GRAAF:  Weet je overigens al wat je voor je verjaardag wilt hebben?

GRAVIN:  Een wolkje melk graag.

GRAAF:  Een wolkje melk?
GRAVIN:  In de thee, bedoel ik. Ik zei dat tegen James.

GRAAF:  Hè, waar bemoeit hij zich mee als wij aan het praten zijn!

GRAVIN:  En weet jij al wat je voor jouw verjaardag wilt hebben? Tenslotte zijn we bijna op dezelfde dag jarig.

GRAAF:  Eén schepje suiker graag.

GRAVIN:  Eén schepje suiker?

GRAAF:  In de thee, bedoel ik. Ik zei het tegen James. Zeg James, kan je nou niet één moment je stil houden als wij aan het praten zijn!

JAMES:  Tot uw dienst mijnheer.

SOLDAAT:  Halt!

GRAAF:  En tegen wie denk jij wel dat je het hebt, brutale vlerk!

SOLDAAT:  Eh, tegen hém daar mijnheer de graaf.

 

Iemand heeft zich bij het gezelschap gevoegd.

 

GRAAF:  O, welnu, vraag dat schorem wat het op mijn grafelijk domein komt doen.

SOLDAAT:  Wat kom jij hier doen, schorem?

TIJL:  Ik ben kunstenaar en kom u mijn diensten aanbieden.

SOLDAAT:  Hij is kunstenaar en hij komt…

GRAAF:  Ja, hoor eens, ik ben niet doof. Vraag hem wat hij allemaal te bieden heeft.

SOLDAAT:  Wat heb jij…

TIJL:  Ik heb het al gehoord, soldaat. Stop maar. Ik ben toverschilder. Ik schilder portretten die van een betoverende schoonheid zijn. Maar het meest bijzondere daarvan is toch wel dat alleen intelligente mensen ze kunnen zien. Als u bezoek heeft en u laat uw portretten zien, dan weet u meteen of iemand intelligent is of niet. Dat is heel handig om te weten.

GRAAF:  Misschien is dat wel een leuk cadeau voor je verjaardag: een portret van mij.

GRAVIN:  Ja en dan geef ik een portret van mij aan jou!

GRAAF:  Hoeveel moet dat kosten, kunstenaar?

TIJL:  Honderd florijnen per portret, hoogheid.

GRAAF:  Dat is niet goedkoop.

TIJL:  Maar het zijn dan ook geen gewone portretten, nietwaar,  majesteit.

GRAAF:  Dat is zo. Wanneer kun je beginnen?

TIJL:  Wat mij betreft vanmiddag al, uw edele.

GRAAF:  In orde. De kunst kan niet wachten.

 

 

Allen gaan af. James en de kok zijn in de keuken.

 

 

JAMES:  Die kunstenaar vraagt of er nog wat te eten is.

KOK:  Nóg meer? Die hansworst zegt dan wel dat hij bijzondere schilderijen maakt maar voorlopig valt me alleen zijn bijzondere eetlust op. Hij is hier nu één week maar hij heeft de voedselvoorraad van de hele maand er al doorheen gejaagd. En wat hij schildert? Ik weet het niet. Ik zie niets.

JAMES:  Dat komt omdat alleen intelligente mensen zijn kunst kunnen zien en begrijpen.

KOK:  O, zie jij dan wat?
JAMES:  Om eerlijk te zijn: ik meen wel iets te kunnen onderscheiden maar écht goed kan ik het toch ook niet zien.

KOK:  Nee dus! Nou, ik zie helemaal niets. Dan ben ik maar dom. Neem dit maar mee voor onze kunstenaar. Dan is alles op ook.

 

Beiden gaan af. De gravin is bezig met een vaasje bloemen, de graaf komt binnen.

 

GRAAF:  Dag lieve. Ben je nog een beetje blij met je aanstaande cadeautje?

GRAVIN:  Nou, het wordt echt prachtig! Die kleuren! En het lijkt ook zo goed! En jij? Ben jij nog een beetje tevreden?

GRAAF:  O, ja hoor! Je ziet er betoverend mooi uit op het doek! Het wordt echt een heel bijzonder kunstwerk.

TIJL:  Ha, hier bent u dus! De portretten zijn af. Hoe vindt u ze ?

GRAAF: Prachtig!
GRAVIN: Heel bijzonder!

GRAAF: Indrukwekkend.

GRAVIN: En ook heel verrassend, moet ik zeggen.

TIJL: Dan zou ik nu graag mijn loon willen hebben want het eten is op. Eh, ik bedoel, ik moet dringend verder want de keizer van Heemstede is zo vriendelijk geweest om mij een opdracht voor een schilderij te verlenen.

GRAAF: Juist ja. Welnu, hier heeft u uw tweehonderd florijnen.

