Archive for the ‘De geest van Sean Bourke’ Category

hoofdstuk 5

Author: jeroenstamgast

Het was vlug gegaan.
De man zonder gezicht was zo snel naar de struiken gerend dat verder vluchten geen zin meer had gehad.
Veel gezegd werd er vervolgens niet.
Via een pad dat buiten het dorp om liep, waren ze onder bedreiging van een pistool, naar een enigszins afgelegen schuur aan de rand van het dorp geleid.
Daar aangekomen, werden ze op een stoel vastgebonden.
Maaike en Johan naast elkaar en de directeur een eindje verderop met een prop in de mond, die hem het spreken belette.
De man zonder gezicht pakte een kleine olielamp, stak die aan en scheen de overblijfselen van zijn gezicht bij, terwijl hij vlak voor Maaike en Johan ging staan.
“Daar ben ik dan,” sprak hij met hese stem. “De geest van Sean Bourke. Dit is wat er van je
overblijft als ze proberen je te verbranden. Je hebt nu mijn visitekaartje gezien dus de rest van mijn lichaam zal ik je besparen.
Hij hing de olielamp aan een haakje dat uit een balk stak en schoof twee stoelen bij.
Op een ervan ging hij zitten.
“Die andere is voor mijn moeder. Die zal zo wel komen,” legde hij uit. “Hoewel jullie mijn plannen lelijk in de war geschopt hebben, zal ik jullie verder geen haar krenken als ik klaar ben met die ellendeling daar. Misschien komt het bij nader inzien eigenlijk wel goed uit dat jullie er nu zijn. Dan kunnen jullie na afloop precies vertellen wat er gebeurd is. Misschien zet het die domme lui hier nog een beetje aan het denken. Nou: vraag maar op!”
Twee priemende ogen keken beurtelings van Johan naar Maaike en van Maaike naar Johan.
Maaike overwon haar afschuw en stelde de eerste vraag.
“Hoe komt het dat je nog leeft? Iedereen dacht dat je verbrand was.”
“Omdat die sufferds vergeten waren dat er in de ruimte waar ik opgesloten zat, een luik was waar ik doorheen kon vluchten. Eenmaal buiten gekomen, ben ik in de beek achter de fabriek gesprongen om mijn verbrande plekken af te laten koelen. Daarna ben ik, na een telefoontje, door een vriend van mij opgehaald en naar een privé-kliniek gebracht, waar ik onder een valse naam ingeschreven ben. Doordat mijn vriend goede connecties had, is een en ander nooit nagetrokken. Door mijn allesoverheersende wraakgevoelens, was ik in staat om snel te genezen. Van het begin af aan heb ik geweten dat een politieonderzoek niets zou opleveren. Ik zou nooit kunnen bewijzen dat er opzet in het spel was. Daarom heb ik, samen met mijn moeder, bedacht hoe we alles zouden aanpakken om toch nog gerechtigheid te krijgen. Als jullie er niet tussen gekomen waren, zou alles achter de rug geweest zijn.”
Hij haalde een blikken doosje uit zijn zak.
“Hier zitten pillen in waarmee mijn moeder en ik samen afscheid nemen van deze afschuwelijke wereld. Na de berechting van dát daar.”
Hij knikte met zijn hoofd naar de heftig bewegende directeur.
“Maar waarom kiezen jullie voor zo’n moeilijke oplossing?” vroeg Johan. “Als het jullie alleen maar om het liquideren ging, hadden jullie ze toch ook zonder al die poespas kunnen vermoorden.”
“We wilden die domme dorpelingen, die allemaal geaccepteerd hebben dat de schuldigen nog steeds vrij rondliepen, straffen voor hun hypocrisie, door hen angst in te boezemen.”
“Was jij die monnik met die stormlantaarn?” vroeg Maaike.
“Ja. Ik had jou, het had ook iemand anders kunnen zijn, nodig voor het ontdekken van het lijk van de eerste schuldige.”
“Waar kwam die Gregoriaanse muziek vandaan?”
“Uit een cassetterecorder die ik onder mijn pij verborgen hield.”
“En hoe kwam je zo snel van de eerste naar de tweede heuvel?”
Met een racefiets, die ik klaar had gelegd en daarna achter een struik gegooid heb. Later heb ik die nog opgehaald omdat hij anders door de politie gevonden zou worden.”
“Was jij het, met wie ik gevochten heb?” vroeg Johan.
“Inderdaad. Ik had jou helemaal niet verwacht, dus ik moest wel.”
‘Waarom heb je me niet vermoord toen ik eenmaal onder die boom lag en niet weg kon?”
“Omdat ik geen onschuldige mensen wil vermoorden.”
“Je hebt anders wel die rechercheur neergeschoten.”
“Ik kon niet anders. Het was hij of ik.”
“En die oranje gloed ’s avonds. Wat was dat?”
“Een schijnwerper, aangesloten op een accu. Als mensen eenmaal bang zijn, worden de banaalste dingen angstaanjagend.”
“En deze schuur was al die tijd jullie hoofdkwartier?” vroeg Maaike.
“Ja, die hebben we van onze buurman geleend. Mijn moeder had hem wijsgemaakt dat een aantal van mijn medestudenten op onschuldige wijze het onrecht aan de kaak wilden stellen. Hij wist niet dat ik nog leefde en in het begin was alles ook nog onschuldig. Alleen maar geheimzinnige bangmakerij. Dus in zijn ogen zal het wel geklopt hebben. En hij gunde mijn moeder zo’n soort van genoegdoening wel.”
Op dat moment ging de deur piepend open.
“Kom binnen, moeder,” zei Sean zonder zich om te draaien.
De deur werd piepend gesloten, ‘moeder’ kwam met zware tred de schuur binnen en legde vervolgens een kolossale hand op de schouder van Sean, die zich daarop geschrokken omdraaide.
“Sorry zoon,” sprak Barend. Ik ben het maar. Als je…”
De stem van Barend stokte bij het zien van het verwoeste gezicht van de voormalige geest maar de rest van zijn lichaam herstelde zich snel genoeg om de pols van Sean vast te grijpen, toen deze een pistool op hem wilde richten.
Barend kneep zo hard dat Sean het pistool losliet, dat vervolgens de grond kletterde.
Hij raapte het op, ging op de stoel naast Sean zitten en zei tegen de met stomheid geslagen buurman, die na Barend binnengekomen was, dat hij Maaike en Johan moest losmaken.
Deze deed dat aarzelend terwijl Sean en Barend elkaar aankeken.
Barend keek al snel naar de grond maar richtte wel het woord tot hem.
“Het was slim bekeken van je om iedereen weg te lokken zodat je hier je gang kon gaan.” ”Ik zou je vrienden niets aangedaan hebben. Het gaat mij alleen maar om die schurk daar. Ik heb er alles voor over om hem zijn verdiende straf te laten ondergaan. Kun je je dat voorstellen als iemand je probeert te vermoorden en je daardoor van knappe jongeman verandert in een monster?”
Barend zweeg veelbetekenend en Maaike, die inmiddels was gaan staan, nam het gesprek over.
“Ik kan me er wel iets bij voorstellen maar ik wil je twee dingen zeggen. Ten eerste: ik ken iemand met ernstige brandwonden die daarna toch een gelukkig leven heeft opgebouwd, met een gezinnetje en alles wat daarbij hoort. En ten tweede: je mag nooit eigen rechter spelen.”
Sean’s ogen schoten vuur.
“Ik wil daar ook twee dingen op zeggen! Ten eerste is het bij hem waarschijnlijk veroorzaakt door een ongeluk en niet door een poging tot moord, afgezien van het feit of ik wel of niet een gelukkig gezinnetje had willen opbouwen. En ten tweede: de politie heeft de kans om rechter te spelen moedwillig voorbij laten gaan.”
“Maar nu zullen ze er toch wel niet omheen kunnen, na alles wat er gebeurd is.”
“Na alles wat er gebeurd is, zullen moeder en ik veroordeeld worden en voor die ploert daar zal het wel weer met een sisser aflopen.
Op dat moment zwaaide de deur open en verscheen de breekbare gestalte van weduwe Bourke in de deuropening met een heel wat minder breekbaar jachtgeweer in de aanslag.
Daarna gebeurden er veel dingen tegelijk.
Om te beginnen klonk er een oorverdovende knal, gevolgd door een enorme rookontwikkeling
Vervolgens schoot de weduwe de olielamp aan flarden, terwijl Sean in het halfduister overeind sprong en de directeur met stoel en al naar de deuropening begon te slepen.
Johan wilde dat verhinderen maar zag daar vanaf toen hij, ondanks de rookontwikkeling, een jachtgeweer op zich gericht zag.
“Blijf daar!” schreeuwde de weduwe met schelle stem. “We willen jullie geen kwaad doen maar dwing ons niet daartoe!”
Sean verdween met directeur en stoel naar buiten en even later klonk er, boven het hoesten en proesten vanwege de rook uit, het starten van een auto.
De weduwe verdween en sloot de deur, waarna het geluid van een wegrijdende auto klonk.
Johan gooide de deur open en alle aanwezigen stormden naar buiten om daar naar adem te happen.
Een aantal minuten gingen voorbij zonder dat iemand sprak.
Maaike keek naar Barend.
“Waarom heb jij niets met dat pistool gedaan?”
“Veel te riskant,” oordeelde Barend. “De weduwe zou zeker teruggeschoten hebben en een van ons hebben kunnen raken. En dat risico wilde ik niet lopen voor zo’n moordenaar.”
“Zullen we bij mij thuis de komst van de politie afwachten,” stelde de buurman voor.
Zwijgend wandelde het viertal door de verlaten straat, onderwijl door heel wat bewoners vanachter hun ramen nagestaard.
Niemand kwam naar buiten.

Drie dagen later was het voorlopig onderzoek afgesloten, de rust in het dorp enigszins weergekeerd en de auto van Johan zowaar gerepareerd.
De geest van Sean Bourke leek in rook te zijn opgegaan, de weduwe Bourke spoorloos verdwenen en ook van de directeur was tot nu toe geen spoor te bekennen.
“Die zal wel letterlijk in rook zijn opgegaan,” meende Johan.
Toch was er voor de politie geen reden om Maaike, Johan en Barend nog langer in het dorp te houden, zodat ze die ochtend af konden reizen.
De kastelein van de ‘singing pub’ had speciaal voor hen die morgen nog een Irish breakfast verzorgd en voor ze wegreden waren een aantal dorpelingen nog afscheid komen nemen om hen een goede reis toe te kunnen wensen.
“Raar hoor,” vond Johan, terwijl hij de auto startte. “Alles gaat alweer zijn gewone gangetje.
Als je niet beter wist, zou je denken dat er hier niets gebeurd was.”
“Nou, toch denk ik wel dat er over dit alles nog lang nagesproken zal worden,” veronderstelde Maaike.
“Misschien wel maar als je nu deze vredige dorpsstraat bekijkt, waar we nu doorheen rijden, zou je zeggen dat de tijd hier stil is blijven staan en er nooit iets gebeurt of ooit zal gebeuren.”
“Dat is ook maar beter zo,” vond Barend. “Het leven gaat door, of de tijd nu wel of niet stilstaat.”
“Wat ben jij filosofisch,” lachte Johan.
“Ach, ik heb lekker gegeten daarnet en dan kom ik wel eens tot dit soort gedachten,” filosofeerde Barend en sloot, breeduit gezeten op de achterbank, de ogen voor een dutje.
Maaike en Johan keken elkaar aan.
“We moeten er vooral voor zorgen dat hij deze terugreis veel en lekker te eten krijgt,” stelde Maaike voor.
Johan trapte lachend het gaspedaal in en de oude auto scheurde brullend door de ruige uitgestrektheid van het lege land.

hoofdstuk 4

Author: jeroenstamgast

De volgende dag was eigenlijk al weer snel voorbijgegaan.
Een legertje politiemensen had zich vroeg in de ochtend in het plaatselijke schooltje genesteld, dat wegens de vakantie toch niet gebruikt werd en was begonnen zoveel mogelijk getuigenissen af te nemen van de mensen die iets over de zaak wisten te vertellen.
Dat bleek dus zo ongeveer iedereen in het dorp te zijn.
Ook Maaike, Johan en Barend waren uitgebreid gehoord en ook hadden ze opnieuw de plaatsen bezocht waar zich een en ander afgespeeld had en werd alles zoveel mogelijk gereconstrueerd.
De gebeurtenissen van de afgelopen periode waren letterlijk het gesprek van de dag en de pub zat ’s avonds dan ook afgeladen vol met mensen die een uitweg zochten voor hun gevoelens van onrust.
Maaike, Johan en Barend hadden van de recherche het dringende verzoek, zeg maar gerust bevel, gekregen om voorlopig in het dorp te blijven voor nader onderzoek.
Het viel hen niet moeilijk om aan dit verzoek te voldoen, daar de garagehouder het door de gebeurtenissen niet op had kunnen brengen om de auto te repareren.
“Morgen is er weer een dag,” had hij gezegd. “En overmorgen ook trouwens.”
“Als hij morgen nog niets gedaan heeft, dan repareer ik die auto zelf wel,” gromde Barend en nam een flinke slok van zijn guinness.
“Toch ben ik nu wel heel erg benieuwd hoe het zit met die geest van Sean Bourke,” vond Johan.
“Tja,” zuchtte Maaike. “Hoe langer ik nadenk over wat ik gisteren heb meegemaakt, hoe vreemder ik alles vind. Er zijn gewoon dingen gebeurd die niet kunnen.”
“Je bedoelt die geheimzinnige figuur met zijn stormlantaarn en die muziek,” zei Johan.
“Ja, en ook die plotselinge vuurgloed vannacht. Trouwens, jouw gevecht met die gemaskerde kerel die spoorloos is verdwenen, is natuurlijk ook raar.”
“De hele omgeving is afgezocht maar ze hebben niets kunnen vinden.”
Je zou dus zeggen dat de ‘geest’ zich in het dorp moet schuilhouden.”
“Ja, en dan hebben we natuurlijk ook nog die weduwe. Waar is die gebleven?”
“Misschien ondergedoken bij iemand in het dorp.”
“Je zou toch zeggen dat ze ontdekt gaat worden, met al die politiemensen die nu in het dorp zijn.”
“Bij ons in de bed and breakfast overnachten er ook twee. Wist je dat?” vroeg Maaike.
“Ik heb het gehoord. En jij slaapt nog steeds op zolder hier, Barend?”
“Ja, en in plaats van de directeur krijg ik nou iemand van de politie als kamergenoot. Of misschien wel meer dan één,” zei Barend berustend.
“Waar slaapt de directeur dan?”
“In zijn eigen huis, met de nodige politiemensen erbij.”
“Heb je hem eigenlijk nog gesproken gisternacht toen je thuiskwam?” vroeg Maaike.
“Nou, niet echt. Hij was doodnerveus. Dat kon je wel merken. Maar ik had geen zin meer in een gesprek en ben gaan slapen.”
“En heb je die Kelly met zijn geweer nog gezien?”
“Ja, die malloot hield zo’n beetje de wacht, geloof ik. Nou ja, dat gaf een veilig gevoel, zullen we maar zeggen. Willen jullie nog wat drinken?”
Barend knikte met zijn hoofd naar de lege glazen.
“Nou, eentje nog,” zei Maaike niet erg enthousiast. “En dan wil ik eigenlijk even een luchtje gaan scheppen. Ik krijg het hier knap benauwd met al die rokers.”
Barend klemde zijn pijp tussen de tanden, pakte de glazen van tafel en verdween, kleine rookwolkjes producerend, naar de tap om een en ander te bestellen.
“Zou je dat nu wel doen?” vroeg Johan aan Maaike.
“Wat?”
“Een luchtje scheppen.”
“Waarom niet?”
“Na alles wat er gebeurd is, vraag ik me af of dat nog wel veilig is.”
“Ach, er is nu overal politie. Bovendien hebben wij er eigenlijk niets mee te maken.”
“Nee, maar we zijn er wel degelijk bij betrokken,” opperde Johan.
“Ik blijf hier in het dorp dus dat lijkt me niet meer zo gevaarlijk. En anders ga je even gezellig met me mee,” stelde Maaike overdreven vrolijk voor.
“Ach, je hebt wel gelijk wat dat gevaar betreft, denk ik,” zei Johan en pakte een vol glas bier aan dat Barend hem aanreikte.
“Ik hoorde daarnet bij de bar dat een paar mensen die vanochtend naar de stad gegaan waren, nog steeds niet terug zijn,” bromde Barend en liet zich voorzichtig op een stoel zakken. “Familieleden maken zich ongerust en de politie wil er werk van maken.”
“Die geest van Sean Bourke heeft natuurlijk inderdaad op dat papiertje geschreven dat niemand het dorp zal verlaten voordat de schuldigen gestraft zullen zijn,” sprak Johan veelbetekenend.
Hij wou nog iets zeggen maar werd onderbroken door een aangeschoten Kelly, die zich ongevraagd en ongewenst bij hen aan tafel meldde.
“Hallo vreemdelingen! Niet verder vertellen hoor, maar ik denk dat ik iets op het spoor ben.”
Hij wou nog iets zeggen maar werd meegetrokken door een kameraad.
“Kom Luke. We gaan.”
Johan keek Maaike en Barend aan.
“Wat zou hij op het spoor zijn? Een nieuwe voorraad drank soms?”
Maaike haalde haar schouders op.
“Iedereen begint zich steeds vreemder te gedragen. Het benauwt me hier. Ik ga nu echt even een luchtje scheppen.”
“Wacht, ik ga met je mee,” zei Johan en nam, vóór hij opstond, vlug nog even een slok van zijn bier.
“Doe geen domme dingen!” riep Barend hen na en vulde vervolgens hoofdschuddend zijn inmiddels al weer lege glas met de inhoud van de twee achtergebleven glazen.
Het was buiten winderig weer maar de storm was gaan liggen.
Maaike haalde diep adem en keek opgelucht om zich heen. “Fijn dat ik er even uit ben.”
“Waar wou je naar toe gaan?” vroeg Johan.
“Zullen we even tot het einde van het dorp wandelen en dan naar onze bed and breakfast gaan?”
“Goed,” zei Johan en sloeg een arm om Maaike heen.
Langzaam wandelden ze door de verlaten hoofdstraat.
Bij het huis van de directeur brandde overal licht en de buitendeur zwaaide open.
“Laten jullie me nu alleen? Mooie boel is dat!” mopperde een nerveuze directeur.
“Onze collega blijft bij u. Wij moeten dringend weg maar komen zo gauw mogelijk weer terug.”
De rechercheurs verlieten haastig het pand en passeerden Maaike en Johan met een korte groet.
“Hebben jullie trek in een borrel?” vroeg de directeur hoopvol.
Maaike en Johan keken elkaar aan.
“We wilden eigenlijk naar onze bed and breakfast gaan,” zei Maaike.
“Jullie zouden me er een geweldig plezier mee doen,” smeekte de directeur bijna. “Ik heb een enorme behoefte aan gezelschap. Al blijven jullie maar totdat die twee rechercheurs terug zijn.”
“Waarom zijn die twee er eigenlijk vandoor gegaan?” vroeg Johan.
“Ik weet het niet. Ze werden opgebeld maar wilden niets zeggen.”
De achtergebleven rechercheur verscheen nu ook buiten.
“Het is veiliger als u binnenkomt.”
De directeur pakte een arm van Johan en begon daar zachtjes aan te trekken.
“Ach, één borreltje kan toch geen kwaad,” probeerde hij weer.
Johan liet zich meevoeren en Maaike volgde met tegenzin.
Binnengekomen, vulde de directeur met scheutige hand de whiskeyglazen.
“Ik ben zo blij dat jullie even binnen wilden komen. Ik ga nog een keer kapot aan die spanning.”
“Maar weet u dan zeker dat die geest echt u moet hebben?” vroeg Johan en nipte van zijn whiskey.
“Je hebt toch gehoord wat er op dat briefje geschreven stond: niemand zal het dorp verlaten voordat de schuldigen gestraft zijn…”
“Maar bent u schuldig dan?” vroeg Maaike.
De directeur leek even na te denken.
“Nee natuurlijk! Maar weet die geest dat ook, dat is de vraag.”
“Voor u is dat blijkbaar niet echt een vraag meer want u knijpt hem als een dooie dief.”
Maaike wou nog wat zeggen maar werd onderbroken door de rechercheur die onverwacht naar het raam rende en schreeuwde dat ze naar boven moesten gaan.
“Naar boven? Waarom?” vroeg Maaike.
“Misschien is het loos alarm maar ik meende iemand achter het raam te zien. Snel!”
De rechercheur trok zijn pistool en de directeur begon te jammeren.
Johan pakte hem bij een arm en sleurde hem mee naar de trap.
Maaike duwde tegen zijn rug en zo kwamen ze een etage hoger.
“Wat een toestand! Wat een toestand!” huilde de directeur, volkomen in paniek.
“Hou daar nou eens mee op, met dat gejammer!” gromde Johan. “Daar word ik nou nerveus van!”
Het bleek te helpen.
De directeur snakte naar adem maar viel wel stil.
“Blijf boven!” schreeuwde de rechercheur van beneden. “Er sluipt iemand rond het huis. Ik hou het hier beneden in de gaten. Letten jullie op of er boven niemand door een raam naar binnen klimt.”
Johan zag hoe de rechercheur zich achter een kast verschanste en zo de buitendeur en een groot deel van de benedenverdieping in de gaten kon houden.
“We moeten ons over de kamers verdelen,” zei Johan gejaagd. “Zo gauw iemand iets ziet, moet hij dit melden aan de anderen.”
Ze probeerden zich zo strategisch mogelijk op te stellen en wachtten gespannen af.
Behalve de wind om het huis en wat onduidelijke geluiden, was er niet veel te horen.
Zo gingen een aantal minuten tergend langzaam voorbij.
Plotseling werd de angstaanjagende stilte verscheurd door een gil van Maaike.
“Aah! Er is iets achter het raam zonder gezicht!”
Maaike rende naar Johan die al naar haar toesnelde.
“Geen oren! Geen neus! Alleen… die ogen!”
Johan wou nog wat vragen maar het geluid van brekend glas weerhield hem daarvan.
“Hij komt binnen!” gilde Maaike.
De directeur begon weer te jammeren.
“Mee naar beneden!” schreeuwde Johan en het drietal denderde de trap af terwijl de rechercheur met getrokken pistool naar boven rende.
Terwijl Johan de buitendeur opengooide, klonk boven een schot en de voortvluchtigen zagen hoe de rechercheur langzaam in elkaar zakte.
“Niet de straat in!” schreeuwde Johan. “Daar zijn we een te gemakkelijk doelwit! Naar de struiken aan de overkant!”
Rennend voor hun leven bereikten ze de relatieve veiligheid van de struiken en het woeste landschap daarachter, terwijl een duivels silhouet in de deuropening schichtig om zich heen keek.
Twee priemende ogen in een verder vormeloos gezicht keken onheilspellend naar de struiken waarachter de voortvluchtigen verdwenen waren.

De pub was inmiddels leeggestroomd na allerlei berichten die de cliëntèle bereikt hadden.
Eerst waren het alleen Kelly en zijn kornuiten geweest die, na later bleek, een bericht ontvangen hadden van de geest van Sean Bourke om zich te melden bij het verlaten huis waar de gehangene door Maaike was gevonden.
Daarna was een van de verdwenen reizigers van de ochtend binnengestrompeld, die vertelde ontsnapt te zijn uit een grot 10 mijl daarvandaan, waar zij door de geest van Sean Bourke vast werden gehouden.
En tenslotte kwam er nog een bericht binnen dat de weduwe Bourke bij de verlaten vuurtoren gesignaleerd was.
De beschikbare rechercheurs hadden ogenblikkelijk om versterking gebeld en deelden zich zo goed en zo kwaad als het ging op, om de verschillende plekken te bezoeken.
De dorpsbewoners in de pub werd gesommeerd om naar huis te gaan en ramen en deuren gesloten te houden.
Barend had geen huis in de onmiddellijke omgeving om ramen en deuren te sluiten en zat aan de bar te praten met de kastelein die werktuigelijk de glazen spoelde.
“Eerlijk gezegd heb ik nooit geloofd in die verhalen over de geest van Sean Bourke,” sprak hij. “Maar ik moet toegeven dat ik daar nu wél in geloof. Ongelooflijk! En jij? Wat vind jij daar nu van?”
Barend tekende met zijn vinger een klavertje in het schuim van zijn guinness en schudde langzaam zijn grote hoofd.
“Het is net wat je zegt: ongelooflijk. Ik kan er niet in geloven dus.”
“Dat kan natuurlijk. Waar zijn je vrienden eigenlijk naar toe?”
“Die wandelen ergens in het dorp of waarschijnlijk zijn ze al in hun bed and breakfast.”
“Gelukkig spelen alle gebeurtenissen zich nu buiten het dorp af, dus zijn ze in ieder geval veilig.”
Barend frummelde met een pijpenkrabber wat in zijn pijp.
“Wat ik raar vind, is dat er geen berichten zijn gekomen over het huis van de directeur. Want als ik het goed begrepen heb, is het onze geest, na de gehangene, toch om hem te doen…”
De kastelein stopte met glazen spoelen.
“Nou je het zegt…En volgens mij zijn er ook rechercheurs uit zijn huis geroepen om mee op pad te gaan…”
Barend stond op en trok zijn jas aan.
“Ik ga toch maar even poolshoogte nemen. Mag ik een sleutel van de pub? Dan kan ik binnenkomen zonder je te hoeven wekken.”
De kastelein haalde een sleutel uit de kassalade en gaf die aan Barend.
“Hier. En wees voorzichtig. God bless you.”
“Bedankt”
Barend opende de deur en keek eens om zich heen.
De wind waaide naargeestig door de verlaten straat.
Eerst maar naar die bed and breakfast, dacht hij en zette er stevig de pas in.
Daar aangekomen, zag hij dat er licht brandde en dat stelde hem toch wel weer gerust.
Hij belde aan en wachtte tot er opengedaan zou worden.
Toen dit na de tweede keer bellen nog niet gebeurde, keek hij eens door het raam naar binnen maar kon geen teken van leven ontdekken.
Vreemd, dacht hij en belde voor de derde keer aan.
Er gebeurde nog niets en Barend nam een besluit.
Hij sloeg het deurraampje in, stak zijn hand naar binnen en opende van binnenuit de deur.
In het kleine halletje wachtte hij een ogenblik af of hij iets hoorde.
Alleen het tikken van een oude klok was hoorbaar en hij liep voorzichtig naar binnen.
Boven kraakte een plank.
“Is daar iemand?” vroeg Barend zonder op een bevestigend antwoord te rekenen.
Behoedzaam besteeg hij daarop de trap.
Er klonk geschuifel en hij hoorde iemand kuchen.
“Wie is daar?” vroeg Barend terwijl hij zijn hart in zijn keel voelde bonken.
“Hm…Ik ben het: James Drew, de buurman,” klonk het zenuwachtig en een gestalte werd bovenaan de trap zichtbaar.
”Doe het licht eens aan daar. Je weet vast wel waar het lichtknopje zit,” zei Barend en hield de gestalte in de schemer goed in de gaten.
De buurman van weduwe Bourke deed wat hem opgedragen was en even later keken ze elkaar aan: James Drew nerveus en Barend wantrouwig.
“Laten we naar de zitkamer gaan,” stelde de eerste voor. “Dan zal ik je alles uitleggen.”
Barend ging de trap weer af, gevolgd door James Drew.
Beneden gekomen, opende Barend de deur van de zitkamer, terwijl hij zag hoe de ander het laatste stuk van de trap in één keer nam en zich naar de halfopenstaande buitendeur spoedde.
Barend reageerde ogenblikkelijk en wist hem nog net op tijd bij de kraag te vatten.
Hij sleurde hem terug het halletje in en drukte hem ruw tegen de muur.
“Dat soort geintjes moet je bij mij niet uithalen, maat. Nog een keer zoiets en ik breek allebei je benen. Begrijp je dat?”
De buurman piepte dat hij dat volledig begreep.
Barend duwde hem de kamer in, smeet hem in een stoel en schoof er een ander pal tegenover, waar hij zelf in ging zitten.
“En nou ga je mij precies vertellen wat je hier in huis deed en alles wat daarmee te maken heeft.”
De man kuchte nerveus.
“Eigenlijk heb ik er niet zoveel mee te maken. Ik ben de buurman en ik heb de dood van Sean, de zoon van de weduwe dus, altijd heel erg voor haar gevonden. Bovendien ben ik het met haar eens dat de directeur schuld aan zijn dood heeft. Sean had ontdekt dat de directeur, samen met McCan, die nu dus opgehangen is, via kortsluiting brand wilde veroorzaken om met het geld van de verzekering zijn fabriek te moderniseren. Sean werkte daar als vakantiekracht en toen ze het plan ten uitvoer brachten, hebben ze er voor gezorgd dat hij mee verbrand werd, zodat hun bedrog niet zou uitkomen.”
“Maar er zal toch wel een politieonderzoek geweest zijn,” veronderstelde Barend.
“Ja, dat onderzoek kwam er inderdaad. Maar het is een zachte dood gestorven. Ze zijn ermee opgehouden wegens gebrek aan bewijs.”
“Goed, maar wat deed jij nu in dit huis?”
“Niets. Eh, ik…een soort nieuwsgierigheid…Ik…eh, wilde eens zien hoe alles eruit zag.”
“Nieuwsgierig naar waardevolle spulletjes zeker! Want je zal als goede buur de sleutel van het huis wel gehad hebben en kon, nu ze er toch niet was, op je gemak eens rondsnuffelen om te zien of er iets van je gading was.”
“Nee, echt niet. Ik…”
“Haal je zakken maar leeg,” viel Barend hem in de rede.
“Wat krijgen we nou!” probeerde de man verontwaardigd te klinken.
“Luister,” sprak Barend dreigend. “Of je haalt vrijwillig alles uit je zakken, of ik pak je bij je benen en schud je leeg!”
De man legde met trillende handen de inhoud van zijn zakken op tafel.
Het bleek een armzalige verzameling sieraden en snuisterijen te zijn.
Barend pakte een oud zakhorloge en keek er eens naar.
“Erg waardevol is het niet maar voor de politie blijft het diefstal, hoor!”
“Nee! Het is geen diefstal! Ik zal uitleggen hoe het gegaan is.”
“Ik luister,” zei Barend en hoorde, met het horloge tegen zijn oor gedrukt, hoe het na een paar draaien aan een koperen knopje, begon te tikken.
“Een paar weken geleden kwam de weduwe bij me met het verhaal dat een paar studievrienden van Sean op ludieke wijze wraak wilden nemen op de schuldigen van zijn dood. Om alles ongezien te kunnen voorbereiden vroeg mijn buurvrouw mijn schuur te leen, die aan de rand van het dorp staat. Als ‘huur’ zou ik deze sieraden krijgen. Ik zag er geen kwaad in en bovendien vond ik het ook onrechtvaardig dat de schuldigen nog steeds vrij rondliepen. In het begin gebeurden er een paar rare gebeurtenissen onder het mom van ‘de geest van Sean Bourke’. Dat was om de mensen aan het denken te zetten. Alleen toen viel de eerste dode en dat heb ik natuurlijk nooit gewild.”
“Waarom heb je dat niet aan de politie verteld?”
“Omdat ze me dan misschien van medeplichtigheid zouden beschuldigen en ik had ook mijn ‘huur’ nog niet. Maar door de laatste gebeurtenissen begon het helemaal uit de hand te lopen, dus ik dacht: ik haal in ieder geval eerst waar ik recht op heb en ga dan naar de politie.”
“De enige politie die nog in het dorp is, bewaakt het huis van de directeur. Dus daar gaan we naar toe. Kom maar mee.”
Barend legde het horloge terug op tafel, stond op en wenkte de buurman hetzelfde te doen.
Deze keek nog even spijtig naar zijn ‘huur’ maar waagde het niet om deze in zijn zak te stoppen.
Bij de directeurswoning troffen ze tot hun schrik een dode rechercheur aan.
Barend haalde diep adem en wist even niet wat te doen.
“Waar staat die schuur van jou?” vroeg hij toen.
“Aan de andere kant van het dorp,” sprak de man met bevende stem.
“Dan gaan we daar als de gesmeerde bliksem naar toe!”
De rust in de lange dorpsstraat, die er eenzaam en verlaten bij lag, werd slechts verstoord door twee mannen, die er als onrustige paarden doorheen draafden.