GRAVIN: James, laat jij onze gast even uit.

JAMES: Heel graag, mevrouw.

 

Tijl gaat af, een kind komt binnen rennen.

 

KIND: Papa! Mama! Mag ik…(ziet de twee lege doeken) Hé, die kunstenaar is ook niet opgeschoten.

GRAVIN: Wat bedoel je, kleintje?

KIND: Nou, er staat niets op.

GRAVIN: Wat ben jij dom zeg! Daar staan je vader en moeder opgeschilderd.

KIND: O en waar staat ú dan?

GRAVIN: Dat zie je toch zo. Dít ben ik.

GRAAF: Nee lieve. Nu vergis je je. Dit ben ík.

GRAVIN: Nee, de kunstenaar heeft duidelijk gezegd dat ik dat was. Ik zie dat aan die lijst. Eh, ik bedoel…

KIND: Volgens mij ziet u geen van beiden iets.

GRAAF: Wat hebben wij toch een dom kind! Dat valt me erg tegen, hoor!

GRAVIN: Nou ja, zij is anders wel de beste van haar klas.

GRAAF: Dat zegt dan ook iets over het niveau van die klas. Misschien moeten we maar een andere school voor haar zoeken.

GRAVIN: Ja, of…of zou…wees eens eerlijk: zie jij écht iets?

GRAAF: Hm, zie jij iets?

GRAVIN: Ach, dat wil zeggen…

KIND: Geef nou maar toe: jullie zien óók niets. Jullie hebben je gewoon beet laten nemen. Dát is pas dom!

GRAAF: Als ik die schijnheilige leugenaar ooit in mijn handen krijg!

GRAVIN: Doe nou geen domme dingen waar je later spijt van krijgt.

 

De graaf en de gravin gaan af.

KIND: Volgens mij heeft hij al spijt. Kom, ik ga maar eens een mooie tekening maken.

 

Kind gaat huppelend af.   

 

Scène 1

Author: jeroenstamgast

SCENE 1

 

De verteller zit in een makkelijke stoel te lezen naast een tafeltje met enige boeken daarop.

 

VERTELLER: O, bent u er al? Ja, u denkt misschien wat zit zij daar nou te doen? Nou, ik zit te lezen. Ik heb hier vier boeken die over Tijl Uilenspiegel gaan. Inderdaad, een beetje veel is het wel. Maar ze zijn alle vier verschillend.  Deze bijvoorbeeld is eigenlijk meer een prentenboek. Op de ene bladzijde een tekening en op de andere een stukje tekst. Echt voor kleinere kinderen maar wél leuk.
Dit is ook een mooie:  “Schelmse streken en snakerijen van Tijl Uilenspiegel”. Zo’n typisch ouderwets kinderboek uit de jaren ’50.
Dit is een modernere versie uit de “Wenteltrap” serie. Dat is een serie voor kinderen die moeite hebben met lezen.
En dit is écht een aparte: geschreven door ene Stenri van Daele. Die heeft het boek dat Charles de Coster zo’n 150 jaar geleden geschreven heeft, opnieuw bewerkt voor de serie “Averbode klassiekers”.
Tijl Uilenspiegel is eigenlijk de held uit een oud Duits volksboek dat aan het begin van de 16e eeuw verscheen. Rond 1525 werd het in het Nederlands vertaald. Tijl Uilenspiegel is een jongeman die voor niemand bang is en iedereen al lachend een spiegel voor houdt. Uilenspiegel betekent “Ik ben uw spiegel”. Vele jaren was dit een geliefd en veel gelezen verhaal.
Charles de Coster schreef over deze Tijl Uilenspiegel in 1867 een nieuw boek. Alleen laat hij zijn held geboren worden in Damme, een plaatsje in de buurt van Brugge. Het verhaal speelt zich af tijdens de 80-jarige oorlog. Hij laat Tijl Uilenspiegel eigenlijk strijden voor een vrij België. Ook in dit boek komen allerlei grappen en grollen voor maar er gebeuren ook hele erge dingen die in de drie andere boeken waar ik het over had, niet voorkomen. Trouwens, ook de andere boeken verschillen onderling sterk.

Ons toneelstuk dat u zo meteen gaat zien, zou u dus ook kunnen beschouwen als een van de vele versies die er over de volksheld Tijl Uilenspiegel bestaan. Wij hebben gekozen voor een gezellige versie omdat we met groep 8 gezellig willen afsluiten.
Af en toe zal ik u tussen de scènes door iets vertellen over de serieuze versies omdat het misschien toch wel interessant is om te weten. Maar laat uw plezier er niet door bederven.

Ik wens u veel plezier met “Tijl Uilenspiegel” !