hoofdstuk 3

Author: jeroenstamgast

Toen Johan en Barend de pub betraden, bleek Maaike daar inderdaad te zijn.
Het ergste tumult dat het verslag van haar belevenissen veroorzaakt had, was net wat geluwd.
Deze keer werd ze ogenblikkelijk serieus genomen en Sheehan, de plaatselijke politievertegenwoordiger, stond op het punt om met een paar ‘dappere mannen’ het lijk van de gehangene op te halen.
De komst van Johan en Barend betekende hooguit een klein oponthoud.
Nadat Maaike en Johan elkaar opgelucht in de armen waren gevlogen en Johan het verslag van zijn belevenissen had gedaan, ging men op pad.
Maaike hoefde niet mee om de weg te wijzen omdat men uit haar beschrijving kon opmaken om welk verlaten huis het ging.
Sheehan had om versterking gebeld maar dat kon nog wel even gaan duren.
De pub was afgeladen met verontruste dorpsbewoners en de kastelein beleefde, ondanks het wegblijven van de muziekband, een topavond wat betreft de drankverkoop.
Maaike en Johan werd herhaalde malen gevraagd om over hun avonturen te vertellen en de meeste mensen waren er nu wel van overtuigd dat het inderdaad de geest van Sean Bourke was, die het dorp belaagde.
Sheehan legde na terugkomst het lijk ergens in het kleine politiebureau en adviseerde de dorpsbewoners om naar huis te gaan, ramen en deuren te sluiten en binnen te blijven zolang er nog geen versterking was gearriveerd.
Het advies werd niet meteen opgevolgd maar een half uurtje later waren de meeste mensen dan toch wel vertrokken.
Slechts een iemand kwam nog binnen.
Een verzorgd uitziende heer, die de directeur van de plaatselijke fabriek bleek te zijn, vroeg aan de kastelein of hij bij hem de nacht kon doorbrengen omdat hij zich, gezien de gebeurtenissen van de afgelopen dag, thuis niet meer veilig voelde.
De kastelein stemde toe en beloofde ook voor hem een matras op zolder te leggen.
De directeur voegde zich bij zijn toekomstige kamergenoot en Maaike en Johan besloten om naar de bed and breakfast terug te gaan.
De kastelein sloot af en ging de beide logés voor naar hun slaapplaats.
Op de grond lagen, verscholen tussen de rommel, inderdaad twee matrassen en een paar lakens en dekens.
De meegebrachte olielamp verspreidde een onrustig licht.
“Het is niet erg comfortabel,” sprak de kastelein verontschuldigend. “Maar het komt uit een goed hart, moet je maar denken.”
Hij wenste hen een goede nacht en stommelde de trap weer af.
Barend en de directeur zaten een tijdje zwijgend bij elkaar totdat de directeur de stilte verbrak.
“Wat vind jij nou van dit alles?” vroeg hij aan Barend. “Als buitenstaander, bedoel ik. Denk jij echt dat de geest van Sean Bourke wraak komt nemen of zit er misschien iets anders achter?”
Barend haalde zijn schouders op.
“Ik denk niet veel,” antwoordde hij zonder enthousiasme. “Ik weet alleen dat ik niet in spoken geloof, dus dan zal er wel iets anders achter zitten.”
“Maar wat dan? Wie heeft er nou baat bij om mij dwars te zitten?”
“Zitten ze jou dwars dan? Jij bent toch niet degene die vermoord is, of wel soms?”
De directeur keek Barend aan alsof deze hem op een volslagen nieuw gezichtspunt had gebracht, dat hij nog even moest verwerken.
“Hm, nee. Maar er zijn wel dreigementen aan mijn adres geuit.”
“Waarom dan? Ik dacht dat mensen in een kleine dorpsgemeenschap het altijd zo leuk met elkaar kunnen vinden.”
“Dat was ook zo. Tot de brand in mijn fabriek uitbrak. Nou was ik goed verzekerd, dus ik heb van het verzekeringsgeld meteen mijn fabriek gemoderniseerd. Maar dan krijg je de afgunst! Sommige mensen beweren dat ik mijn fabriek zelf in brand gestoken heb om het verzekeringsgeld op te strijken. Onzin natuurlijk! Bovendien is de fabriek ook in het belang van het dorp. Heel wat mensen vinden er werk.”
Er viel een stilte waarin alleen het bulderen van de storm te horen was.
Het walmende vlammetje van de olielamp zorgde voor een spookachtige verlichting in de overwegend duistere zolderkamer.
Een boom voor het raam achter Barends brede rug zwiepte wild heen en weer en de takken leken tot klauwen te vervormen, klaar om iemand te grijpen.
De directeur staarde er angstig naar en deze keer was het Barend die de stilte verbrak.
“Ik heb me laten vertellen dat er ook iets was met iemand die levend verbrand is. Hoe heette hij ook al weer?”
De directeur sprong plotseling, als door en adder gebeten, overeind.
“Sean Bourke! De geest van Sean Bourke!” gilde hij.
Barend keek hem verbaasd aan.
“Nou, een geest is hij pas geworden na die brand.”
De directeur leek hysterisch te zijn geworden en wees met uitpuilende ogen naar het raam achter Barend.
”Nee! Daar! Achter je! Kijk dan!”
Barend draaide zich om en zag het silhouet van de wild heen en weer zwiepende boom.
“Volgens mij is dat gewoon een boom.” “Ik zag daarnet de gestalte van een mens of zoiets! Hij loerde door het raam naar binnen.
Alsof hij op zoek was naar me. Ik ben niet voor niets ondergedoken…”
Barend kwam overeind en liep naar het raam, terwijl hij bijna zijn nek brak over een paar dozen met kerstversiering.
Hij kon in het donker buiten niet veel onderscheiden maar was toch wel nieuwsgierig geworden en morrelde aan het raam om dit te openen.
Na het nodige duw- en trekwerk lukte dit en Barend stak zijn hoofd naar buiten in de huilende wind.
“Alle duivels. Wat een storm,” mompelde hij en tuurde met tranende ogen naar beneden.
Hij wist het niet zeker maar hij dacht inderdaad dat hij daar iemand zag rondsluipen.
Zijn hart begon sneller te kloppen.
Hij mat de afstand tot het platje beneden hem en nam een besluit.
Hij klom uit het raam tot hij met zijn handen aan de vensterbank hing en overbrugde de laatste meter door zich voorzichtig af te zetten en op het platje beneden hem te springen.
Blijkbaar niet voorzichtig genoeg want het platje begaf het krakend onder het enorme gewicht van Barend, die daardoor twee meter lager met het nodige kabaal tussen allerhande horecabenodigdheden in een schuurtje terechtkwam.
Wonder boven wonder liep het goed af, wat Barend er overigens niet van weerhield hartgrondig te vloeken.
Hij krabbelde moeizaam overeind en vroeg zich af wat hij nu zou doen.
Als hij de geest, of wat het dan ook was, had willen verrassen, kon hij dat nu in ieder geval wel vergeten.
Zijn komst had hij, ondanks het bulderen van de storm, nu wel luid en duidelijk aangekondigd.
Het beste was misschien maar om gewoon via de deur naar buiten te gaan en te kijken of hij op de een of andere manier weer op zolder kon komen.
Half op de tast vond hij de deur, opende die en keek tot zijn schrik recht in de loop van een jachtgeweer.
“Handen omhoog of je bent een kind des doods!” klonk het onheilspellend.
Barend stak machinaal zijn handen in de lucht en probeerde in de duisternis te zien wie zich achter het enorme geweer schuilhield.
“O, ben jij het,” sprak de eigenaar van het vuurwapen en liet dit zakken. “Ik woon hiernaast en ik dacht dat ik iemand zag rondsluipen maar dat kan jij niet geweest zijn. Degene die ik zag, had een normaal postuur. Heb jij dat lawaai daarnet ook gehoord?”
“Nou, niet alleen gehoord,” bromde Barend en hij wreef nog eens over een paar pijnlijke plekken.
De deur van de pub ging open en de eigenaar ervan voegde zich bij de mannen.
“Wat is hier allemaal aan de hand?” vroeg hij argwanend.
“Wel,” sprak de man met het jachtgeweer. “Ik zag iemand rondsluipen, dus ik pakte mijn geweer omdat ik het niet vertrouwde en ondertussen was jouw logé…” Hij wees naar Barend, die intussen ergens anders naar keek. “…ook op pad gegaan. Uiteindelijk vonden we elkaar maar niet onze rondsluiper.”
“Maar ik vind wel iets anders,” bromde Barend en liep naar de deur van de pub.
De mannen volgden Barend en zagen, net als hij, een bijl die in de deur geslagen was met daartussen een papier geklemd waarop geschreven was.
Barend trok het papier los en las vluchtig de tekst.
Vervolgens keek hij naar de nieuwsgierige gezichten van de beide mannen.
“Moet je horen wat er staat,” nodigde Barend uit en begon voor te lezen. “Hum het uur van de wraak is aangebroken. Niemand zal het dorp levend verlaten tot de schuldigen gestraft zijn. Ondertekend: de geest van Sean Bourke.”
Ze keken elkaar eens aan.
“Daar weet die weduwe Bourke vast meer van,” gromde de man met het jachtgeweer. “Ik zal wat maten optrommelen om haar eens aan de tand te voelen. Dat had al veel eerder moeten gebeuren!”
Hij maakte een zwaaiende beweging met zijn geweer en verdween in de vliegende storm.
Barend keek hem na en wenkte toen de kastelein.
“Kom eens kijken als je wilt. Ik moet je wat laten zien.”
In het schuurtje wees hij naar het gat in het dak.
“Kijk, ik dacht dat ik iemand zag rondsluipen en die wilde ik achtervolgen en toen ben ik per ongeluk door je dak heen gezakt.”
“Ach,” sprak de kastelein. “Dat dak is niet zo erg. Dat was toch verrot. Ik maak me meer druk over weduwe Bourke. Niet dat het mijn vriendin is, maar die Kelly met zijn geweer is een agressieveling.
“Weduwe Bourke?” schrok Barend. “Maar daar logeren mijn vrienden toch ook?”
“Ik zou maar eens gaan kijken als ik jou was. Als Kelly het op zijn heupen heeft, is niemand veilig..”

Bij het huisje van weduwe Bourke keken drie mannen toe hoe een vierde met een jachtgeweer hard op de deur bonkte.
Boven hen ging een raampje open en een slaperige Johan stak zijn hoofd naar buiten.
“Wat willen jullie, midden in de nacht?” vroeg hij verstoord.
“Wij willen weduwe Bourke spreken!” riep Kelly.
“O, dan moet je niet bij mij zijn,” besloot Johan en deed het raam weer dicht.
“Wat is er aan de hand?” vroeg Maaike, die ook wakker geworden was, slaperig.
“Ach, een stelletje imbecielen willen weduwe Bourke spreken. Dat is toch niet normaal, zeg! Midden in de nacht!”
Buiten werd weer op de deur gebonkt en er werd dit keer bij geschreeuwd dat ze deze zouden intrappen als er niet onmiddellijk opengedaan werd.
“Zijn ze nou helemaal gek geworden!” riep Johan verontwaardigd.
“Doe jij anders even open,” stelde Maaike voor, die nu ook uit bed kwam. “Ik denk dat weduwe Bourke dat niet durft.”
Johan schoot snel in zijn broek en ging mopperend de trap af.
Hij opende de deur en keek tot zijn schrik recht in de loop van Kelly’s jachtgeweer.
“Opzij, vreemdeling!” riep Kelly. “Wij willen weduwe Bourke spreken!”
Johan duwde de loop van het geweer voor zijn gezicht weg.
“Kan dat niet wat vriendelijker?”
Kelly zei niets maar wurmde zich langs Johan heen, het huis binnen.
Deze gaf niet echt mee en Kelly begon te duwen.
Maaike, die intussen ook beneden gekomen was, pakte een kruk uit de gang en prikte Kelly, met de poten ervan voorwaarts gericht, terug naar buiten.
“Op deze manier kom je zeker niet binnen, lomperik!” snoof Maaike en ging naast Johan staan.
Kelly leek door deze onverwachte aanval, en misschien ook wel door het nachtgewaad van Maaike, even van zijn stuk gebracht maar herstelde zich en wilde zijn geweer op hen richten.
Johan zag dit, sprong naar voren en greep het geweer vast, waarna een worsteling ontstond.
Een van de door Kelly meegebrachte kornuiten wilde zich er ook mee bemoeien maar werd daarvan weerhouden door Maaike die naar voren sprong en hem een welgerichte trap op een daar niet op berekende plaats verkocht.
Dat was het sein voor de twee anderen om te hulp te schieten.
De ene probeerde Maaike op de grond te drukken en de andere greep Johan, die net Kelly tegen de vlakte had geslagen, van achteren bij de nek vast.
Johan boog zich diep voorover, zodat de man over Johan heen, op de grond viel.
Maaike had zich ondertussen achterover laten vallen, zette een voet in de buik van de meevallende belager en zwiepte hem aldus over zich heen, zodat hij achter haar op de grond smakte.
Daarna draaide ze zich vliegensvlug op haar zij en graaide het geweer voor Kelly zijn neus weg, die daar met een van pijn vertrokken gezicht naar op weg was.
Op dat moment kwam Barend aanzetten.
“En nou is het over!” donderde hij op goed geluk.
Op de een of andere manier maakte de kolossale gestalte van Barend, die zich onheilspellend tegen het schijnsel van een lantaarnpaal aftekende, zoveel indruk dat het inderdaad ook over was.
Johan en Maaike voegden zich bij Barend en de anderen kwamen moeizaam overeind.
“Waar is die drukte allemaal voor nodig?” vroeg Barend ontstemd.
“Deze agressievelingen wilden met alle geweld hier naar binnen,” antwoordde Maaike en ging weer bij de voordeur van het huisje staan, terwijl ze het geweer bij zich hield.
Het geluid van de korte schermutseling had klaarblijkelijk een aantal mensen uit hun nachtrust gehaald en er vormde zich een kleine menigte, zodat er drie partijen ontstonden.
Aan de ene kant Maaike, Johan en Barend die voor de ingang van het huisje stonden en aan de andere kant vier mensen die naar binnen wilden, gadegeslagen door een verbaasd publiek.
Barend hield door zijn machtige aanwezigheid en de rust die hij uitstraalde, de meute in bedwang maar wist verder eigenlijk niet wat hij met de situatie aan moest.
“Luister,” sprak Maaike, die het initiatief nam. “Jullie willen weduwe Bourke spreken. Dat kan, maar wel op een normale manier. Eén van jullie mag met mij mee naar binnen, terwijl de rest buiten blijft wachten.”
Kelly stapte direct naar voren en meteen daarna nog iemand.
“Ik ben de buurman van weduwe Bourke,” verklaarde deze, terwijl hij misprijzend naar Kelly keek. “Ik wil er ook graag bij zijn.”
“Dat kan,” gaf Maaike toe en de twee gingen met haar naar binnen.
Johan en Barend posteerden zich voor de ingang en wachtten met de mensen buiten, op de uitslag van het gesprek.
Dit liet niet lang op zich wachten
“Ze is er vandoor! Weg! Verdwenen!” brulde Kelly zodra hij weer buiten was.
De mensen keken elkaar ongelovig aan en iedereen begon met iedereen te praten.
“Het is inderdaad waar,” zei Maaike, een beetje beduusd.
“Heb je wel goed gekeken?” vroeg Johan.
“Natuurlijk,” antwoordde Maaike geërgerd “Het is geen paleis met zoveel kamers dat je er makkelijk eentje over het hoofd ziet.”
“Moet je daar eens kijken,” zei Barend en knikte met zijn hoofd naar het andere eind van het dorp.
In de verte was een oranjerode gloed zichtbaar die allengs groter werd.
De gesprekken verstomden en de mensen keken vol ongeloof en angst naar de nieuwste ontdekking.
“Wie durft er met me mee te gaan om te kijken wat dat is!” schreeuwde Kelly en keek verwilderd om zich heen.
Een handjevol mensen voegde zich bij hem, terwijl het merendeel stilletjes naar huis afdroop.
Maaike, Johan en Barend bleven achter en besloten om ook maar naar binnen te gaan.
“Als het belangrijk is, horen we er zo wel van, vrees ik,” bromde Barend.
“Zal ik even thee zetten?” stelde Johan voor. “Ik ben een beetje over mijn slaap heen, eerlijk gezegd.”
Hij zette een ketel met water op het gasfornuis en ging daarna bij de anderen in de woonkamer zitten.
“Ik weet zo langzamerhand niet meer wat ik ervan denken moet,” begon Maaike het gesprek.
“Hoe kom jij hier eigenlijk verzeild?” vroeg Johan aan Barend, die een pijp stopte.
Barend vertelde in het kort zijn belevenissen.
“Ik heb dus inderdaad iemand gezien,” sloot hij af. “Maar ik had niet het idee dat het een geest was.”
“Maar hoe verklaar jij dan al die rare dingen?” vroeg Maaike.
“Ik verklaar helemaal niets,” zei Barend. “Ik weet alleen wat ik gezien heb en dat is dus niet veel.”
“Waar zou die weduwe Bourke zijn?” vroeg Johan zich af.
“Dat arme mens is natuurlijk gevlucht toen die idioten op de deur begonnen te bonzen,” veronderstelde Maaike.
Johan stond op en inspecteerde de slaapkamer van de weduwe.
“Het bed is niet beslapen!” riep hij naar beneden. “En er liggen ook geen kleren van haar. Als ze echt hals over kop weg is gegaan, zou ze nooit de tijd gehad hebben om zich helemaal aan te kleden. Ze moet dus al eerder weggegaan zijn.”
“Dat zou kunnen,” dacht Maaike. “Maar het hoeft natuurlijk niet. Misschien durfde ze niet te slapen en had ze haar kleren nog aan.
“Ja, dan wachtte ze zeker in het stikdonker op de dingen die zouden kunnen gaan gebeuren,” spotte Johan, die inmiddels weer beneden gekomen was. “Er brandde geen licht in huis al die tijd.”
“Misschien durfde ze dat niet aan te doen uit angst voor bezoek. Of misschien is ze gewoon daarvoor al ergens heen gegaan,” dacht Maaike en goot kokend heet water in een theepot.
“Ik vind het maar raar,” bromde Johan. “Waar moet zo iemand heen met dit weer en om deze tijd?”
Maaike zette voor ieder een kopje met dampende thee neer.
Misschien is ze bij iemand die ze vertrouwt en wacht ze daar de dingen af die komen gaan.”
“Dat zou natuurlijk kunnen,” gaf Johan toe.
Barend blies kleine rookwolkjes uit zijn pijp in het schaars verlichte kamertje.
“Ik vind het ook wel interessant om te bedenken wat wij gaan doen. Ik heb geen zin om hier langer te blijven dan strikt noodzakelijk is.”
“De auto wordt morgen gemaakt dus ik neem aan dat we, na het afleggen van een verklaring aan de politie, wel mogen vertrekken. Maar ben jij dan niet nieuwsgierig naar de oplossing van dit mysterie?” vroeg Johan.
“Ik houd niet van mysteries,” bromde Barend. “Wat mij betreft zoeken ze het allemaal zelf maar uit.”
Op dat moment werd er aan de deur gebeld.
Johan stond op.
“Ze worden al beleefder. Ik zal eens kijken wie dat is.”
“Hallo,” zei Kelly. “Mag ik even binnenkomen?”
“Ben je alleen?” vroeg Johan en keek in de lege straat.
“Zoals je ziet. Mijn kameraden zijn naar huis.”
Johan deed de deur uitnodigend open en Kelly stapte binnen.
“Allereerst mijn excuses voor daarnet,” sprak Kelly verzoenend, terwijl hij van de thee slurpte die Maaike voor hem ingeschonken had. “Ik laat me wel eens gaan maar dat hebben jullie terecht afgestraft, daarnet. Waar ik voor kom, is het volgende. Laat ik eerst nog maar eens zeggen dat ik absoluut niet in geesten of zo geloof. Maar wat ik absoluut ook niet begrijp is, dat die oranje gloed zomaar verdwenen was zonder sporen achter te laten op het moment dat wij aankwamen. Echt spoorloos verdwenen. En wat we wél hoorden toen, was een soort monnikenmuziek. Wat ik me kan herinneren is dat jij dat ook gehoord hebt en er een monnik bij zag die spoorloos verdween. Klopt dat?”
“Nou,” zei Maaike. “Het deed me aan een monnik denken. Maar dat kwam misschien ook omdat ik die zang erbij hoorde. Hij leek eigenlijk ook wel op een grote kabouter of zo.”
“Wel, mijn kameraden zijn ervan overtuigd dat het de geest van Sean Bourke is, maar ik weiger dat te geloven. Toch moet ik toegeven dat ik voor dit alles geen goede verklaring heb en dat kan ik niet uitstaan! Hebben jullie er soms een verklaring voor? Jullie komen tenslotte van buiten en zijn niet zo bijgelovig als de mensen in deze streek.”
Kelly keek ze hoopvol aan.
Maaike moest bijna lachen.
“Sorry, ik weet echt niets zinnigs daarover te zeggen. Ik ben gewoon verbaasd en weet het niet. Ik vind alles heel vreemd maar…ja…” Kelly keek vragend naar Johan en Barend.
Johan haalde alleen maar zijn schouders op en Barend bestudeerde zijn pijp.
Kelly stond op.
“Bedankt voor de thee. Zouden jullie mij een plezier willen doen en het mij laten weten zodra je wat ontdekt. Ik kan hier echt niet tegen, weet je. Het maakt me razend.”
Johan begeleidde hem naar de deur en Kelly verdween teleurgesteld in de stormachtige nacht.
Barend klopte zijn pijp uit.
“Ik denk dat ik ook maar eens ga. Geest of geen geest: laten we afspreken dat we contact met elkaar opnemen, zodra er iets te melden is. En geen actie ondernemen zonder overleg. Er is al een dode gevallen en iedereen hier in het dorp wordt steeds gekker van de zenuwen. We zien elkaar morgenochtend wel in de pub.”
“Zou je niet liever hier blijven?” vroeg Johan. “De weduwe is er nou toch niet.”
“En dan zeker in haar bed gaan liggen. Of hier in een stoel gaan zitten. Nee, dank je. Op de zolder van de pub heb ik tenminste een eigen matras.”
“Maar daar is ook die directeur en die is momenteel het doelwit, nu die andere dood is.”
“Ik heb het idee dat onze naargeestige moordenaar zich vannacht niet meer laat zien. Bovendien zou het me niets verwonderen als die Kelly met zijn geweer bij de pub de wacht houdt.”
Barend wenste hen een goede nacht en wandelde, voort geblazen door wind, in een flink tempo naar de pub.
Maaike en Johan dronken nog een kopje thee en besloten toen toch maar om naar bed te gaan.
En, hoewel ze dachten dat het moeilijk zou zijn om de slaap te vatten, lukte dit wonderwel.

hoofdstuk 2

Author: jeroenstamgast

Maaike en Johan waren de daarop volgende dag redelijk plezierig doorgekomen.
Ze hadden met een stevig Irish Breakfast een ideale basis gelegd voor een flinke ochtendwandeling door de omgeving.
Ze hadden genoten van de ruige uitgestrektheid van het land en van de woeste golven van de Atlantische Oceaan die tegen de weerbarstige kust beukten.
Toen de toch al hevige wind stormachtige vormen begon aan te nemen en ze terug naar het dorpje wilden gaan, kostte het hen zowaar nog de nodige moeite om het terug te vinden.
De weinige paadjes waren redelijk onbegaanbaar en slingerden er maar wat op los naar hun idee.
Het gaf hun echt het gevoel door het einde van de wereld te dwalen.
Ze hadden dan ook een stevige trek opgebouwd toen ze eindelijk min of meer per ongeluk weer in het dorpje belandden.
De plaatselijke pub bracht uitkomst en na een eenvoudige maar voedzame maaltijd en een guinness van de tap, zat de stemming er weer in.
Buiten gierde de wind door de smalle hoofdstraat en Maaike en Johan hadden het gevoel net op tijd binnen te zijn.
Voor hen als stadsmensen leek het niet eens ongevaarlijk als je in dat door God en alle mensen verlaten gebied van daarnet verdwaald zou zijn.
Een lodderige loomheid maakte zich sluipend van hen meester en ze besloten wat te rusten in de bed and breakfast van weduwe Bourke.
Na een hazenslaapje hadden ze thee gedronken met de weduwe, terwijl de storm de pannen van het dak leek te willen rukken.
Misschien kwam het daardoor wel dat de weduwe een onrustige indruk maakte.
Het gesprek wilde niet erg vlotten en Maaike en Johan kregen de indruk dat ze niet erg welkom meer waren, hoewel de weduwe haar best deed om het tegendeel te bewijzen.
Johan was blij dat hij het excuus had om bij de garagehouder te informeren hoe het met de onderdelen en de reparatie van de auto stond en Maaike was opgelucht dat ze naar haar
kamer kon gaan.
Meer en meer was er een raar soort spanning voelbaar geweest.
Buitengekomen, knoopte Johan zijn jas goed dicht en worstelde zich tegen de storm in naar de garage.
Bij toeval kwam hij de garagehouder tegen, die net terug was van zijn ritje naar de stad en op weg was naar de pub.
Nog voor Johan iets had kunnen zeggen, nam de garagehouder al het woord.
“Heb jij een afspraak met iemand van zo’n meter of twee en het gewicht van een olifant?”
Johan moest lachen.
“Ik heb inderdaad met mijn oom afgesproken.”
“Nou, dan is dat die lifter die ik meegenomen heb. Dat doe ik wel eens meer, een lifter meenemen. Dat is vaak gezellig op die stille wegen. Nou, deze zei dat hij hier een afspraak had en is vervolgens in een diepe slaap weggezakt. Echt gezellig was het niet. Maar je onderdelen heb ik wel. Morgen kan ik aan de slag.”
“Fijn,” zei Johan. “Waar is mijn oom nu?”
“Die is, nadat ik hem met moeite wakker gekregen heb, op een drafje naar de pub gegaan.”
“Dat komt goed uit,” zei Johan. “Ik was net op weg daarheen.”
“Ik ook,” zei de garagehouder. “Waar zou je met dit weer anders naar toe moeten gaan?”

In de pub was het onstuimige weer het gesprek van de dag.
Op de radio was zelfs voorspeld dat het orkaanachtige vormen zou kunnen gaan aannemen.
De band die ’s avonds zou optreden was nog steeds niet gearriveerd en de waard vroeg zich al af of de muzikanten nog wel zouden komen.
Johan trakteerde de garagehouder op een biertje en vond zijn oom, gezeten in een hoek, achter een ‘pint of guinness’ .
“Ha, die ome Barend! Je hebt ons toch gevonden, zie ik.”
Het kolossale lichaam van Barend kwam moeizaam overeind om Johan de hand te schudden.
“Wat dachten jullie? We zullen hem maar eens flink laten reizen voor zijn gratis
terugtochtje! Dit is zo’n beetje de meest achterlijke uithoek van het hele land, geloof ik.”
Barend ging zuchtend weer zitten, nam een enorme slok guinness en veegde met zijn grote hand het schuim uit zijn snor en baard.
“Nou ja, het doet me goed om je weer eens te zien. Waar is je vriendin eigenlijk?”
“Die is in de bed and breakfast waar we overnachten. Heb jij al een slaapplaats geregeld?”
Barend grijnsde gelaten.
“De enige bed and breakfast van het dorp was al vol. Met jullie dus. Maar ik mag van de waard op zolder slapen. Er schijnt een verloren plekje tussen de rommel te zijn waar ze een matras voor me zullen neerleggen. Nou ja, ik ben allang al blij dat ik met dit hondenweer een dak boven m’n hoofd heb. Als het er niet afwaait, tenminste.”
“Is het nog gelukt met de onderdelen van mijn MG?”
“Zeker wel. Ik heb alles apart laten leggen in een garage in Cork, waar we ook de boot terug nemen. Je kan nu weer jaren verder met je autootje.”
“Fantastisch,” zei Johan. “Wil je nog een guinness? Dan neem ik er ook een. Dan ga ik daarna Maaike halen.”
Barend sloeg het aanbod niet af en Johan ging met een opgeruimd gevoel naar de tap om het gewenste te bestellen.
Het was vandaag tot nu toe een gezellige dag geweest en als het aan hem lag, zou de dag ook in deze sfeer eindigen.