 

SCENE 1

 

Moeder zit in de woonkamer sokken te breien.

 

MOEDER:  Tijl! Kom je je bed nog eens uit!

TIJL:  Ja ja.

MOEDER:  Nou, kom dan!

TIJL:  Ja ja.

MOEDER:  Ik zie je nog steeds niet. Schiet op!

TIJL:  Ja ja.

MOEDER:  En zeg niet de hele tijd “Ja ja” !

TIJL:  Goed goed.

MOEDER:  En als je nou niet…O, daar ben je dan.

TIJL:  Wat kijkt u verrast. Ik had toch gezegd dat ik zou komen.

MOEDER:  Ga eens even zitten,Tijl. Ik wil eens serieus met je praten.

Tijl:  Dat is goed. Weet u het verschil tussen een schoolmeester en een kanariepiet?

MOEDER:  Nee, en ik wil het niet weten ook. Wees nou eens één keer serieus.

TIJL:  Goed, zeg maar wat u dwars zit.

MOEDER:  Dat weet jij ook wel, Tijl.

TIJL:  Dat is waar. Nou, dan ga ik maar weer eens.

MOEDER:  Nee, je blijft hier! We zouden serieus praten.

TIJL:  Maar we weten toch allebei wat u dwars zit. Dan zijn we toch uitgepraat.

MOEDER:  Tijl! Serieus!

TIJL:  Goed dan. Ik luister.

MOEDER:  Sinds je vaders dood heb je allerlei baantjes gehad en op de een of andere manier heb je het met die flauwe grappenmakerij van je overal voor elkaar gekregen dat je er binnen de kortste keren weer uitgegooid werd. Zó kan het niet langer. Dat moet nu maar eens over zijn.

TIJL:  Nou, dat is het ook. Er is niemand in de stad die mij nog als knecht wil hebben. Dus dan is het vanzelf over.

MOEDER:  Er is aan de andere kant van de stad op de van Lennepweg een nieuwe kleermaker gekomen. Ik heb hem gesproken. Je mag daar komen werken tegen kost en inwoning. Dan kun je daar het kleermakersvak leren.

TIJL:  Maar ik wil helemaal geen kleermaker worden.

MOEDER:  Wat wil je dan?

TIJL:  Dat weet ik niet.

MOEDER:  Zo lang jij niet weet wat je wilt worden, word jij maar kleermaker. Toe, Tijl. Doe het dan voor mij.

TIJL:  Nou, goed dan. Maar alleen om u een plezier te doen, hoor.

MOEDER:  Dank je, Tijl. Nou, veel succes met je nieuwe baan. Verpruts je het deze keer niet?

TIJL:  Nee moeder. Nou, tot ziens dan maar, hè. En kijk niet zo bezorgd. Het komt heus wel goed, moeder.

 

Tijl gaat weg. Moeder kijkt hem na, pakt haar sokken en breinaalden en verdwijnt ook van het toneel.
Op een ander gedeelte van het podium komt de kleermaker binnen met naald en draad en een kledingstuk en gaat in kleermakerszit op de tafel zitten. Tijl komt de winkel binnen.

 

KLEERMAKER:  Wat kan ik voor je doen, jongeman?

TIJL:  Nou, het is geloof ik de bedoeling dat ik iets voor ú ga doen. Ik ben de nieuwe knecht. Mijn moeder heeft u daarover gesproken.

KLEERMAKER:  Ach ja, dat arme mensje. Hoe heet je ook al weer?
TIJL:  Tijl Uilenspiegel meneer.

KLEERMAKER:  Zo zo. Kun jij knopen aan een jas zetten, Tijl?

TIJL:  Nee meneer. Maar ik kan het wél leren.

KLEERMAKER:  Kun jij een scheur in een broek maken?

TIJL:  O, dat kan ik wél.

KLEERMAKER:  En hoe doe je dat dan?

TIJL:  Dan pak ik een schaar, knip daarmee een klein stukje in de  broek en dan scheur ik hem met mijn handen verder open. Dan heb ik een knappe scheur gemaakt, dacht ik zo.

KLEERMAKER: Ik hoor het al: gevoel voor humor dus. Nou ja, laat ik het maar eens met je proberen.

TIJL: Dan heb ik zelf ook nog twee vragen. Ten eerste: wat is mijn loon eigenlijk?

KLEERMAKER: Loon? Je komt hier om een vak te leren en dan durf jij om loon te vragen? Wees blij dat ik je niet voor je opleiding laat betalen!

TIJL: O. Nou, dan heb ik nog een tweede vraag: hoe laat eten we?

KLEERMAKER: Hm, je honger naar eten is groter dan je honger om iets te leren, hoor ik al. Nou, je boft. We gaan zó eten. Kom maar mee dan zal ik je aan mijn vrouw voorstellen. Maar denk erom: geen grapjes en wees beleefd tegen haar want ze is gauw boos.