Ook Maaike was, na enig getuttel op haar kamer, in een beste stemming en kleedde zich warm aan om naar de pub te gaan.
Dat optreden van die Ierse folkgroup leek haar leuk en Johan had zich vandaag tenminste weer eens van zijn gezellige kant laten zien, zodat het een fijne avond leek te gaan worden.
Ze bekeek zich nog eens in de spiegel met haar nauw sluitende leren jack waar haar lange haren golvend overheen vielen en stelde tevreden vast dat ze er best mocht wezen.
Buiten kon je bijna tegen de storm aanleunen en even had ze het gevoel dat het herfst was in plaats van zomer.
De lucht was zo grauw dat het leek alsof elk ogenblik de duisternis kon invallen.
De straat lag er verlaten bij en alleen in de verte op de heuvel achter het dorp zag ze een spookachtige figuur, gehuld in een wapperende mantel met capuchon en een stormlantaarn in zijn hand.
Ook raar, dacht ze, zo donker is het nou toch ook weer niet dat je een stormlantaarn nodig hebt.
Ze bleef even staan en bekeek, door haar door de wind betraande ogen heen, naar de eigenaardige figuur.
Met die mantel of cape, wat was het, leek het wel een monnik of een kabouter.
Tot haar grote verbazing hoorde ze plotseling flarden muziek, die meegedragen werden door de wind.
Gedreven door nieuwsgierigheid wandelde ze het paadje op dat naar de heuvel leidde.
De flarden muziek regen nu aaneen tot een melodie die deed denken aan middeleeuwse koormuziek.
Maaike kon haar oren niet geloven en versnelde haar pas.
Ze onderscheidde nu duidelijk Gregoriaanse muziek, zoals die door monniken gezongen wordt.
Ze meende zelfs even het luiden van een kerkklok te horen.
Ondertussen bleef haar nadering niet onopgemerkt en haar ‘monnik’ keerde haar de rug toe en schreed over het paadje de heuvel op.
Maaike hield even halt om na te denken.
Ze keek achterom naar het dorp en vroeg zich af of het wel verstandig was om dat nu met dit slechte weer te verlaten.
Bovendien zou het binnen afzienbare tijd gaan schemeren en het was bij vol daglicht al zo moeilijk geweest om het dorp terug te vinden.
En dan natuurlijk niet te vergeten: was het wel verstandig om zo’n vreemde figuur te
volgen?
Ze keek de andere kant weer op maar de figuur die ze net nog gezien had, bleek spoorloos verdwenen.
Waar was die nou gebleven?
Hij kon toch niet zomaar plotseling verdwenen zijn?
Ze rende een stuk de heuvel op maar kon hem niet vinden.
Zou hij zich ergens verstopt hebben?
Het onherbergzame terrein leende zich daar wel voor maar waarom zou iemand zoiets doen?
Ze besefte plotseling dat de Gregoriaanse muziek ook verdwenen was.
Alleen het naargeestig huilen van de wind was nog te horen.
Maaike begon zich bijna af te vragen of ze het zich misschien verbeeld had maar daarvoor had ze alles toch te scherp waargenomen.
Of zou ze getuige geweest zijn van een van die geheimzinnige gebeurtenissen waarover je in Ierland wel meer hoorde vertellen?
In gedachten verzonken daalde ze de heuvel weer af naar het dorp.
Plotseling kreeg ze het idee dat ze bekeken werd van achteren en ze draaide zich met een ruk om.
Daar stond warempel de monniksfiguur met de cape en de stormlantaarn weer.
Hij keek haar aan maar zijn gezicht was door de capuchon niet te zien.
Langzaam draaide hij zich om en vervolgde rustig zijn weg de heuvel op.
Maaike keek hem na, terwijl haar hart in haar keel bonsde.
Wat was dat toch voor iemand?
Als hij iets kwaads in de zin gehad had en zich daarnet inderdaad verstopt had, zou hij haar hebben kunnen aanvallen toen ze daar was.
En aan de andere kant: als hij niet gezien wilde worden, had hij beter kunnen wachten tot ze terug in het dorp was om daarna ongezien te verdwijnen.
Daar hoorde ze die Gregoriaanse koormuziek ook al weer!
Met een gezicht vol ongeloof keek ze naar de zich traag voortbewegende figuur die inmiddels al bijna de top van de heuvel bereikt had.
Bovengekomen, draaide hij zich om, hief de stormlantaarn en wenkte haar met de vrije hand.
Vervolgens verdween hij, zonder verder acht op haar te slaan over de top van de heuvel en was niet meer te zien.
Maaike nam snel de beslissing dat ze in ieder geval naar de top van de heuvel zou rennen en voegde de daad bij het woord.
Bovengekomen, bereidde ze zich er op voor dat ze de monnik bijna ingehaald zou hebben maar tot haar verbazing stond deze al op de top van de volgende heuvel naar haar te wenken.
Dit was onmogelijk!
Deze afstand was lopend niet in zo’n korte tijd te overbruggen.
Zelfs een getrainde sportman zou dat niet gehaald hebben.
Maaike begon werkelijk te geloven in iets bovennatuurlijks, hoewel dat tegen haar nuchtere geest inging.
Een vaag geloven in leven na de dood, wilde nog niet zeggen dat ze de vertegenwoordigers daarvan op aarde verwachtte te ontmoeten.
De muziek was overigens weer verdwenen of in ieder geval volledig overstemd door het bulderen van de storm.
Het leek of de geest, of wat het dan ook was, op haar wachtte want hij liep pas verder toen Maaike een eindje zijn richting opgegaan was.
Bij de volgende heuveltop was de afstand tussen hen aanzienlijk afgenomen maar hij had wel het pad verlaten om het dal schuin over te steken.
Maaike keek achter zich om een paar herkenningspunten in haar geheugen te prenten en bleef hem op afstand volgen.
Na een kwartiertje was hij plotseling verdwenen in het niets.
Maaike had hem wel eens meer even niet gezien omdat een rotsblok of een struik het zicht op hem benam, maar deze keer leek hij echt verdwenen.
Of zou hij haar soms opwachten tussen de overblijfselen van het huis dat ze nu voor zich zag liggen?
Angstig en nieuwsgierig tegelijk sloop ze naar het huis.
Een stevige tak die ze zag, raapte ze op in de hoop dat die haar angst een beetje zou verminderen, wat maar zeer gedeeltelijk het geval bleek te zijn.
Langzaam naderde ze de ruïne, elke spier gespannen om bij het minste of geringste weg te vluchten of een klap met die tak uit te delen.
Ze was nu bij de opening waar eerst de voordeur had gezeten, aangekomen en weifelde of ze die zou doorgaan.
Ze had het gevoel dat haar hoofd, als ze dat voorzichtig om de hoek zou steken, afgehakt zou worden.
Belachelijk misschien, maar ze besloot voor een andere tactiek te kiezen.
Ze telde in stilte tot drie en sprong toen als een felle kat door de deuropening.
Ze gaf spontaan een gil door wat ze daar zag.
Aan een balk van het half vergane plafond bungelde een gehangene zachtjes heen en weer in de wind.
Een ogenblik leek het erop alsof ze alle controle over zichzelf zou verliezen en in hysterie zou losbarsten.
Ze dwong zichzelf rustig te blijven.
Met haar tak vast omklemd, naderde ze de gehangene en herkende de dronkaard uit de pub.
Het verband van de dokter zat nog om zijn hoofd.
Aan zijn jas was een briefje bevestigd en Maaike kwam iets dichterbij om het te kunnen lezen.
In sierlijke letters stond geschreven:
“Het uur van de wraak is aangebroken. Niemand zal het dorp levend verlaten tot de schuldigen gestraft zijn.
Getekend: de geest van Sean Bourke.”
Maaike voelde zich misselijk worden en verliet kokhalzend de ruïne
Buitengekomen, probeerde ze zich te oriënteren om de weg naar het dorp terug te vinden, terwijl de storm zijn onheilspellende gehuil liet horen.

Johan was erg geschrokken toen hij Maaike wilde ophalen en van weduwe Bourke te horen had gekregen dat ze het pad naar de heuvels opgegaan was.
Het vrouwtje vertelde dat ze haar weg had zien gaan toen ze toevallig door het raam naar buiten had gekeken.
Ze had er geen idee van waarom Maaike dat gedaan had en het ook niet kunnen vragen omdat ze slecht ter been was en haar nooit had kunnen inhalen, als ze dat eventueel gewild had.
Johan begreep er niets van.
Dit was niets voor Maaike om er zomaar vandoor te gaan.
Ze hadden duidelijk afgesproken dat ze naar de pub zouden gaan.
Hij maakte zich ongerust.
Er moest iets gebeurd zijn waardoor ze die beslissing genomen had.
Maar wat?
Hij was de eerste heuvel nog opgerend maar begreep, toen hij haar daar niet zag, dat het onverstandig was om op goed geluk verder te gaan.
Hij kende de omgeving niet en bovendien zou het over niet al te lange tijd donker worden.
Daarom snelde hij terug naar de pub om hulp te halen.
Niemand voelde er veel voor om er met deze storm op uit te trekken.
Eigenlijk was alleen Barend meteen bereid om met hem mee te gaan.
Ze kregen van de kastelein een zaklantaarn mee en het advies om niet van de paden af te wijken.
“Volgens mij zijn ze gewoon te bang om mee te gaan,” mopperde Barend.
Johan kon zich daar wel iets bij voorstellen en was in ieder geval blij de vertrouwenwekkende gestalte van de kolossaal groot uitgevallen Barend naast zich te hebben.
Het nadeel was alleen dat Barend met zijn logge lichaam niet zo snel kon lopen als Johan wel zou willen.
En er was hem alles aan gelegen om Maaike zo snel mogelijk te vinden.
Er werd niet veel gezegd onderweg.
Johan piekerde zich suf over wat Maaike er toe bewogen kon hebben om hier naar toe te gaan en Barend had gewoon al zijn adem nodig om Johan bij te houden.
Plotseling bleef Johan staan omdat hij meende in de verte iets te zien.
Barend tuurde ook in de aangegeven richting maar zag niets.
“Kijk dan!” riep Johan en wees nogmaals voor zich uit.
“Nou, ik zie niets hoor,” bromde Barend.
“Ik ren er in ieder geval naar toe,” sprak Johan gejaagd. “Als het inderdaad niets is, dan vind je me terug als je gewoon dit pad volgt en anders is het de moeite waard geweest om van dat pad af te wijken. Tot zo!”
En weg was Johan.
Barend bleef verbluft achter en vroeg zich af of het nog wel zin had om de rennende Johan te volgen.
Hij keek eens om zich heen.
De storm joeg over het verlaten land en rukte aan de struiken en een enkele boom.
De intredende duisternis gaf er een extra spookachtige dimensie aan.
In spoken geloofde Barend absoluut niet, maar het idee dat er nu twee jonge mensen ronddoolden die onbekend waren met de omgeving zat hem niet lekker.
Mopperend zette hij zich weer in beweging en volgde met zware tred het slecht begaanbare pad.
Johan was intussen al aardig opgeschoten en zag tot zijn vreugde inderdaad een gestalte voor zich die geheel in het zwart gekleed ging.
Misschien zou die persoon hem kunnen helpen of…
Ja, wat eigenlijk? Hij wist eigenlijk niet eens waarmee hij zou kunnen helpen.
Met zoeken misschien?
Hij zou waarschijnlijk de omgeving kennen en dat zou natuurlijk een voordeel zijn.
Johan rende naar de man toe tot deze zich plotseling omdraaide.
Geschrokken zag Johan dat het gezicht van de man schuilging achter een bivakmuts.
De man zei niets maar zette het op een lopen.
Johan aarzelde niet en zette de achtervolging in.
Hij was dan wel geschrokken van die bivakmuts, wat weinig goeds voorspelde, maar misschien had dat juist wel iets met de verdwijning van Maaike te maken.
Barend was in geen velden of wegen te bekennen maar ze renden nog steeds over het pad, dus uiteindelijk zou hij wel komen en dat stelde hem gerust.
Bovendien, als de man in het bezit van een vuurwapen zou zijn, dan zou hij dat wel gebruikt hebben en als het op vechten aankwam stond Johan met al zijn karatelessen, zijn mannetje.
Langzaam maar zeker haalde hij hem in.
De man, die blijkbaar merkte dat hij terrein verloor en dat verder rennen op den duur geen zin had, stopte en draaide zich om.
Hij haalde een mes tevoorschijn en wachtte in dreigende houding Johan op.
Deze zag het en minderde vaart.
“Ik heb geen kwade bedoelingen,” sprak Johan bezwerend. Ik heb juist je hulp nodig. Ik zoek mijn vriendin die verdwaald is. Heb je haar misschien gezien?”
De man dacht even na voor hij antwoord gaf.
“Donder op als je leven je lief is,” zei hij toen.
Johan kwam een stap naar voren en de man zwaaide dreigend met zijn mes.
“Nogmaals: ik vraag alleen je hulp. Ik heb geen wapens bij me. Kunnen we niet gewoon praten?”
De man kwam dreigend met zijn mes naar voren.
“Donder op of ik vermoord je!”
Op de een of andere manier had Johan het idee dat deze gemaskerde iets met Maaike te maken had en zelfs als dat niet het geval zou zijn, dan liet hij zich toch niet op deze wijze afschepen.
Onverwacht stootte de man met zijn mes naar voren.
Johan ontweek de aanval ternauwernood door opzij te springen en begreep dat het menens was.
Hij nam een aanvallende houding aan en draaide om de man heen in de hoop een aanval uit te lokken die hij zou kunnen afslaan, om dan een tegenaanval in te zetten.
De man tastte zijn tegenstander af met enkele korte schijnbewegingen.
Johan liet zich daardoor niet van de wijs brengen en wachtte zijn kans af.
Een plotselinge aanval deed hem opzij springen en hij wist in het voorbijgaan een gevoelige klap op de arm van de man te geven.
Johan kon door die bivakmuts het gezicht van zijn tegenstander niet zien maar hoorde aan een zacht gekreun dat het pijn gedaan moest hebben.
Het vervelende was alleen, dat de man het initiatief nu aan Johan overliet.
Deze bewoog wat met zijn armen en maakte af en toe een korte schopbeweging.
De man werd onzeker maar stak onverwacht in de richting van Johans buik.
Snel stapte hij opzij en weerde met een zijwaartse slag de arm met het mes af.
Met zijn andere arm verkocht hij een klap op het gezicht van de man.
De klap kwam niet helemaal goed aan maar de man verloor zijn evenwicht en viel op de grond.
Johan aarzelde niet en sprong boven op hem.
Hij greep de arm met het mes en duwde die tegen de grond.
Met de knokkels van zijn vrije vuist sloeg hij zo hard hij kon op de arm van de man.
Met een schreeuw van pijn liet deze het mes los.
Johan wou het pakken, lette daardoor even niet op en kreeg een knietje in de buik.
Snel rolde Johan opzij en wachtte, liggend op zijn rug, een eventuele aanval af.
Maar de man krabbelde overeind en rende weg, zo snel als hij kon.
Johan kwam met een van pijn vertrokken gezicht overeind en zette de achtervolging weer in.
De man verliet nu het pad en rende naar een omgevallen boom die over een beekje lag en klauterde daar overheen.
Johan had de boom bereikt nog voor de ander aan de overkant was.
Ook hij begon aan de oversteek, hoewel de boom vervaarlijk wiebelde.
Plotseling kantelde de boom een halve slag waardoor Johan zijn evenwicht verloor en op de een of andere manier raakte zijn been beklemd tussen de boom en de stenen langs het beekje.
In de boom was meteen geen beweging meer te krijgen.
Kennelijk had het zwaartepunt zich zo verplaatst dat de boom nu muurvast lag.
Geschrokken keek Johan of de ander hem misschien in deze weerloze houding zou aanvallen maar die had zich al uit de voeten gemaakt.
Johan probeerde zijn been los te krijgen maar dat lukte niet.
Zijn voet bleef ergens achter steken.
Het begon nu echt donker te worden en hij vroeg zich al af hoe hij de aandacht van Barend kon trekken als deze, het pad volgend, hem zou bereiken.
Gelukkig lag hij niet ver van het pad af en zou de storm zijn hulpgeroep in de richting van Barend blazen als deze langskwam.
Het duurde nog geruime tijd voor het schijnsel van een zaklantaarn de komst van Barend aankondigde.
Johan vertelde in het kort wat er gebeurd was.
Barend schudde alleen zijn hoofd en keek naar het been van Johan en naar de boom.
Hij duwde en trok even aan de boom en schudde weer zijn hoofd.
“Dat zal niet meevallen om je hier onder vandaan te krijgen,” sprak hij somber.
“Je bent vreselijk sterk dus ik heb er alle vertrouwen in,” moedigde Johan hem aan.
Hij had absoluut geen zin om hier een hele tijd op hulp te liggen wachten.
“Luister,” zei Barend. “Ik tel tot drie en zal dan uit alle macht tegen die boom duwen. Jij moet dan op de derde tel je voet wegtrekken. Maar doe het wel snel want ik kan hem waarschijnlijk niet houden.”
Barend zette zich schrap, telde tot drie en duwde toen uit alle macht.
De boom kwam in beweging maar niet genoeg.
Ook de poging daarna mislukte.
“Je geeft het toch niet op, hè,” vroeg Johan toen Barend er even bij ging zitten om uit te blazen.
Barend bescheen met de zaklantaarn de plek waar Johans been vast zat.
“Het is een kwestie van millimeters. Stom dat ik daar niet eerder aan gedacht heb.”
Hij boog zich voorover en frummelde aan Johans voet.
“Wat ben je aan het doen?” vroeg Johan.
“Ik probeer je schoen uit te trekken.”
“Au! Je trekt momenteel mijn voet eraf.”
“Ik krijg je schoen niet uit maar hij zit nu wel los om je voet. We proberen het nog eens.”
Barend installeerde zich weer bij de boom en concentreerde zich.
“Ik tel niet meer tot drie. Zodra je beweging in de boom voelt, trek je je been naar je toe.”
Johan keek naar Barend die een paar maal zachtjes tegen de boom duwde.
Plotseling stiet hij een soort oerkreet uit en beukte met alle kracht die hij bezat zijn lichaam tegen de boom.
Johan aarzelde niet en trok, ondanks de pijn, zijn been tussen de boom en de keien vandaan.
Net op tijd want de boom viel weer terug in zijn oude stand.
“Het is je gelukt!” juichte Johan. “Geweldig!”
Hij viste zijn schoen uit het ondiepe water bij de oever van de beek en gaf Barend daarna een dankbare klap op de schouder.
“We moeten terug naar de pub,” sprak deze. “Verder gaan heeft geen zin. En wie weet: misschien is ze daar al weer.”
“Je hebt gelijk. Laten we gaan. Bovendien: als Maaike er dan nog niet is, moet de politie wel op onderzoek uit gaan.”
De twee mannen volgden in het schijnsel van de zaklamp het pad terug naar de pub.
De storm gierde door de donkere avond en ze waren blij toen ze na geruime tijd het dorp weer bereikten.
Alleen, de opluchting over de goede afloop kon bij Johan de ongerustheid over Maaike niet wegnemen.
Zijn hart bonsde dan ook in zijn keel toen ze bij de ingang van de pub aankwamen.

hoofdstuk 1

Author: jeroenstamgast

 
De oude auto stond er verloren bij in de ruige uitgestrektheid van het lege land.
Het vehikel was niet bestand geweest tegen de slechte wegen die zich als een rafelig koord door het kale heuvellandschap slingerden.
De techniek had het afgelegd tegen de natuur.
Twee mensen scharrelden om de auto als nietige insecten die niet wisten hoe ze met hun lading verder moesten.
Een jongeman  boog zich over de motor en rommelde wat aan draadjes en uitsteeksels zonder precies te weten wat te doen.
Zijn vriendin had de moed al opgegeven, was weer in de auto gestapt en bekeek het sombere landschap door een modieuze zonnebril hoewel er geen spoor van zonnestralen te bekennen was.
De jongeman, Johan geheten, kwam onder de geopende motorkap vandaan en keek mistroostig naar de groengolvende einder alsof daar een oplossing te vinden was.
Plotseling gaf hij de auto een trap als om deze te straffen voor zijn onbetrouwbaarheid.
“Autopech!” riep hij boos. ”Nou, dat kan er ook nog wel bij in deze vakantie! Twee weken slecht weer was zeker nog niet genoeg.”
Hij veegde zijn handen af aan een papieren zakdoek en gooide die expres op de grond, in de natuur, medebederver van de vakantiepret.
Tenslotte richtte hij zich tot zijn vriendin Maaike die schijnbaar ook iets op haar kerfstok had.
“Ik hoor het je nog zeggen: laten we eens naar Ierland gaan. Interessant land, oude cultuur, prachtig landschap, pittoreske dorpjes, vriendelijke bevolking…”
Hij sloot de motorkap met een klap die verloren ging in de stilte van de grauwgroene heuvels, opende het portier en ging met een verongelijkt gezicht achter het stuur zitten.
 “…Maar als je een vriendelijke Ier  nodig hebt, is er natuurlijk nergens een te vinden. Hadden we mijn zin maar gedaan. Zaten we nu lekker in Spanje.”
Maaike keek naar Johan en deed langzaam haar zonnebril af zodat haar grote ogen goed uitkwamen.
“Ja, waren we maar naar Spanje gegaan,” smaalde ze. “Dan hadden we nu tenminste autopech in de brandende zon. Want autopech zouden we met dit wrak in ieder geval toch gehad hebben. Je weet dat ik deze geleende auto van het begin af aan niet vertrouwd heb. Ik was liever met je sportwagentje gegaan. Maar dat kon niet want die dikke uit zijn krachten gegroeide oom van je moest zo nodig mee op de terugweg. En die zou er in je sportwagentje niet bijpassen. Dus omdat jouw duistere oom zo nodig illegaal een dure auto en weet ik wat al niet meer, in Ierland wil verkopen en graag een goedkoop ritje terug wil hebben, rijden wij al twee weken rond in zo’n gammele brik!”
 “Nou ja,” opperde Johan vergoelijkend, “Hij zou gelijk een paar moeilijk verkrijgbare onderdelen voor mijn oude MG op de kop tikken.”
“Daar hebben we nou niet veel aan.”
Johan opende het handschoenentasje en haalde daar een kaart van Ierland uit.
“Aan ruziën hebben we ook niet veel. Laten we maar eens kijken of er een dorp met een garage in de buurt is.”
Hij volgde met zijn vinger op de kaart de weg die ze gereden waren.
“Wat een uithoek is het hier. Het dichtstbijzijnde dorp is op dat schiereiland daar. Dat lijkt me zeker wel twee uur lopen.
Ik weet niet of ik daar nu wel zo’n zin in heb.”
Maaike keek hem spottend aan.
“Nou jongen, dan bestel je toch een taxi. Of wacht: neem de bus of de tram. Dat is meteen een stuk goedkoper.”
 “Laten we maar gaan lopen dan,” bromde Johan en stapte uit.
Ze duwden de auto in de berm van de smalle weg en gingen zwijgend op pad.
De stilte was drukkend en Johan zocht naar een opening voor een gesprek.
“Ach, het is eigenlijk best wel lekker om even de benen te strekken.”
Hij legde een arm om haar schouder.
“En je hebt gelijk hoor. Ierland is overweldigend mooi, als je hier zo door dit lege gebied loopt waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan. Je zou echt niet zeggen dat we al bijna aan het eind van een millennium zitten.”
Maaike vlijde haar hoofd even tegen zijn schouder.
“Het is in ieder geval droog,” vervolgde Johan. “En wie weet: misschien valt het allemaal wel mee en zijn we met een uurtje weer terug met een takelwagen.”

 

Het was zeker vier uur later toen ze, krap gezeten in een bestelbusje met een vriendelijke Ier in de stromende regen, terug gingen naar de plek waar ze de auto achtergelaten hadden.
Deze bleek heel wat moeilijker te vinden dan je zou verwachten van een lange weg zonder zijwegen.
“Ik snap er niets van,” zei Johan. “Volgens mij hadden we er allang moeten zijn.”
“Misschien komt het doordat alles er een beetje anders uitziet in de regen,” opperde Maaike.
“Nee hoor, we zijn er al voorbij. Kijk, daar heb je die twee bulten in het landschap waarvan ik zei dat ze me ergens aan deden denken.”
“Ja inderdaad, die leuke opmerking herinner ik me nog. We moeten terug.”
Maaike legde verontschuldigend aan de Ier uit dat ze hun auto per ongeluk voorbij gereden waren.
Deze maakte daar geen punt van en keerde op de smalle weg.
“Zulke dingen kunnen nu eenmaal gebeuren,” zei hij berustend.
Maaike en Johan tuurden ingespannen naar de kant van de weg.
Ze snapten er niets van.
Zo’n auto kon toch niet zomaar verdwijnen?
En toch waren ze er langs gereden zonder hem te zien.
“Is dat hem soms?” vroeg de Ier plotseling en wees met z’n hoofd naar iets roods in de struiken, een paar meter van de weg af.
“Ja,” antwoordde Johan. “Dat moet hem zijn.”
De bestelauto stopte en Maaike en Johan stapten uit, waarna de Ier langzaam achteruit de berm inreed.
Johan liep om de struiken heen en constateerde dat de auto vanaf de andere kant inderdaad niet goed te zien was.
Bleef natuurlijk de vraag over, hoe dat ding daar dan terechtgekomen was.
“Misschien is hij van z’n handrem afgegaan en naar beneden gehobbeld,” veronderstelde Maaike.
“Een auto gaat toch niet zomaar uit zichzelf hobbelen en bovendien: zo stijl is het hier niet. Nee, ik denk eerder dat een groep opgeschoten kinderen dat gedaan heeft of zo. De deur kan niet op slot dus ze kunnen overal bij.”
“Waar haal jij die kinderen zo snel vandaan dan? Me dunkt dat het hier nogal onbewoond is. Bovendien zie ik ook geen sporen van kindervoeten op de grond.”
“De grond is vrij hard en grassig en daarom zie je geen voetafdrukken,” zei Johan, die altijd graag gelijk wilde hebben.
De Ier had intussen de auto met een trekkabel aan zijn eigen auto vastgemaakt en kwam bij Maaike en Johan staan.
Het regende nog steeds pijpenstelen.
“Dit zou het werk kunnen zijn van de geest van Sean Bourke,” sprak hij op samenzweerderige toon en keek peinzend voor zich uit.
“Wie zegt u?” vroeg Johan, die dacht dat de kennis van de Engelse taal hem in de steek liet.
“De geest van Sean Bourke,” herhaalde de Ier en maakte vooralsnog geen aanstalten om de zaak verder uit te leggen.
“Zullen we maar weer in de auto gaan zitten,” stelde Maaike voor. “Ik word zo onderhand drijfnat hier buiten.”
Maaike en Johan zetten al een stap in de richting van het bestelbusje maar de man bleef staan en begon te vertellen.
“Sean Bourke is een paar jaar geleden bij een brand om het leven gekomen. Sindsdien gebeuren er allerlei vreemde dingen bij ons in het dorp. Er zijn steeds meer mensen die denken dat de geest van Sean Bourke daar achter zit. En nu weer deze auto…”
“O, zit dat zo,” zei Johan en trok er een gezicht bij dat er geen misverstand over liet bestaan dat hij van de drie verklaringen voor het raadsel van de van plaats veranderde auto, dit toch wel de meest onwaarschijnlijke vond.