 

Tijl en de kleermaker gaan af, de vrouw gaat de tafel dekken. Even later komen Tijl en de kleermaker binnen.

 

KLEERMAKER: Dag lieverd. Dit hier is Tijl Uilenspiegel, de nieuwe knecht waar ik het gisteren over had.

VROUW: Zo, dat is hem dus. Ik dacht dat je het gisteren over een flinke knecht had…

KLEERMAKER: O, maar hij is een flinke werker, hoor lieverd.

VROUW: Nou, hij lijkt me meer een flinke eter dan een flinke werker als ik hem zo zie. Nou ja, hij boft dat ik al rekening met hem gehouden heb met het eten. Wijs hem zijn plaats maar.

KLEERMAKER: Goed lieverd. Ga hier maar zitten, Tijl.

TIJL: (fluistert) Is ze altijd zo humeurig?

KLEERMAKER: Alleen doordeweeks hoor. Op zondag…

Vrouw: We eten vandaag vis. Zo, die is voor jou en deze is voor mij. O ja en deze is voor jou.

Eet smakelijk.

 

Tijl heeft een heel klein visje gekregen.

 

TIJL: Ahum. Eh, kan het zijn dat…

VROUW: Ik zei: eet smakelijk!

Tijl: (fluistert zogenaamd met het visje)

VROUW: Wat ben jij aan het doen?

TIJL: O, ik praat met mijn vis.

VROUW: Praten met een dode vis? Ben jij niet helemaal goed bij je hoofd soms?

TIJL: (fluistert verder)

VROUW: En wat heeft hij dan te vertellen, die vis van jou?

TIJL: Mijn oom was zeeman en hij is op een keer niet teruggekeerd van een zeereis. En nou vroeg ik aan mijn vis of hij hem soms ergens gezien had op de bodem van de zee. Maar mijn vis zegt dat hij nauwelijks de kans heeft gehad om de zee te verkennen omdat hij vlak na zijn geboorte gevangen werd.

VROUW: Ga jij eens even op de gang staan, grapjas. Ik moet iets met je baas bespreken.

 

Tijl verlaat het toneel.

 

VROUW: Volgens mij vindt die knecht van jou dat zijn vis te klein is.

KLEERMAKER: Nou ja, lieverd. Zijn vis is inderdaad een tikje aan de kleine kant. Vind je zelf ook niet?

VROUW: Nee, je moet tevreden zijn met wat je krijgt vind ik. Ik wil dat je die brutale aap ontslaat. Nu meteen!

KLEERMAKER: Maar lieverd, ik…

VROUW: Nu meteen, zeg ik!

KLEERMAKER: Ja maar, lieverd. Zou je dat liever niet zélf doen? Jij kan dat zo goed.

VROUW: Wie is hier de baas: jij of ik?

KLEERMAKER: Ja maar…

VROUW: Nee, ik wil een antwoord op mijn vraag: wie is hier de baas: jij of ik?

KLEERMAKER: Eh, ik?

VROUW: Juist! Dus jij gaat hem nú ontslaan. En snel een beetje!

 

De kleermaker sloft naar de deur.

 

KLEERMAKER: Tijl, mijn vrouw…ik bedoel, ik…Hé, waar ben je? Tijl! Tijl!  Hij is er niet meer.

VROUW: Zie je wel. Geen knip voor zijn neus waard, die wegloper. Kom, we gaan maar weer eens aan het werk.

KLEERMAKER: Ja, lieverd.

 

Ze verlaten het toneel. Ondertussen is de moeder van Thijs in de weer met stoffer en blik.

 

TIJL: Dag moeder, hier ben ik weer.

MOEDER: Ben je nu al ontslagen? Zo kort heb je er nog nooit over gedaan.

TIJL: Maar ik heb deze keer een besluit genomen. Ik trek de wijde wereld in. Ik wil een nieuwe start maken.

MOEDER: Ja, maar jongen. Ik wil je niet kwijt.

TIJL: En ik u ook niet. Maar in deze stad lukt het me niet. Ergens anders, waar ze me niet kennen, kan ik opnieuw beginnen. Ik beloof u dat ik veel geld ga verdienen. Als ik terug kom, ben ik een rijk man en dan hoeft u nooit meer zorgen te hebben over uw oude dag. Ik zal dan voor u zorgen.

MOEDER: Wanneer ga je dan?
TIJL: Nu meteen moeder, anders bedenk ik me nog.

MOEDER: Doe je voorzichtig, jongen?
TIJL: Ja moeder. Tot ziens.

 

Tijl omhelst zijn moeder en gaat af, gevolgd door een hoofdschuddende moeder.