 
Een uurtje later stonden ze in de kleine garage van het dorp.
Het zag er armoedig en rommelig uit.
Overal verspreid lagen of hingen gereedschappen en auto-onderdelen.
De verlichting liet ook te wensen over en de lucht was doordrenkt van een penetrante geur van olie en benzine.
De garagehouder bekeek de defecte motor als een dokter die een patiënt onderzoekt.
Maaike en Johan keken gespannen naar het gezicht van de garagehouder in de hoop dat de bezorgde blik zou plaatsmaken voor een meer ontspannen variant.
Eindelijk kwam de man uit zijn gebogen houding overeind en veegde zijn handen af aan een doek die net zo vies was als zijn handen.
Hij pakte een flesje whiskey tussen de blikken olie vandaan, draaide de dop los, nam een slokje en spoelde dit een paar maal door de mond als om de tong wat losser te maken.
“Het spijt me voor jullie, maar het zal een paar dagen gaan duren. Ik moet morgen eerst onderdelen in de stad halen die ik niet voorradig heb. Eerder kan ik niet aan de slag. Ook een slokje?”
Hij hield Johan de fles voor maar die bedankte.
Hij baalde van deze vakantie.
Wat een ontspannen periode had moeten worden waarin ze weer eens tijd aan elkaar zouden besteden, ontaardde steeds meer in een geforceerd samenzijn.
De bezienswaardigheden konden Johan niet altijd boeien en als ze eindelijk eens in een gezellige pub zaten, hield Maaike het al snel voor gezien omdat ze niet van dat dronkemansgedoe hield.
Het vooruitzicht om een paar dagen in dit afgelegen gat vast te zitten, benauwde hem.
“Is er niet een andere garage die die onderdelen wel heeft?” vroeg hij op goed geluk. “Dan gaan we daar wel heen.”
“Zeker wel. Er is er een, 30 mijl hiervandaan. Maar die zal nu ook wel dicht zijn. Het loopt zo langzamerhand tegen de avond, hè.”
De man keek Johan begripvol aan.
“Ach, en wat is een paar dagen op een heel mensenleven nou, tenslotte. Wij zeggen hier altijd: God schiep de tijd en Hij maakte daar meer dan genoeg van.”
Maaike was intussen naar de deuropening gewandeld en keek naar het dorpje met de smalle straatjes.
Het regende niet meer en de pastelkleurige huisjes stonden er schilderachtig bij in de avondschemering.
Jammer nou dat Johan hier niet echt van kon genieten.
Ze hield echt wel van hem maar vond hem af en toe erg oppervlakkig en niet altijd gezellig.
Ze had wel eens het idee dat hij er liever met een paar vrienden op uit was getrokken dan met haar.
De garagehouder kwam bij haar staan, gevolgd door Johan.
“We wonen hier nu eenmaal in een afgelegen deel van het land. Maar als je deze straat uitloopt, kom je in ieder geval bij een leuke pub. Daar kun je ook wel een slaapplaats regelen.”
Maaike en Johan bedankten de garagehouder en gingen zwijgend op weg.
Het dorp bestond uit niet meer dan een hoofdstraat, waardoor zij nu liepen en hier en daar een zijstraatje dat ook geheel verlaten was.
Toch brandde achter lang niet elk raam van de kleine huisjes licht en Johan vermoedde wel dat menig bewoner in de pub zou zitten.
Wat moet je anders doen als je in zo’n achterlijke vlek op de landkaart woont waar niets te beleven valt, dacht hij.
Nou ja, voor de televisie hangen dan misschien.
Hij gaf de Ieren groot gelijk dat ze dan maar voor de pub kozen.
Een groot grauw uithangbord, dat er in vroeger dagen vast heel kleurig uitgezien moest hebben, gaf aan, dat het gebouw waar ze nu voorstonden, een ‘singing pub’ was.
Om het muzikale ervan nog eens te benadrukken, was er een cartoonachtige muzikant op afgebeeld die een accordeon zo’n beetje in tweeën trok.
Johan keek misprijzend naar het kunstwerk en hoopte dat dit inderdaad het geval zou zijn.
Zijn muziekkeuze was beslist een andere  dan die van de gemiddelde Ierse pubganger.
Hij opende de deur, schoof een kleed opzij, dat daar waarschijnlijk tegen de tocht hing en stond vervolgens in een lawaaierige ruimte die blauw stond van de rook.
Jong en oud zat of stond gezellig te praten en te drinken.
Het meubilair en de overige inboedel verkeerden in zo’n slechte staat dat ze die op een Amsterdamse rommelmarkt niet eens zouden durven aanbieden voor de verkoop.
“Dus dit is die gezellige pub waar die garagehouder het over had,” mopperde Johan.
Maaike keek hem eens aan.
“Het fijne van jou vind ik altijd, dat je bij een beetje tegenslag toch je goede humeur weet te behouden.”
“Goed goed. Ik begrijp de hint. Ik zal proberen te genieten van deze authentieke Ierse ontmoetingsplaats.
Ik zal me dus maar onder het volk begeven om een pilsje te gaan halen.”
Maaike zocht en vond een tafeltje met twee in slechte staat verkerende stoelen, die in ieder geval vrij waren.
Ze ging voorzichtig zitten en keek eens om zich heen.
Links van haar hing een Ier met zijn hoofd op tafel te slapen en rechts zaten twee mannen op brallerige wijze schuine moppen te tappen terwijl hun vrouwen zedig voor zich uit keken.
“Geef me toch maar iets waar geen alcohol inzit,” zei ze tegen Johan, die net terug kwam van de toog en twee pilsjes op tafel zette.
“Vanwege die daar zeker,” zei Johan en knikte met zijn hoofd naar de man die zijn roes uitsliep. “Nou, eerst moeten deze glazen leeg vóór ik nieuwe ga halen.”
Hij ging resoluut zitten.
Iets té resoluut voor de gammele stoel, die zich daarop spontaan van zijn rugleuning ontdeed zodat Johan achterover klapte, met zijn benen de tafel raakte en zodoende de glazen omgooide.
Maaike kon maar net haar lachen inhouden en Johan gaf geen krimp.
Hij krabbelde overeind en begaf zich opnieuw naar de toog.
“Oké Jij je zin. Ze zijn leeg.”
Bij aankomst bleek de eigenaar van het etablissement al twee nieuwe ‘pints’ voor hem in te tappen.
“Hier. Twee nieuwe van het huis. Jij kon tenslotte ook niet weten dat niet alle stoelen hier even stevig zijn. Hoe vind je het overigens in Ierland?”
 “Prachtig, maar wel een beetje regenachtig,” antwoordde Johan enigszins stuurs.
“Tja, wat dit land nodig heeft, is een dak erop. Hoe lang blijf je in ons dorp?”
“Een paar dagen maar, tot onze auto gerepareerd is. Kan ik hier ergens overnachten? O ja, en in plaats van dat bier een cola graag.”
De kastelein schoof een pint opzij en schonk een cola in.
“De enige ‘bed and breakfast’ die we hebben, is die van weduwe Bourke. Ik zal haar adres voor je opschrijven.”
Maaike was blij dat Johan weer bij haar kwam zitten.
Ze voelde zich niet erg op haar gemak.
“Ik heb al een adres gekregen waar we kunnen overnachten. Bij ene weduwe Bourke,” zei Johan.
“Die naam Bourke heb ik al eens eerder gehoord.”
De slaper aan het tafeltje naast hen ontwaakte plotseling, kwam met een schok overeind en schreeuwde luid: ”Sean Bourke!”
Even trok hij de aandacht van de hem omringende mensen maar al vrij snel ging men verder met waarmee men bezig was.
De man keek verward om zich heen en liet tenslotte zijn blik op Maaike en Johan rusten, die hem nog steeds geschrokken aankeken.
“Sorry als ik jullie liet schrikken maar ik droomde net over Sean Bourke. Afschuwelijk! Ik zag het weer helemaal voor me.”
Hij boog zich voorover naar Maaike en Johan.
“Hebben jullie wel eens iemand zien branden? Dus echt iemand in lichterlaaie zien staan?”
“Ik?” vroeg Johan. “Eh, nee.”
De man stond moeizaam op en schommelde naar de  uitgang.
“Ik ga even een luchtje scheppen.”
Johan keek hem na.
“Een luchtje scheppen? Ga liever je roes uitslapen. Nou ja, ik ga even bellen naar het afgesproken adres. Kijken of ome Barend er al is.”
Hij stond zuchtend op en ging weer richting toog.
“Dan zal ik hem zeggen dat hij alvast hierheen moet komen. Anders halen we de boot terug naar Nederland niet eens.”
“En als hij eventueel geen zin heeft om hierheen te komen: niet aandringen hoor. Gaan we lekker met z’n tweetjes naar huis,” riep Maaike hem na.   
Johan was nog niet weg, of iemand anders meldde zich al bij Maaike.
“U bent toch niet al te erg geschrokken, hoop ik,” vroeg een oude man.
“Nee hoor. Wat is dat toch met die Sean Bourke?”
De man ging er eens goed voor zitten, haalde een pijp tevoorschijn en begon die te stoppen.
“Het is al weer een paar jaar geleden dat het gebeurde. Aan de rand van het dorp staat een kleine fabriek. Op een kwade dag brak er brand uit.”
Hij haalde een doosje lucifers voor de dag en stak de brand in zijn nu gestopte pijp.
“Alle werknemers wisten zich te redden, behalve Sean Bourke. Die zat in een nogal geïsoleerd gedeelte van de fabriek en niemand had de moeite genomen om hem te waarschuwen. Alleen die man van daarnet had hem nog even gezien, brandend als een fakkel.”
Johan was inmiddels weer aan tafel gaan zitten en luisterde met een half oor naar het vervolg van het verhaal.
“Maar nu komt het eigenaardige: het lichaam is na de brand nooit gevonden en volgens sommigen waart de geest van Sean Bourke rond om wraak te nemen op diegenen die hem hebben laten branden.”
De man keek eens om zich heen en boog zich voorover naar Maaike en Johan.
“Vooral de laatste tijd gebeuren er dingen die niet te verklaren zijn,” sprak hij op gedempte toon.
Alsof het afgesproken was, werd plotseling het gordijn bij de buitendeur opzij geschoven en de man die net een luchtje was gaan scheppen, kwam hevig bloedend aan het hoofd met een luide gil binnenstormen.
Verdwaasd keek hij om zich heen.
“Sean Bourke! De geest van Sean Bourke!”
Er ontstond een licht tumult in de pub en de mensen verzamelden zich om hem heen.
Hij werd bestookt met vragen.
“Wat is er gebeurd?”
“Heb je hem gezien?”
“Wat zei hij?”
De man werd iets rustiger toen hij de vertrouwde gezichten van alledag weer om zich heen zag en bracht verslag uit van zijn belevenissen.
“Ik heb hem niet gezien maar hij was het! Dat weet ik zeker. Hij gooide iets naar me.”
Iemand van de omstanders, wellicht een dokter, betastte de wond aan het hoofd.
“Je bloedt inderdaad behoorlijk. Ik zal er wel even naar kijken. Maar vertel intussen gewoon verder.”
“Ik wandelde langs het kerkhof en plotseling zag ik iets bewegen. Het volgende ogenblik werd ik door iets geraakt.”
“Wat een onzin,” sprak Johan tegen niemand in het bijzonder. “Volgens mij is hij gewoon ergens met zijn dronken kop tegenaan gelopen.”
De mensen keken hem verontwaardigd aan en een van hen ging zelfs bijna dreigend tegenover hem staan.
“Luister, vreemdeling. Ik weet dat sommige dingen eigenaardig overkomen voor een buitenstaander, maar hou er rekening mee dat er hier wel meer dingen gebeuren die vreemden niet begrijpen.”
Johan wou wat terugzeggen maar Maaike was hem vóór.
“Ik heb de indruk dat jouw mening hier niet erg op prijs gesteld wordt. Laten we liever naar die bed and breakfast gaan om te kijken of we er terecht kunnen.”
Johan keek nog eens misprijzend naar de menigte en volgde Maaike naar buiten, waar een serene rust heerste.
Ze wandelden gearmd in de aangegeven richting.
Het was doodstil in de smalle hoofdstraat, slechts de geluiden uit de pub klonken vaag op de achtergrond.
Er was geen zuchtje wind te bekennen en een grijze nevel nam langzaam maar zeker bezit van het dorp.
Maaike genoot van de geheimzinnige sfeer die zo ontstond.
“Als je hier zo door die stille mistige straat wandelt, zou je inderdaad in geesten en andere verschijnselen gaan geloven,” sprak ze dromerig.
Johan keek haar spottend aan.
“Begin jij nu ook al? Als je in dit achterlijke dorp niet onvoorwaardelijk in geesten gelooft, moeten ze je meteen niet meer. Zag je hoe ze naar me keken, daarnet in die pub?”
“Nou ja, je stelde je nou ook niet bepaald diplomatiek op.”
“Dus als je niet in al die bijgelovige onzin gelooft en er een gezonde mening op nahoudt, ben je niet diplomatiek.”
Johan schudde het hoofd en keek naar een paar typische keltische kruisen die uit de nevel opdoemden.
“Kijk, een kerkhof,” wees Johan. ”Nou zou ik dus eigenlijk minstens een lijk moeten zien dat stiekem uit zijn graf kruipt, om er hier een beetje bij te kunnen horen.”
“Stil eens,” onderbrak Maaike hem.
“Wat is er?” vroeg Johan en keek in de richting waarnaar Maaike keek.
“Ik dacht dat ik iets hoorde.”
“Ja hoor! Het is besmettelijk. Het angstvirus grijpt al om zich heen. Nog even en… Hé, wat is dat?”
Onwillekeurig hielden Maaike en Johan elkaar iets steviger vast.
Ook Johan betrapte zich erop dat hij zich alles behalve op zijn gemak voelde. 
 “Hoor je ook wat?” vroeg Maaike ongerust.
Johan gaf geen antwoord maar liep naar een boom en Maaike dus ook.
Ze zagen een bijl die in de boom geslagen was.
Normaal gesproken niet iets om je over op te winden maar nu, onder deze omstandigheden had het iets lugubers.
Johan bekeek de bijl eens goed en schrok.
“Er zit bloed aan.”
Hij wilde de bijl uit de boom trekken om hem van dichtbij nog eens goed te bekijken maar Maaike hield hem tegen.
“Niet aankomen! Als dit inderdaad dat  ‘ding’ is waarmee die dronkelap geraakt is, zitten er misschien ook vingerafdrukken op.”
“Ik dacht dat geesten geen vingerafdrukken hadden,” spotte Johan, die zijn nuchterheid hervonden had.
“Nee, maar dan zouden die van jou er lekker overheen zitten, hè,” bitste Maaike, die ook weer bijna in gewone doen was.
Het plotselinge kraken van een tak deed hen echter weer schrikken.
Ze waren inmiddels helemaal ingesloten door de mist en zagen alleen nog maar de boom met die bebloede bijl erin.
Gespannen wachtten ze af of ze nog iets te horen of te zien kregen maar het bleef akelig stil.
Het was Maaike die de stilte verbrak.
“Laten we teruggaan naar de pub en die lui daar vertellen wat we gevonden hebben. Dan kunnen zij eventueel de politie waarschuwen.”
Johan stemde daarmee in en zo kwamen ze weer terug in de rokerige ontmoetingsplaats waar het voorval van daarnet vergeten leek te zijn.
Ze keken de zaak eens rond.
Aan wie moesten ze dat nou vertellen van die bijl?
Je kon toch moeilijk zomaar door de pub heen schreeuwen dat je een bijl in een boom gevonden had.
Johan keek vragend naar Maaike.
Deze wees naar de dronkelap van daarnet, die nu een verband om zijn hoofd had en met de dokter aan de bar stond te praten.
Johan stevende erop af en vertelde aan de dokter wat ze gezien hadden.
“En wie zegt dat die bijl van Sean Bourke is?” vroeg deze koel.
“Sean Bourke!” schreeuwde de dronkelap vanachter zijn verband en keek met verwilderde ogen de zaak rond, waarna hij een flinke teug guinness achterover sloeg.
Van alle kanten kwamen mensen toelopen.
“Wat is er nou weer?” vroeg er een, lichtelijk geïrriteerd
“Ach, deze vreemdeling hier beweert dat hij een bijl gezien heeft die Sean Bourke toebehoort,” legde de dokter uit.
 “Dat beweer ik helemaal niet,” reageerde Johan verontwaardigd. “Dat maken jullie
ervan. Ik zeg alleen maar dat wij een bijl gevonden hebben waarmee die man misschien geraakt is. Er zit in ieder geval bloed aan.”
“Waar was dat dan?” vroeg iemand van de omstanders.
“In een boom bij het kerkhof.”
“Welke boom?”
“Weet ik veel! Ik had twee meter zicht en het barst daar van de bomen.”
Er was wat geroezemoes tot iemand naar voren kwam.
“Sheehan is de naam. Ik ben van de politie hier. Ik loop wel even met jullie mee om te kijken.”
De mensen mompelden nog wat na en lieten duidelijk blijken niet veel interesse te hebben in de ontdekking van Maaike en Johan.
Ook de heer Sheehan leek niet erg enthousiast en het vervelende was dat ze in de mist de boom met de bijl niet terug konden vinden.
“Ik denk dat ik maar weer eens terugga,” bromde Sheehan ter afsluiting van hun speurtocht. “Jullie zullen het je wel verbeeld hebben onder invloed van de verhalen van daarnet. Sommige mensen menen dan opeens van alles te zien.”
En weg was hij, opgeslokt door de mist.
Johan en Maaike keken elkaar eens aan.
Maaike moest er eigenlijk een beetje om lachen maar Johan was boos.
“Nou wordt ie helemaal mooi! Zelf geloven ze in elfen, kabouters, geesten en weet ik wat al niet meer. Maar als iemand van buiten dit ellendige oord ook eens iets ziet, dan zal hij het zich wel verbeeld hebben…”
Maaike gaf Johan een arm.
“Kom, laten we maar naar die bed and breakfast gaan voor het te laat wordt. Als de mist morgen opgetrokken is, zullen we nog wel eens op zoek gaan naar die bijl.”
Ze wandelden zwijgend voort tot Maaike iets te binnen schoot.
“Zeg, je hebt me nog niet verteld of je je oom nog aan de telefoon gehad hebt in de pub daarnet.”
“Hm,” mompelde Johan. “Het was een kort gesprek.”
“Hoezo? Ik dacht dat het dik aan was tussen jullie twee.”
“Hij baalde ervan dat hij op eigen gelegenheid  helemaal hier naar toe moet zien te komen.”
“En toen heb jij hem natuurlijk gezegd dat hij dan maar beter helemaal op eigen gelegenheid naar huis toe kan gaan.”
Maaike keek Johan aan met een mengeling van spot en toch ook verwachting.
“Nee,” antwoordde Johan geërgerd “Je weet best dat hij in ruil voor een gratis terugtocht, voor mij moeilijk verkrijgbare onderdelen voor mijn sportwagentje zal regelen. Die moeten we nog ergens ophalen onderweg.”
“Heb je hem nog gevraagd of het hem nog gelukt is met die onderdelen?”
“Nee, maar hij houdt zich heus wel aan zijn afspraak. Wat heb je toch tegen die man?”
“Niets, maar ik vind het een lompe onbehouwen beer en ik had het zo leuk gevonden om samen met jou de vakantie af te sluiten.”
Maaike trok een verongelijkt gezicht en dat van Johan stond op onweer.
Het was weer eens zover.
Ze hadden weer eens iets gevonden om je over op te winden.
Johan verlangde opeens enorm naar een avondje alleen stappen in de binnenstad van Amsterdam en Maaike vroeg zich vertwijfeld af wanneer ze voor het laatst een gesprek van enig niveau hadden gehad.
Weemoedig dacht ze terug aan de nachtenlange gesprekken die ze vroeger met haar studiegenoten voerde.
Ze keek even naar opzij.
Zou het echt alleen het knappe sportieve uiterlijk geweest zijn en dynamiek tegenover voorspelbaarheid?
“Daar is het huis,” onderbrak Johan haar mijmeringen. Er brandt licht dus de weduwe zit niet in de pub.”
Hij belde aan en de deur werd meteen daarna geopend door een oud vrouwtje met een jas aan en een grote boodschappentas aan haar arm. 
Ze keek verstoord naar hen.
“Wij zoeken een plaats om te overnachten en we hebben uw adres opgekregen. Komt het gelegen?” vroeg Johan voorzichtig.
Het vrouwtje zuchtte en trok haar jas uit.
“Kom binnen.”
Ze ging hen voor naar een trap en wees met haar hoofd.
“De kamer is boven, links van de trap. Ik kom straks lakens en dekens brengen.”
Maaike en Johan gingen de trap op en ontdekten dat er een keuze was tussen twee deuren.
“Welke zou ze bedoelen?” vroeg Maaike.
“Gewoon proberen, dan weten we het zo,” besliste Johan en opende op goed geluk een van de twee deuren.
Hij stapte naar binnen maar bleef als aan de grond genageld staan.
“Wat heb jij opeens?” vroeg Maaike die bijna tegen hem opbotste.
“Ie-iemand heeft zich opgehangen, geloof ik,” hakkelde Johan geschrokken.
Maaike wrong zich tussen Johan en de deurpost door en wierp ook een blik in de duistere kamer.
Ze vond op de tast een lichtknopje en drukte dat in.
In de nu verlichte kamer bleek dat Johans lijk niets anders was dan kleren die aan een haak aan het plafond hingen.
“Ziedaar je gehangene,” wees Maaike triomfantelijk.
Johan trok slechts een zuur gezicht.
“Het is hier trouwens wel ongelooflijk stoffig, zeg,” vervolgde Maaike. “Het lijkt wel of er jaren niets aan gedaan is.”
Johan gaf geen antwoord en opende de andere deur, die toegang gaf tot een eenvoudige maar fris opgeruimde kamer.
“Raar hè,” vond Maaike, die zich bij Johan voegde. “Wat zou daar nou de bedoeling van zijn om zo’n kamer niet te gebruiken en te laten vervuilen?”
“Misschien woont de geest van Sean Bourke daar wel. Wat interesseert mij dat nou! Ik heb zin om eens lekker een uurtje te gaan liggen en om daarna een gezellige borrel te gaan halen in de pub.”
Hij strekte zich uit op het onopgemaakte bed.
Op dat moment kwam het vrouwtje de kamer binnen met lakens en dekens.
“Ik zal even de bedden opmaken. Misschien hebben jullie daarna trek in een kopje thee?”
“Graag mevrouw,” antwoordde Maaike snel en keek vals naar Johan, die wilde bedanken voor de eer.
“Zoveel bezoekers komen hier niet,” sprak het vrouwtje, terwijl ze de bedden opmaakte. “Waar komen jullie vandaan?”
“Uit Nederland,” antwoordde Maaike. “We hebben pech met de auto en moeten een paar dagen hier blijven tot hij gerepareerd is.”
“Hoe vinden jullie het hier?”
“Prachtig maar wel een beetje afgelegen.”
“En dan al die verhalen over die geest van Sean Bourke! Ik word er zo langzamerhand beroerd van,” vulde Johan aan.
“Sean was mijn zoon,” zei het vrouwtje droog.
“O, sorry.”
Johan kreeg het gevoel dat hij de rest van de dag maar beter zijn mond kon houden.
Het vrouwtje glimlachte droevig naar Johan.
“Dat kon jij ook niet weten. Laten we maar naar beneden gaan. De thee zal wel getrokken zijn.”
Ze ging hen voor en wees naar de deur, die ze daarnet per ongeluk geopend hadden.
“Dat was zijn kamer. Ik heb alles in de oorspronkelijke staat gehouden. Zo heb ik het gevoel dat hij er toch nog een beetje is.”
Ze keek Johan, die een zo neutraal mogelijk gezicht trok, een ogenblik doordringend aan en ging toen de trap af.
“Suiker en melk?” vroeg ze, toen ze even later in de armoedige maar niet ongezellige kamer zaten.
Geef mij maar een kruik jenever, dacht Johan maar hij zei vriendelijk: “Alleen suiker graag.”
“Ik ook,” zei Maaike. “U woont hier leuk.”
“Om eerlijk te zijn was ik na de dood van Sean liever verhuisd maar het geld daarvoor ontbreekt me. Hebben ze in het dorp nog over me geroddeld?”
“Nee hoor,” zei Maaike. “Doen ze dat dan?”
“Ach, het valt eigenlijk wel mee. Laten we zeggen dat de verstandshouding sinds mijn zoons dood verstoord is.”
Maaike en Johan zwegen even en het vrouwtje vervolgde: “Ja ja, daar is een hele geschiedenis aan vooraf gegaan. Mijn zoon Sean is omgekomen bij een brand in de fabriek hier. Eerst zou er een uitgebreid onderzoek komen omdat er verdenkingen waren tegen de directeur en een collega van Sean. En plotseling was dat allemaal niet meer nodig. Nou vraag ik jullie: hoe kan dat?”
“Ik zou het niet weten,” zei Johan.
“De zaak is gewoon in de doofpot gestopt met behulp van connecties van de directeur. De hoge heren beschermen elkaar in dit soort gevallen. Ook al gaat dit ten koste van onschuldige mensen en het rechtsgevoel.”
“Maar wat voor soort verdenkingen waren er dan?” vroeg Maaike. “En waarom wilden ze uw zoon kwaad  doen?”
“De directeur werd ervan verdacht zijn fabriek zelf in brand gestoken te hebben om het verzekeringsgeld op te kunnen strijken. En wat Sean betreft: ze hadden een hekel aan hem omdat hij wel eens kritiek had op de gang van zaken daar. Bovendien studeerde hij. De fabriek was vakantiewerk en dan lig je er bij domme mensen al snel uit,” zei het vrouwtje met een bittere trek om de mond.
“Denkt u dat ze uw zoon expres hebben laten omkomen in de brand?” vroeg Maaike.
“Ik denk het niet, ik weet het!” snauwde het vrouwtje.
Haar ogen schoten vuur en schreeuwden om wraak.
Maaike schrok ervan.
Het vrouwtje zag dat en schrok daar weer van. 
“Neem me niet kwalijk. Ik liet me even gaan. Ik spreek er eigenlijk nooit over en zeker niet met de gasten die hier af en toe komen. Nogmaals mijn excuses. Willen jullie nog een kopje thee?”
Johan stond op.
“Nee, dank u. Wij willen nog even een avondwandelingetje maken.”
Het vrouwtje stond ook op en liep met hen mee naar de deur.
“Een prettige wandeling jullie beiden. Hier heb je de sleutel van het huis. Ik denk dat ik al in bed lig als jullie terugkomen.
En laat je niets wijs maken door die lui van het dorp hoor.”
Ze keek ze na tot ze in de dichte mist verdwenen waren.
“Wacht even,” fluisterde Johan.
“Waarom?” vroeg Maaike verbaasd.
“Omdat ze volgens mij ook op pad gaat.”
“Hoe weet je dat?”
“Toen we aanbelden, had ze haar jas aan en een grote tas bij zich.”
“Nou, en wat dan nog?”
“Ik wil gewoon weten wat ze gaat doen.”
Maaike zuchtte diep.
“Je gaat toch geen detective spelen, he?
“Als ze niet binnen een kwartier de deur uitgaat, gaan we weg. Ik ben gewoon nieuwsgierig.”
Johan sloop terug naar het huisje.
Maaike zuchtte nog eens en volgde Johan toen maar.
Na een aantal minuten, die uren leken te duren, ging plotseling de deur open en het vrouwtje kwam inderdaad naar buiten met diezelfde boodschappentas van eerder op de avond.
Maaike en Johan doken weg achter een muurtje.
Het vrouwtje keek nog even om zich heen en verdween toen met snelle tred.
Johan en Maaike volgden zachtjes maar waren haar vrijwel direct kwijt in de dichte mist.
“En nou heb ik er genoeg van,” fluisterde Maaike. “Kom op. We gaan.”
Johan aarzelde even maar volgde Maaike, die al weg was.
Hij gaf haar een arm.
“Zie je wel,” zei hij.
“Wat nou: zie je wel. Wat wil je eigenlijk bewijzen? Dat ze nog even weggaat? Dat doen wij toch ook.”
“Ja, maar zij  zei dat ze vroeg naar bed zou gaan.”
“Dat klopt. Maar ze zei niet dat ze dat ogenblikkelijk na ons vertrek zou doen. Misschien is ze wel even naar een vriendin toe.”
“Het zou natuurlijk kunnen,” mompelde  Johan. “Maar ik vind het verdacht.
Zwijgend vervolgden ze hun weg naar de pub.
Bij binnenkomst werden ze meteen verwelkomd door de garagehouder.
“Ha, daar hebben we onze autocoureurs! Hoe is het? Ik heb gehoord dat jullie onderdak hebben gevonden bij weduwe Bourke.”
Ze stonden aan de tap en Johan bestelde wat te drinken.
“Hoe is het met haar?” vroeg de garagehouder verder. “Ze heeft zeker flink over het dorp geroddeld?”
“Nee hoor,” antwoordde Maaike. “En ik heb echt met haar te doen. Ze staat er helemaal alleen voor.”
De garagehouder nam een flinke slok van zijn guinness.
“Ja, dat is wel zo. Maar het is ook een beetje haar eigen schuld. We hebben in het begin echt geprobeerd om haar te helpen. Maar in plaats van een beetje dankbaarheid te tonen, kregen we allerlei verwijten naar ons hoofd geslingerd. Net alsof het onze schuld was dat Sean dood is. Nou ja, en dat werd steeds erger. Op het laatst lieten we het maar zo.”
Op dat moment kwam er een man met een gitaar en een pint bier langs en de garagehouder beschouwde het gesprek als beëindigd
“Hé Ronnie! Ga je spelen vanavond?”
De garagehouder sloeg een arm om de schouder van de gitarist en liep met hem mee.
Ronnie zette een barkruk op een verhoginkje en ging daar met zijn gitaar op zitten.
Tijdens het stemmen van zijn gitaar verstomden de meeste gesprekken en, eenmaal begonnen met het zingen van Ierse ballades, drank- en strijdliederen, kreeg hij veel aandacht en bijval.
Ook Maaike en Johan genoten van dit onverwachte optreden.
Ronnie had een mooie stem en er hing een ontspannen sfeer, waarin jong en oud zich thuis voelden.
Het laatste nummer  werd door veel mensen meegezongen en meegeklapt.
Johan gaf Maaike spontaan een zoen en Maaike lachte vrolijk naar hem.
Een wildvreemde man gaf Johan een vriendschappelijke klap op de schouder en knikte vriendelijk naar Maaike.
“Morgen wordt het nog gezelliger. Dan komt er een band spelen,” zei hij.
Maaike keek naar Johan.
“Zullen we dat inderdaad ‘morgen’ maar gaan meemaken? Ik val om van de slaap.”
Johan geeuwde instemmend.
“Ja, ik heb eigenlijk ook wel behoefte aan een bed. Het is een drukke dag geweest.”

 
De lichten in het huisje van weduwe Bourke brandden niet  en Maaike en Johan slopen de trap op om het vrouwtje niet wakker te maken.
Johan kleedde  zich snel uit en dook direct onder de dekens want het was fris in de kamer.
Maaike verzorgde zich nog wat bij de wastafel en bestudeerde zichzelf in de spiegel.
Toen ze tien minuten later naast Johan kroop, was deze al vertrokken.
Maaike luisterde naar zijn regelmatige ademhaling en gaf hem een nachtzoen.
Ze kon de slaap niet meteen vatten en luisterde naar de doordringende stilte.
Langzaam doezelde ze weg maar plotseling opende ze haar ogen en spitste de oren.
Hoorde ze gefluister?
Ze kon het niet opbrengen om het bed uit te gaan maar ze luisterde wel ingespannen.
Er was niets meer te horen en haar ogen vielen weer dicht.
Ik zal het me wel verbeeld hebben, dacht ze en zonk weldra weg in een diepe slaap.
Het openen en sluiten van de buitendeur en het kraken van de traptreden vonden moeiteloos een plaats in haar droom.